5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Mattheüs 11:6
Wat voelt u in uw hart voor Jezus? Wat is de ernstige begeerte van uw ziel? Dat Hij mocht komen en woning maken in uw hart? Dat Hij uw ziel mocht bezoeken met het licht van Zijn aangezicht? Dat Hij uw geweten mocht besprengen met Zijn bloed? Dat Hij Zich in uw nabijheid stelde, Zich dierbaar en kostelijk voor u maakte? Acht u één woord van Zijn lippen dierbaarder dan duizend werelden? Een lach van Zijn gelaat dierbaarder dan duizenden aan goud en zilver? Dan bent u gezegend.
U ergert u niet aan de donkere bergen van dwaling. U ergert u niet aan de volmaaktheden van de Zoon Gods. U ergert u niet aan een vrij Evangelie, een onvoorwaardelijke behoudenis. Nee, de Heere heeft in Zijn genade uw vooroordelen gedood, uw vijandschap vernietigd, en u ertoe gebracht het Evangelie aan te nemen als een kind.
Goed, maar sommigen kunnen zeggen: „Ik geloof dit alles, maar dan twijfel ik of de Heere Zijn werk in mij begonnen is, of ik een van de Zijnen ben. Ik kan de kracht der Waarheid niet genieten zoals ik wel wenste.” Maar zegt de Heere niet: „Zalig is hij, die aan Mij niet geërgerd wordt”? U ergert u niet aan Jezus. En hij die niet aan Hem geërgerd wordt, maar die Hem kan ontvangen als de Christus Gods, in Hem kan geloven en Hem bij tijden dierbaar vinden — hij komt onder de zegen die rijk maakt, onvoorwaardelijk rijk.
Des Heeren vrees is rein.
Zij opent een fontein
van heil dat nooit vergaat.
Zijn dierb’re leer verspreidt
een straal van billijkheid,
daar z’ all’ onwaarheid haat.
Z’is ’t mensdom meerder waard,
dan ’t fijnste goud op aard’;
niets kan haar glans verdoven.
Zij streeft in heilzaam zoet,
tot streling van ’t gemoed,
de honing ver te boven.
Psalm 19:5
Aan de lezer…
Wat voelt u in uw hart voor Jezus? Verlangt u dat Hij woning maakt in uw hart, uw geweten besprengt met Zijn bloed en Zich kostelijk voor u maakt? Is één woord van Zijn lippen u dierbaarder dan duizend werelden? Misschien zegt u: „Dat verlangen is er wel, maar ik twijfel of de Heere Zijn werk in mij begonnen is; ik geniet de kracht der waarheid niet zoals ik zou wensen.” Ik neem die twijfel ernstig, maar laat er niet het laatste woord aan.
Want de Heere Zelf zegt: „Zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.” Ergert u zich niet aan Zijn volmaaktheden, niet aan een vrij Evangelie, niet aan een onvoorwaardelijke behoudenis? Kunt u Hem ontvangen als de Christus Gods en Hem bij tijden dierbaar vinden? Dan staat u onder die zegen. Uw vooroordelen en vijandschap zijn niet vanzelf verdwenen; dat heeft Zijn genade gedaan. Neem het Evangelie dan aan als een kind.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Mattheüs 11:6
Wat voelt u in uw hart voor Jezus? Wat is de ernstige begeerte van uw ziel? Dat Hij mag komen en woning maken in uw hart? Dat Hij uw ziel mag bezoeken met het licht van Zijn aangezicht? Dat Hij uw geweten mag besprengen met Zijn bloed? Dat Hij Zich dicht bij u openbaart en Zich dierbaar en kostbaar voor u maakt? Is één woord van Zijn lippen u dierbaarder dan duizend werelden, één glimlach van Zijn aangezicht dierbaarder dan duizenden aan goud en zilver? Dan bent u gezegend.
U ergert u niet aan de donkere bergen van dwaling. U ergert u niet aan de volmaaktheden van de Zoon van God. U ergert u niet aan een vrij Evangelie, aan een onvoorwaardelijke behoudenis. Nee, de Heere heeft in Zijn genade uw vooroordelen gedood en uw vijandschap vernietigd, en Hij heeft u ertoe gebracht het Evangelie aan te nemen als een kind.
Goed, maar sommigen zeggen misschien: „Ik geloof dit alles, maar dan twijfel ik of de Heere Zijn werk in mij begonnen is, of ik een van de Zijnen ben. Ik kan de kracht der Waarheid niet genieten zoals ik wel wenste.” Maar zegt de Heere niet: „Zalig is hij, die aan Mij niet geërgerd wordt”? U ergert u niet aan Jezus. En wie zich niet aan Hem ergert, maar Hem kan ontvangen als de Christus van God, in Hem kan geloven en Hem bij tijden dierbaar vindt, die valt onder de zegen die rijk maakt, onvoorwaardelijk rijk.
Des Heeren vrees is rein.
Zij opent een fontein
van heil dat nooit vergaat.
Zijn dierb’re leer verspreidt
een straal van billijkheid,
daar z’ all’ onwaarheid haat.
Z’is ’t mensdom meerder waard,
dan ’t fijnste goud op aard’;
niets kan haar glans verdoven.
Zij streeft in heilzaam zoet,
tot streling van ’t gemoed,
de honing ver te boven.
Psalm 19:5
Aan de lezer…
Wat voelt u in uw hart voor Jezus? Verlangt u dat Hij woning maakt in uw hart, uw geweten besprengt met Zijn bloed en Zich kostbaar voor u maakt? Is één woord van Zijn lippen u dierbaarder dan duizend werelden? Misschien zegt u: „Dat verlangen is er wel, maar ik twijfel of de Heere Zijn werk in mij begonnen is; ik geniet de kracht van de waarheid niet zoals ik zou willen.” Ik neem die twijfel ernstig, maar geef er niet het laatste woord aan.
Want de Heere Zelf zegt: „Zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.” Ergert u zich niet aan Zijn volmaaktheden, niet aan een vrij Evangelie, niet aan een onvoorwaardelijke behoudenis? Kunt u Hem ontvangen als de Christus van God en Hem bij tijden dierbaar vinden? Dan staat u onder die zegen. Uw vooroordelen en vijandschap zijn niet vanzelf verdwenen; dat heeft Zijn genade gedaan. Neem het Evangelie dan aan als een kind.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And blessed is he, whosoever shall not be offended in Me.
Matthew 11:6
What is the feeling of your heart toward Jesus? What is the solemn desire of your soul? that He would come and make your heart His abode? that He would visit your soul with the light of His countenance? that He would sprinkle His blood upon your conscience? that He would make Himself very near, very dear, and very precious? Do you count one word from His lips worth a thousand worlds? a smile of His countenance worth thousands of gold and silver? Then you are blessed.
You are not stumbling upon the dark mountains of error. You are not stumbling at the perfections of the Son of God. You are not offended at a free gospel, an unconditional salvation. No; the Lord in mercy has slaughtered your prejudices, subdued your enmity, and brought you to receive the gospel as a little child.
“Well,” but some may say, “I believe all this; but, then, I have doubts and fears whether the Lord has begun His work in me, whether I am one of His family. I cannot enjoy the power of truth as I could wish.” But does not the Lord say, “Blessed is the man who does not fall away on account of Me.” You are not offended and stumbled at Jesus. And he that does not fall away on account of Him, but is enabled to receive Him as the Christ of God, to look to Him, to believe in Him, and at times to feel Him precious—he comes under the blessing which makes rich, and adds no sorrow with it.
To the reader…
What do you feel in your heart towards Jesus? Do you long for Him to make His dwelling in your heart, to sprinkle your conscience with His blood and make Himself precious to you? Is one word from His lips dearer to you than a thousand worlds? Perhaps you say, “That longing is there, but I doubt whether the Lord has begun His work in me; I do not enjoy the power of the truth as I would wish.” I take that doubt seriously, but I do not give it the last word.
For the Lord Himself says, “Blessed is he, whosoever shall not be offended in Me.” Are you not offended at His perfections, not at a free gospel, not at an unconditional salvation? Can you receive Him as the Christ of God and at times find Him precious? Then you stand under that blessing. Your prejudices and enmity did not disappear of themselves; His grace did that. Receive the gospel, then, as a little child.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y bienaventurado es el que no fuere escandalizado en Mí.
Mateo 11:6
¿Cuál es el sentir de su corazón hacia Jesús? ¿Cuál es el deseo solemne de su alma? ¿Que Él venga y haga de su corazón Su morada? ¿Que visite su alma con la luz de Su rostro? ¿Que rocíe Su sangre sobre su conciencia? ¿Que se haga muy cercano, muy querido y muy precioso? ¿Estima usted una sola palabra de Sus labios más que mil mundos, una sonrisa de Su rostro más que millares de oro y plata? Entonces es usted bienaventurado.
Usted no está tropezando en los montes oscuros del error. No está tropezando en las perfecciones del Hijo de Dios. No se escandaliza de un evangelio gratuito, de una salvación incondicional. No; el Señor, en Su misericordia, ha dado muerte a sus prejuicios, ha sojuzgado su enemistad y le ha llevado a recibir el evangelio como un niño.
“Bien”, dirán algunos, “creo todo esto; pero tengo dudas y temores de si el Señor ha comenzado Su obra en mí, de si soy uno de Su familia. No puedo gozar del poder de la verdad como quisiera”. Pero, ¿no dice el Señor: “Bienaventurado es el que no fuere escandalizado en Mí”? Usted no se escandaliza ni tropieza en Jesús. Y el que no se aparta a causa de Él, sino que es capacitado para recibirle como el Cristo de Dios, para mirarle, para creer en Él y a veces para sentirle precioso, ese está bajo la bendición que enriquece y no añade tristeza con ella.
Al lector…
¿Qué siente usted en su corazón hacia Jesús? ¿Anhela que Él haga Su morada en su corazón, que rocíe su conciencia con Su sangre y se le haga precioso? ¿Le es más querida una sola palabra de Sus labios que mil mundos? Quizá diga usted: “Ese anhelo está ahí, pero dudo de si el Señor ha comenzado Su obra en mí; no gozo del poder de la verdad como quisiera”. Tomo en serio esa duda, pero no le doy la última palabra.
Porque el Señor mismo dice: “Bienaventurado es el que no fuere escandalizado en Mí”. ¿No se escandaliza usted de Sus perfecciones, ni de un evangelio gratuito, ni de una salvación incondicional? ¿Puede recibirle como el Cristo de Dios y hallarle a veces precioso? Entonces está bajo esa bendición. Sus prejuicios y su enemistad no desaparecieron por sí solos; eso lo hizo Su gracia. Reciba, pues, el evangelio como un niño.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het gebed van Salomo
Zelfs ook aangaande de vreemde, die van Uw volk Israël niet zijn zal, maar uit verren lande, om Uws groten Naams, en Uwer sterke hand, en Uws uitgestrekten arms wil, komen zal, als zij komen, en bidden zullen in dit huis, hoor Gij dan uit de hemel.
2 Kron. 6:32-33
Er zijn mensen die niet veel kunnen zeggen over de omgang van God met hun ziel, maar die toch niet kunnen zeggen dat ze geen verlangen naar God kennen, dat ze geen gevoel, geen geweten, geen gebed, geen smeekbede, geen honger, geen dorst naar de zegeningen van God ondervinden. Dit durven ze niet te ontkennen, maar ze kunnen weinig meer zeggen. Welnu, dit zijn „vreemden uit verren lande”, die komen „om Uws groten Naams en Uwer sterke hand, en Uws uitgestrekten arms”, opdat zij de barmhartigheid mogen ontvangen die in het Evangelie wordt verkondigd, opdat ze, als het God behaagt, gezegend zullen worden met een openbaring van Zijn liefde.
Dezen „komen en bidden in dit huis”, dat wil zeggen, in naam van, en alleen ziende op de Heere Jezus. Hun hart is met gebed gevuld: de Heere heeft hun geleerd Zijn grote Naam te vrezen, en heeft in hun hart een uitroep en zucht om barmhartigheid gelegd. Zal de Heere weigeren naar hun uitroep te luisteren? „Dan,” bidt de koning van Israël, „hoor Gij uit de hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal.”
De „vreemde” roept God om barmhartigheid, om iets van vergeving en om kennis van een persoonlijk deel aan de Heere Jezus Christus; dat zijn geweten wordt besprenkeld met het bloed van het Lam; dat hij zonder angst of twijfel kan zeggen: „De Heere is mijn God.” Hij komt niet uitdagend en aanmatigend, maar nederig en diepbedroefd als een „vreemde”. Hij stelt geen eis; hij toont geen misplaatste trots; hij stelt geen vertrouwen in het vlees; maar hij komt in zijn ware gedaante als een „vreemde”, en vraagt de Heere hem bepaalde barmhartigheid te verlenen en hem een bepaalde zegen te geven, eenvoudigweg vanwege Zijn overvloedige en allerhoogste genade.
Salomo, als type van de Middelaar, bidt tot de Heere dat Hij doet „naar alles, waarom die vreemde tot Hem roepen zal”. En dat zal Hij zeker doen, Hij moet dit wel doen omwille van Zijn eigen Naam; want elk gebed dat wordt gedaan in naam van de Heere Jezus Christus, door de onderwijzingen
Lezen: 2 Kronieken 6:29-42
Aan de lezer…
Wanneer u zich een vreemde uit een ver land voelt, kunt u misschien niet veel zeggen over Gods omgang met uw ziel, maar durft u evenmin te ontkennen dat er een honger, een dorst, een zucht om barmhartigheid in u leeft. Dan bent u niet vergeten in deze bede van Salomo. Juist voor zulken bidt hij: „Hoor Gij dan uit de hemel, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal.”
Kom dan zoals u bent: niet eisend, niet aanmatigend, zonder vertrouwen in het vlees, maar nederig, als een vreemde die niets heeft dan zijn nood. Kom in de Naam van de Heere Jezus, en vraag om vergeving, om besprenkeling met het bloed van het Lam, om het woord: „De Heere is mijn God.” Wie de Heere de vreze van Zijn grote Naam heeft geleerd en een zucht in het hart heeft gelegd, zal Hij om Zijn eigen Naam niet afwijzen. Zijn genade is groter dan uw vreemdheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zelfs ook aangaande de vreemde, die van Uw volk Israël niet zijn zal, maar uit verren lande, om Uws groten Naams, en Uwer sterke hand, en Uws uitgestrekten arms wil, komen zal, als zij komen, en bidden zullen in dit huis, hoor Gij dan uit de hemel.
2 Kron. 6:32-33
Er zijn mensen die niet veel kunnen zeggen over Gods omgang met hun ziel, maar die toch niet kunnen zeggen dat ze geen verlangen naar God kennen, dat ze geen gevoel, geen geweten, geen gebed, geen smeekbede, geen honger en geen dorst naar de zegeningen van God ervaren. Dat durven ze niet te ontkennen, maar veel meer kunnen ze niet zeggen. Welnu, dit zijn „vreemden uit verren lande”, die komen „om Uws groten Naams en Uwer sterke hand, en Uws uitgestrekten arms” wil. Ze komen om de barmhartigheid te ontvangen die in het Evangelie verkondigd wordt, en om, als het God behaagt, gezegend te worden met een openbaring van Zijn liefde.
Zij „komen en bidden in dit huis”, dat wil zeggen: in de Naam van de Heere Jezus en alleen ziende op Hem. Hun hart is vol gebed. De Heere heeft hun geleerd Zijn grote Naam te vrezen, en Hij heeft een roepen en zuchten om barmhartigheid in hun hart gelegd. Zal de Heere weigeren naar hun roepen te luisteren? „Dan,” bidt de koning van Israël, „hoor Gij uit de hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal.”
De „vreemde” roept tot God om barmhartigheid, om iets van vergeving en om de kennis dat hij persoonlijk deel heeft aan de Heere Jezus Christus; dat zijn geweten besprenkeld wordt met het bloed van het Lam, en dat hij zonder vrees of twijfel kan zeggen: „De Heere is mijn God.” Hij komt niet uitdagend en aanmatigend, maar nederig en diepbedroefd, als een „vreemde”. Hij stelt geen eisen, hij toont geen misplaatste trots, hij stelt geen vertrouwen op het vlees. Hij komt zoals hij werkelijk is, als een „vreemde”, en vraagt de Heere hem een bepaalde barmhartigheid te bewijzen en een bepaalde zegen te geven, enkel vanwege Zijn overvloedige en soevereine genade.
Salomo, als type van de Middelaar, bidt de Heere dat Hij doet „naar alles, waarom die vreemde tot Hem roepen zal”. En dat zal Hij zeker doen; Hij moet het wel doen omwille van Zijn eigen Naam. Want elk gebed dat gedaan wordt in de Naam van de Heere Jezus Christus, door de onderwijzingen
Lezen: 2 Kronieken 6:29-42
Aan de lezer…
Wanneer u zich een vreemde uit een ver land voelt, kunt u misschien niet veel zeggen over Gods omgang met uw ziel, maar durft u evenmin te ontkennen dat er een honger, een dorst, een zucht om barmhartigheid in u leeft. Dan bent u niet vergeten in deze bede van Salomo. Juist voor zulke mensen bidt hij: „Hoor Gij dan uit de hemel, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal.”
Kom dan zoals u bent: niet eisend, niet aanmatigend, zonder vertrouwen op het vlees, maar nederig, als een vreemde die niets heeft dan zijn nood. Kom in de Naam van de Heere Jezus, en vraag om vergeving, om besprenkeling met het bloed van het Lam, om het woord: „De Heere is mijn God.” Wie de Heere de vreze van Zijn grote Naam heeft geleerd en bij wie Hij een zucht in het hart heeft gelegd, zal Hij om Zijn eigen Naam niet afwijzen. Zijn genade is groter dan uw vreemdheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Moreover concerning the stranger, which is not of Thy people Israel, but is come from a far country for Thy great Name’s sake, and Thy mighty hand, and Thy stretched out arm; if they come and pray in this house; then hear Thou from the heavens.
2 Chronicles 6:32-33
There are people who cannot say much about God’s dealings with their souls, but who still cannot say that they know no desire after God, that they feel no sensibility, no conscience, no prayer, no supplication, no hungering and no thirsting after the blessings of God. That they dare not deny, but much more they cannot say. Well, these are “strangers from a far country,” who come “for Thy great Name’s sake, and Thy mighty hand, and Thy stretched out arm.” They come to receive the mercy proclaimed in the gospel, and, if it please God, to be blessed with a revelation of His love.
They “come and pray in this house,” that is, in the Name of the Lord Jesus and looking to Him alone. Their heart is full of prayer. The Lord has taught them to fear His great Name, and He has put a cry and a sigh for mercy into their hearts. Will the Lord refuse to listen to their cry? “Then,” prays the king of Israel, “hear Thou from the heavens, even from Thy dwelling place, and do according to all that the stranger calleth to Thee for.”
The “stranger” cries to God for mercy, for some sense of pardon, and for the knowledge that he has a personal interest in the Lord Jesus Christ; that his conscience is sprinkled with the blood of the Lamb, and that he can say without fear or doubt, “The Lord is my God.” He does not come defiantly and presumptuously, but humbly and brokenly, as a “stranger.” He makes no demands, he shows no misplaced pride, he puts no confidence in the flesh. He comes as he really is, as a “stranger,” and asks the Lord to show him some particular mercy and to give him some particular blessing, purely for the sake of His abounding and sovereign grace.
Solomon, as a type of the Mediator, prays the Lord to do “according to all that the stranger calleth to Him for.” And that He will surely do; He must do it for His own Name’s sake. For every prayer that is offered in the Name of the Lord Jesus Christ, through the teachings…
Reading: 2 Chronicles 6:29-42
To the reader…
When you feel yourself a stranger from a far country, you may not be able to say much about God’s dealings with your soul, yet you dare not deny either that there lives in you a hunger, a thirst, a sigh for mercy. Then you are not forgotten in this petition of Solomon. It is for just such people that he prays: “Then hear Thou from the heavens, and do according to all that the stranger calleth to Thee for.”
So come as you are: not demanding, not presuming, with no confidence in the flesh, but humbly, as a stranger who has nothing but his need. Come in the Name of the Lord Jesus, and ask for pardon, for the sprinkling of the blood of the Lamb, for the word, “The Lord is my God.” Those whom the Lord has taught to fear His great Name, and in whose hearts He has put a sigh, He will not turn away, for His own Name’s sake. His grace is greater than your strangeness.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y también al extranjero que no fuere de Tu pueblo Israel, que hubiere venido de lejanas tierras a causa de Tu grande Nombre, y de Tu mano fuerte, y de Tu brazo extendido, si vinieren, y oraren en esta casa, Tú oirás desde los cielos.
2 Crónicas 6:32-33
Hay personas que no pueden decir mucho de los tratos de Dios con sus almas, pero que tampoco pueden decir que no conocen ningún deseo de Dios, que no sienten ninguna sensibilidad, ninguna conciencia, ninguna oración, ninguna súplica, ninguna hambre ni sed de las bendiciones de Dios. Eso no se atreven a negarlo, pero mucho más no pueden decir. Pues bien, estos son “extranjeros de lejanas tierras”, que vienen “a causa de Tu grande Nombre, y de Tu mano fuerte, y de Tu brazo extendido”. Vienen a recibir la misericordia proclamada en el evangelio y, si a Dios le place, a ser bendecidos con una revelación de Su amor.
“Vienen y oran en esta casa”, es decir, en el Nombre del Señor Jesús y mirando solo a Él. Su corazón está lleno de oración. El Señor les ha enseñado a temer Su gran Nombre, y ha puesto en sus corazones un clamor y un suspiro por misericordia. ¿Rehusará el Señor escuchar su clamor? “Tú”, ora el rey de Israel, “oirás desde los cielos, desde el lugar de Tu morada, y harás conforme a todas las cosas por las cuales hubiere clamado a Ti el extranjero.”
El “extranjero” clama a Dios por misericordia, por algún sentir del perdón, y por el conocimiento de que tiene una parte personal en el Señor Jesucristo; de que su conciencia está rociada con la sangre del Cordero, y de que puede decir sin temor ni duda: “Jehová es mi Dios.” No viene desafiante y presuntuoso, sino humilde y quebrantado, como un “extranjero”. No exige nada, no muestra un orgullo fuera de lugar, no pone ninguna confianza en la carne. Viene tal como realmente es, como un “extranjero”, y pide al Señor que le muestre alguna misericordia particular y le dé alguna bendición particular, puramente por causa de Su gracia abundante y soberana.
Salomón, como figura del Mediador, ruega al Señor que haga “conforme a todas las cosas por las cuales hubiere clamado a Él el extranjero”. Y eso ciertamente lo hará; tiene que hacerlo por amor de Su propio Nombre. Porque toda oración que se ofrece en el Nombre del Señor Jesucristo, por medio de las enseñanzas…
Lectura: 2 Crónicas 6:29-42
Al lector…
Cuando se siente extranjero de lejanas tierras, quizá no pueda decir mucho de los tratos de Dios con su alma, pero tampoco se atreve a negar que vive en usted un hambre, una sed, un suspiro por misericordia. Entonces no está olvidado en esta petición de Salomón. Es precisamente por gente así que él ora: “Tú oirás desde los cielos, y harás conforme a todas las cosas por las cuales hubiere clamado a Ti el extranjero.”
Venga, pues, tal como está: sin exigir, sin presumir, sin confianza en la carne, sino con humildad, como un extranjero que no tiene más que su necesidad. Venga en el Nombre del Señor Jesús, y pida perdón, la aspersión de la sangre del Cordero, la palabra: “Jehová es mi Dios.” A quienes el Señor ha enseñado a temer Su gran Nombre, y en cuyos corazones ha puesto un suspiro, no los rechazará, por amor de Su propio Nombre. Su gracia es mayor que su condición de extranjero.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Doch Hij kent de weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.
Job 23:10
Welk een zuiverende uitwerking heeft het doorleven van de beproeving! Welk een afscheiding van de droesem van het erts! Als iemand maar een greintje geloof in zijn ziel heeft, zal de beproeving dit ontdekken; als hij maar een greintje hoop heeft, dan zal de beproeving dit aan het licht brengen; en als hij een greintje liefde bezit, zal de beproeving het doen kennen. Heeft hij enige lijdzaamheid, enige vernedering, enige vreze Gods, enige begeerte om oprecht te zijn en enige vrees om kwaad te doen, enige eerlijkheid en oprechtheid, in één woord, als hij enige levenskracht in zijn ziel heeft, iets van de genade Gods in zijn hart, dan zal de beproeving het openbaar maken, gelijk de hete vlam van de oven het goud in de smeltkroes beproeft door de verbinding met de droesem te verbreken.
Gij kunt het nauwelijks weten of gij een gelovige of ongelovige zijt, totdat gij de beproeving ondergaat. Gij kent de natuur van het geloof niet, als een Goddelijke gave en geestelijke genade, tenzij gij door deze vurige beproeving zijt henengegaan. Gij kent de waardeloosheid van de vleselijke godsdienst niet, de ledigheid van alles, tenzij gij geweest zijt in de oven der beproeving.
Wij worden somtijds verzocht om de waarheid der Schrift te betwijfelen, de Godheid van Christus, de kracht der verzoening en vele andere dingen, die ik maar zal voorbijgaan, om niet, zonder dat ik het wil, het zaad van het ongeloof in uw hart te strooien. Nu, wanneer wij aldus geoefend worden, verbrandt de verzoeking als een vuur alles wat zich grondt in de wijsheid en sterkte van het schepsel; en zij brengt ons tot de beslissing dat niets dan wat van God in de ziel is, kan leven in het vuur.
Zo wij dan in ons hart ontwaren wat in het vuur leeft; dat er een geloof is dat de verzoeking niet verteren kan; een hoop die niet kan vernietigd worden; een vreze Gods die door de verzoeking niet kan overwonnen worden; dan zien wij dat er iets in ons hart gevonden wordt dat als het goud is in het midden van de droesem, en wij kunnen in zekere mate Job volgen en zeggen: „Hij beproeve mij, als goud zal ik uitkomen.”
Aan de lezer…
Bent u in de oven der beproeving, en vreest u dat er straks niets dan droesem van u zal overblijven? Waarde lezer, de Heere kent de weg die bij u is. Het vuur dat Hij toelaat, is er niet om u te verteren, maar om aan het licht te brengen wat Hij Zelf in u gelegd heeft. Is er maar een greintje geloof, een greintje hoop, een greintje liefde of vreze Gods, de beproeving zal het openbaar maken.
Misschien wordt u verzocht te twijfelen aan wat u eens zo vast geloofde, en voelt u hoe alles wat op eigen wijsheid en sterkte rustte, in het vuur verbrandt. Wees niet bevreesd: alleen wat van het schepsel is, gaat daar teniet. Wat van God in de ziel is, kan leven in het vuur. En ontwaart u na de hitte dat er toch een geloof gebleven is dat de verzoeking niet verteren kon, dan mag u met Job zeggen: „Hij beproeve mij, als goud zal ik uitkomen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch Hij kent de weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.
Job 23:10
Wat heeft het doormaken van beproeving een zuiverende uitwerking! Wat een scheiding van de slakken en het erts! Als iemand maar een greintje geloof in zijn ziel heeft, zal de beproeving dat ontdekken; als hij maar een greintje hoop heeft, zal de beproeving dat aan het licht brengen; en als hij een greintje liefde bezit, zal de beproeving het laten kennen. Heeft hij enige lijdzaamheid, enige verootmoediging, enige vreze Gods, enige begeerte om oprecht te zijn en enige vrees om kwaad te doen, enige eerlijkheid en oprechtheid, kortom: heeft hij enig leven in zijn ziel, iets van de genade van God in zijn hart, dan zal de beproeving het openbaar maken. Zo beproeft de hete vlam van de oven het goud in de smeltkroes, doordat zij de verbinding met de slakken verbreekt.
U kunt nauwelijks weten of u een gelovige of een ongelovige bent, totdat u door de beproeving gaat. U kent de aard van het geloof als een goddelijke gave en geestelijke genade niet, tenzij u door deze vurige beproeving bent heengegaan. U kent de waardeloosheid van de vleselijke godsdienst niet, de leegheid van alles, tenzij u in de oven van de beproeving bent geweest.
Wij worden soms verzocht om te twijfelen aan de waarheid van de Schrift, aan de Godheid van Christus, aan de kracht van de verzoening en aan veel andere dingen die ik maar zal overslaan, om niet ongewild het zaad van het ongeloof in uw hart te strooien. Wanneer wij zo geoefend worden, verbrandt de verzoeking als een vuur alles wat gegrond is op de wijsheid en kracht van het schepsel. En zij brengt ons tot de slotsom dat niets dan wat van God in de ziel is, in het vuur kan leven.
Als wij dan in ons hart merken wat in het vuur blijft leven: dat er een geloof is dat de verzoeking niet kan verteren, een hoop die niet vernietigd kan worden, een vreze Gods die door de verzoeking niet overwonnen kan worden, dan zien wij dat er iets in ons hart te vinden is dat als goud is te midden van de slakken. Dan kunnen wij Job in zekere mate navolgen en zeggen: „Hij beproeve mij, als goud zal ik uitkomen.”
Aan de lezer…
Bent u in de oven van de beproeving, en vreest u dat er straks niets dan slakken van u zal overblijven? Lezer, de Heere kent de weg die bij u is. Het vuur dat Hij toelaat, is er niet om u te verteren, maar om aan het licht te brengen wat Hij Zelf in u gelegd heeft. Is er maar een greintje geloof, een greintje hoop, een greintje liefde of vreze Gods, de beproeving zal het openbaar maken.
Misschien wordt u verzocht te twijfelen aan wat u eens zo vast geloofde, en voelt u hoe alles wat op eigen wijsheid en kracht rustte, in het vuur verbrandt. Wees niet bang: alleen wat van het schepsel is, gaat daar teniet. Wat van God in de ziel is, kan in het vuur leven. En merkt u na de hitte dat er toch een geloof gebleven is dat de verzoeking niet kon verteren, dan mag u met Job zeggen: „Hij beproeve mij, als goud zal ik uitkomen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But He knoweth the way that I take: when He hath tried me, I shall come forth as gold.”
Job 23:10
What a purifying effect experience of trial produces; what a separation it makes of the dross from the ore! If a man has a grain of faith in his soul, trial will discover it; if he has a particle of living hope, temptation will bring it to light; if he has a grain of love, trial will extract it from the ore; if he has any patience, any humility, any fear of God, any desire to be right, any dread to be wrong, any honesty, any sincerity, any integrity, in a word, if he has any vital power in his soul, anything of the grace of God in his heart, trial will make it manifest, as the hot flame of the furnace, acting upon the crucible, manifests the gold by breaking up its alliance with the dross.
You scarcely know whether you are a believer or an unbeliever until you pass through trial. You do not know what the nature of faith is as a divine gift and a spiritual grace, unless you have passed through this fiery trial. You do not know the worthlessness of creature religion, the emptiness of everything in SELF, until you have been put into the furnace of trial.
We are tempted sometimes, perhaps, to doubt the truth of the Scriptures, the Deity of Christ, the efficacy of His atonement, and many things which I will not even hint at in your ears lest I unwittingly sow infidel seeds in your heart. Now when we are thus exercised, trial as a fire burns up everything that stands in the wisdom and strength of the creature, and brings us to this point, that nothing but that which is of God in the soul can live in the flame. If, then, we find there is that in our heart which lives in the flame, that there is a faith which trial cannot burn up, a hope it cannot destroy, a love it cannot consume, a fear of God which it cannot conquer, then we see there is that in our heart which is like pure gold in the midst of the dross, and can say in some measure with Job, “When He hath tried me, I shall come forth as gold.”
To the reader…
Are you in the furnace of trial, and do you fear that soon nothing but dross will be left of you? Dear reader, the Lord knows the way that you take. The fire He allows is not there to consume you, but to bring to light what He Himself has placed in you. If there is but a grain of faith, a grain of hope, a grain of love or of the fear of God, the trial will make it manifest.
Perhaps you are tempted to doubt what you once believed so firmly, and you feel how everything that rested on your own wisdom and strength is burning up in the fire. Do not be afraid: only what is of the creature perishes there. What is of God in the soul can live in the fire. And if, after the heat, you find that a faith remains which the temptation could not consume, then you may say with Job, “When He hath tried me, I shall come forth as gold.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Mas Él conoció mi camino: probárame, y saldré como oro.”
Job 23:10
¡Qué efecto purificador produce la experiencia de la prueba; qué separación hace de la escoria y del mineral! Si un hombre tiene un grano de fe en su alma, la prueba lo descubrirá; si tiene una partícula de esperanza viva, la tentación la sacará a la luz; si tiene un grano de amor, la prueba lo extraerá del mineral; si tiene alguna paciencia, alguna humildad, algún temor de Dios, algún deseo de estar en lo recto, algún miedo de estar en el error, alguna honradez, alguna sinceridad, alguna integridad; en una palabra, si tiene algún poder vital en su alma, algo de la gracia de Dios en su corazón, la prueba lo pondrá de manifiesto, como la llama ardiente del horno, al actuar sobre el crisol, manifiesta el oro rompiendo su alianza con la escoria.
Apenas sabe usted si es creyente o incrédulo hasta que pasa por la prueba. No sabe cuál es la naturaleza de la fe como don divino y gracia espiritual, a menos que haya pasado por esta prueba de fuego. No conoce la inutilidad de la religión de la criatura, el vacío de todo lo que hay en el YO, hasta que ha sido puesto en el horno de la prueba.
A veces somos tentados, quizá, a dudar de la verdad de las Escrituras, de la Deidad de Cristo, de la eficacia de Su expiación, y de muchas cosas que ni siquiera insinuaré a sus oídos, no sea que sin quererlo siembre semillas de incredulidad en su corazón. Ahora bien, cuando somos así ejercitados, la prueba, como un fuego, consume todo lo que descansa en la sabiduría y la fuerza de la criatura, y nos lleva a este punto: que nada sino lo que es de Dios en el alma puede vivir en la llama. Si, pues, hallamos que hay en nuestro corazón aquello que vive en la llama, que hay una fe que la prueba no puede consumir, una esperanza que no puede destruir, un amor que no puede devorar, un temor de Dios que no puede vencer, entonces vemos que hay en nuestro corazón aquello que es como oro puro en medio de la escoria, y podemos decir en alguna medida con Job: “Probárame, y saldré como oro.”
Al lector…
¿Está usted en el horno de la prueba, y teme que pronto no quedará de usted más que escoria? Querido lector, el Señor conoce su camino. El fuego que Él permite no está ahí para consumirle, sino para sacar a la luz lo que Él mismo ha puesto en usted. Si hay aunque sea un grano de fe, un grano de esperanza, un grano de amor o del temor de Dios, la prueba lo pondrá de manifiesto.
Quizá sea tentado a dudar de lo que una vez creyó con tanta firmeza, y siente cómo todo lo que descansaba en su propia sabiduría y fuerza se consume en el fuego. No tema: allí solo perece lo que es de la criatura. Lo que es de Dios en el alma puede vivir en el fuego. Y si, después del calor, halla que permanece una fe que la tentación no pudo consumir, entonces podrá decir con Job: “Probárame, y saldré como oro.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl