5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Wentelt uw weg op de Heere, en vertrouwt op Hem, Hij zal het maken.
Psalm 37:5
Wat zal God maken? De zaak die het diepst in het hart ligt — „uw weg”. Ligt uw weg niet het diepst van uw ziel — het pad dat God gelegd heeft, het pad langs hetwelk God u nu leidt? Uw ziel mag ontroerd zijn, twijfel en angst mogen in uw ziel wonen, u mag geslagen worden in uw gevoelens. U kunt zinken tot de diepste diepten waarin een kind van God kan zinken. Maar op die weg, waar u zo diep op gezonken bent, zal de Heere, als Hij u in staat stelt het zo nu en dan op Hem te werpen en aan Hem toe te vertrouwen, het doen uitstijgen boven hetgeen uw hart begeert.
Let op de bewegingen van uw hart ten opzichte van God. Let op uw zorgen, verzoekingen en inspanningen. Let op wat er in uw binnenste voortdurend naar voren en achteren beweegt, wat er op de baren van uw angstige boezem heen en weer geslingerd wordt. Let op wat u het meest nabij, het dierbaarst en het meest waardevol is. Laat uw geweten in oprechtheid spreken.
Wat het ook zij: de Heere zegt het u en somtijds stelt Hij u in staat dat alles op Hem te wentelen, Hem toe te vertrouwen. Wat het ook mag zijn dat zo op Hem gewenteld en Hem toevertrouwd wordt, de Heere heeft in Zijn onveranderlijke Woord van Waarheid verklaard: „Hij zal het maken.” Hij zal het op Zijn tijd vervullen. Bent u in duisternis omhuld? Staan bergen van zwarigheden de vervulling van Zijn beloften in de weg? Geenszins; God zal het maken in weerwil van dit alles, over bergen en door moeilijkheden heen, in spijt en te midden van al de u omringende hinderpalen. Hij „zal het maken”. Geef dat wat het diepst in uw hart ligt, het dichtst bij uw genegenheid, en wat u kunt doen door een levend geloof, over in de handen van de Almachtige Heere.
Wanneer ik zei: „Mijn voeten glijden,”
toen hebt Gij mij gesterkt in ’t lijden.
Wanneer mij ’t afgepeinsde hart
door al mijn denken werd verward,
en ik in druk schier was gestikt,
toen heeft Uw troost mijn ziel verkwikt.
Psalm 94:10
Aan de lezer…
Wat ligt u vandaag het diepst op het hart? Ga dan eerlijk na wat er in uw binnenste heen en weer geslingerd wordt: uw zorgen, uw verzoekingen, wat u het dierbaarst is. Misschien bent u diep gezonken, wonen twijfel en angst in uw ziel en staan er bergen van zwarigheden tussen u en de vervulling van Gods beloften. Het lijkt dan of uw weg nergens meer heen leidt.
Juist die weg mag u op de Heere wentelen. U kunt het niet altijd; soms stelt Hij u er slechts nu en dan toe in staat. Maar wat zo op Hem gewenteld wordt, daarvan heeft Hij in Zijn onveranderlijk Woord gezegd: „Hij zal het maken.” Niet uw kracht beslist, maar Zijn trouw. Over bergen en door moeilijkheden heen, te midden van alle hinderpalen, zal Hij het op Zijn tijd vervullen. Geef dan wat het dichtst bij uw hart ligt over in de handen van de almachtige Heere.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wentelt uw weg op de Heere, en vertrouwt op Hem, Hij zal het maken.
Psalm 37:5
Wat zal God maken? Datgene wat het diepst in het hart ligt: „uw weg”. Ligt uw weg niet het diepst in uw ziel, het pad dat God gelegd heeft, het pad waarlangs God u nu leidt? Uw ziel mag ontroerd zijn, twijfel en angst mogen in uw ziel wonen, u mag in uw gevoel neergeslagen worden. U kunt wegzinken tot in de diepste diepten waarin een kind van God kan zinken. Maar die weg, waarop u zo diep gezonken bent, zal de Heere doen uitkomen boven wat uw hart begeert, wanneer Hij u in staat stelt hem zo nu en dan op Hem te werpen en aan Hem toe te vertrouwen.
Let op de bewegingen van uw hart tegenover God. Let op uw zorgen, verzoekingen en inspanningen. Let op wat er in uw binnenste voortdurend heen en weer gaat, wat er op de golven van uw angstige hart heen en weer geslingerd wordt. Let op wat u het meest nabij, het dierbaarst en het meest waardevol is. Laat uw geweten in oprechtheid spreken.
Wat het ook is: de Heere zegt het u, en soms stelt Hij u in staat om dat alles op Hem te wentelen en Hem toe te vertrouwen. Wat het ook mag zijn dat zo op Hem gewenteld en Hem toevertrouwd wordt, de Heere heeft in Zijn onveranderlijk Woord der waarheid verklaard: „Hij zal het maken.” Hij zal het op Zijn tijd vervullen. Bent u in duisternis gehuld? Staan bergen van zwarigheden de vervulling van Zijn beloften in de weg? Geenszins: God zal het toch maken, ondanks dit alles, over bergen en door moeilijkheden heen, ondanks en te midden van alle hinderpalen die u omringen. Hij „zal het maken”. Geef dan wat het diepst in uw hart ligt en het dichtst bij uw genegenheid, voor zover u dat door een levend geloof kunt, over in de handen van de almachtige Heere.
Wanneer ik zei: „Mijn voeten glijden,”
toen hebt Gij mij gesterkt in ’t lijden.
Wanneer mij ’t afgepeinsde hart
door al mijn denken werd verward,
en ik in druk schier was gestikt,
toen heeft Uw troost mijn ziel verkwikt.
Psalm 94:10
Aan de lezer…
Wat ligt u vandaag het diepst op het hart? Ga dan eerlijk na wat er in uw binnenste heen en weer geslingerd wordt: uw zorgen, uw verzoekingen, wat u het dierbaarst is. Misschien bent u diep gezonken, wonen twijfel en angst in uw ziel en staan er bergen van zwarigheden tussen u en de vervulling van Gods beloften. Het lijkt dan alsof uw weg nergens meer heen leidt.
Juist die weg mag u op de Heere wentelen. U kunt het niet altijd; soms stelt Hij u er alleen nu en dan toe in staat. Maar van wat zo op Hem gewenteld wordt, heeft Hij in Zijn onveranderlijk Woord gezegd: „Hij zal het maken.” Niet uw kracht beslist, maar Zijn trouw. Over bergen en door moeilijkheden heen, te midden van alle hinderpalen, zal Hij het op Zijn tijd vervullen. Geef dan wat het dichtst bij uw hart ligt over in de handen van de almachtige Heere.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Commit thy way unto the LORD; trust also in Him; and He shall bring it to pass.
Psalm 37:5
What shall God bring to pass? The thing that lies deepest in the heart—“your way.” Does not ‘your way’ lie deepest in your soul—the path that God has led, the path that God is now leading you by? You may be troubled in your soul, doubting and fearing in your mind, distressed in your feelings; you may sink down to the lowest point that a child of God can sink to; yet that way, in which you are so deeply sunk, if the Lord enables you from time to time to commit it to Him, and trust in Him, He will bring to pass above what your heart desires.
Look at the movements of your heart God-ward; look at your predicaments, temptations, and trials; look at that which rolls backwards and forwards in your mind, that which is tossed to and fro on the waves of your anxious bosom—what lies nearest, dearest, and deepest—let honest conscience speak. That, whatever it be, the Lord tells you, and sometimes enables you to commit, to trust to Him.
Now whatever it be—so committed and so trusted, the Lord has declared in His unerring Word of truth, He “will bring it to pass;” He will fulfill it when His time has arrived. Does darkness envelope it? do mountains of difficulty stand up in the way of its fulfillment? Never mind; God will bring it to pass in the face of all, over mountains and through difficulties, in spite of, and in the midst of, all surrounding obstacles. He “will bring it to pass,”—that which lies deepest in your heart, nearest your affections, and that which you are enabled in the actings of living faith sometimes to commit into the hands of the Lord God Almighty.
To the reader…
What lies deepest on your heart today? Then honestly consider what is being tossed to and fro within you: your cares, your temptations, what is dearest to you. Perhaps you have sunk low, doubt and fear dwell in your soul, and mountains of difficulty stand between you and the fulfilment of God’s promises. It then seems as if your way leads nowhere at all.
It is that very way you may commit to the Lord. You cannot always do it; sometimes He enables you to only now and then. But of what is thus committed to Him, He has said in His unchanging Word: “He shall bring it to pass.” It is not your strength that decides, but His faithfulness. Over mountains and through difficulties, in the midst of all obstacles, He will fulfil it in His time. So place what lies nearest your heart into the hands of the Almighty Lord.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Encomienda a Jehová tu camino, y espera en Él; y Él hará.
Salmo 37:5
¿Qué es lo que Dios hará? Aquello que está más hondo en el corazón: “tu camino”. ¿No es ‘su camino’ lo que está más hondo en su alma: la senda por la que Dios le ha conducido, la senda por la que Dios le conduce ahora? Puede que esté usted turbado en su alma, dudando y temiendo en su mente, angustiado en sus sentimientos; puede que se hunda hasta el punto más bajo al que un hijo de Dios puede hundirse; pero ese camino, en el que está tan hondamente hundido, si el Señor le capacita de tiempo en tiempo para encomendárselo a Él y esperar en Él, Él lo hará más allá de lo que su corazón desea.
Mire los movimientos de su corazón hacia Dios; mire sus apuros, tentaciones y pruebas; mire aquello que da vueltas una y otra vez en su mente, aquello que es zarandeado de un lado a otro sobre las olas de su pecho ansioso: lo que está más cerca, lo más querido y lo más hondo; que hable la conciencia honesta. Eso, sea lo que sea, el Señor le dice que se lo encomiende y que espere en Él, y a veces le capacita para hacerlo.
Ahora bien, sea lo que sea, así encomendado y así confiado, el Señor ha declarado en Su infalible Palabra de verdad que Él “hará”; lo cumplirá cuando haya llegado Su tiempo. ¿Lo envuelven las tinieblas? ¿Se levantan montañas de dificultad en el camino de su cumplimiento? No importa; Dios lo hará frente a todo, por encima de montañas y a través de dificultades, a pesar de todos los obstáculos que lo rodean y en medio de ellos. Él “hará” aquello que está más hondo en su corazón, más cerca de sus afectos, y que usted es capacitado a veces, en las operaciones de una fe viva, para encomendar en las manos del Señor Dios Todopoderoso.
Al lector…
¿Qué es lo que hoy está más hondo en su corazón? Considere con sinceridad lo que es zarandeado de un lado a otro dentro de usted: sus afanes, sus tentaciones, lo que le es más querido. Quizá se haya hundido muy abajo, la duda y el temor moran en su alma, y montañas de dificultad se levantan entre usted y el cumplimiento de las promesas de Dios. Entonces parece como si su camino no condujera a ninguna parte.
Es precisamente ese camino el que puede encomendar al Señor. No siempre puede hacerlo; a veces Él le capacita solo de vez en cuando. Pero de lo que así se le encomienda, Él ha dicho en Su Palabra inmutable: “Y Él hará”. No es su fuerza la que decide, sino Su fidelidad. Por encima de montañas y a través de dificultades, en medio de todos los obstáculos, Él lo cumplirá a Su tiempo. Ponga, pues, lo que está más cerca de su corazón en las manos del Señor Todopoderoso.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het gebed van Salomo
Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, of van al Uw volk Israël geschieden zal, als zij erkennen, een ieder zijn plaag en zijn smart, en een ieder zijn handen naar dit huis uitbreiden zal, hoor Gij dan uit de hemel.
2 Kronieken 6:29
Van de zaken in dit hoofdstuk heeft Salomo als type van de Middelaar gesproken. Dat betekent dat ze gepast, heel gepast zijn. Maar voor wie? Niet voor allen, maar voor degenen die ze ervaren, die in hun ziel zijn geoefend; die weten, zoals Salomo het liefdevol zegt, dat „een ieder zijn plaag en zijn smart” heeft. Voelt u het? Is dit wat uw ziel ervaart? Zijn deze oefeningen en smarten van ons hart tot God gericht?
Wat is het dus een genade dat er een Middelaar als Jezus is; dat er een tempel is waarin de volheid Gods woont; dat de ogen van God van jaar tot jaar op deze tempel zijn gericht, en dat Hij alle gebeden verhoort die in de naam van Jezus worden opgezonden, als oog en hart op Hem zijn gericht! Hoe diep, hoe treurig uw zaak ook is, er is toch ruimte voor bemoediging; er is nog steeds reden tot hoop zolang Jezus leeft en het leven Gods in het hart is. De Heere verscheen, zo lezen we, ’s nachts aan Salomo, en zei tot hem: „Ik heb uw gebed verhoord. Nu zullen Mijn ogen open zijn, en Mijn oren opmerkende op het gebed dezer plaats. Want Ik heb nu dit huis verkoren en geheiligd, opdat Mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar te allen dage zijn” (v. 12, 15, 16). Het is omwille van Jezus dat elk gebed wordt verhoord, en dit is de reden voor elk genadig antwoord.
De smeekbeden die Salomo aanbiedt, zijn voor levende zielen, voor degenen die godzalige gevoelens in hun hart koesteren. Hoe diep dat gevoel is, zal ik niet uitmaken; maar er moet enig leven, enig gevoel in de ziel aanwezig zijn om belang te hebben in dit veelomvattende gebed. God in Zijn barmhartigheid verzekert ons dat wij de zaligheid, schoonheid en geschiktheid ervan mogen aannemen; dat we ons, omdat we een Middelaar aan Gods rechterhand hebben, zo’n grote Hogepriester over het huis van God, bij elke kwestie, in elke toestand en in elke situatie aangemoedigd voelen onze behoeften en smeekbeden aan God kenbaar te maken. En u kunt er zeker van zijn dat de ziel die dit doet, gehoord zal worden en vroeg of laat antwoord zal krijgen omwille van Christus.
Lezen: 2 Kronieken 7:1-16
Aan de lezer…
Kent u uw eigen plaag en uw eigen smart? Misschien is het iets wat niemand anders ziet, een last die u alleen draagt en waarvoor u geen woorden hebt. Salomo spreekt er liefdevol over: „een ieder zijn plaag en zijn smart.” En hij bidt dat de Heere zal horen, wanneer zulk een zijn handen uitbreidt naar het huis van God.
Hoe diep, hoe treurig uw zaak ook is, er blijft reden tot hoop zolang Jezus leeft. Hij is de ware Tempel, waarin de volheid Gods woont, en op Hem zijn de ogen en het hart van de Vader te allen dage gericht. Breid dan uw handen naar Hem uit, met uw smart zoals zij is. U hoeft haar niet eerst kleiner te maken of mooier te zeggen. Wie zijn nood in Jezus’ Naam voor God brengt, zal gehoord worden en vroeg of laat antwoord krijgen, omwille van Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, of van al Uw volk Israël geschieden zal, als zij erkennen, een ieder zijn plaag en zijn smart, en een ieder zijn handen naar dit huis uitbreiden zal, hoor Gij dan uit de hemel.
2 Kronieken 6:29
Over de zaken in dit hoofdstuk heeft Salomo gesproken als type van de Middelaar. Dat betekent dat ze passend zijn, heel passend. Maar voor wie? Niet voor iedereen, maar voor hen die ze ervaren, die in hun ziel geoefend worden; die weten, zoals Salomo het zo teder zegt, dat „een ieder zijn plaag en zijn smart” heeft. Voelt u dat? Is dit wat uw ziel ervaart? Zijn deze oefeningen en smarten van ons hart op God gericht?
Wat een genade is het dan dat er zo’n Middelaar als Jezus is; dat er een tempel is waarin de volheid van God woont; dat Gods ogen van jaar tot jaar op deze tempel gericht zijn, en dat Hij alle gebeden verhoort die in de Naam van Jezus worden opgezonden, wanneer oog en hart op Hem gericht zijn! Hoe diep en hoe treurig uw zaak ook is, er is toch ruimte voor bemoediging; er is nog steeds reden tot hoop zolang Jezus leeft en het leven van God in het hart is. De Heere verscheen, zo lezen we, ’s nachts aan Salomo en zei tegen hem: „Ik heb uw gebed verhoord. Nu zullen Mijn ogen open zijn, en Mijn oren opmerkende op het gebed dezer plaats. Want Ik heb nu dit huis verkoren en geheiligd, opdat Mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar te allen dage zijn” (v. 12, 15, 16). Het is omwille van Jezus dat elk gebed verhoord wordt; Hij is de grond van elk genadig antwoord.
De smeekbeden die Salomo opzendt, zijn voor levende zielen, voor hen die godvruchtige gevoelens in hun hart hebben. Hoe diep dat gevoel moet zijn, zal ik niet bepalen; maar er moet enig leven, enig gevoel in de ziel zijn om deel te hebben aan dit veelomvattende gebed. Moge God ons in Zijn barmhartigheid geven dat wij de zaligheid, schoonheid en geschiktheid ervan mogen aannemen. Moge Hij geven dat wij ons, omdat we een Middelaar aan Gods rechterhand hebben, zo’n grote Hogepriester over het huis van God, in elke zaak, in elke toestand en in elke situatie aangemoedigd voelen om onze noden en smeekbeden aan God bekend te maken. En u kunt er zeker van zijn dat de ziel die dat doet, gehoord zal worden en vroeg of laat antwoord zal krijgen, omwille van Christus.
Lezen: 2 Kronieken 7:1-16
Aan de lezer…
Kent u uw eigen plaag en uw eigen smart? Misschien is het iets wat niemand anders ziet, een last die u alleen draagt en waarvoor u geen woorden hebt. Salomo spreekt er teder over: „een ieder zijn plaag en zijn smart.” En hij bidt dat de Heere zal horen, wanneer zo iemand zijn handen uitbreidt naar het huis van God.
Hoe diep en hoe treurig uw zaak ook is, er blijft reden tot hoop zolang Jezus leeft. Hij is de ware Tempel, waarin de volheid van God woont, en op Hem zijn de ogen en het hart van de Vader te allen dage gericht. Breid dan uw handen naar Hem uit, met uw smart zoals zij is. U hoeft haar niet eerst kleiner te maken of mooier te zeggen. Wie zijn nood in Jezus’ Naam voor God brengt, zal gehoord worden en vroeg of laat antwoord krijgen, omwille van Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then what prayer or what supplication soever shall be made of any man, or of all Thy people Israel, when every one shall know his own sore and his own grief, and shall spread forth his hands in this house: then hear Thou from heaven.
2 Chronicles 6:29
Solomon spoke of the matters in this chapter as a type of the Mediator. That means they are suitable, most suitable. But for whom? Not for everyone, but for those who experience them, who are exercised in their souls; who know, as Solomon so tenderly puts it, that “every one” has “his own sore and his own grief.” Do you feel this? Is this what your soul experiences? Are these exercises and griefs of our heart directed toward God?
What a mercy it is, then, that there is such a Mediator as Jesus; that there is a temple in which the fulness of God dwells; that God’s eyes are upon this temple from year to year, and that He hears all prayers sent up in the Name of Jesus when eye and heart are fixed upon Him! However deep and however sad your case may be, there is still room for encouragement; there is still ground for hope as long as Jesus lives and the life of God is in the heart. The Lord appeared, we read, to Solomon by night and said to him: “I have heard thy prayer. Now Mine eyes shall be open, and Mine ears attent unto the prayer that is made in this place. For now have I chosen and sanctified this house, that My Name may be there for ever: and Mine eyes and Mine heart shall be there perpetually” (2 Chron. 7:12, 15, 16). It is for Jesus’ sake that every prayer is heard; He is the ground of every gracious answer.
The supplications that Solomon sends up are for living souls, for those who have godly feelings in their hearts. How deep that feeling must be I will not determine; but there must be some life, some feeling in the soul to have a part in this comprehensive prayer. May God in His mercy grant that we may receive its blessedness, beauty and suitability. May He grant that, because we have a Mediator at God’s right hand, so great a High Priest over the house of God, we may feel encouraged in every case, in every state and in every circumstance to make our needs and supplications known to God. And you may be sure that the soul that does so will be heard and will sooner or later receive an answer, for Christ’s sake.
Reading: 2 Chronicles 7:1-16
To the reader…
Do you know your own sore and your own grief? Perhaps it is something no one else sees, a burden you carry alone and for which you have no words. Solomon speaks of it tenderly: “every one his own sore and his own grief.” And he prays that the Lord will hear when such a one spreads forth his hands toward the house of God.
However deep and however sad your case may be, there remains ground for hope as long as Jesus lives. He is the true Temple, in Whom the fulness of God dwells, and upon Him the eyes and heart of the Father rest perpetually. Spread forth your hands to Him, then, with your grief just as it is. You need not first make it smaller or put it more prettily. Whoever brings his need before God in Jesus’ Name will be heard and will sooner or later receive an answer, for Christ’s sake.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Toda oración y todo ruego que hiciere cualquier hombre, o todo Tu pueblo Israel, cualquiera que conociere su llaga y su dolor en su corazón, si extendiere sus manos a esta casa, Tú oirás desde los cielos.
2 Crónicas 6:29
Salomón habló de las cosas de este capítulo como figura del Mediador. Eso significa que son apropiadas, sumamente apropiadas. Pero ¿para quién? No para todos, sino para los que las experimentan, para los que son ejercitados en su alma; para los que saben, como lo expresa Salomón con tanta ternura, que “cada uno” conoce “su llaga y su dolor”. ¿Siente usted esto? ¿Es esto lo que experimenta su alma? ¿Están dirigidos hacia Dios estos ejercicios y dolores de nuestro corazón?
¡Qué misericordia es, entonces, que haya un Mediador como Jesús; que haya un templo en el que habita la plenitud de Dios; que los ojos de Dios estén sobre este templo año tras año, y que Él oiga todas las oraciones que suben en el Nombre de Jesús cuando los ojos y el corazón están puestos en Él! Por profundo y por triste que sea su caso, todavía hay lugar para el ánimo; todavía hay fundamento para la esperanza mientras Jesús vive y la vida de Dios está en el corazón. Leemos que el Señor apareció a Salomón de noche y le dijo: “Yo he oído tu oración. Ahora estarán abiertos Mis ojos, y atentos Mis oídos, a la oración en este lugar: porque ahora he elegido y santificado esta casa, para que esté en ella Mi Nombre para siempre; y Mis ojos y Mi corazón estarán ahí para siempre” (2 Crón. 7:12, 15, 16). Es por causa de Jesús que toda oración es oída; Él es el fundamento de toda respuesta de gracia.
Las súplicas que eleva Salomón son para almas vivientes, para los que tienen sentimientos piadosos en su corazón. Cuán profundo deba ser ese sentimiento, no lo determinaré; pero tiene que haber alguna vida, algún sentimiento en el alma para tener parte en esta oración tan abarcadora. Quiera Dios en Su misericordia concedernos recibir su bienaventuranza, su hermosura y su idoneidad. Quiera concedernos que, porque tenemos un Mediador a la diestra de Dios, un tan gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios, nos sintamos animados en todo caso, en todo estado y en toda circunstancia a dar a conocer a Dios nuestras necesidades y súplicas. Y puede estar seguro de que el alma que así lo hace será oída y, tarde o temprano, recibirá respuesta, por causa de Cristo.
Lectura: 2 Crónicas 7:1-16
Al lector…
¿Conoce usted su propia llaga y su propio dolor? Quizá sea algo que nadie más ve, una carga que lleva a solas y para la que no tiene palabras. Salomón habla de ello con ternura: “cada uno su llaga y su dolor”. Y ora para que el Señor oiga cuando alguien así extienda sus manos hacia la casa de Dios.
Por profundo y por triste que sea su caso, queda fundamento para la esperanza mientras Jesús vive. Él es el verdadero Templo, en Quien habita la plenitud de Dios, y sobre Él reposan para siempre los ojos y el corazón del Padre. Extienda, pues, sus manos hacia Él, con su dolor tal como es. No necesita primero hacerlo más pequeño ni expresarlo más bonito. El que presenta su necesidad ante Dios en el Nombre de Jesús será oído y, tarde o temprano, recibirá respuesta, por causa de Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods.
Efeze 2:19
Indien genade uw hart heeft aangeraakt en de liefde Gods in uw ziel gekomen is, dan zijt gij geplaatst geworden onder de heiligen van de Almachtige, en dan is elk voorrecht dat God ooit Zijn volk geschonken heeft, ook uw deel geworden. En welke zijn hun voorrechten? Gewassen te worden in het verzoenend bloed van de lijdende Zoon van God; gekleed te worden in de rechtvaardigende gerechtigheid van Zijn volmaakte en verdienende gehoorzaamheid; geheiligd te worden door de inwoning van de Heilige Geest, de Vertrooster. De liefde Gods te hebben als een eeuwigdurend deel; vrede in het geloof; overvloedige genade als dit nodig is; ondersteuning en kracht als zij gaan door dit tranendal; overvloedige vertroostingen tegenover grote verdrukkingen; eeuwige ondervangende armen bij de dood; een huis van eeuwige zaligheid voor de ziel als het lichaam in het graf daalt; en een heerlijke opstanding van het lichaam bij de verschijning van Christus in heerlijkheid.
Al wat de liefde Gods geven kan, al wat het bloed van Christus als een kanaal ter verkrijging van de gemeenschap geweest is, en al wat de Geest van God aan enig hart kan openbaren of ooit met kracht in de ziel van enig heilige heeft toegepast: al deze zaken worden de onze, wanneer wij medeburgers der heiligen worden gemaakt. Niet inderdaad altijd of menigmaal door de wezenlijke blijdschap of genieting, ofschoon wij voorsmaakjes, drupjes en kruimkens mogen ontvangen; maar evenals aan Abraham de bezitting van Kanaän was gegeven toen hij daarin nog geen voet gezet had, en het toch door de belofte evenzeer het zijne was als toen het in der waarheid door zijn kinderen in bezit werd genomen.
Verklaart niet de apostel dit in de duidelijkste taal, waar hij zegt: „En alles is uwe; hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe”? En waarom alle uwe? „Want gij zijt van Christus; en Christus is Gods.”
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich dikwijls een vreemdeling, zo arm en nietig dat u nauwelijks durft te denken dat u onder Gods volk gerekend wordt. Heeft genade uw hart aangeraakt en is de liefde Gods in uw ziel gekomen, dan bent u geen vreemdeling en bijwoner meer, maar een medeburger der heiligen en een huisgenoot Gods. Al wat God ooit Zijn volk geschonken heeft, is dan ook uw deel: het verzoenend bloed, de rechtvaardigende gerechtigheid, de inwoning van de Vertrooster, en eeuwige armen bij de dood.
Misschien proeft u er nu weinig van; slechts voorsmaakjes, drupjes en kruimkens. Laat dat u niet ontmoedigen. Aan Abraham was het land Kanaän gegeven toen hij er nog geen voet in gezet had, en toch was het door de belofte evenzeer het zijne. Zo is het ook met u. Niet uw genieting maakt het zeker, maar dit: „Gij zijt van Christus; en Christus is Gods.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods.
Efeze 2:19
Als genade uw hart heeft aangeraakt en de liefde van God in uw ziel gekomen is, dan bent u geplaatst onder de heiligen van de Almachtige, en dan is elk voorrecht dat God ooit aan Zijn volk geschonken heeft, ook uw deel geworden. En wat zijn hun voorrechten? Gewassen te worden in het verzoenend bloed van de lijdende Zoon van God; gekleed te worden in de rechtvaardigende gerechtigheid van Zijn volmaakte en verdienstelijke gehoorzaamheid; geheiligd te worden door de inwoning van de Heilige Geest, de Trooster. Verder: de liefde van God te hebben als een eeuwigdurend deel; vrede in het geloof; overvloedige genade wanneer die nodig is; ondersteuning en kracht wanneer zij door dit tranendal gaan; overvloedige vertroostingen tegenover grote verdrukkingen; eeuwige armen die hen opvangen bij de dood; een huis van eeuwige zaligheid voor de ziel wanneer het lichaam in het graf daalt; en een heerlijke opstanding van het lichaam bij de verschijning van Christus in heerlijkheid.
Al wat de liefde van God kan geven, al wat het bloed van Christus als kanaal heeft verworven, en al wat de Geest van God aan enig hart kan openbaren of ooit met kracht in de ziel van enige heilige heeft toegepast: al deze dingen worden van ons, wanneer wij medeburgers der heiligen gemaakt worden. Niet altijd of vaak in werkelijke blijdschap of genieting, hoewel wij voorsmaakjes, druppeltjes en kruimels mogen ontvangen. Maar zoals aan Abraham het bezit van Kanaän was gegeven toen hij er nog geen voet in gezet had, en het toch door de belofte evengoed het zijne was als toen het werkelijk door zijn kinderen in bezit genomen werd.
Verklaart de apostel dit niet in de duidelijkste taal, waar hij zegt: „En alles is uwe; hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe”? En waarom is het allemaal van u? „Want gij zijt van Christus; en Christus is Gods.”
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich vaak een vreemdeling, zo arm en nietig dat u nauwelijks durft te denken dat u onder Gods volk gerekend wordt. Heeft genade uw hart aangeraakt en is de liefde van God in uw ziel gekomen, dan bent u geen vreemdeling en bijwoner meer, maar een medeburger der heiligen en een huisgenoot van God. Al wat God ooit aan Zijn volk geschonken heeft, is dan ook uw deel: het verzoenend bloed, de rechtvaardigende gerechtigheid, de inwoning van de Trooster, en eeuwige armen bij de dood.
Misschien proeft u er nu weinig van: alleen voorsmaakjes, druppeltjes en kruimels. Laat dat u niet ontmoedigen. Aan Abraham was het land Kanaän gegeven toen hij er nog geen voet in gezet had, en toch was het door de belofte evengoed het zijne. Zo is het ook met u. Niet uw genieting maakt het zeker, maar dit: „Gij zijt van Christus; en Christus is Gods.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Now therefore ye are no more strangers and foreigners, but fellowcitizens with the saints, and of the household of God.”
Ephesians 2:19
If grace has touched your heart; if the love of God has come into your soul, it has placed you among the saints of the Most High, and given you every privilege which God ever did or could give to them. And what are their privileges? To be washed in the atoning blood of the suffering Son of God, to be clothed in the justifying righteousness of His perfect and meritorious obedience, to be consecrated by the indwelling of the Holy Spirit, the Comforter, to have the love of God as their enduring portion, peace in believing, supplies of grace as needed, support and strength as they pass through this valley of tears, comforts abounding in proportion to the abundance of afflictions, everlasting arms beneath in death, a mansion of eternal bliss for the soul when the body drops into the grave, and a glorious resurrection of the body at the appearance of Christ in glory.
All that the love of God can give; all that the blood of Christ has been a channel for communicating; and all that the Spirit of God can reveal to any heart, or has ever brought with power into the soul of any saint—all these things become ours when we become fellow-citizens with the saints of God; not indeed always or often by vital enjoyment, though we get sips and tastes, drops and crumbs; but as Abraham was given possession of Canaan when he had not so much as to set his foot on, yet was it his as much by promise as it became his children’s by strength of hand.
Does not the Apostle declare this, in the broadest and clearest language, where he says, “All things are yours; whether Paul, or Apollos, or Cephas, or the world, or life, or death, or things present, or things to come; all are yours?” and why all yours? “for you are Christ’s; and Christ is God’s.”
To the reader…
Perhaps you often feel yourself a stranger, so poor and small that you hardly dare to think you are counted among God’s people. If grace has touched your heart and the love of God has come into your soul, then you are no more a stranger and foreigner, but a fellowcitizen with the saints and of the household of God. All that God has ever given to His people is then your portion too: the atoning blood, the justifying righteousness, the indwelling of the Comforter, and everlasting arms in death.
Perhaps you taste little of it now: only foretastes, drops and crumbs. Do not let that discourage you. The land of Canaan was given to Abraham when he had not yet set foot in it, and yet by promise it was his just the same. So it is with you too. It is not your enjoyment that makes it sure, but this: “Ye are Christ’s; and Christ is God’s.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Así que ya no sois extranjeros ni advenedizos, sino juntamente ciudadanos con los santos, y domésticos de Dios.”
Efesios 2:19
Si la gracia ha tocado su corazón; si el amor de Dios ha entrado en su alma, le ha colocado entre los santos del Altísimo y le ha dado todo privilegio que Dios jamás les dio o pudo darles. ¿Y cuáles son sus privilegios? Ser lavados en la sangre expiatoria del Hijo de Dios que padeció; ser vestidos con la justicia justificadora de Su obediencia perfecta y meritoria; ser consagrados por la morada del Espíritu Santo, el Consolador; tener el amor de Dios como su porción duradera, paz en el creer, provisión de gracia según la necesidad, sostén y fuerza al pasar por este valle de lágrimas, consolaciones que abundan en proporción a la abundancia de las aflicciones, los brazos eternos debajo en la muerte, una morada de dicha eterna para el alma cuando el cuerpo baje a la tumba, y una gloriosa resurrección del cuerpo en la aparición de Cristo en gloria.
Todo lo que el amor de Dios puede dar; todo aquello para cuya comunicación la sangre de Cristo ha sido un cauce; y todo lo que el Espíritu de Dios puede revelar a cualquier corazón, o ha traído jamás con poder al alma de cualquier santo, todas estas cosas llegan a ser nuestras cuando llegamos a ser conciudadanos de los santos de Dios; no siempre, en verdad, ni a menudo, por un goce vivo, aunque recibimos sorbos y gustos, gotas y migajas; sino como Abraham recibió la posesión de Canaán cuando no tenía ni aun para asentar un pie, y sin embargo era suya por promesa tanto como llegó a ser de sus hijos por la fuerza de la mano.
¿No declara esto el apóstol en el lenguaje más amplio y claro, cuando dice: “Todas las cosas son vuestras; sea Pablo, sea Apolos, sea Cefas, sea el mundo, sea la vida, sea la muerte, sea lo presente, sea lo por venir; todo es vuestro”? ¿Y por qué todo vuestro? “Y vosotros de Cristo; y Cristo de Dios.”
Al lector…
Quizá se sienta usted a menudo extranjero, tan pobre y pequeño que apenas se atreve a pensar que es contado entre el pueblo de Dios. Si la gracia ha tocado su corazón y el amor de Dios ha entrado en su alma, entonces ya no es extranjero ni advenedizo, sino conciudadano de los santos y doméstico de Dios. Todo lo que Dios ha dado jamás a Su pueblo es entonces también su porción: la sangre expiatoria, la justicia justificadora, la morada del Consolador y los brazos eternos en la muerte.
Quizá ahora guste poco de ello: solo anticipos, gotas y migajas. No deje que eso le desanime. La tierra de Canaán le fue dada a Abraham cuando todavía no había asentado en ella el pie, y sin embargo por promesa era suya igualmente. Así es también con usted. No es su goce lo que lo hace seguro, sino esto: “Vosotros de Cristo; y Cristo de Dios.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl