16 de marzo
Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods.
Efeze 2:19
Indien genade uw hart heeft aangeraakt en de liefde Gods in uw ziel gekomen is, dan zijt gij geplaatst geworden onder de heiligen van de Almachtige, en dan is elk voorrecht dat God ooit Zijn volk geschonken heeft, ook uw deel geworden. En welke zijn hun voorrechten? Gewassen te worden in het verzoenend bloed van de lijdende Zoon van God; gekleed te worden in de rechtvaardigende gerechtigheid van Zijn volmaakte en verdienende gehoorzaamheid; geheiligd te worden door de inwoning van de Heilige Geest, de Vertrooster. De liefde Gods te hebben als een eeuwigdurend deel; vrede in het geloof; overvloedige genade als dit nodig is; ondersteuning en kracht als zij gaan door dit tranendal; overvloedige vertroostingen tegenover grote verdrukkingen; eeuwige ondervangende armen bij de dood; een huis van eeuwige zaligheid voor de ziel als het lichaam in het graf daalt; en een heerlijke opstanding van het lichaam bij de verschijning van Christus in heerlijkheid.
Al wat de liefde Gods geven kan, al wat het bloed van Christus als een kanaal ter verkrijging van de gemeenschap geweest is, en al wat de Geest van God aan enig hart kan openbaren of ooit met kracht in de ziel van enig heilige heeft toegepast: al deze zaken worden de onze, wanneer wij medeburgers der heiligen worden gemaakt. Niet inderdaad altijd of menigmaal door de wezenlijke blijdschap of genieting, ofschoon wij voorsmaakjes, drupjes en kruimkens mogen ontvangen; maar evenals aan Abraham de bezitting van Kanaän was gegeven toen hij daarin nog geen voet gezet had, en het toch door de belofte evenzeer het zijne was als toen het in der waarheid door zijn kinderen in bezit werd genomen.
Verklaart niet de apostel dit in de duidelijkste taal, waar hij zegt: „En alles is uwe; hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe”? En waarom alle uwe? „Want gij zijt van Christus; en Christus is Gods.”
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich dikwijls een vreemdeling, zo arm en nietig dat u nauwelijks durft te denken dat u onder Gods volk gerekend wordt. Heeft genade uw hart aangeraakt en is de liefde Gods in uw ziel gekomen, dan bent u geen vreemdeling en bijwoner meer, maar een medeburger der heiligen en een huisgenoot Gods. Al wat God ooit Zijn volk geschonken heeft, is dan ook uw deel: het verzoenend bloed, de rechtvaardigende gerechtigheid, de inwoning van de Vertrooster, en eeuwige armen bij de dood.
Misschien proeft u er nu weinig van; slechts voorsmaakjes, drupjes en kruimkens. Laat dat u niet ontmoedigen. Aan Abraham was het land Kanaän gegeven toen hij er nog geen voet in gezet had, en toch was het door de belofte evenzeer het zijne. Zo is het ook met u. Niet uw genieting maakt het zeker, maar dit: „Gij zijt van Christus; en Christus is Gods.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods.
Efeze 2:19
Als genade uw hart heeft aangeraakt en de liefde van God in uw ziel gekomen is, dan bent u geplaatst onder de heiligen van de Almachtige, en dan is elk voorrecht dat God ooit aan Zijn volk geschonken heeft, ook uw deel geworden. En wat zijn hun voorrechten? Gewassen te worden in het verzoenend bloed van de lijdende Zoon van God; gekleed te worden in de rechtvaardigende gerechtigheid van Zijn volmaakte en verdienstelijke gehoorzaamheid; geheiligd te worden door de inwoning van de Heilige Geest, de Trooster. Verder: de liefde van God te hebben als een eeuwigdurend deel; vrede in het geloof; overvloedige genade wanneer die nodig is; ondersteuning en kracht wanneer zij door dit tranendal gaan; overvloedige vertroostingen tegenover grote verdrukkingen; eeuwige armen die hen opvangen bij de dood; een huis van eeuwige zaligheid voor de ziel wanneer het lichaam in het graf daalt; en een heerlijke opstanding van het lichaam bij de verschijning van Christus in heerlijkheid.
Al wat de liefde van God kan geven, al wat het bloed van Christus als kanaal heeft verworven, en al wat de Geest van God aan enig hart kan openbaren of ooit met kracht in de ziel van enige heilige heeft toegepast: al deze dingen worden van ons, wanneer wij medeburgers der heiligen gemaakt worden. Niet altijd of vaak in werkelijke blijdschap of genieting, hoewel wij voorsmaakjes, druppeltjes en kruimels mogen ontvangen. Maar zoals aan Abraham het bezit van Kanaän was gegeven toen hij er nog geen voet in gezet had, en het toch door de belofte evengoed het zijne was als toen het werkelijk door zijn kinderen in bezit genomen werd.
Verklaart de apostel dit niet in de duidelijkste taal, waar hij zegt: „En alles is uwe; hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe”? En waarom is het allemaal van u? „Want gij zijt van Christus; en Christus is Gods.”
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich vaak een vreemdeling, zo arm en nietig dat u nauwelijks durft te denken dat u onder Gods volk gerekend wordt. Heeft genade uw hart aangeraakt en is de liefde van God in uw ziel gekomen, dan bent u geen vreemdeling en bijwoner meer, maar een medeburger der heiligen en een huisgenoot van God. Al wat God ooit aan Zijn volk geschonken heeft, is dan ook uw deel: het verzoenend bloed, de rechtvaardigende gerechtigheid, de inwoning van de Trooster, en eeuwige armen bij de dood.
Misschien proeft u er nu weinig van: alleen voorsmaakjes, druppeltjes en kruimels. Laat dat u niet ontmoedigen. Aan Abraham was het land Kanaän gegeven toen hij er nog geen voet in gezet had, en toch was het door de belofte evengoed het zijne. Zo is het ook met u. Niet uw genieting maakt het zeker, maar dit: „Gij zijt van Christus; en Christus is Gods.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Now therefore ye are no more strangers and foreigners, but fellowcitizens with the saints, and of the household of God.”
Ephesians 2:19
If grace has touched your heart; if the love of God has come into your soul, it has placed you among the saints of the Most High, and given you every privilege which God ever did or could give to them. And what are their privileges? To be washed in the atoning blood of the suffering Son of God, to be clothed in the justifying righteousness of His perfect and meritorious obedience, to be consecrated by the indwelling of the Holy Spirit, the Comforter, to have the love of God as their enduring portion, peace in believing, supplies of grace as needed, support and strength as they pass through this valley of tears, comforts abounding in proportion to the abundance of afflictions, everlasting arms beneath in death, a mansion of eternal bliss for the soul when the body drops into the grave, and a glorious resurrection of the body at the appearance of Christ in glory.
All that the love of God can give; all that the blood of Christ has been a channel for communicating; and all that the Spirit of God can reveal to any heart, or has ever brought with power into the soul of any saint—all these things become ours when we become fellow-citizens with the saints of God; not indeed always or often by vital enjoyment, though we get sips and tastes, drops and crumbs; but as Abraham was given possession of Canaan when he had not so much as to set his foot on, yet was it his as much by promise as it became his children’s by strength of hand.
Does not the Apostle declare this, in the broadest and clearest language, where he says, “All things are yours; whether Paul, or Apollos, or Cephas, or the world, or life, or death, or things present, or things to come; all are yours?” and why all yours? “for you are Christ’s; and Christ is God’s.”
To the reader…
Perhaps you often feel yourself a stranger, so poor and small that you hardly dare to think you are counted among God’s people. If grace has touched your heart and the love of God has come into your soul, then you are no more a stranger and foreigner, but a fellowcitizen with the saints and of the household of God. All that God has ever given to His people is then your portion too: the atoning blood, the justifying righteousness, the indwelling of the Comforter, and everlasting arms in death.
Perhaps you taste little of it now: only foretastes, drops and crumbs. Do not let that discourage you. The land of Canaan was given to Abraham when he had not yet set foot in it, and yet by promise it was his just the same. So it is with you too. It is not your enjoyment that makes it sure, but this: “Ye are Christ’s; and Christ is God’s.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Así que ya no sois extranjeros ni advenedizos, sino juntamente ciudadanos con los santos, y domésticos de Dios.”
Efesios 2:19
Si la gracia ha tocado su corazón; si el amor de Dios ha entrado en su alma, le ha colocado entre los santos del Altísimo y le ha dado todo privilegio que Dios jamás les dio o pudo darles. ¿Y cuáles son sus privilegios? Ser lavados en la sangre expiatoria del Hijo de Dios que padeció; ser vestidos con la justicia justificadora de Su obediencia perfecta y meritoria; ser consagrados por la morada del Espíritu Santo, el Consolador; tener el amor de Dios como su porción duradera, paz en el creer, provisión de gracia según la necesidad, sostén y fuerza al pasar por este valle de lágrimas, consolaciones que abundan en proporción a la abundancia de las aflicciones, los brazos eternos debajo en la muerte, una morada de dicha eterna para el alma cuando el cuerpo baje a la tumba, y una gloriosa resurrección del cuerpo en la aparición de Cristo en gloria.
Todo lo que el amor de Dios puede dar; todo aquello para cuya comunicación la sangre de Cristo ha sido un cauce; y todo lo que el Espíritu de Dios puede revelar a cualquier corazón, o ha traído jamás con poder al alma de cualquier santo, todas estas cosas llegan a ser nuestras cuando llegamos a ser conciudadanos de los santos de Dios; no siempre, en verdad, ni a menudo, por un goce vivo, aunque recibimos sorbos y gustos, gotas y migajas; sino como Abraham recibió la posesión de Canaán cuando no tenía ni aun para asentar un pie, y sin embargo era suya por promesa tanto como llegó a ser de sus hijos por la fuerza de la mano.
¿No declara esto el apóstol en el lenguaje más amplio y claro, cuando dice: “Todas las cosas son vuestras; sea Pablo, sea Apolos, sea Cefas, sea el mundo, sea la vida, sea la muerte, sea lo presente, sea lo por venir; todo es vuestro”? ¿Y por qué todo vuestro? “Y vosotros de Cristo; y Cristo de Dios.”
Al lector…
Quizá se sienta usted a menudo extranjero, tan pobre y pequeño que apenas se atreve a pensar que es contado entre el pueblo de Dios. Si la gracia ha tocado su corazón y el amor de Dios ha entrado en su alma, entonces ya no es extranjero ni advenedizo, sino conciudadano de los santos y doméstico de Dios. Todo lo que Dios ha dado jamás a Su pueblo es entonces también su porción: la sangre expiatoria, la justicia justificadora, la morada del Consolador y los brazos eternos en la muerte.
Quizá ahora guste poco de ello: solo anticipos, gotas y migajas. No deje que eso le desanime. La tierra de Canaán le fue dada a Abraham cuando todavía no había asentado en ella el pie, y sin embargo por promesa era suya igualmente. Así es también con usted. No es su goce lo que lo hace seguro, sino esto: “Vosotros de Cristo; y Cristo de Dios.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl