gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de HEERE zijn gerechtigheden en sterkte.
Jesaja 45:24
Dezelfde Geest Die als met een straal van licht en leven in het geweten schijnt, om het de schuld der zonde, de vloek der wet en zijn ellendige toestand als overtreder te doen gevoelen, dezelfde Geest, zeg ik, leidt het ook in het geheim dat het geen sterkte heeft. Hebt gij het nooit ondervonden dat gij geheel machteloos waart; dat gij zoudt willen geloven, maar het niet kondt; dat gij zoudt willen hopen, maar het niet kondt; dat gij zoudt willen liefhebben, maar het niet kondt; dat gij Gods Woord zoudt willen houden, maar het niet kondt; dat gij Zijn bevelen zoudt willen gehoorzamen, maar er niet toe in staat waart? Heeft een gevoel van uw eigen ellendige onmacht en volslagen hulpeloosheid u niet dikwijls bijna tot wanhoop gebracht?
Gij wist het zeker dat er een geloof, een hoop, een liefde, een zegen en een zaligheid was in de waarheid Gods; een vergeving, een vrees, een hemelse blijdschap; een zekerheid van behoud; een vereniging en gemeenschap met de Heere Jezus, die gij zaagt en niet kondt bereiken. Gij voeldet dat, zo gij kondt geloven, alles wél zou zijn, maar gij kondt niet geloven. Dus leerdet gij dat gij geen kracht hadt; en zo wij op deze wijze onze zwakheid leren, beginnen wij ook te leren in Wie onze sterkte is. En zo wij door een levend geloof toegang verkrijgen tot Christus, ontvangen wij uit Hem zoveel sterkte als wij voor onze geestelijke behoeften nodig hebben.
Wanneer wij wanhopen aan alle kracht in onszelf, zien wij op tot de Heere Jezus Christus, aan de rechterhand des Vaders, om ons de Zijne te geven; wij zenden onze gebeden en smekingen op tot de grote Hogepriester over het huis Gods, om ons te versterken met sterkte in onze ziel. En als het Hem behaagt, als antwoord op ons gebed, Zijn Geest en genade neder te zenden, zijn wij „versterkt met alle macht, naar Zijn heerlijke macht, om met blijdschap alles met geduld en lijdzaamheid te dragen”. Dat is „sterk zijn in de Heere en in de sterkte Zijner macht”, en „versterkt zijn met kracht door Zijn Geest in de inwendige mens”.
De Heer is recht in al zijn weg en werk,
zijn goedheid kent in ’t gans heelal geen perk.
Psalm 145:6
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zou willen geloven, maar het niet kan. Zou u willen hopen en liefhebben, en vindt u in uzelf niets dan onmacht, zodat u bijna wanhoopt? Ziet u de zegen en de vrede in Christus wel liggen, maar kunt u er niet bij? Meen dan niet dat de Heere u daarmee verlaten heeft. Het is dezelfde Geest Die u uw schuld deed gevoelen, Die u nu ook leert dat u geen sterkte hebt.
En wie zo zijn zwakheid leert, die begint ook te leren in Wie zijn sterkte is. Wanhoop daarom aan uzelf, maar niet aan Hem. Zie op tot de grote Hogepriester aan de rechterhand des Vaders, en zend uw smekingen tot Hem op. Als het Hem behaagt Zijn Geest en genade neder te zenden, zult u ondervinden wat het is sterk te zijn in de Heere en in de sterkte Zijner macht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de HEERE zijn gerechtigheden en sterkte.
Jesaja 45:24
Dezelfde Geest Die als met een straal van licht en leven in het geweten schijnt, om het de schuld van de zonde, de vloek van de wet en zijn ellendige toestand als overtreder te laten voelen, dezelfde Geest, zeg ik, leert het in het verborgene ook dat het geen sterkte heeft. Hebt u nooit ervaren dat u volkomen machteloos was? Dat u wilde geloven, maar het niet kon; dat u wilde hopen, maar het niet kon; dat u wilde liefhebben, maar het niet kon; dat u Gods Woord wilde houden, maar het niet kon; dat u Zijn geboden wilde gehoorzamen, maar daartoe niet in staat was? Heeft het besef van uw eigen ellendige onmacht en volslagen hulpeloosheid u niet vaak bijna tot wanhoop gebracht?
U wist zeker dat er in de waarheid van God een geloof, een hoop, een liefde, een zegen en een zaligheid was; een vergeving, een vreze, een hemelse blijdschap; een zekerheid van behoud; een vereniging en gemeenschap met de Heere Jezus. U zag het, maar u kon het niet bereiken. U voelde dat alles goed zou zijn als u kon geloven, maar u kon niet geloven. Zo leerde u dat u geen kracht had. Wanneer wij op deze manier onze zwakheid leren kennen, beginnen wij ook te leren in Wie onze sterkte is. En wanneer wij door een levend geloof toegang krijgen tot Christus, ontvangen wij uit Hem zoveel sterkte als wij voor onze geestelijke noden nodig hebben.
Wanneer wij aan alle kracht in onszelf wanhopen, zien wij op naar de Heere Jezus Christus aan de rechterhand van de Vader, om ons de Zijne te geven. Wij zenden onze gebeden en smekingen op naar de grote Hogepriester over het huis van God, opdat Hij ons in onze ziel met sterkte versterkt. En als het Hem behaagt om als antwoord op ons gebed Zijn Geest en genade neer te zenden, dan zijn wij „versterkt met alle macht, naar Zijn heerlijke macht, om met blijdschap alles met geduld en lijdzaamheid te dragen”. Dat is „sterk zijn in de Heere en in de sterkte Zijner macht”, en „versterkt zijn met kracht door Zijn Geest in de inwendige mens”.
De Heer is recht in al zijn weg en werk,
zijn goedheid kent in ’t gans heelal geen perk.
Psalm 145:6
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zou willen geloven, maar het niet kan. Zou u willen hopen en liefhebben, en vindt u in uzelf niets dan onmacht, zodat u bijna wanhoopt? Ziet u de zegen en de vrede in Christus wel liggen, maar kunt u er niet bij? Denk dan niet dat de Heere u daarmee verlaten heeft. Het is dezelfde Geest Die u uw schuld liet voelen, Die u nu ook leert dat u geen sterkte hebt.
En wie zo zijn zwakheid leert kennen, begint ook te leren in Wie zijn sterkte is. Wanhoop daarom aan uzelf, maar niet aan Hem. Zie op naar de grote Hogepriester aan de rechterhand van de Vader, en zend uw smekingen naar Hem op. Als het Hem behaagt Zijn Geest en genade neer te zenden, zult u ervaren wat het is sterk te zijn in de Heere en in de sterkte Zijner macht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Surely, shall one say, in the Lord have I righteousness and strength.
Isaiah 45:24
The same blessed Spirit Who shines as with a ray of light and life into the conscience, to make it feel the guilt of sin, the curse of the law, and its own miserable state as a transgressor, leads it also into this secret, that it has no strength. Have you never felt that you were utterly powerless—that you would believe, but could not; would hope, but could not; would love, but could not; would keep God’s Word, but could not; would obey His commandments, but were not able? Has a sense of your own miserable impotency and thorough helplessness never pressed you down almost to despair?
You felt sure that there was a faith, a hope, a love, a blessing, and a blessedness in the truth of God; a pardon, a peace, a heavenly joy; an assurance of salvation, a union and communion with the Lord Jesus, which you saw, but could not reach. You felt that if you could believe, all would be well, but believe you could not. Thus you learned you had no strength, and as we learn our weakness in this way, we begin to learn also in Whom is our strength; and as we get access to Christ by a living faith, we receive strength out of Him for a supply of our spiritual necessities.
Despairing of all strength in self, we look to the Lord Jesus Christ, at the right hand of the Father, to give us His; we lift up our prayers and supplications to the great High Priest over the house of God, to strengthen us with strength in our soul; and when He is pleased, in answer to prayer, to send down His Spirit and grace, we are “strengthened with all might, according to His glorious power unto all patience and long-suffering with joyfulness.” This is being “strong in the Lord and in the power of His might;” and a being “strengthened with might by His Spirit in the inner man.”
To the reader…
Here is a word for you if you would believe, but cannot. Would you hope and love, and do you find in yourself nothing but helplessness, so that you almost despair? Do you see the blessing and the peace in Christ lying there, but cannot reach them? Do not think that the Lord has therefore forsaken you. It is the same Spirit Who made you feel your guilt Who now also teaches you that you have no strength.
And whoever comes to know his weakness in this way also begins to learn in Whom his strength is. Despair, therefore, of yourself, but not of Him. Look up to the great High Priest at the right hand of the Father, and send up your supplications to Him. When it pleases Him to send down His Spirit and grace, you will know what it is to be strong in the Lord and in the power of His might.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y se dirá de Mí: Ciertamente en Jehová está la justicia y la fuerza.
Isaías 45:24
El mismo bendito Espíritu que brilla como con un rayo de luz y de vida en la conciencia, para hacerle sentir la culpa del pecado, la maldición de la ley y su propio estado miserable como transgresora, la introduce también en este secreto: que no tiene fuerza. ¿No ha sentido usted nunca que era absolutamente impotente; que quería creer, pero no podía; quería esperar, pero no podía; quería amar, pero no podía; quería guardar la Palabra de Dios, pero no podía; quería obedecer Sus mandamientos, pero no era capaz? ¿No le ha abatido nunca, casi hasta la desesperación, el sentido de su propia miserable impotencia y de su completo desamparo?
Usted estaba seguro de que había una fe, una esperanza, un amor, una bendición y una bienaventuranza en la verdad de Dios; un perdón, una paz, un gozo celestial; una seguridad de salvación, una unión y comunión con el Señor Jesús, que veía, pero no podía alcanzar. Sentía que si pudiera creer, todo estaría bien, pero creer no podía. Así aprendió que no tenía fuerza; y a medida que aprendemos de este modo nuestra flaqueza, comenzamos a aprender también en Quién está nuestra fuerza; y a medida que tenemos acceso a Cristo por una fe viva, recibimos de Él fuerza para suplir nuestras necesidades espirituales.
Desesperando de toda fuerza en nosotros mismos, miramos al Señor Jesucristo, a la diestra del Padre, para que nos dé la Suya; elevamos nuestras oraciones y súplicas al gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios, para que nos fortalezca con fuerza en nuestra alma; y cuando Le place, en respuesta a la oración, enviar Su Espíritu y Su gracia, somos “corroborados de toda fortaleza, conforme a la potencia de Su gloria, para toda tolerancia y largura de ánimo con gozo”. Esto es fortalecerse “en el Señor, y en la potencia de Su fortaleza”, y ser “corroborados con potencia en el hombre interior por Su Espíritu”.
Al lector…
He aquí una palabra para usted si quiere creer, pero no puede. ¿Quisiera esperar y amar, y no halla en sí mismo más que impotencia, de modo que casi desespera? ¿Ve allí la bendición y la paz en Cristo, pero no puede alcanzarlas? No piense que por eso el Señor le ha abandonado. Es el mismo Espíritu que le hizo sentir su culpa el que ahora le enseña también que no tiene fuerza.
Y quien llega a conocer así su flaqueza comienza también a aprender en Quién está su fuerza. Desespere, pues, de sí mismo, pero no de Él. Mire al gran Sumo Sacerdote a la diestra del Padre, y elévele sus súplicas. Cuando Le plazca enviar Su Espíritu y Su gracia, sabrá lo que es fortalecerse en el Señor y en la potencia de Su fortaleza.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Gerechtigheden en sterkte
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
Er zijn er wellicht onder u die niet kunnen geloven dat ze gerechtvaardigd zijn in de Heere. Ze kennen niet het vertrouwen van het geloof dat hun zonden zijn vergeven, dat ze volledig in Christus staan door het geloof; noch kunnen ze zich in Hem beroemen. Er kan een arme ziel zijn die deze verkwikkende boodschappen van Christus, die de ziel ertoe brengen zich te beroemen in Zijn Naam, niet heeft gezien of heeft genoten. Hebben we geen schriftuurlijk bewijs in dit ene kenmerk, dat ze tot Hem komen?
Zegt de Heere niet dat er niemand tot Hem komt dan die getrokken wordt door de Vader? Dit is het werk van de Geest in het geweten van een zondaar; niemand is ooit gekomen en zal ooit komen dan door God getrokken, bereidwillig gemaakt ten tijde van Zijn kracht. En zegt de Heere Jezus Christus niet: „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen” (Joh. 6:37)? Zegt Hij niet: „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven” (Matt. 11:28)?
Wat zijn deze beloften, deze uitnodigingen toch bemoedigend voor alle met zonden belaste schepsels, die beseffen dat ze worden aangemoedigd, uitgenodigd en soms in staat gesteld tot Hem te komen, zich aan Zijn voeten te leggen, met Hem te worstelen, Zijn Majesteit te smeken, hun hart voor Hem uit te storten, en Hem met tranen, zuchten, heftig gekreun en hartverscheurend gesnik te vertellen dat niets anders dan Zijn liefde hen kan rechtvaardigen, en niets anders dan Zijn bloed hun geweten kan zuiveren! Zijn liefde brengt de hemel in hun ziel.
Lezen: Lukas 6:39-49
Aan de lezer…
Hoe zwaar is het als u nog niet kunt geloven dat uw zonden vergeven zijn! Kunt u zich niet in Christus beroemen, en meent u daarom dat u buiten staat? Zie dan eens naar dit ene kenmerk: komt u tot Hem? Niemand komt tot Hem dan die door de Vader getrokken wordt. Uw komen, hoe zwak en bevend ook, is het werk van de Geest in uw geweten.
En Hij Die u trekt, zegt Zelf: „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Ga dan voort met komen, met u aan Zijn voeten te leggen, met worstelen en smeken, en stort uw hart voor Hem uit, ook al is het met tranen en gesnik. Zeg Hem dat niets anders dan Zijn liefde u kan rechtvaardigen en niets anders dan Zijn bloed uw geweten kan zuiveren. Die u zo leert komen, zal u niet afwijzen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
Misschien zijn er onder u die niet kunnen geloven dat ze in de Heere gerechtvaardigd zijn. Ze kennen niet het vertrouwen van het geloof dat hun zonden vergeven zijn en dat ze door het geloof volledig in Christus staan; en ze kunnen zich ook niet in Hem beroemen. Er kan een arme ziel zijn die deze verkwikkende boodschappen van Christus, die de ziel ertoe brengen zich in Zijn Naam te beroemen, niet heeft gezien of genoten. Hebben we dan niet in dit ene kenmerk een schriftuurlijk bewijs: dat zulke zielen tot Hem komen?
Zegt de Heere niet dat niemand tot Hem komt dan wie door de Vader getrokken wordt? Dit is het werk van de Geest in het geweten van een zondaar. Niemand is ooit gekomen of zal ooit komen, tenzij hij door God getrokken wordt en gewillig gemaakt in de tijd van Zijn kracht. En zegt de Heere Jezus Christus niet: „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen” (Joh. 6:37)? Zegt Hij niet: „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven” (Matt. 11:28)?
Wat zijn deze beloften en uitnodigingen toch bemoedigend voor alle met zonden belaste schepsels! Zij merken dat ze bemoedigd, uitgenodigd en soms in staat gesteld worden om tot Hem te komen, zich aan Zijn voeten neer te leggen, met Hem te worstelen, Zijn Majesteit te smeken en hun hart voor Hem uit te storten. Met tranen, zuchten, heftig gekreun en hartverscheurend gesnik vertellen ze Hem dat niets anders dan Zijn liefde hen kan rechtvaardigen, en niets anders dan Zijn bloed hun geweten kan zuiveren. Zijn liefde brengt de hemel in hun ziel.
Lezen: Lukas 6:39-49
Aan de lezer…
Hoe zwaar is het als u nog niet kunt geloven dat uw zonden vergeven zijn! Kunt u zich niet in Christus beroemen, en denkt u daarom dat u erbuiten staat? Kijk dan eens naar dit ene kenmerk: komt u tot Hem? Niemand komt tot Hem dan wie door de Vader getrokken wordt. Uw komen, hoe zwak en bevend ook, is het werk van de Geest in uw geweten.
En Hij Die u trekt, zegt Zelf: „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Blijf dan komen: leg u aan Zijn voeten neer, worstel en smeek, en stort uw hart voor Hem uit, ook al is het met tranen en gesnik. Zeg Hem dat niets anders dan Zijn liefde u kan rechtvaardigen en niets anders dan Zijn bloed uw geweten kan zuiveren. Hij Die u zo leert komen, zal u niet afwijzen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Surely, shall one say, in the LORD have I righteousness and strength: even to Him shall men come.
Isaiah 45:24
Perhaps there are some among you who cannot believe that they are justified in the Lord. They do not know the confidence of faith that their sins are pardoned and that by faith they stand complete in Christ; nor can they glory in Him. There may be a poor soul who has not seen or enjoyed those refreshing messages from Christ which bring the soul to glory in His Name. Have we not, then, in this one mark a scriptural evidence: that such souls come to Him?
Does not the Lord say that no man comes to Him except he be drawn by the Father? This is the work of the Spirit in the conscience of a sinner. No one has ever come or ever will come unless he is drawn by God and made willing in the day of His power. And does not the Lord Jesus Christ say, “Him that cometh to Me I will in no wise cast out” (John 6:37)? Does He not say, “Come unto Me, all ye that labour and are heavy laden, and I will give you rest” (Matt. 11:28)?
How encouraging these promises and invitations are to all sin-burdened creatures! They find that they are encouraged, invited and sometimes enabled to come to Him, to lay themselves at His feet, to wrestle with Him, to entreat His Majesty and to pour out their hearts before Him. With tears, sighs, vehement groans and heart-rending sobs they tell Him that nothing but His love can justify them, and nothing but His blood can purge their conscience. His love brings heaven into their souls.
Reading: Luke 6:39-49
To the reader…
How heavy it is when you cannot yet believe that your sins are pardoned! Can you not glory in Christ, and do you therefore think that you stand outside? Then look at this one mark: do you come to Him? No one comes to Him except he be drawn by the Father. Your coming, however weak and trembling, is the work of the Spirit in your conscience.
And He Who draws you says Himself, “Him that cometh to Me I will in no wise cast out.” Keep coming, then: lay yourself at His feet, wrestle and entreat, and pour out your heart before Him, even if it is with tears and sobs. Tell Him that nothing but His love can justify you and nothing but His blood can purge your conscience. He Who teaches you to come like this will not turn you away.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y diráse de Mí: Ciertamente en Jehová está la justicia y la fuerza: a Él vendrán.
Isaías 45:24
Quizás haya algunos entre ustedes que no pueden creer que están justificados en el Señor. No conocen la confianza de la fe de que sus pecados están perdonados y de que por la fe están completos en Cristo; tampoco pueden gloriarse en Él. Puede haber una pobre alma que no ha visto ni disfrutado esos mensajes refrescantes de Cristo que llevan al alma a gloriarse en Su Nombre. ¿No tenemos, pues, en esta sola señal una evidencia bíblica: que tales almas vienen a Él?
¿No dice el Señor que ninguno viene a Él si el Padre no le trajere? Esta es la obra del Espíritu en la conciencia de un pecador. Nadie ha venido jamás ni vendrá jamás a menos que sea atraído por Dios y hecho dispuesto en el día de Su poder. ¿Y no dice el Señor Jesucristo: “Al que a Mí viene, no le echo fuera” (Juan 6:37)? ¿No dice: “Venid a Mí todos los que estáis trabajados y cargados, que Yo os haré descansar” (Mateo 11:28)?
¡Cuán alentadoras son estas promesas e invitaciones para todas las criaturas cargadas de pecado! Hallan que son animadas, invitadas y a veces capacitadas para venir a Él, para echarse a Sus pies, para luchar con Él, para suplicar a Su Majestad y para derramar sus corazones delante de Él. Con lágrimas, suspiros, gemidos vehementes y sollozos desgarradores le dicen que nada sino Su amor puede justificarlas, y nada sino Su sangre puede purgar su conciencia. Su amor trae el cielo a sus almas.
Lectura: Lucas 6:39-49
Al lector…
¡Qué pesado es cuando todavía no puede creer que sus pecados están perdonados! ¿No puede gloriarse en Cristo, y piensa por eso que está fuera? Mire entonces esta sola señal: ¿viene usted a Él? Ninguno viene a Él si el Padre no le trajere. Su venir, por débil y tembloroso que sea, es obra del Espíritu en su conciencia.
Y Aquel que le atrae dice Él mismo: “Al que a Mí viene, no le echo fuera”. Siga viniendo, pues: échese a Sus pies, luche y suplique, y derrame su corazón delante de Él, aunque sea con lágrimas y sollozos. Dígale que nada sino Su amor puede justificarle y nada sino Su sangre puede purgar su conciencia. Aquel que le enseña a venir así no le rechazará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want onze zeer lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een zeer uitnemend, eeuwig gewicht der heerlijkheid.
2 Korinthe 4:17
Het Hebreeuwse woord „heerlijkheid” betekent letterlijk „gewicht”, en de apostel schijnt daarop het oog te hebben door, gelijk hij doet, de twee woorden met elkaar te verbinden of samen te voegen. Er is inderdaad een natuurlijk verband tussen hetgeen wichtig of zwaar en hetgeen hecht en duurzaam is. Hij wilde dus de toekomstige heerlijkheid als hecht en duurzaam voorstellen, en als volstrekt onderscheiden van de lichte, ijdele nietigheden van de tijd, en zelfs van de voorbijgaande verdrukkingen die dagelijks voorkomen.
Maar hij schijnt hoofdzakelijk te zinspelen op de buitengewone grootheid van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden, in vergelijking met onze tegenwoordige vermogens van lichaam en geest en onze tegenwoordige bevatting daarvan. Het is alsof hij wil zeggen: „In onze tegenwoordige, onvolmaakte staat, met onze bekrompen vermogens van geest en onze zwakke, broze tabernakel, kunnen wij het gewicht van die onsterfelijke heerlijkheid niet dragen, die bereid is voor de heiligen in het Koninkrijk der heerlijkheid.” Geen oog heeft het gezien, noch oor gehoord, noch is het in het hart des mensen ooit opgeklommen, hetgeen God bereid heeft voor degenen die Hem liefhebben.
De hemel, in de ontsluiting van zijn zaligheid, zou ons tegenwoordig lichaam en onze ziel in een enkel ogenblik verbrijzelen in het stof. „Geen mens,” zegt God tot Mozes, „zal Mij zien en leven.” Toen Johannes op Patmos een gezicht ontving van de herrezen Heere, viel hij, ofschoon hij bij het laatste avondmaal op Zijn borst gevallen was, als dood aan Zijn voeten. Daarom moeten wij gereinigd worden van alle besmetting der zonde, en onze zielen moeten tot het uiterste van onze sterfelijke vermogens verwijd worden, en ons lichaam verheerlijkt en gelijkvormig gemaakt naar het heerlijk lichaam van de Heere Jezus Christus, opdat ziel en lichaam in staat zullen mogen zijn het gewicht der eeuwige heerlijkheid te dragen, waarmede zij zullen bekleed worden. Gelijk de apostel zegt: „Niet dat wij zouden ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.”
Maar er is iets in het woord „heerlijkheid” dat ik niet mag voorbijgaan. De Heere bidt in het aangrijpende kapittel Johannes 17 aldus, of liever, Hij drukt Zijn hemelse wil als volgt uit: „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.” Dit is het gewicht der heerlijkheid waarvan de apostel spreekt: niet alleen ontslag van zonde en smart, niet slechts Christus zien gelijk Hij is, maar ook beschouwen en genieten de onuitsprekelijke heerlijkheid die de Vader Hem gegeven heeft, dat is al de heerlijkheid der Godheid, zoals deze geopenbaard is in en schijnende is door Zijn menselijke natuur.
De volkomenheid en volmaaktheid van deze heerlijkheid is voor de heiligen Gods weggelegd om te genieten, wanneer zij Hem zullen zien gelijk Hij is en kennen gelijk zij gekend zijn. Wij zien er een glimpje van wanneer Christus aan de ziel geopenbaard wordt, wanneer de hemelen aan het geloof ontsloten worden, wanneer Zijn schoonheid en dierbaarheid door de kracht Gods aan het hart worden geopenbaard. Maar het „uitnemende gewicht der heerlijkheid” kan nooit in dit tegenwoordige leven ten volle begrepen worden.
Aan de lezer…
Kent u dat? De verdrukking drukt zwaar op u, zo zwaar dat u haar niet licht kunt noemen. Leg haar dan eens op de weegschaal naast het eeuwig gewicht der heerlijkheid. Wat u nu terneerdrukt, gaat zeer haast voorbij; wat bereid is voor degenen die Hem liefhebben, is hecht en duurzaam, en geen oog heeft het gezien.
Bent u nog besmet met zonde en zwak van lichaam en geest? Ook dat weet de Heere. Hij moet Zijn volk reinigen en bereiden, opdat zij eens die heerlijkheid kunnen dragen. Hebt u soms een glimpje gezien van Zijn schoonheid en dierbaarheid, wanneer Christus aan uw ziel werd geopenbaard? Dat was slechts een voorsmaak. Hij heeft gezegd: „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn.” Houd dat vast, totdat u Hem zult zien gelijk Hij is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want onze zeer lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een zeer uitnemend, eeuwig gewicht der heerlijkheid.
2 Korinthe 4:17
Het Hebreeuwse woord voor „heerlijkheid” betekent letterlijk „gewicht”, en de apostel lijkt daarop te doelen door de twee woorden, zoals hij doet, met elkaar te verbinden of samen te voegen. Er is inderdaad een natuurlijk verband tussen wat gewichtig of zwaar is en wat hecht en duurzaam is. Hij wilde de toekomstige heerlijkheid dus voorstellen als hecht en duurzaam, en als volstrekt verschillend van de lichte, ijdele nietigheden van de tijd, en zelfs van de voorbijgaande verdrukkingen die dagelijks voorkomen.
Maar hij lijkt vooral te doelen op de buitengewone grootheid van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden, vergeleken met onze huidige vermogens van lichaam en geest en ons huidige begrip daarvan. Het is alsof hij wil zeggen: „In onze tegenwoordige, onvolmaakte staat, met onze bekrompen vermogens van geest en onze zwakke, broze tabernakel, kunnen wij het gewicht van die onsterfelijke heerlijkheid niet dragen, die bereid is voor de heiligen in het Koninkrijk der heerlijkheid.” Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in het hart van de mens is nooit opgekomen wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben.
Als de hemel zijn zaligheid ontsloot, zou die ons tegenwoordige lichaam en onze ziel in één ogenblik tot stof verbrijzelen. „Geen mens,” zegt God tegen Mozes, „zal Mij zien en leven.” Toen Johannes op Patmos een gezicht ontving van de opgestane Heere, viel hij als dood aan Zijn voeten, hoewel hij bij het laatste avondmaal aan Zijn borst had gelegen. Daarom moeten wij gereinigd worden van alle besmetting van de zonde, moeten onze zielen verruimd worden tot de uiterste grens van onze sterfelijke vermogens, en moet ons lichaam verheerlijkt en gelijkvormig gemaakt worden aan het heerlijke lichaam van de Heere Jezus Christus. Zo zullen ziel en lichaam in staat zijn het gewicht te dragen van de eeuwige heerlijkheid waarmee zij bekleed zullen worden. Zoals de apostel zegt: „Niet dat wij zouden ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.”
Maar er is iets in het woord „heerlijkheid” dat ik niet mag overslaan. In het aangrijpende hoofdstuk Johannes 17 bidt de Heere zo, of liever, drukt Hij Zijn hemelse wil zo uit: „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.” Dit is het gewicht van de heerlijkheid waarover de apostel spreekt: niet alleen bevrijding van zonde en smart, niet alleen Christus zien zoals Hij is, maar ook de onuitsprekelijke heerlijkheid aanschouwen en genieten die de Vader Hem gegeven heeft, dat wil zeggen: heel de heerlijkheid van de Godheid, zoals die geopenbaard is in Zijn menselijke natuur en daardoor heen schijnt.
De volheid en volmaaktheid van deze heerlijkheid is voor de heiligen van God weggelegd om te genieten, wanneer zij Hem zullen zien zoals Hij is en kennen zoals zij gekend zijn. Wij zien er een glimp van wanneer Christus aan de ziel geopenbaard wordt, wanneer de hemel voor het geloof ontsloten wordt, wanneer Zijn schoonheid en dierbaarheid door de kracht van God aan het hart worden geopenbaard. Maar het „uitnemende gewicht der heerlijkheid” kan in dit tegenwoordige leven nooit volledig begrepen worden.
Aan de lezer…
Kent u dat? De verdrukking drukt zwaar op u, zo zwaar dat u haar niet licht kunt noemen. Leg haar dan eens op de weegschaal naast het eeuwige gewicht van de heerlijkheid. Wat u nu terneerdrukt, gaat zeer snel voorbij; wat bereid is voor hen die Hem liefhebben, is hecht en duurzaam, en geen oog heeft het gezien.
Bent u nog besmet met zonde en zwak van lichaam en geest? Ook dat weet de Heere. Hij moet Zijn volk reinigen en voorbereiden, zodat zij die heerlijkheid eens kunnen dragen. Hebt u soms een glimp gezien van Zijn schoonheid en dierbaarheid, wanneer Christus aan uw ziel werd geopenbaard? Dat was nog maar een voorsmaak. Hij heeft gezegd: „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn.” Houd dat vast, totdat u Hem zult zien zoals Hij is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For our light affliction, which is but for a moment, worketh for us a far more exceeding and eternal weight of glory.”
2 Corinthians 4:17
The Hebrew word “glory” literally signifies “weight;” and the Apostle seems to have some allusion to that circumstance by connecting, as he does, the two words together. There is indeed a natural connection between what is weighty and what is solid and substantial. He would thus represent future glory as something solid, lasting, and durable, and therefore utterly distinct from the light, vain trifles of time, and even the passing afflictions of the day or hour.
But he seems chiefly to be alluding to the exceeding greatness of that glory which is to be revealed as compared with our present faculties of body and mind and all our present conceptions. It is as though he should say, “In our present imperfect state, with our limited faculties of mind, and our weak, frail tabernacle, we could not bear the weight of that immortal glory which is prepared for the saints in the realms of bliss.” “Eye has not seen, nor ear heard, neither have entered into the heart of man, the things which God has prepared for those who love Him.”
Heaven, with its opening bliss, would crush our present body and soul at once into the dust. “No man,” said God to Moses, “can see Me and live.” When John in Patmos had a view of the glory of his risen Lord, though he had lain in His bosom at the last supper, yet he fell at His feet as dead. Therefore, we must have our soul purified from all stain of sin and expanded to the utmost of its immortal powers, and our body glorified and conformed to the body of the Lord Jesus Christ, that soul and body may alike be able to bear the weight of eternal glory with which they are to be clothed. As the Apostle speaks, “Not for that we would be unclothed, but clothed upon, that mortality might be swallowed up of life.”
But there is something in the word “glory” that I must not pass by. The Lord, in that touching chapter, John 17, thus prays, or rather thus expresses His heavenly will, “Father, I will that they also, whom You have given Me, be with Me where I am; that they may behold My glory, which You have given Me.” This is the “weight of glory” that the Apostle speaks of, not merely freedom from sin and sorrow, not merely seeing Christ as He is, but beholding and enjoying that unutterable glory which the Father gave Him, which is all the glory of Godhead as revealed in, and shining through His human nature.
The fullness and perfection of this glory is reserved for the saints of God to enjoy when they shall see Him as He is, and know even also as they are known. We see a gleam of it when Christ is revealed to the soul; when the heavens are opened to faith; when His beauty and blessedness are manifested to our heart by the power of God. But the “exceeding and eternal weight of glory” can never be fully comprehended in this present life.
To the reader…
Do you know this? Affliction presses heavily on you, so heavily that you cannot call it light. Then lay it for once on the scales beside the eternal weight of glory. What weighs you down now passes very quickly; what is prepared for those who love Him is solid and lasting, and no eye has seen it.
Are you still stained with sin and weak in body and mind? The Lord knows that too. He must cleanse and prepare His people, so that one day they can bear that glory. Have you sometimes seen a glimpse of His beauty and preciousness, when Christ was revealed to your soul? That was only a foretaste. He has said, “Father, I will that they also be with Me where I am.” Hold on to that, until you see Him as He is.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque lo que al presente es momentáneo y leve de nuestra tribulación, nos obra un sobremanera alto y eterno peso de gloria.”
2 Corintios 4:17
La palabra hebrea “gloria” significa literalmente “peso”; y el Apóstol parece hacer alguna alusión a esa circunstancia al unir, como lo hace, las dos palabras. Hay, en efecto, una conexión natural entre lo que es pesado y lo que es sólido y sustancial. Así quiere presentar la gloria futura como algo sólido, duradero y permanente, y por tanto enteramente distinto de las bagatelas ligeras y vanas del tiempo, y aun de las aflicciones pasajeras del día o de la hora.
Pero parece aludir principalmente a la extraordinaria grandeza de esa gloria que ha de ser revelada, comparada con nuestras facultades presentes de cuerpo y mente y con todas nuestras concepciones actuales. Es como si dijera: “En nuestro estado presente e imperfecto, con nuestras limitadas facultades de mente y nuestro tabernáculo débil y frágil, no podríamos soportar el peso de esa gloria inmortal que está preparada para los santos en las regiones de la dicha.” “Cosas que ojo no vio, ni oreja oyó, ni han subido en corazón de hombre, son las que ha Dios preparado para aquellos que le aman.”
El cielo, con su dicha desplegada, aplastaría de inmediato nuestro cuerpo y alma presentes hasta el polvo. “No me verá hombre, y vivirá”, dijo Dios a Moisés. Cuando Juan en Patmos tuvo una visión de la gloria de su Señor resucitado, aunque se había recostado en Su seno en la última cena, cayó a Sus pies como muerto. Por tanto, nuestra alma ha de ser purificada de toda mancha de pecado y ensanchada hasta lo sumo de sus facultades inmortales, y nuestro cuerpo glorificado y conformado al cuerpo del Señor Jesucristo, para que alma y cuerpo puedan por igual soportar el peso de la gloria eterna con que han de ser revestidos. Como dice el Apóstol: “Porque no quisiéramos ser desnudados; sino sobrevestidos, para que lo mortal sea absorbido por la vida.”
Pero hay algo en la palabra “gloria” que no debo pasar por alto. El Señor, en aquel conmovedor capítulo, Juan 17, ora así, o más bien expresa así Su voluntad celestial: “Padre, aquellos que Me has dado, quiero que donde Yo estoy, ellos estén también conmigo; para que vean Mi gloria que Me has dado.” Este es el “peso de gloria” del que habla el Apóstol: no meramente la liberación del pecado y del dolor, no meramente ver a Cristo tal como Él es, sino contemplar y disfrutar aquella gloria indecible que el Padre Le dio, que es toda la gloria de la Deidad tal como se revela en Su naturaleza humana y resplandece a través de ella.
La plenitud y perfección de esta gloria está reservada para que la disfruten los santos de Dios cuando Le vean tal como Él es, y conozcan como también son conocidos. Vemos un destello de ella cuando Cristo es revelado al alma; cuando los cielos se abren a la fe; cuando Su hermosura y bienaventuranza se manifiestan a nuestro corazón por el poder de Dios. Pero el “sobremanera alto y eterno peso de gloria” nunca puede comprenderse plenamente en esta vida presente.
Al lector…
¿Conoce usted esto? La aflicción pesa sobre usted, tanto que no puede llamarla leve. Entonces póngala por una vez en la balanza junto al eterno peso de gloria. Lo que ahora le abate pasa muy pronto; lo que está preparado para los que Le aman es sólido y duradero, y ningún ojo lo ha visto.
¿Está todavía manchado por el pecado y débil de cuerpo y de mente? El Señor sabe también eso. Él ha de limpiar y preparar a Su pueblo, para que un día pueda soportar esa gloria. ¿Ha visto a veces un vislumbre de Su hermosura y preciosidad, cuando Cristo fue revelado a su alma? Eso fue solo un anticipo. Él ha dicho: “Padre, aquellos que Me has dado, quiero que donde Yo estoy, ellos estén también conmigo.” Aférrese a eso, hasta que Le vea tal como Él es.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl