gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk ’t behoort, maar de Geest zelve bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
Romeinen 8:26
In al onze gebeden, in al onze toenaderingen tot de troon, zal dit onze barmhartigheid en wijsheid zijn: te streven om tot het bezit te komen van de zin des Geestes; te begeren de wil van God te kennen en die te doen; geloviger en meer aanhoudend op te zien naar de Heere Jezus, opdat Hij Zelf ons onderwijze en besture; dat Hij ons door Zijn Geest en genade inwendig en uitwendig meer gelijkvormig mocht maken aan Zijn lijdend beeld; dat Hij het ons wilde geven Hem beter te kennen en beter te dienen; dat onze gebeden dag aan dag vuriger, ernstiger en oprechter, geestelijker en meer in overeenstemming met de wil van God werden; dat zij dus meer en meer openbaar werden te zijn de tussenbeide komende adem van de Geest Gods in onze harten, en als zodanig ons duidelijker en verstaanbaarder antwoord brachten.
Bidt voor de openbaring van Christus aan uw ziel, voor een openbaring van de Persoon, het bloed, de gerechtigheid en de liefde van Jezus. Tracht duidelijker tekenen en getuigenissen te hebben van het goddelijke leven; dat uw Eben-Haëzers en tekenen ten goede u helderder beschijnen; dat uw twijfel en vrees meer geheel verdreven en u een vollere en zoetere verzekerdheid gegeven worde van deel te hebben aan het volbrachte werk van Christus. Vraag ook dat de beloften aan uw hart mogen worden toegepast; dat het Woord Gods met goddelijke kracht in uw geweten moge worden gebracht, en een levend geloof in u opgewekt worde en opwasse, om zich met de waarheid die gij leert of hoort, te verenigen.
Zoek bovenal een inwendige verzekerdheid dat uw gebeden gehoord en verhoord zijn, en wacht dan op het antwoord. Dit zal u het zekerste en beste van alle getuigenissen geven, dat de gezegende Geest Zelf voor u bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.
Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft!
Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft,
zijn gunstgenoot, van blijde troost en vree,
mits hij niet weer op ’t spoor der dwaasheid treê.
Psalm 85:3
Aan de lezer…
Wie werkelijk bidt, weet hoe het is soms niet te weten wat men bidden zal. Komen uw woorden moeizaam, en lijkt het of uw gebeden tegen een gesloten hemel stuiten? Wees dan niet moedeloos. Het is juist de zwakheid die de Geest mede te hulp komt, en de zuchtingen die u niet onder woorden kunt brengen, zijn Hem niet onbekend.
Bid daarom om de openbaring van Christus aan uw ziel, om Zijn Persoon, Zijn bloed, Zijn gerechtigheid en Zijn liefde. Vraag dat de beloften aan uw hart worden toegepast en dat uw twijfel en vrees mogen wijken. En hebt u gebeden, wacht dan op het antwoord. Merkt u dat uw gebeden gehoord en verhoord worden, dan hebt u het zekerste getuigenis dat de gezegende Geest Zelf in u en voor u bidt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk ’t behoort, maar de Geest zelve bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
Romeinen 8:26
In al onze gebeden, in al ons naderen tot de troon, zal dit onze barmhartigheid en wijsheid zijn: dat wij ernaar streven de gezindheid van de Geest te bezitten, en begeren de wil van God te kennen en te doen. Dat wij geloviger en volhardender opzien naar de Heere Jezus, opdat Hij Zelf ons onderwijze en leide. Dat Hij ons door Zijn Geest en genade innerlijk en uiterlijk meer gelijkvormig mag maken aan Zijn lijdend beeld, en ons wil geven Hem beter te kennen en beter te dienen. Dat onze gebeden dag aan dag vuriger, ernstiger en oprechter worden, geestelijker en meer in overeenstemming met de wil van God. En dat zo steeds duidelijker zou blijken dat zij de tussenkomende adem van de Geest van God in onze harten zijn, en ons als zodanig een duidelijker en begrijpelijker antwoord brengen.
Bid om de openbaring van Christus aan uw ziel, om een openbaring van de Persoon, het bloed, de gerechtigheid en de liefde van Jezus. Probeer duidelijker tekenen en getuigenissen van het Goddelijke leven te krijgen; vraag dat uw Eben-Haëzers en tekenen ten goede u helderder mogen beschijnen. Vraag dat uw twijfel en vrees vollediger verdreven worden en dat u een vollere en zoetere verzekerdheid ontvangt dat u deel hebt aan het volbrachte werk van Christus. Vraag ook dat de beloften aan uw hart mogen worden toegepast, dat het Woord van God met Goddelijke kracht in uw geweten mag worden gebracht, en dat er een levend geloof in u wordt opgewekt en opgroeit, dat zich verenigt met de waarheid die u leert of hoort.
Zoek bovenal een innerlijke verzekerdheid dat uw gebeden gehoord en verhoord zijn, en wacht dan op het antwoord. Dat zal u het zekerste en beste van alle getuigenissen geven dat de gezegende Geest Zelf voor u bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.
Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft!
Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft,
zijn gunstgenoot, van blijde troost en vree,
mits hij niet weer op ’t spoor der dwaasheid treê.
Psalm 85:3
Aan de lezer…
Wie werkelijk bidt, weet hoe het is om soms niet te weten wat men bidden zal. Komen uw woorden moeizaam, en lijkt het alsof uw gebeden tegen een gesloten hemel stuiten? Wees dan niet moedeloos. Het is juist die zwakheid waar de Geest mee te hulp komt, en de zuchtingen die u niet onder woorden kunt brengen, zijn Hem niet onbekend.
Bid daarom om de openbaring van Christus aan uw ziel, om Zijn Persoon, Zijn bloed, Zijn gerechtigheid en Zijn liefde. Vraag dat de beloften aan uw hart worden toegepast en dat uw twijfel en vrees mogen wijken. En hebt u gebeden, wacht dan op het antwoord. Merkt u dat uw gebeden gehoord en verhoord worden, dan hebt u het zekerste getuigenis dat de gezegende Geest Zelf in u en voor u bidt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Likewise the Spirit also helpeth our infirmities: for we know not what we should pray for as we ought: but the Spirit itself maketh intercession for us with groanings which cannot be uttered.
Romans 8:26
In all our prayers, in all our approaches to the throne of grace, our mercy and wisdom will be to seek to possess the mind of the Spirit; to desire to know the will of God, and do it; to look up more believingly and continually to the Lord Jesus, that He Himself would teach and guide us; that He would by His Spirit and grace conform us more inwardly and outwardly to His suffering image; that He would grant unto us to know Him more, and serve Him better; that our prayers may day by day be more and more fervent, earnest, and sincere, more spiritual, more in accordance with the will of God; that thus they may be more and more manifested as the interceding breath of the Spirit of God in our hearts, and as such may bring more clear and evident answers down.
Pray for the manifestation of Christ to your soul, for a revelation of the Person, blood, righteousness, and love of Jesus; seek to have your signs and evidences of divine life more cleared up; your Ebenezers and tokens for good more brightly shone upon; your doubts and fears more plainly dispelled, and a fuller and sweeter assurance of personal interest given in the finished work of Christ. Desire also to have the promises applied to your heart, the Word of God brought with divine power into your conscience, and a living faith raised up and drawn forth to mix with the truth which you read or hear.
Beg, as the Lord may enable, for submission, patience, resignation, brokenness, contrition, humility, godly sorrow for sin, heavenly affections, and that sweet spirituality of mind which is life and peace. Above all, seek an inward assurance that your prayers are heard and accepted, and then watch for the answer. This will give you the surest and best of all evidences that the blessed Spirit is Himself interceding for you with groanings which cannot be uttered.
To the reader…
Whoever truly prays knows what it is at times not to know what to pray for. Do your words come with difficulty, and does it seem as if your prayers strike against a closed heaven? Do not be discouraged. It is just that weakness which the Spirit comes to help, and the groanings you cannot put into words are not unknown to Him.
Pray, therefore, for the manifestation of Christ to your soul, for His Person, His blood, His righteousness and His love. Ask that the promises may be applied to your heart and that your doubts and fears may give way. And when you have prayed, watch for the answer. If you find that your prayers are heard and answered, you have the surest testimony that the blessed Spirit Himself is praying in you and for you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y asimismo también el Espíritu ayuda nuestra flaqueza: porque qué hemos de pedir como conviene, no lo sabemos; sino que el mismo Espíritu pide por nosotros con gemidos indecibles.
Romanos 8:26
En todas nuestras oraciones, en todos nuestros acercamientos al trono de la gracia, nuestra misericordia y nuestra sabiduría serán procurar poseer la mente del Espíritu; desear conocer la voluntad de Dios y hacerla; mirar con más fe y más continuamente al Señor Jesús, para que Él mismo nos enseñe y nos guíe; para que por Su Espíritu y Su gracia nos conforme más interior y exteriormente a Su imagen sufriente; para que nos conceda conocerle más y servirle mejor; para que nuestras oraciones sean día tras día más y más fervientes, intensas y sinceras, más espirituales, más conformes a la voluntad de Dios; para que así se manifiesten más y más como el aliento intercesor del Espíritu de Dios en nuestros corazones, y como tales hagan descender respuestas más claras y evidentes.
Ore por la manifestación de Cristo a su alma, por una revelación de la Persona, la sangre, la justicia y el amor de Jesús; procure que sus señales y evidencias de vida divina sean más esclarecidas; que sus Ebenezer y sus señales para bien sean iluminados con más brillo; que sus dudas y temores sean disipados más claramente, y que le sea dada una seguridad más plena y más dulce de su interés personal en la obra consumada de Cristo. Desee también que las promesas sean aplicadas a su corazón, que la Palabra de Dios sea traída con poder divino a su conciencia, y que una fe viva sea levantada y movida a mezclarse con la verdad que usted lee u oye.
Suplique, según el Señor le capacite, por sumisión, paciencia, resignación, quebrantamiento, contrición, humildad, tristeza piadosa por el pecado, afectos celestiales y esa dulce espiritualidad de mente que es vida y paz. Sobre todo, procure una seguridad interior de que sus oraciones son oídas y aceptadas, y luego vele aguardando la respuesta. Esto le dará la más segura y la mejor de todas las evidencias de que el bendito Espíritu mismo intercede por usted con gemidos indecibles.
Al lector…
Quien ora de veras sabe lo que es a veces no saber qué pedir. ¿Le salen las palabras con dificultad, y le parece como si sus oraciones chocaran contra un cielo cerrado? No se desanime. Es precisamente esa flaqueza la que el Espíritu viene a ayudar, y los gemidos que usted no puede poner en palabras no Le son desconocidos.
Ore, pues, por la manifestación de Cristo a su alma, por Su Persona, Su sangre, Su justicia y Su amor. Pida que las promesas sean aplicadas a su corazón y que sus dudas y temores cedan. Y cuando haya orado, vele aguardando la respuesta. Si halla que sus oraciones son oídas y respondidas, tiene el testimonio más seguro de que el bendito Espíritu mismo ora en usted y por usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Gerechtigheden en sterkte
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
Wie zijn de mensen die tot Hem komen? Zijn zij niet kinderen van het zaad van Israël, herboren mannen en vrouwen, verlosten van de Heere, in wie nieuw leven werd ingeblazen door de Heilige Geest, en die levend gemaakt zijn tot God door Zijn bijzonder onderricht in het geweten? Deze mensen behoren tot het zaad van Israël, Gods eigen gezegende, verloste, herboren kinderen. Welnu, de Heere verklaart plechtig en beslist: „Tot Hem”, dat wil zeggen de Heere Jezus Christus, „zal men komen.” Het is niet aan de mens zelf.
Het is Gods plechtig besluit, Zijn eeuwige verklaring, dat het gehele zaad van Israël in de Heere gerechtvaardigd zal worden en zich in Hem zal beroemen (Jer. 4:2). God verklaart tevens plechtig en onveranderlijk: „Tot Hem zal men komen.” De mens bepaalt het dus niet; het is geheel en uitsluitend de oppermachtige vastbeslotenheid van God Zelf. Hoe brengt Hij dit tot stand? Door middel van een bijzonder genadewerk in het hart. Hoe komen deze mensen? Onder leiding van de gezegende Geest van God, Die hun ziel onderwijst en aantrekt.
Hoe vindt de gezegende Geest hen? Vindt Hij hen bereid te komen, bereid alles te laten varen wat mensen van nature liefhebben en waaraan zij gehecht zijn? Nee! Het bijzondere werk van God Zelf in het hart en het geweten moet deze plechtige verklaring doen uitkomen: „Tot Hem zal men komen.” Hij brengt dit teweeg door ons duidelijk te laten zien dat we in onszelf verloren zijn. Pas als iemand zich in zichzelf verdwaald en verloren voelt, zal hij ooit tot Jezus komen, want Hij is de Verlosser van de verlorenen. Pas als we ons verloren voelen, is Hij voor ons de Verlosser.
Als we ons verloren voelen, verward door Gods wet, al onze gerechtigheid blootgelegd als vuile vodden, en geen manier zien om te ontkomen aan de meest verschrikkelijke plaats, en het de Heere dan belieft de Heere Jezus Christus, Zijn verzoenend bloed, Zijn volmaakte gehoorzaamheid, Zijn rechtvaardigende gerechtigheid en stervende liefde voor ons toegankelijk te maken, en dit alles met enige zoetheid en kracht op de ziel te leggen, dan komen we.
Lezen: Johannes 6:22-40
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u vreest nooit tot Christus te zullen komen, omdat u in uzelf geen bereidheid vindt en uw hart nog aan zoveel gehecht is. Weet dan dat de Geest niemand bereid vindt. Het komen hangt niet aan de mens, maar aan het plechtig en onveranderlijk woord van God Zelf: „Tot Hem zal men komen.”
En voelt u zich verloren, verward door Gods wet, met al uw gerechtigheid als vuile vodden voor uw ogen, zonder weg om te ontkomen? Wanhoop dan niet, want juist zo leert de Heere Zijn volk komen. Hij is de Verlosser van de verlorenen. Smeek Hem dat Hij u Zijn bloed, Zijn gehoorzaamheid en Zijn stervende liefde met zoetheid en kracht op de ziel legge. Dan zult u komen, en van Hem zeggen: „Gewisselijk, in de HEERE zijn gerechtigheden en sterkte.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
Wie zijn de mensen die tot Hem komen? Zijn het niet de kinderen van het zaad van Israël: herboren mannen en vrouwen, verlosten van de Heere, in wie de Heilige Geest nieuw leven heeft ingeblazen, en die levend gemaakt zijn tot God door Zijn bijzonder onderwijs in het geweten? Deze mensen behoren tot het zaad van Israël, Gods eigen gezegende, verloste, herboren kinderen. Welnu, de Heere verklaart plechtig en beslist: „Tot Hem”, dat wil zeggen tot de Heere Jezus Christus, „zal men komen.” Het ligt niet aan de mens zelf.
Het is Gods plechtig besluit, Zijn eeuwige verklaring, dat het hele zaad van Israël in de Heere gerechtvaardigd zal worden en zich in Hem zal beroemen (Jer. 4:2). Ook verklaart God plechtig en onveranderlijk: „Tot Hem zal men komen.” De mens bepaalt het dus niet; het is helemaal en uitsluitend het soevereine besluit van God Zelf. Hoe brengt Hij dit tot stand? Door een bijzonder genadewerk in het hart. Hoe komen deze mensen? Onder leiding van de gezegende Geest van God, Die hun ziel onderwijst en trekt.
Hoe vindt de gezegende Geest hen? Vindt Hij hen bereid om te komen, bereid om alles los te laten wat mensen van nature liefhebben en waaraan zij gehecht zijn? Nee! Het bijzondere werk van God Zelf in het hart en het geweten moet deze plechtige verklaring waarmaken: „Tot Hem zal men komen.” Hij doet dat door ons duidelijk te laten zien dat we in onszelf verloren zijn. Pas als iemand zich in zichzelf verdwaald en verloren voelt, zal hij ooit tot Jezus komen, want Hij is de Verlosser van de verlorenen. Pas als we ons verloren voelen, is Hij voor ons de Verlosser.
We voelen ons verloren, verward door Gods wet; al onze gerechtigheid is blootgelegd als vuile vodden, en we zien geen weg om te ontkomen aan de meest verschrikkelijke plaats. Als het de Heere dan behaagt om de Heere Jezus Christus voor ons toegankelijk te maken, met Zijn verzoenend bloed, Zijn volmaakte gehoorzaamheid, Zijn rechtvaardigende gerechtigheid en Zijn stervende liefde, en dit alles met enige zoetheid en kracht op de ziel te leggen, dan komen we.
Lezen: Johannes 6:22-40
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u vreest nooit tot Christus te zullen komen, omdat u in uzelf geen bereidheid vindt en uw hart nog aan zoveel gehecht is. Weet dan dat de Geest niemand bereid vindt. Het komen hangt niet af van de mens, maar van het plechtige en onveranderlijke woord van God Zelf: „Tot Hem zal men komen.”
En voelt u zich verloren, verward door Gods wet, met al uw gerechtigheid als vuile vodden voor uw ogen, zonder weg om te ontkomen? Wanhoop dan niet, want juist zo leert de Heere Zijn volk komen. Hij is de Verlosser van de verlorenen. Smeek Hem dat Hij Zijn bloed, Zijn gehoorzaamheid en Zijn stervende liefde met zoetheid en kracht op uw ziel legt. Dan zult u komen, en van Hem zeggen: „Gewisselijk, in de HEERE zijn gerechtigheden en sterkte.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Surely, shall one say, in the LORD have I righteousness and strength: even to Him shall men come.
Isaiah 45:24
Who are the people who come to Him? Are they not the children of the seed of Israel: regenerate men and women, the redeemed of the Lord, into whom the Holy Ghost has breathed new life, and who have been quickened unto God by His special teaching in the conscience? These people belong to the seed of Israel, God’s own blessed, redeemed, regenerate children. Now the Lord solemnly and positively declares, “Even to Him,” that is, to the Lord Jesus Christ, “shall men come.” It does not lie with man himself.
It is God’s solemn decree, His eternal declaration, that all the seed of Israel shall be justified in the Lord and shall glory in Him (Jer. 4:2). God also solemnly and unchangeably declares, “Even to Him shall men come.” Man, then, does not determine it; it is wholly and solely the sovereign decree of God Himself. How does He bring it to pass? By a special work of grace in the heart. How do these people come? Under the leading of the blessed Spirit of God, Who teaches and draws their souls.
How does the blessed Spirit find them? Does He find them willing to come, willing to let go of all that men by nature love and cling to? No! The special work of God Himself in the heart and conscience must make good this solemn declaration, “Even to Him shall men come.” He does this by showing us plainly that we are lost in ourselves. Only when a man feels himself astray and lost in himself will he ever come to Jesus, for He is the Saviour of the lost. Only when we feel ourselves lost is He a Saviour to us.
We feel ourselves lost, confounded by God’s law; all our righteousness has been laid bare as filthy rags, and we see no way of escape from the most dreadful place. When it then pleases the Lord to make the Lord Jesus Christ accessible to us, with His atoning blood, His perfect obedience, His justifying righteousness and His dying love, and to lay all this with some sweetness and power upon the soul, then we come.
Reading: John 6:22-40
To the reader…
There are times when you fear you will never come to Christ, because you find no willingness in yourself and your heart is still attached to so much. Know, then, that the Spirit finds no one willing. The coming does not depend on man, but on the solemn and unchangeable word of God Himself: “Even to Him shall men come.”
And do you feel yourself lost, confounded by God’s law, with all your righteousness as filthy rags before your eyes and no way of escape? Then do not despair, for it is just in this way that the Lord teaches His people to come. He is the Saviour of the lost. Beg Him to lay His blood, His obedience and His dying love with sweetness and power upon your soul. Then you will come, and say of Him, “Surely, in the LORD have I righteousness and strength.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y diráse de Mí: Ciertamente en Jehová está la justicia y la fuerza: a Él vendrán.
Isaías 45:24
¿Quiénes son los que vienen a Él? ¿No son los hijos de la simiente de Israel: hombres y mujeres regenerados, los redimidos del Señor, en quienes el Espíritu Santo ha infundido nueva vida, y que han sido vivificados para Dios por Su enseñanza especial en la conciencia? Estas personas pertenecen a la simiente de Israel, los propios hijos de Dios, bendecidos, redimidos y regenerados. Ahora bien, el Señor declara solemne y positivamente: “A Él”, es decir, al Señor Jesucristo, “vendrán”. No depende del hombre mismo.
Es el solemne decreto de Dios, Su eterna declaración, que toda la simiente de Israel será justificada en el Señor y se gloriará en Él (Jeremías 4:2). Dios declara también solemne e inmutablemente: “A Él vendrán”. No es, pues, el hombre quien lo determina; es entera y únicamente el decreto soberano de Dios mismo. ¿Cómo lo lleva a cabo? Por una obra especial de gracia en el corazón. ¿Cómo vienen estas personas? Bajo la guía del bendito Espíritu de Dios, Quien enseña y atrae sus almas.
¿Cómo los encuentra el bendito Espíritu? ¿Los encuentra dispuestos a venir, dispuestos a soltar todo lo que los hombres por naturaleza aman y a lo que se aferran? ¡No! La obra especial de Dios mismo en el corazón y la conciencia tiene que hacer efectiva esta solemne declaración: “A Él vendrán”. Lo hace mostrándonos claramente que estamos perdidos en nosotros mismos. Solo cuando un hombre se siente extraviado y perdido en sí mismo vendrá alguna vez a Jesús, porque Él es el Salvador de los perdidos. Solo cuando nos sentimos perdidos es Él un Salvador para nosotros.
Nos sentimos perdidos, confundidos por la ley de Dios; toda nuestra justicia ha quedado al descubierto como trapo de inmundicia, y no vemos modo de escapar del lugar más terrible. Cuando entonces place al Señor hacernos accesible al Señor Jesucristo, con Su sangre expiatoria, Su perfecta obediencia, Su justicia justificadora y Su amor moribundo, y poner todo esto con algo de dulzura y poder sobre el alma, entonces venimos.
Lectura: Juan 6:22-40
Al lector…
Hay momentos en que teme usted que nunca vendrá a Cristo, porque no halla en sí mismo ninguna disposición y su corazón todavía está apegado a tantas cosas. Sepa, pues, que el Espíritu no encuentra a nadie dispuesto. El venir no depende del hombre, sino de la solemne e inmutable palabra de Dios mismo: “A Él vendrán”.
¿Y se siente perdido, confundido por la ley de Dios, con toda su justicia como trapo de inmundicia delante de sus ojos y sin modo de escapar? Entonces no desespere, porque es precisamente de esta manera como el Señor enseña a Su pueblo a venir. Él es el Salvador de los perdidos. Ruéguele que ponga Su sangre, Su obediencia y Su amor moribundo con dulzura y poder sobre su alma. Entonces vendrá, y dirá de Él: “Ciertamente en Jehová está la justicia y la fuerza”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Ik doe wandelen op de weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts; opdat Ik Mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.
Spreuken 8:20-21
Waar komt het uit voort dat God Zijn volk doet beërven dat bestendig is? Door hen te leiden in de weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts. Als Hij hen allereerst leidt in de weg der gerechtigheid, door de ontsluiting van Zijn heilige wet, dan verdrijft zij alle schaduwen. Wij hadden met grote krachtsinspanning kaf en hooi en stro en stoppelen bijeenvergaderd, en waren niet ongelijk aan de man van wie in de Schrift gesproken wordt: hij droomde, en zie, hij at, maar toen hij ontwaakte, was zijn ziel ledig.
Zo waren ook wij voortdurend bezet met schaduwen: met een naam van te leven, met een vormelijke godsdienst, met een uiterlijk vertoon van godzaligheid, tevreden met enige ordinanties en leerredenen, en wij dachten dat dit alles ons zou beschutten in de dag des toorns. Dit waren slechts schaduwen, van niet meer waarde om onze ziel te redden van de toekomende toorn dan de schaduwachtige vorm van een berg bij het opkomen der zon. Doch toen de Heere ons begon te leiden in de weg der gerechtigheid, gingen de schaduwen wijken. Toen was er iets nodig om de gunst van God voor zich in te winnen, iets waardoor de ziel de doordringende ogen, die door alles heen blikten, kon ontkomen; en de ziel begon uit te zien naar iets bestendigs, naar werkelijkheden.
Er was behoefte aan een stem des Heeren binnen in ons, een getuigenis van Zijn eeuwige gunst en een bewijs van Zijn liefde. Er was iets bestendigs nodig. De ziel begon te hongeren en te dorsten naar gerechtigheid, te reikhalzen en te verlangen naar de openbaring van Jezus’ liefde, en was rusteloos en ontevreden met en vermoeid van alles wat niet het werk en de getuigenis van de Heilige Geest was. Wanneer de mond gestopt en de ziel schuldig voor God geworden is, dan heeft zij verzoening, vrede, genade, bloed en liefde nodig; niets anders kan haar bevredigen, en daarnaar verlangt zij met een onuitsprekelijk verlangen.
Wanneer nu Jezus Zijn volk leidt in de weg der gerechtigheid, door hen Zijn heerlijke gerechtigheid te doen aanschouwen, dan beginnen zij het bestendige te beërven waarnaar zij zozeer verlangd hebben. Er is niets bestendigs onder de wet; onder haar wordt de ziel slechts voorbereid om het bestendige te ontvangen. Het is een ontledigen van de ziel, opdat zij moge vervuld worden; het is een ontkleden, opdat zij moge bekleed worden; het is een verwonden, opdat zij moge geheeld worden; het is een vernederen, opdat zij verhoogd worde. Maar wanneer Hij leidt in de weg der gerechtigheid, in die wonderlijke weg waarin de ziel door Zijn toegepaste gerechtigheid gerechtvaardigd wordt, dan doet Hij haar beërven wat bestendig is, hier reeds op aarde, in de voorsmaakjes ervan, de beginselen, de eerstelingen, de eerste vruchten.
O, wat een dromerig, schaduwachtig iets is een blote belijdenis van de godsdienst! En wat een verleidend bedrog is al het genoegen dat door de zonde verkregen wordt! Hoe naakt en bloot laat het de ziel, verwond, ontkleed en schuldig voor God. Wij hebben ons menigmaal genoegen beloofd in de zonde, en wat hebben wij verkregen? Alsem en gal. Al het voorgestelde genoegen verdween als rook, en toen het verdween, bleef ons niets dan schuld en schaamte over.
Doch indien ooit de Heere onze zielen koesterde door een zoete gemeenschap met Hem, indien Hij ons ooit deed smelten aan Zijn voeten, indien Hij ons ooit begunstigde met de mededeling van Zijn onderscheidende liefde, dan was daarin „hetgeen bestendig is”. Daar was gewicht, daar was kracht, daar waren de voorsmaken en eerstelingen van de nimmer eindigende eeuwigheid.
Aan de lezer…
Hoe vaak hebt u ook met grote moeite kaf en stro bijeengebracht, en gemeend dat een naam van te leven en een uiterlijk vertoon van godzaligheid u zou beschutten in de dag des toorns? Of hebt u genoegen gezocht in de zonde, en bleef er niets over dan alsem en gal, schuld en schaamte? Dan weet u hoe ledig de ziel ontwaakt uit zulk een droom.
Wees niet bevreesd wanneer de Heere u de schaduwen ontneemt. Het ontledigen gaat aan het vervullen vooraf, het ontkleden aan het bekleden, het verwonden aan het helen. Hij leidt Zijn volk niet in de weg der gerechtigheid om hen ledig te laten, maar om hen te doen beërven dat bestendig is. Hongert u naar een stem des Heeren in uw binnenste, naar een getuigenis van Zijn liefde? Zulk een honger is geen schaduw; het is het begin van wat Hij belooft: „Ik zal hun schatkameren vervullen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik doe wandelen op de weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts; opdat Ik Mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.
Spreuken 8:20-21
Hoe komt het dat God Zijn volk laat beërven wat bestendig is? Doordat Hij hen leidt op de weg van de gerechtigheid, midden op de paden van het recht. Wanneer Hij hen allereerst op de weg van de gerechtigheid leidt, door Zijn heilige wet te ontsluiten, dan verdrijft die alle schaduwen. Wij hadden met grote inspanning kaf en hooi en stro en stoppels bijeengebracht, en leken wel op de man over wie in de Schrift gesproken wordt: hij droomde, en zie, hij at, maar toen hij wakker werd, was zijn ziel leeg.
Zo waren ook wij voortdurend bezig met schaduwen: met een naam dat wij leefden, met een vormelijke godsdienst, met een uiterlijk vertoon van godzaligheid, tevreden met enkele inzettingen en preken, en wij dachten dat dit alles ons zou beschutten op de dag van de toorn. Dat waren maar schaduwen, niet méér waard om onze ziel te redden van de toekomende toorn dan de schaduw van een berg bij het opkomen van de zon. Maar toen de Heere ons begon te leiden op de weg van de gerechtigheid, begonnen de schaduwen te wijken. Toen was er iets nodig om de gunst van God te verkrijgen, iets waardoor de ziel kon ontkomen aan de doordringende ogen die door alles heen zagen; en de ziel begon uit te zien naar iets bestendigs, naar werkelijkheden.
Er was behoefte aan een stem van de Heere in ons binnenste, een getuigenis van Zijn eeuwige gunst en een bewijs van Zijn liefde. Er was iets bestendigs nodig. De ziel begon te hongeren en te dorsten naar gerechtigheid, te reikhalzen en te verlangen naar de openbaring van de liefde van Jezus, en was rusteloos, ontevreden en moe van alles wat niet het werk en het getuigenis van de Heilige Geest was. Wanneer de mond gestopt is en de ziel schuldig is geworden voor God, dan heeft zij verzoening, vrede, genade, bloed en liefde nodig. Niets anders kan haar bevredigen, en daarnaar verlangt zij met een onuitsprekelijk verlangen.
Wanneer Jezus Zijn volk nu leidt op de weg van de gerechtigheid, door hun Zijn heerlijke gerechtigheid te laten zien, dan beginnen zij het bestendige te beërven waarnaar zij zo verlangd hebben. Onder de wet is er niets bestendigs; onder de wet wordt de ziel alleen voorbereid om het bestendige te ontvangen. Het is een leegmaken van de ziel, zodat zij vervuld kan worden; het is een ontkleden, zodat zij bekleed kan worden; het is een verwonden, zodat zij geheeld kan worden; het is een vernederen, zodat zij verhoogd kan worden. Maar wanneer Hij leidt op de weg van de gerechtigheid, op die wonderlijke weg waarop de ziel gerechtvaardigd wordt door Zijn toegepaste gerechtigheid, dan laat Hij haar beërven wat bestendig is, al hier op aarde, in de voorsmaken ervan, de beginselen, de eerstelingen, de eerste vruchten.
O, wat is een blote belijdenis van de godsdienst toch iets dromerigs en schaduwachtigs! En wat een verleidend bedrog is al het genoegen dat door de zonde verkregen wordt! Hoe naakt en bloot laat het de ziel achter, verwond, ontkleed en schuldig voor God. Wij hebben ons vaak genoegen beloofd in de zonde, en wat hebben wij gekregen? Alsem en gal. Al het verwachte genoegen verdween als rook, en toen het verdween, bleef er niets voor ons over dan schuld en schaamte.
Maar als de Heere ooit onze zielen koesterde door een zoete gemeenschap met Hem, als Hij ons ooit deed smelten aan Zijn voeten, als Hij ons ooit begunstigde door ons Zijn onderscheidende liefde mee te delen, dan was daarin „hetgeen bestendig is”. Daar was gewicht, daar was kracht, daar waren de voorsmaken en eerstelingen van de nooit eindigende eeuwigheid.
Aan de lezer…
Hoe vaak hebt ook u met grote moeite kaf en stro bijeengebracht, en gemeend dat een naam dat u leefde en een uiterlijk vertoon van godzaligheid u zouden beschutten op de dag van de toorn? Of hebt u genoegen gezocht in de zonde, en bleef er niets over dan alsem en gal, schuld en schaamte? Dan weet u hoe leeg de ziel wakker wordt uit zo’n droom.
Wees niet bang wanneer de Heere u de schaduwen afneemt. Het leegmaken gaat aan het vervullen vooraf, het ontkleden aan het bekleden, het verwonden aan het helen. Hij leidt Zijn volk niet op de weg van de gerechtigheid om hen leeg te laten, maar om hen te laten beërven wat bestendig is. Hongert u naar een stem van de Heere in uw binnenste, naar een getuigenis van Zijn liefde? Zo’n honger is geen schaduw; het is het begin van wat Hij belooft: „Ik zal hun schatkameren vervullen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“I lead in the way of righteousness, in the midst of the paths of judgment: that I may cause those that love me to inherit substance; and I will fill their treasures.”
Proverbs 8:20, 21
Whence springs it, that God causes His people “to inherit substance,” by “leading them in the way of righteousness, in the midst of the paths of judgment?” When He leads them first into the way of righteousness by opening up His holy law, it drives away all shadows. We had been heaping together, with great toil, chaff and hay and straw and stubble; we had been like the man spoken of in Scripture, who “dreamed, and behold! he ate, but he awoke and his soul was empty;” so we were dreaming our life away continually with shadows, with a name to live, with a formal religion, with a mere external show of godliness, content with a few ordinances and sermons, and thinking that these would shelter us in the day of wrath.
These were only shadows; of no more avail to deliver our souls from the wrath to come, than the shadowy form of a mountain in the morning sun. But when the Lord began “to lead us in the way of righteousness,” these shadows vanished. Something was then needed to conciliate the favor of God; something was needed, whereby the soul could escape those piercing eyes that looked it through and through; and the soul began to look after “substance,” needed realities, needed a voice within from the Lord Himself, a testimony of His eternal favor, and a manifestation of His love. There was “substance” needed.
The soul began to “hunger and thirst after righteousness,” to pant and long after the manifestation of Jesus’ love, and to be restless and discontented and weary of everything short of the work and witness of the Holy Spirit. When the “mouth is stopped, and the soul has become guilty before God,” it wants pardon, peace, mercy, blood, and love; nothing else can satisfy it, and after this it pants with unutterable longings.
And when Jesus leads His people “in the way of righteousness” by showing to them His glorious righteousness, they begin to “inherit the substance” after which they were panting. There is no substance under the law—it is but a preparing the soul to receive substance; it is emptying the soul that it may be filled; it is stripping the soul that it may be clothed; it is wounding the soul that it may be healed; bringing down the soul that it may be lifted up. But when He “leads in the way of righteousness,” that wonderful way whereby the soul is justified by His imputed righteousness, He causes that soul to “inherit substance,” to inherit it even now upon earth, to have a taste of it, the beginnings of it, the pledge of it, and the firstfruits of it.
Oh! what a dreamy, shadowy thing is a mere profession of religion! And what a delusive cheat is all the pleasure to be gained by sin! How it leaves a soul naked and bare, wounded, stripped, and guilty before God! We have often promised ourselves pleasure in sin; and what have we found? The wormwood and the gall. All the anticipated pleasure vanished; and its flight left us full of guilt and shame.
But if ever God indulged our souls with sweet communion with Him, if ever He brought our affections to center in Himself, if ever He melted our souls at His feet, if ever He blessed us with the communications of His eternal favor and distinguishing love, there was substance in that, there was weight, there was power, there was the foretaste and pledge of a never-ending eternity.
To the reader…
How often have you too gathered chaff and straw with great toil, thinking that a name to live and an outward show of godliness would shelter you in the day of wrath? Or have you sought pleasure in sin, and was nothing left but wormwood and gall, guilt and shame? Then you know how empty the soul wakes up from such a dream.
Do not be afraid when the Lord takes the shadows away from you. Emptying comes before filling, stripping before clothing, wounding before healing. He does not lead His people in the way of righteousness to leave them empty, but to make them inherit what endures. Do you hunger for a voice from the Lord within you, for a testimony of His love? Such hunger is no shadow; it is the beginning of what He promises: “I will fill their treasures.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Por vereda de justicia guiaré, por en medio de sendas de juicio; para hacer heredar a Mis amigos el ser, y que Yo hincha sus tesoros.”
Proverbios 8:20, 21
¿De dónde procede que Dios haga a Su pueblo “heredar el ser”, es decir, lo que tiene sustancia, “guiándolo por vereda de justicia, por en medio de sendas de juicio”? Cuando Él los guía primero por la vereda de justicia, abriéndoles Su santa ley, esta ahuyenta todas las sombras. Habíamos estado amontonando, con gran fatiga, tamo y heno y paja y hojarasca; habíamos sido como el hombre de quien habla la Escritura, que “sueña, y parece que come, mas cuando despierta, su alma está vacía”; así estábamos continuamente soñando nuestra vida entre sombras, con nombre de que vivíamos, con una religión formal, con una mera apariencia exterior de piedad, contentos con unas pocas ordenanzas y sermones, y pensando que estos nos cobijarían en el día de la ira.
Estas no eran sino sombras; de no más provecho para librar nuestras almas de la ira venidera que la sombra de un monte bajo el sol de la mañana. Pero cuando el Señor comenzó a “guiarnos por vereda de justicia”, estas sombras se desvanecieron. Se necesitaba entonces algo para ganar el favor de Dios; se necesitaba algo por lo cual el alma pudiera escapar de aquellos ojos penetrantes que la traspasaban de parte a parte; y el alma comenzó a buscar “sustancia”, necesitaba realidades, necesitaba una voz interior del Señor mismo, un testimonio de Su favor eterno y una manifestación de Su amor. Se necesitaba “sustancia”.
El alma comenzó a tener “hambre y sed de justicia”, a suspirar y anhelar la manifestación del amor de Jesús, y a estar inquieta, descontenta y cansada de todo lo que no fuera la obra y el testimonio del Espíritu Santo. Cuando “toda boca se tapa, y el alma se sujeta a Dios” como culpable, quiere perdón, paz, misericordia, sangre y amor; ninguna otra cosa puede satisfacerla, y por esto suspira con anhelos indecibles.
Y cuando Jesús guía a Su pueblo “por vereda de justicia”, mostrándole Su gloriosa justicia, comienza a “heredar” la sustancia por la cual suspiraba. No hay sustancia bajo la ley; esta no es sino una preparación del alma para recibir sustancia; es vaciar el alma para que sea llenada; es despojar el alma para que sea vestida; es herir el alma para que sea sanada; abatir el alma para que sea levantada. Pero cuando Él “guía por vereda de justicia”, aquella maravillosa vereda por la cual el alma es justificada por Su justicia imputada, hace a esa alma “heredar el ser”, heredarlo aun ahora en la tierra, tener un gusto de ello, los comienzos de ello, la prenda de ello y las primicias de ello.
¡Oh, qué cosa tan soñadora y tan de sombras es una mera profesión de religión! ¡Y qué engaño ilusorio es todo el placer que se puede obtener del pecado! ¡Cómo deja al alma desnuda y despojada, herida, desvestida y culpable delante de Dios! A menudo nos hemos prometido placer en el pecado; ¿y qué hemos hallado? El ajenjo y la hiel. Todo el placer esperado se desvaneció, y su huida nos dejó llenos de culpa y vergüenza.
Pero si alguna vez Dios favoreció nuestras almas con dulce comunión con Él, si alguna vez hizo que nuestros afectos se centraran en Él mismo, si alguna vez derritió nuestras almas a Sus pies, si alguna vez nos bendijo con las comunicaciones de Su favor eterno y Su amor distintivo, había sustancia en ello, había peso, había poder, había el anticipo y la prenda de una eternidad sin fin.
Al lector…
¿Cuántas veces ha recogido usted también, con gran fatiga, tamo y paja, pensando que un nombre de que vive y una apariencia exterior de piedad le cobijarían en el día de la ira? ¿O ha buscado placer en el pecado, y no quedó nada sino ajenjo y hiel, culpa y vergüenza? Entonces sabe cuán vacía despierta el alma de un sueño así.
No tema cuando el Señor le quite las sombras. El vaciar viene antes del llenar, el despojar antes del vestir, el herir antes del sanar. Él no guía a Su pueblo por vereda de justicia para dejarlo vacío, sino para hacerle heredar lo que permanece. ¿Tiene usted hambre de una voz del Señor dentro de usted, de un testimonio de Su amor? Esa hambre no es una sombra; es el comienzo de lo que Él promete: “que Yo hincha sus tesoros”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl