5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Gij dan, lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus.
2 Timotheüs 2:3
Wij geraken somtijds in geestestoestanden waarin wij iets meer dan troost behoeven. Een kind zou niet groeien, zo het altijd met snoeperijen gevoed werd. Het heeft lichaamsoefening nodig en moet aan het weder worden blootgesteld; de koude wind moet het in ’t gelaat blazen, en het moet gehard worden, zodat het zowel de koude als de felle vorst kan verduren. Zo wordt het kind van God ook niet altijd vertroeteld en met tekenen van liefde gevoed. Het wordt niet altijd gedragen aan de warme borst of gezoogd door de borsten der vertroosting, maar het moet lessen ontvangen die het tot krijgsman geschikt maken.
Wij weten het: de soldaat heeft met moeilijkheden te kampen. Hij moet de gehele nacht op het natte gras kamperen; hij wordt gekweld door honger en dorst, en hij is verkleumd van koude; hij moet vermoeiende marsen maken; het bulderen van het kanon, het fluiten der geweerkogels, het vloeken en het geschreeuw van de kapiteins horen; hij moet het flikkeren zien van het opgeheven zwaard om hem te vellen, en de bajonet op zijn borst zien, ja, smartelijke en gevaarlijke wonden voelen.
Zo ook is het met de geestelijke krijgsman in Gods legerplaats. Hij moet ook honger en dorst, koude, naaktheid en allerlei ontberingen lijden; geschoten worden door de pijlen van de laster en de vurige schichten van de satan; marsen maken in een vijandelijk land; smartelijke wonden verdragen, en juist door die oefeningen leren een echt krijgsman te worden. Alleen voor zover hij dus geestelijk geoefend is, kan hij de krijgsdienst leren; kan hij weten hoe te vechten en waarlijk strijd te voeren onder de banieren des Heeren tegen de vijanden zijner zaligheid.
Ik zal, omdat G’ in bange dagen
mijn toevlucht waart, van U gewagen;
van U, mijn sterkte, zij mijn zang
en snarenspel mijn leven lang.
Ik heb in nood, aan God verbonden,
in Hem mijn hoog vertrek gevonden.
Ps. 59:10
Aan de lezer…
Hoe vaak bent u al moe geworden van de strijd? Vraagt u zich af waarom de koude wind u zo in het gelaat blaast, waarom de troost zo schaars is en de pijlen van laster en verzoeking u zo dikwijls treffen? Denk dan niet te snel dat de Heere u vergeten is. Een kind dat alleen vertroeteld wordt, groeit niet; en een krijgsknecht leert de dienst niet in het warme huis.
Die harde lessen zijn niet zonder doel. Door de honger en de dorst, door de lange marsen in vijandelijk land en door de wonden die u draagt, leert u strijden onder de banieren des Heeren tegen de vijanden uwer zaligheid. Het is niet uw kracht waarop het rust, maar Zijn hand die u oefent. Lijd dan verdrukkingen als een goed krijgsknecht van Jezus Christus. Hij weet wat u draagt, en Hij Die u in de strijd gesteld heeft, zal u erdoor brengen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gij dan, lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus.
2 Timotheüs 2:3
Soms komen wij in geestelijke toestanden waarin wij iets meer nodig hebben dan troost. Een kind zou niet groeien als het altijd met snoep gevoed werd. Het heeft lichaamsbeweging nodig en moet aan het weer worden blootgesteld. De koude wind moet het in het gezicht blazen, en het moet gehard worden, zodat het zowel de kou als de felle vorst kan verdragen. Zo wordt ook het kind van God niet altijd vertroeteld en gevoed met tekenen van liefde. Het wordt niet altijd aan de warme borst gedragen of gezoogd aan de borsten van de vertroosting, maar het moet lessen ontvangen die het geschikt maken om een krijgsman te zijn.
Wij weten het: de soldaat heeft met moeilijkheden te kampen. Hij moet de hele nacht op het natte gras kamperen. Hij wordt gekweld door honger en dorst en is verkleumd van de kou. Hij moet vermoeiende marsen maken. Hij moet het bulderen van het kanon horen, het fluiten van de geweerkogels, het vloeken en het geschreeuw van de officieren. Hij moet het opgeheven zwaard zien flikkeren dat hem wil vellen en de bajonet op zijn borst zien, ja, pijnlijke en gevaarlijke wonden voelen.
Zo is het ook met de geestelijke krijgsman in Gods legerplaats. Ook hij moet honger en dorst, kou, naaktheid en allerlei ontberingen lijden. Hij wordt getroffen door de pijlen van de laster en de vurige pijlen van de satan. Hij moet marsen maken in een vijandelijk land en pijnlijke wonden verdragen, en juist door die oefeningen leert hij een echte krijgsman te worden. Alleen voor zover hij zo geestelijk geoefend is, kan hij de krijgsdienst leren. Alleen dan kan hij weten hoe hij moet vechten en werkelijk strijd moet voeren onder de banieren van de Heere tegen de vijanden van zijn zaligheid.
Ik zal, omdat G’ in bange dagen
mijn toevlucht waart, van U gewagen;
van U, mijn sterkte, zij mijn zang
en snarenspel mijn leven lang.
Ik heb in nood, aan God verbonden,
in Hem mijn hoog vertrek gevonden.
Ps. 59:10
Aan de lezer…
Hoe vaak bent u al moe geworden van de strijd? Vraagt u zich af waarom de koude wind u zo in het gezicht blaast, waarom de troost zo schaars is en de pijlen van laster en verzoeking u zo vaak treffen? Denk dan niet te snel dat de Heere u vergeten is. Een kind dat alleen vertroeteld wordt, groeit niet; en een soldaat leert de krijgsdienst niet in een warm huis.
Die harde lessen zijn niet zonder doel. Door de honger en de dorst, door de lange marsen in vijandelijk land en door de wonden die u draagt, leert u strijden onder de banieren van de Heere tegen de vijanden van uw zaligheid. Het rust niet op uw kracht, maar op Zijn hand die u oefent. Lijd dan verdrukkingen als een goed krijgsknecht van Jezus Christus. Hij weet wat u draagt, en Hij Die u in de strijd geplaatst heeft, zal u erdoorheen brengen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thou therefore endure hardness, as a good soldier of Jesus Christ.
2 Timothy 2:3
We often get into states and frames of mind, where we need something else besides consolation. A child would not grow, if it were always fed upon sweets. It must have exercise, and be exposed to the weather, and have the cold winds blow upon its face, and be hardened, so as to enable it to bear the chill winter and the nipping frosts.
So the child of God is not always petted, and fed upon love-tokens. He is not always carried in the warm bosom, or nursing the breasts of consolation, but he has to learn lessons to fit him to be a soldier. The soldier, we know, has to endure hardships. He has to lie all night upon the wet grass; to be pinched with hunger, parched with thirst, and nipped with cold; to make demanding marches; to hear the roar of the cannon and the whistling of the bullets, “the thunder of the captains and the shouting;” to see the flash of the saber uplifted to cut him down, and the glitter of the bayonet at his breast, aye, and to feel painful and dangerous wounds.
So with the spiritual soldier in God’s camp. He has to hunger and thirst, to suffer cold, nakedness, and hard privations, to be shot at by the arrows of calumny and the fiery darts of Satan, to make demanding marches through an enemy’s country, to suffer painful wounds, and by these very exercises learn to be a soldier. Only so far as he is thus exercised spiritually can he learn the art of war, can he know how to fight and make effectual battle under the banners of the Lord against the enemies of his salvation.
To the reader…
How often have you grown weary of the battle? Do you wonder why the cold wind blows so hard in your face, why comfort is so scarce and the arrows of slander and temptation strike you so often? Then do not be too quick to think that the Lord has forgotten you. A child that is only ever pampered does not grow; and a soldier does not learn warfare in a warm house.
Those hard lessons are not without purpose. Through the hunger and thirst, through the long marches in enemy country and through the wounds you bear, you learn to fight under the banners of the Lord against the enemies of your salvation. It does not rest on your strength, but on His hand that trains you. So endure hardness as a good soldier of Jesus Christ. He knows what you carry, and He Who has placed you in the battle will bring you through it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Tú pues, sufre trabajos como fiel soldado de Jesucristo.
2 Timoteo 2:3
A menudo entramos en estados y disposiciones de ánimo en que necesitamos algo más que consuelo. Un niño no crecería si siempre se le alimentara de dulces. Tiene que hacer ejercicio, estar expuesto a la intemperie, sentir los vientos fríos en la cara y endurecerse, para poder soportar el invierno helado y las heladas cortantes.
Así el hijo de Dios no siempre es mimado y alimentado con prendas de amor. No siempre es llevado en el seno cálido, ni mama siempre de los pechos de la consolación, sino que tiene que aprender lecciones que le preparen para ser soldado. El soldado, como sabemos, tiene que sufrir penalidades. Tiene que pasar la noche entera tendido sobre la hierba mojada; ser apretado por el hambre, abrasado por la sed y entumecido por el frío; hacer marchas fatigosas; oír el rugido del cañón y el silbido de las balas, “el grito de los capitanes, y la vocería”; ver el destello del sable levantado para abatirle, y el brillo de la bayoneta ante su pecho; sí, y sentir heridas dolorosas y peligrosas.
Así es con el soldado espiritual en el campamento de Dios. Tiene que padecer hambre y sed, sufrir frío, desnudez y duras privaciones, ser blanco de las flechas de la calumnia y de los dardos de fuego de Satanás, hacer marchas fatigosas por tierra enemiga, sufrir heridas dolorosas, y por medio de estos mismos ejercicios aprender a ser soldado. Solo en la medida en que es así ejercitado espiritualmente puede aprender el arte de la guerra, puede saber cómo pelear y librar batalla eficaz bajo las banderas del Señor contra los enemigos de su salvación.
Al lector…
¿Cuántas veces se ha cansado usted de la batalla? ¿Se pregunta por qué el viento frío le sopla tan fuerte en la cara, por qué el consuelo es tan escaso y por qué las flechas de la calumnia y de la tentación le alcanzan tan a menudo? Entonces no se apresure a pensar que el Señor le ha olvidado. Un niño al que solo se mima no crece; y un soldado no aprende la guerra en una casa caliente.
Esas duras lecciones no carecen de propósito. Por el hambre y la sed, por las largas marchas en tierra enemiga y por las heridas que lleva, aprende usted a pelear bajo las banderas del Señor contra los enemigos de su salvación. No descansa en su fuerza, sino en Su mano que le adiestra. Sufra, pues, trabajos como fiel soldado de Jesucristo. Él sabe lo que usted lleva, y Aquel que le ha puesto en la batalla le sacará de ella.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ opstanding
Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
Kol. 3:1,2
Van nature hechten we ons aan de aarde en aan aardse voorwerpen. Onze aandacht is begraven in het graf van de dood, en we zijn niet in staat hem zelf te verheffen naar hoge en hemelse dingen. We hebben daarom de kracht van Christus’ opstanding nodig om innerlijk te ervaren en te beseffen dat we, aangezien we samen met ons Verbondshoofd zijn opgestaan, niet langer begraven zijn in de tijdelijke en zintuiglijke zaken, de zinloze en voorbijgaande voorwerpen hier beneden, maar onze aandacht op dingen hierboven kunnen richten, waar Christus aan de rechterhand Gods zit. Ons Hoofd is opgestaan uit de doden. Waarom zouden wij dan, leden van Zijn lichaam, hier beneden blijven zwelgen in het stof der aarde?
Hij is omhooggegaan. Laat onze aandacht met Hem opstijgen. Hij is in de hemel. Laat ons hart met Hem zijn. Welnu, al naar gelang we de kracht van Christus’ opstanding beseffen, stijgen we in ons hart en onze gedachten op vanaf deze ellendige aarde, met al haar zorgen en voorbijgaande onbenulligheden.
Niets lijkt een duidelijker bewijs voor de lage, afgezakte staat van de huidige Kerk te zijn dan het zichtbare gebrek aan deze hemelse genade. Wat zijn er maar weinigen wier aandacht op dingen hierboven is gericht. Wat kunnen maar weinigen echt zeggen: „Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus” (Fil. 3:20). Wat zijn er weinig die, hetzij door hun wandel of door hun leven, tonen dat hun hart in de hemel is, al is het maar een enkele keer. Wat hebben maar weinigen tedere gedachten naar Jezus toe, of een verlangen naar Zijn geopenbaarde aanwezigheid: „Wanneer zult Gij tot mij komen?” (Ps. 101:2). Wat hebben weinigen behagen in Hem Die de banier draagt boven tienduizend en Die de gans Begeerlijke is (Hoogl. 5:10,16), een hart dat naar Hem uitgaat zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen (Ps. 42:1).
Lezen: Kolossenzen 3:1-17
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat het goed is uzelf eerlijk af te vragen: waar is mijn hart vandaag? Van nature hechten wij ons aan de aarde, en onze aandacht ligt begraven in de zorgen en voorbijgaande zaken van hier beneden. Wij kunnen haar niet uit eigen kracht naar boven verheffen. Hoe weinigen kunnen eerlijk zeggen dat hun wandel in de hemelen is! Wees eerlijk voor uzelf: kent u die tedere gedachten naar Jezus, dat verlangen: „Wanneer zult Gij tot mij komen?”
Hebt u daar weinig van, vlucht dan niet van Hem weg, maar zoek de kracht van Zijn opstanding. Uw Hoofd is opgestaan uit de doden en is omhooggegaan; Hij zit aan de rechterhand Gods. Waarom zouden de leden in het stof blijven liggen? Bid dat Hij uw hart tot Zich trekt, zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen. Wie Hem leert kennen als de gans Begeerlijke, zoekt vanzelf de dingen die boven zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
Kol. 3:1,2
Van nature hechten we ons aan de aarde en aan aardse dingen. Onze genegenheden liggen begraven in het graf van de dood, en we kunnen ze niet uit onszelf verheffen naar hoge en hemelse dingen. Daarom hebben we de kracht van Christus’ opstanding nodig. Dan ervaren en beseffen we innerlijk dat we, omdat we samen met ons Verbondshoofd zijn opgestaan, niet langer begraven liggen in tijdelijke en zinnelijke zaken, in de ijdele en voorbijgaande dingen hier beneden. Dan kunnen we onze genegenheden richten op de dingen die boven zijn, waar Christus aan de rechterhand Gods zit. Ons Hoofd is opgestaan uit de doden. Waarom zouden wij, leden van Zijn lichaam, dan hier beneden in het stof van de aarde blijven wentelen?
Hij is omhooggegaan. Laten onze genegenheden met Hem opstijgen. Hij is in de hemel. Laat ons hart bij Hem zijn. Welnu, naarmate we de kracht van Christus’ opstanding beseffen, stijgen we in ons hart en onze gedachten op boven deze ellendige aarde, met al haar zorgen en voorbijgaande nietigheden.
Niets lijkt een duidelijker bewijs van de lage, vervallen staat van de Kerk in onze tijd dan het zichtbare gebrek aan deze hemelse genade. Hoe weinigen hebben hun genegenheden gericht op de dingen die boven zijn! Hoe weinigen kunnen werkelijk zeggen: „Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus” (Fil. 3:20). Hoe weinigen laten door hun wandel of hun leven zien dat hun hart in de hemel is, al is het maar een enkele keer! Hoe weinigen hebben tedere gedachten over Jezus, of een verlangen naar Zijn geopenbaarde tegenwoordigheid: „Wanneer zult Gij tot mij komen?” (Ps. 101:2). Hoe weinigen hebben behagen in Hem Die de banier draagt boven tienduizend en Die gans begeerlijk is (Hoogl. 5:10,16), met een hart dat naar Hem uitgaat zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen (Ps. 42:1).
Lezen: Kolossenzen 3:1-17
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat het goed is uzelf eerlijk af te vragen: waar is mijn hart vandaag? Van nature hechten wij ons aan de aarde, en onze genegenheden liggen begraven in de zorgen en voorbijgaande zaken van hier beneden. Wij kunnen ze niet uit eigen kracht naar boven verheffen. Hoe weinigen kunnen eerlijk zeggen dat hun wandel in de hemelen is! Wees eerlijk tegenover uzelf: kent u die tedere gedachten over Jezus, dat verlangen: „Wanneer zult Gij tot mij komen?”
Hebt u daar weinig van, vlucht dan niet van Hem weg, maar zoek de kracht van Zijn opstanding. Uw Hoofd is opgestaan uit de doden en is omhooggegaan; Hij zit aan de rechterhand Gods. Waarom zouden de leden in het stof blijven liggen? Bid dat Hij uw hart tot Zich trekt, zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen. Wie Hem leert kennen als Die gans begeerlijk is, zoekt vanzelf de dingen die boven zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
If ye then be risen with Christ, seek those things which are above, where Christ sitteth on the right hand of God. Set your affection on things above, not on things on the earth.
Colossians 3:1,2
By nature we cleave to the earth and to earthly things. Our affections lie buried in the grave of death, and we cannot of ourselves raise them to high and heavenly things. Therefore we need the power of Christ’s resurrection. Then we experience and feel within that, because we have risen together with our Covenant Head, we no longer lie buried in temporal and sensual things, in the vain and passing things here below. Then we can set our affections on things above, where Christ sitteth on the right hand of God. Our Head is risen from the dead. Why, then, should we, members of His body, keep grovelling here below in the dust of the earth?
He has gone on high. Let our affections rise with Him. He is in heaven. Let our heart be with Him. Now, as we feel the power of Christ’s resurrection, we rise in heart and mind above this wretched earth, with all its cares and passing vanities.
Nothing seems a clearer proof of the low, decayed state of the Church in our day than the visible lack of this heavenly grace. How few have their affections set on things above! How few can really say, “For our conversation is in heaven; from whence also we look for the Saviour, the Lord Jesus Christ” (Philippians 3:20). How few show by their walk or their life that their heart is in heaven, even if only now and then! How few have tender thoughts of Jesus, or a longing for His manifested presence: “O when wilt Thou come unto me?” (Psalm 101:2). How few delight in Him Who is the chiefest among ten thousand and altogether lovely (Song of Solomon 5:10,16), with a heart that goes out after Him as the hart panteth after the water brooks (Psalm 42:1).
Reading: Colossians 3:1-17
To the reader…
There are days when it is good to ask yourself honestly: where is my heart today? By nature we cleave to the earth, and our affections lie buried in the cares and passing things of here below. We cannot raise them upward in our own strength. How few can honestly say that their conversation is in heaven! Be honest with yourself: do you know those tender thoughts of Jesus, that longing, “O when wilt Thou come unto me?”
If you have little of it, do not run away from Him, but seek the power of His resurrection. Your Head is risen from the dead and has gone on high; He sits at the right hand of God. Why should the members remain lying in the dust? Pray that He may draw your heart to Himself, as the hart panteth after the water brooks. Whoever learns to know Him as altogether lovely will gladly seek those things which are above.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si habéis pues resucitado con Cristo, buscad las cosas de arriba, donde está Cristo sentado a la diestra de Dios. Poned la mira en las cosas de arriba, no en las de la tierra.
Colosenses 3:1,2
Por naturaleza nos aferramos a la tierra y a las cosas terrenales. Nuestros afectos yacen sepultados en la tumba de la muerte, y no podemos por nosotros mismos elevarlos a las cosas altas y celestiales. Por eso necesitamos el poder de la resurrección de Cristo. Entonces experimentamos y sentimos por dentro que, por haber resucitado juntamente con nuestra Cabeza del pacto, ya no yacemos sepultados en las cosas temporales y sensuales, en las cosas vanas y pasajeras de aquí abajo. Entonces podemos poner la mira en las cosas de arriba, donde Cristo está sentado a la diestra de Dios. Nuestra Cabeza ha resucitado de entre los muertos. ¿Por qué, pues, habríamos de seguir nosotros, miembros de Su cuerpo, arrastrándonos aquí abajo en el polvo de la tierra?
Él ha subido a lo alto. Que nuestros afectos se eleven con Él. Él está en el cielo. Que nuestro corazón esté con Él. Ahora bien, cuando sentimos el poder de la resurrección de Cristo, nos elevamos en corazón y mente por encima de esta tierra miserable, con todos sus afanes y sus vanidades pasajeras.
Nada parece una prueba más clara del estado bajo y decaído de la Iglesia en nuestros días que la visible falta de esta gracia celestial. ¡Qué pocos tienen sus afectos puestos en las cosas de arriba! ¡Qué pocos pueden decir de veras: “Mas nuestra vivienda es en los cielos; de donde también esperamos al Salvador, al Señor Jesucristo” (Filipenses 3:20)! ¡Qué pocos muestran con su andar o su vida que su corazón está en el cielo, aunque sea solo de vez en cuando! ¡Qué pocos tienen pensamientos tiernos de Jesús, o un anhelo de Su presencia manifestada: “¿Cuándo vendrás a mí?” (Salmo 101:2)! ¡Qué pocos se deleitan en Aquel que es señalado entre diez mil y todo Él codiciable (Cantares 5:10,16), con un corazón que sale en pos de Él como el ciervo brama por las corrientes de las aguas (Salmo 42:1)!
Lectura: Colosenses 3:1-17
Al lector…
Hay días en que es bueno preguntarse con sinceridad: ¿dónde está hoy mi corazón? Por naturaleza nos aferramos a la tierra, y nuestros afectos yacen sepultados en los afanes y las cosas pasajeras de aquí abajo. No podemos elevarlos por nuestras propias fuerzas. ¡Qué pocos pueden decir con sinceridad que su vivienda está en los cielos! Sea honesto consigo mismo: ¿conoce usted esos pensamientos tiernos de Jesús, ese anhelo: “¿Cuándo vendrás a mí?”
Si tiene poco de ello, no huya de Él, sino busque el poder de Su resurrección. Su Cabeza ha resucitado de entre los muertos y ha subido a lo alto; está sentado a la diestra de Dios. ¿Por qué habrían de quedarse los miembros tendidos en el polvo? Pida que Él atraiga su corazón hacia Sí, como el ciervo brama por las corrientes de las aguas. Quien aprende a conocerle como todo Él codiciable buscará con gusto las cosas de arriba.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Leid mij in Uw waarheid en leer mij.
Psalm 25:5
Welke beweegredenen doen ons gewoonlijk de waarheid, zoals zij in Jezus is, omhelzen? Allereerst meestal omdat wij haar als een leerstelsel aannemen, daar het oordeel meer of minder onderricht is en de ogen en het verstand verlicht zijn geworden om het Woord te verstaan. De leerstelling moge voor enige tijd in onze gedachten zweven, doch daarna, als de Heere ons meer leidt in de kennis van ons eigen hart en een dieper gevoel van onze noden schenkt, dan laat Hij de waarheid van ons hoofd neerdalen in ons hart, en dan wordt ze waarheid. Het is zeer zoet het leerstellige als waarheid te mogen bevinden. Maar na enige tijd behoeven wij meer dan de waarheid; wij hebben behoefte aan een zegen.
Wanneer wij in drukkende omstandigheden en zware, beproevende wegen gebracht worden, dan hebben wij nodig dat het leerstellige, dat wij eerst in ons hart als waarheid aannamen, nu door Goddelijke toepassing aan onze ziel gezegend wordt. Dus hetgeen wij eerst in ons verstand als leerstellig kenden, wordt naderhand als waarheid in onze consciëntie aangenomen en dan in ons hart als een zegen gekend. En zo vinden wij Gods Woord en eten het op, tot blijdschap en verheuging onzes harten.
Zo is het ten opzichte van Christus’ hemelvaart. Eerst ontvangen wij deze als een leerstelling, als een groot en heerlijk deel van het plan der zaligheid; dan beginnen wij te zien, als wij meer en meer in de kennis daarvan worden ingeleid, wat een wondervolle waarheid het is een Middelaar te hebben aan de rechterhand Gods; een Voorspraak te hebben, pleitende door de kracht van Zijn verzoenend bloed en rechtvaardigende gerechtigheid, voor arme, nooddruftige, schuldige zielen. Dit haalt het geloof, de hoop en de liefde van het hart uit tot deze verhoogde en tussentredende Middelaar. En wanneer dan de Geest des Heeren de kracht en werkzaamheid van deze heerlijke Middelaar in de schuldige consciëntie openbaart, dan wordt de waarheid een rijke, zalvende en zoete zegen.
Wij zijn ver van de bevinding af als wij de leerstellingen der genade verstoten, want deze alleen leiden de ziel in een levendige bevinding; en wij mogen evenzeer geloven ons leven te redden door de beenderen uit ons lichaam te trekken, als dat wij een zegen voor onze ziel zouden ontvangen door deze leerstellingen te loochenen. Ja, wij gevoelen dagelijks een diepe behoefte aan de leerstellingen, wanneer zij in ons hart door Goddelijke kracht worden ingedrukt. Wij gevoelen ze meer als stut en steun onzer ziel dan wanneer mijn arm in een opgeheven stand gestut en ondersteund wordt door de beenderen die God erin geschapen heeft.
Aan de lezer…
Kent u de waarheid wel, lezer, maar mist u de zegen? Zijn de leerstellingen der genade u bekend en dierbaar, en toch voelt u in drukkende omstandigheden een leegte die door weten alleen niet gevuld wordt? Werp de waarheid dan niet weg, want zij is de stut en steun van uw ziel. Maar bid wel dat zij van uw hoofd mag neerdalen in uw hart en daar door Goddelijke toepassing gezegend wordt.
Denk aan de Middelaar aan de rechterhand Gods. Eerst kent men Hem als een heerlijk deel van het plan der zaligheid; maar wanneer de Geest Zijn kracht in een schuldige consciëntie openbaart, dan wordt het een rijke, zalvende en zoete zegen dat Hij voor arme, nooddruftige zielen pleit door de kracht van Zijn bloed. Maak dan de bede van deze psalm tot de uwe: „Leid mij in Uw waarheid en leer mij.” Die bede komt uit een behoeftig hart, en zo’n hart laat Hij niet ledig.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Leid mij in Uw waarheid en leer mij.
Psalm 25:5
Wat brengt ons er gewoonlijk toe de waarheid, zoals zij in Jezus is, te omhelzen? Meestal nemen wij haar eerst aan als een leerstelsel, omdat ons oordeel min of meer onderwezen is en onze ogen en ons verstand verlicht zijn om het Woord te verstaan. De leer kan een tijdlang in onze gedachten blijven zweven. Maar daarna, wanneer de Heere ons verder leidt in de kennis van ons eigen hart en ons een dieper besef van onze nood geeft, laat Hij de waarheid van ons hoofd neerdalen in ons hart, en dan wordt zij waarheid. Het is zeer zoet om de leer als waarheid te mogen ervaren. Maar na een tijd hebben wij meer nodig dan de waarheid; wij hebben behoefte aan een zegen.
Wanneer wij in drukkende omstandigheden en op zware, beproevende wegen worden gebracht, dan hebben wij nodig dat de leer, die wij eerst in ons hart als waarheid aannamen, nu door Goddelijke toepassing aan onze ziel gezegend wordt. Wat wij eerst met ons verstand als leer kenden, wordt dus later als waarheid in ons geweten aangenomen en daarna in ons hart als een zegen gekend. En zo vinden wij Gods Woord en eten het op, tot vreugde en blijdschap van ons hart.
Zo is het ook met de hemelvaart van Christus. Eerst ontvangen wij die als een leerstuk, als een groot en heerlijk deel van het plan van de zaligheid. Daarna, wanneer wij er steeds verder in worden ingeleid, beginnen wij te zien wat een wonderlijke waarheid het is een Middelaar te hebben aan de rechterhand van God: een Voorspraak Die door de kracht van Zijn verzoenend bloed en Zijn rechtvaardigende gerechtigheid pleit voor arme, nooddruftige, schuldige zielen. Dit trekt het geloof, de hoop en de liefde van het hart uit naar deze verhoogde en voorbiddende Middelaar. En wanneer de Geest van de Heere dan de kracht en werkzaamheid van deze heerlijke Middelaar in het schuldige geweten openbaart, wordt de waarheid een rijke, zalvende en zoete zegen.
Wij zijn ver van de bevinding af wanneer wij de leer van de genade verwerpen, want alleen die leidt de ziel in een levende bevinding. Wij zouden evengoed kunnen denken ons leven te redden door de botten uit ons lichaam te trekken, als dat wij een zegen voor onze ziel zouden ontvangen door deze leerstukken te loochenen. Ja, wij voelen dagelijks een diepe behoefte aan de leer, wanneer die door Goddelijke kracht in ons hart wordt gedrukt. Wij voelen haar meer als stut en steun van onze ziel dan ik voel hoe mijn arm, wanneer ik hem opgeheven houd, gestut en ondersteund wordt door de botten die God erin geschapen heeft.
Aan de lezer…
Kent u de waarheid wel, maar mist u de zegen? Is de leer van de genade u bekend en dierbaar, en voelt u in drukkende omstandigheden toch een leegte die door weten alleen niet gevuld wordt? Werp de waarheid dan niet weg, want zij is de stut en steun van uw ziel. Maar bid wel dat zij van uw hoofd mag neerdalen in uw hart en daar door Goddelijke toepassing gezegend wordt.
Denk aan de Middelaar aan de rechterhand van God. Eerst kent men Hem als een heerlijk deel van het plan van de zaligheid; maar wanneer de Geest Zijn kracht in een schuldig geweten openbaart, wordt het een rijke, zalvende en zoete zegen dat Hij voor arme, nooddruftige zielen pleit door de kracht van Zijn bloed. Maak dan de bede van deze psalm tot de uwe: „Leid mij in Uw waarheid en leer mij.” Die bede komt uit een behoeftig hart, en zo’n hart laat Hij niet leeg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Lead me in Thy truth, and teach me.”
Psalm 25:5
By what steps do we usually embrace the truth as it is in Jesus? First of all, for the most part, we receive it as a doctrine; the judgment being more or less informed, the eyes of the understanding being enlightened to see it in the Word. The doctrine for some time may be floating in our mind; but after a time, as the Lord leads us more into a knowledge of our own hearts, and into a deeper feeling of our necessities, He lets down the truth from our head into the heart, and it then becomes a truth. It is very sweet to have a doctrine turned into a truth.
But after a time, we need something more than a truth; we need it as a blessing. When we are brought into pressing straits and severe trials, we need the doctrines which we first received into our minds as truths, now to be blessed by a divine application to our souls. Thus, what we first knew in our judgments as a doctrine, is afterwards received in our conscience as a truth, and then is applied to our very heart of hearts as a blessing; and so we find God’s Word, and eat it, to the joy and rejoicing of our souls.
Thus it is with respect to Christ’s ascension. We receive it first as a doctrine, as a great and glorious part of the scheme of salvation; then we begin to see, as we are led, more and more into a knowledge of it, what a wonderful truth it is, to have a Mediator at the right hand of God; to have an Intercessor pleading by the efficacy of His atoning blood and justifying righteousness, for poor, needy, guilty souls. This draws out the faith, hope, and love of the heart to this ascended and interceding Mediator; and then, as the Lord the Spirit reveals the virtue and efficacy of this glorious Mediator in the guilty conscience, the truth becomes a rich, unctuous, and savory blessing.
So that so far from experience casting out the doctrines of grace, it only leads the soul into a vital acquaintance with them; and we might as well think of saving our lives by drawing the bones out of our body, as of blessing our souls by casting out the doctrines of grace; yes, we daily feel more deeply the need of the doctrines being brought into our heart by divine power; we feel them more to be the stay and support of our soul, as my arm when raised is stayed and supported by the bones which God has placed there.
To the reader…
Do you know the truth well, yet miss the blessing? Is the doctrine of grace known and dear to you, and yet in pressing circumstances do you feel an emptiness that knowing alone cannot fill? Then do not throw the truth away, for it is the stay and support of your soul. But do pray that it may come down from your head into your heart and be blessed there by divine application.
Think of the Mediator at the right hand of God. At first one knows Him as a glorious part of the plan of salvation; but when the Spirit reveals His power in a guilty conscience, it becomes a rich, unctuous and sweet blessing that He pleads for poor, needy souls by the virtue of His blood. Make the prayer of this psalm your own, then: “Lead me in Thy truth, and teach me.” That prayer comes from a needy heart, and such a heart He does not leave empty.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Encamíname en Tu verdad, y enséñame.
Salmo 25:5
¿Por qué pasos solemos abrazar la verdad como está en Jesús? Ante todo, por lo general, la recibimos como una doctrina; el juicio es más o menos informado, los ojos del entendimiento son alumbrados para verla en la Palabra. La doctrina puede estar flotando por algún tiempo en nuestra mente; pero después de un tiempo, a medida que el Señor nos lleva más al conocimiento de nuestro propio corazón y a un sentir más hondo de nuestras necesidades, hace descender la verdad de nuestra cabeza al corazón, y entonces se convierte en una verdad. Es muy dulce que una doctrina se convierta en una verdad.
Pero después de un tiempo necesitamos algo más que una verdad; la necesitamos como una bendición. Cuando somos llevados a apuros apremiantes y a pruebas severas, necesitamos que las doctrinas que primero recibimos en nuestra mente como verdades sean ahora bendecidas por una aplicación divina a nuestra alma. Así, lo que primero conocimos en nuestro juicio como una doctrina, es recibido después en nuestra conciencia como una verdad, y luego es aplicado a lo más íntimo de nuestro corazón como una bendición; y así hallamos la Palabra de Dios, y la comemos, para gozo y alegría de nuestra alma.
Así ocurre con respecto a la ascensión de Cristo. La recibimos primero como una doctrina, como una parte grande y gloriosa del plan de salvación; luego comenzamos a ver, a medida que somos llevados más y más a su conocimiento, qué verdad tan maravillosa es tener un Mediador a la diestra de Dios; tener un Intercesor que aboga, por la eficacia de Su sangre expiatoria y de Su justicia justificadora, por almas pobres, necesitadas y culpables. Esto saca la fe, la esperanza y el amor del corazón hacia este Mediador ascendido e intercesor; y luego, cuando el Señor el Espíritu revela la virtud y la eficacia de este glorioso Mediador en la conciencia culpable, la verdad se convierte en una bendición rica, llena de unción y sabrosa.
De modo que, lejos de desechar la experiencia las doctrinas de la gracia, solo conduce al alma a un conocimiento vital de ellas; y tanto valdría pensar en salvar nuestra vida sacando los huesos de nuestro cuerpo, como en bendecir nuestra alma desechando las doctrinas de la gracia; sí, cada día sentimos más profundamente la necesidad de que las doctrinas sean traídas a nuestro corazón por poder divino; las sentimos más como el apoyo y sostén de nuestra alma, así como mi brazo, cuando está levantado, es apoyado y sostenido por los huesos que Dios ha puesto allí.
Al lector…
¿Conoce usted bien la verdad y, sin embargo, echa de menos la bendición? ¿Le es conocida y querida la doctrina de la gracia y, aun así, en circunstancias apremiantes siente un vacío que el solo saber no puede llenar? Entonces no deseche la verdad, porque es el apoyo y sostén de su alma. Pero ore para que descienda de su cabeza a su corazón y sea bendecida allí por aplicación divina.
Piense en el Mediador a la diestra de Dios. Al principio uno lo conoce como una parte gloriosa del plan de salvación; pero cuando el Espíritu revela Su poder en una conciencia culpable, se convierte en una bendición rica, llena de unción y dulce que Él abogue por almas pobres y necesitadas por la virtud de Su sangre. Haga suya, pues, la oración de este salmo: “Encamíname en Tu verdad, y enséñame.” Esa oración brota de un corazón necesitado, y a un corazón así Él no lo deja vacío.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl