2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik ben de deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.
Johannes 10:9
Er is voor een goede weide gezorgd. Een liefelijke en gezonde weide is het inderdaad, wanneer wij letten op ’s Heeren zorgende handelingen met ons gedurende een lange reeks van jaren. Het zien van de zorgende hand van de Heere maakt de meest gewone tijdelijke gunstbewijzen zoet. Elk grasscheutje, elk hooisprankje, dat wij kunnen geloven komt uit de zorgende hand van de goede Herder, wordt daardoor dubbel zoet. Maar o, wat voor een weide in de genade heeft God niet voor Zijn hongerige schapen bereid! Zie op de beloften en uitspraken, de heilige waarheden en hemelse vertroostingen in het Woord van de Waarheid verspreid.
Maar van alle geestelijk voedsel voor de kudde bestemd, is het voornaamste het vlees en bloed van de Heere Jezus. Dit is Zijn Eigen, Goddelijke uitspraak: „Want Mijn vlees is waarlijk spijs, en Mijn bloed is waarlijk drank” (Joh. 6:55). En elke gemeenschap van genade voor de ziel uit de volheid van Christus; elke belofte met Goddelijke kracht aan het hart gegeven; elke waarheid die druipt van hemelse geur; elke tijd van bemoediging; in één woord, elk deel van Gods Woord, dat de ziel kan eten en waarmee zij zich kan voeden, is geestelijk voedsel. Dit kende ook de profeet, toen hij zei: „Als Uw Woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw Woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o Heere, God der heirscharen!” (Jeremia 15:16).
De God des heils wil mij ten redder wezen,
’k Heb geen gebrek en geen gevaar te vrezen.
Hij zal mij zacht in liefelijke weiden
Aan d’oevers van zeer stille waat’ren leiden.
Hij sterkt mijn ziel, richt om Zijn naam mijn treden
In ’t effen spoor van Zijn gerechtigheden.
Ps. 23:1
Aan de lezer…
Als u zich een hongerig schaap voelt, dat rondzwerft en nergens voedsel vindt, dan spreekt de goede Herder u hier aan: „Ik ben de deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden.” Er is weide genoeg, maar zij ligt achter die ene Deur. Buiten Christus vindt de ziel geen spijs; door Hem heen wordt zelfs het geringste tijdelijke gunstbewijs zoet, omdat u het mag ontvangen als uit Zijn zorgende hand.
En wat een weide heeft Hij in Zijn Woord voor Zijn kudde bereid! Beloften, waarheden en vertroostingen, en boven alles Hijzelf: Zijn vlees is waarlijk spijs en Zijn bloed is waarlijk drank. Gaat u dan niet met lege handen weg wanneer u de Schrift opent, maar vraag of Hij u een woord wil geven dat u eten kunt. Wie Zijn woorden zo vindt, kan met de profeet zeggen dat zij hem tot vreugde en tot blijdschap des harten geworden zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik ben de deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.
Johannes 10:9
Er is voor goede weide gezorgd. Het is werkelijk een lieflijke en gezonde weide, wanneer wij letten op de zorg waarmee de Heere ons gedurende een lange reeks van jaren heeft geleid. Als wij de zorgende hand van de Heere zien, worden zelfs de meest gewone tijdelijke gunsten zoet. Elk grassprietje en elk sprietje hooi waarvan wij mogen geloven dat het uit de zorgende hand van de goede Herder komt, wordt daardoor dubbel zoet. Maar o, wat een weide van genade heeft God voor Zijn hongerige schapen bereid! Kijk naar de beloften en uitspraken, de heilige waarheden en hemelse vertroostingen die door het Woord der Waarheid verspreid liggen.
Maar van al het geestelijk voedsel dat voor de kudde bestemd is, is het voornaamste het vlees en bloed van de Heere Jezus. Dit is Zijn eigen, goddelijke uitspraak: „Want Mijn vlees is waarlijk spijs, en Mijn bloed is waarlijk drank” (Joh. 6:55). Elke mededeling van genade aan de ziel uit de volheid van Christus, elke belofte die met goddelijke kracht aan het hart gegeven wordt, elke waarheid die druipt van hemelse geur, elke tijd van bemoediging, kortom elk deel van Gods Woord dat de ziel kan eten en waarmee zij zich kan voeden, is geestelijk voedsel. Dat kende ook de profeet, toen hij zei: „Als Uw Woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw Woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o Heere, God der heirscharen!” (Jeremia 15:16).
De God des heils wil mij ten redder wezen,
’k Heb geen gebrek en geen gevaar te vrezen.
Hij zal mij zacht in liefelijke weiden
Aan d’oevers van zeer stille waat’ren leiden.
Hij sterkt mijn ziel, richt om Zijn naam mijn treden
In ’t effen spoor van Zijn gerechtigheden.
Ps. 23:1
Aan de lezer…
Als u zich een hongerig schaap voelt, dat rondzwerft en nergens voedsel vindt, dan spreekt de goede Herder u hier aan: „Ik ben de deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden.” Er is weide genoeg, maar zij ligt achter die ene Deur. Buiten Christus vindt de ziel geen voedsel. Door Hem wordt zelfs de geringste tijdelijke gunst zoet, omdat u die mag ontvangen als uit Zijn zorgende hand.
En wat een weide heeft Hij in Zijn Woord voor Zijn kudde bereid! Beloften, waarheden en vertroostingen, en boven alles Hijzelf: Zijn vlees is waarlijk spijs en Zijn bloed is waarlijk drank. Ga dan niet met lege handen weg wanneer u de Schrift opent, maar vraag of Hij u een woord wil geven dat u kunt eten. Wie Zijn woorden zo vindt, kan met de profeet zeggen dat zij hem tot vreugde en tot blijdschap van het hart geworden zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I am the door: by Me if any man enter in, he shall be saved, and shall go in and out, and find pasture.
John 10:9
There is a finding pasture in PROVIDENCE. A sweet and healthy pasture indeed this is—to watch the Lord’s providential dealings with us spread through a long series of years. It is seeing the Lord’s providential hand which makes the commonest temporal mercies sweet. Every nibble of grass or lock of hay which we can believe to be specially provided for us by the hand of that good Shepherd becomes thereby doubly sweet.
But O what pastures in GRACE has God provided for His hungry sheep! Look at the promises and declarations, the sacred truths and heavenly consolations scattered up and down the Scriptures of truth.
But of all spiritual pasture thus provided for the flock, the chief is the flesh and blood of the Lord Jesus. This is His own divine declaration—“For My flesh is food indeed, and My blood is drink indeed” (John 6:55). And every communication of grace to the soul out of the fullness of Christ, every promise applied with a divine power to the heart, every truth which drops with heavenly savor, every season of encouragement; in a word, every part of God’s Word which the soul can eat and feed upon is spiritual pasture. Thus the prophet found it of old—“Thy words were found, and I did eat them; and Thy word was unto me the joy and rejoicing of mine heart: for I am called by Thy Name, O Lord God of hosts” (Jeremiah 15:16).
To the reader…
If you feel like a hungry sheep, wandering about and finding food nowhere, then the good Shepherd speaks to you here: “I am the door: by Me if any man enter in, he shall be saved.” There is pasture enough, but it lies behind that one Door. Outside Christ the soul finds no food. Through Him even the smallest temporal mercy becomes sweet, because you may receive it as from His caring hand.
And what a pasture He has prepared for His flock in His Word! Promises, truths and consolations, and above all Himself: His flesh is meat indeed and His blood is drink indeed. So do not go away empty-handed when you open the Scriptures, but ask Him to give you a word you can feed upon. Whoever finds His words in this way can say with the prophet that they have become the joy and rejoicing of his heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Yo soy la puerta: el que por Mí entrare, será salvo; y entrará, y saldrá, y hallará pastos.
Juan 10:9
Hay un hallar pastos en la PROVIDENCIA. Dulce y saludable pasto es este, en verdad: observar los tratos providenciales del Señor con nosotros a lo largo de una larga serie de años. Es el ver la mano providencial del Señor lo que hace dulces las misericordias temporales más comunes. Cada bocado de hierba o mechón de heno que podemos creer que nos ha sido provisto especialmente por la mano de aquel buen Pastor llega a ser por ello doblemente dulce.
¡Pero oh, qué pastos en la GRACIA ha provisto Dios para Sus ovejas hambrientas! Mire las promesas y declaraciones, las verdades sagradas y las consolaciones celestiales esparcidas por todas partes en las Escrituras de verdad.
Pero de todo el pasto espiritual así provisto para el rebaño, el principal es la carne y la sangre del Señor Jesús. Esta es Su propia declaración divina: “Porque Mi carne verdaderamente es comida, y Mi sangre verdaderamente es bebida” (Juan 6:55). Y toda comunicación de gracia al alma desde la plenitud de Cristo, toda promesa aplicada con poder divino al corazón, toda verdad que destila con sabor celestial, todo tiempo de aliento; en una palabra, toda parte de la Palabra de Dios de la que el alma puede comer y alimentarse, es pasto espiritual. Así lo halló el profeta en la antigüedad: “Halláronse Tus palabras, y yo las comí; y Tu palabra me fue por gozo y por alegría de mi corazón: porque Tu nombre se llamó sobre mí, oh Jehová Dios de los ejércitos” (Jeremías 15:16).
Al lector…
Si usted se siente como una oveja hambrienta, que vaga de un lado a otro sin hallar alimento en ninguna parte, el buen Pastor le habla aquí: “Yo soy la puerta: el que por Mí entrare, será salvo”. Hay pasto suficiente, pero está detrás de esa única Puerta. Fuera de Cristo el alma no halla alimento. Por medio de Él aun la más pequeña misericordia temporal se hace dulce, porque puede recibirla como de Su mano solícita.
¡Y qué pasto ha preparado Él para Su rebaño en Su Palabra! Promesas, verdades y consolaciones, y sobre todo Él mismo: Su carne verdaderamente es comida y Su sangre verdaderamente es bebida. No se vaya, pues, con las manos vacías cuando abra las Escrituras, sino pídale que le dé una palabra de la que pueda alimentarse. Quien halla así Sus palabras puede decir con el profeta que han llegado a ser el gozo y la alegría de su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Alle dingen ten goede
En wij weten dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede.
Romeinen 8:28
Nog een teken dat we God liefhebben, is dat we Zijn geboden bewaren; dat we uit de wereld komen en ervan afgescheiden zijn; dat we wensen Zijn wil te doen, Hem te dienen en voor Hem te wandelen in eenvoud, nederigheid en oprechtheid; dat Zijn vrees in ons leeft; dat we Hem gehoorzamen en die dingen doen die Hem behagen.
Maar waarom noem ik die kentekenen? Om deze reden: omdat de kinderen van God vaak op de proef worden gesteld en geoefend worden of ze Hem liefhebben. Er bevinden zich zo veel zaken in hun hart die tegen de liefde van God ingaan. Er is de wereld; in hun zinnelijkheid jagen ze tijdelijke en zintuiglijke dingen na; de zonde is in hen werkzaam en brengt hen voortdurend tot dienstbaarheid; er is duisternis in de geest, zodat zij niet in staat zijn hun tekenen te zien; er is doodsheid in de ziel, zodat de liefde van God tot het laatste sprankje lijkt te zijn teruggebracht. Al deze zaken gaan zo tegen Gods liefde in, dat ze er soms niet het minste van in hun hart lijken te hebben. En als ze graag op bepaalde plaatsen, momenten en perioden willen terugkijken, kunnen ze dat vaak niet, zo diep is de duisternis van hun geest; daarom is het noodzakelijk naar bepaalde kentekenen van Gods Woord te kijken.
Als we derhalve, met al onze twijfels en angsten en al ons wantrouwen, onze hardheid van hart, ons ongeloof, onze verdorvenheid van geest en doodse gesteldheid, deze kentekenen in onze ziel kunnen vinden, dat we geboren zijn uit God, dat we Hem kennen en dat we Zijn geboden bewaren en verlangen Zijn wil te doen, hebben we de getuigenis van de Heilige Schrift dat we tot degenen behoren die God liefhebben, en daarmee recht hebben op deze belofte.
Lezen: 1 Johannes 5:1-13
Aan de lezer…
Misschien herkent u uzelf maar al te goed in wat hier beschreven staat: de wereld die trekt, de zonde die u tot dienstbaarheid brengt, de duisternis die u uw tekenen niet laat zien, de doodsheid waarin uw liefde tot het laatste sprankje lijkt geslonken. U wilt wel terugzien op betere tijden, maar zelfs dat lukt u niet. Wees dan niet verbaasd; zo worden Gods kinderen vaak beproefd en geoefend.
Juist daarom wijst de Heere u naar de kentekenen van Zijn Woord. Is er, onder al uw twijfels en angsten, toch dat verlangen om Zijn wil te doen, om Hem in eenvoud en oprechtheid te dienen, om Zijn vrees te bewaren? Dat verlangen hebt u niet van uzelf. Het is een getuigenis van de Schrift dat u uit God geboren bent, en wie Hem zo liefheeft, mag zich aan Zijn belofte vasthouden, ook in het donker.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En wij weten dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede.
Romeinen 8:28
Nog een teken dat we God liefhebben, is dat we Zijn geboden bewaren: dat we uit de wereld uitgaan en ervan afgescheiden zijn; dat we Zijn wil willen doen, Hem willen dienen en voor Zijn aangezicht willen wandelen in eenvoud, nederigheid en oprechtheid; dat Zijn vrees in ons leeft; dat we Hem gehoorzamen en doen wat Hem behaagt.
Maar waarom noem ik deze kentekenen? Om deze reden: de kinderen van God worden vaak beproefd en geoefend in de vraag of ze Hem wel liefhebben. Er is zoveel in hun hart dat tegen de liefde van God ingaat. Daar is de wereld; in hun zinnelijkheid jagen ze tijdelijke en zichtbare dingen na. De zonde is in hen werkzaam en brengt hen voortdurend in dienstbaarheid. Er is duisternis in hun geest, zodat zij hun tekenen niet kunnen zien. Er is doodsheid in hun ziel, zodat de liefde van God tot het laatste sprankje lijkt te zijn teruggebracht. Al deze dingen gaan zo tegen Gods liefde in, dat ze er soms niet het minste van in hun hart lijken te hebben. En als ze graag zouden terugzien op bepaalde plaatsen, momenten en tijden, kunnen ze dat vaak niet, zo diep is de duisternis van hun geest. Daarom is het nodig te kijken naar bepaalde kentekenen uit Gods Woord.
Stel dan dat we, met al onze twijfels en angsten en al ons wantrouwen, met onze hardheid van hart, ons ongeloof, onze verdorvenheid van geest en onze doodse gesteldheid, deze kentekenen in onze ziel kunnen vinden: dat we uit God geboren zijn, dat we Hem kennen en dat we Zijn geboden bewaren en verlangen Zijn wil te doen. Dan hebben we het getuigenis van de Heilige Schrift dat we behoren tot hen die God liefhebben, en dat we daarmee recht hebben op deze belofte.
Lezen: 1 Johannes 5:1-13
Aan de lezer…
Misschien herkent u uzelf maar al te goed in wat hier beschreven staat: de wereld die trekt, de zonde die u in dienstbaarheid brengt, de duisternis die u uw tekenen niet laat zien, de doodsheid waarin uw liefde tot het laatste sprankje lijkt geslonken. U wilt wel terugzien op betere tijden, maar zelfs dat lukt u niet. Wees dan niet verbaasd; zo worden Gods kinderen vaak beproefd en geoefend.
Juist daarom wijst de Heere u naar de kentekenen van Zijn Woord. Is er, onder al uw twijfels en angsten, toch dat verlangen om Zijn wil te doen, om Hem in eenvoud en oprechtheid te dienen, om in Zijn vrees te leven? Dat verlangen hebt u niet van uzelf. Het is een getuigenis van de Schrift dat u uit God geboren bent, en wie Hem zo liefheeft, mag zich aan Zijn belofte vasthouden, ook in het donker.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And we know that all things work together for good to them that love God.
Romans 8:28
Another token that we love God is that we keep His commandments: that we come out of the world and are separate from it; that we desire to do His will, to serve Him and to walk before His face in simplicity, humility and sincerity; that His fear lives in us; that we obey Him and do what is pleasing in His sight.
But why do I mention these marks? For this reason: the children of God are often tried and exercised as to whether they really love Him. There is so much in their heart that runs contrary to the love of God. There is the world; in their carnality they pursue temporal and visible things. Sin is at work in them and is continually bringing them into bondage. There is darkness in their mind, so that they cannot see their evidences. There is deadness in their soul, so that the love of God seems brought down to its last spark. All these things run so contrary to God’s love that at times they seem to have not the least of it in their heart. And when they would gladly look back to certain places, moments and seasons, they often cannot, so deep is the darkness of their mind. Therefore it is needful to look to certain marks from God’s Word.
Suppose, then, that with all our doubts and fears and all our distrust, with our hardness of heart, our unbelief, our corruption of mind and our deadness of frame, we can find these marks in our soul: that we are born of God, that we know Him, and that we keep His commandments and desire to do His will. Then we have the testimony of the Holy Scripture that we belong to those who love God, and that we therefore have a right to this promise.
Reading: 1 John 5:1-13
To the reader…
Perhaps you recognise yourself only too well in what is described here: the world that draws, the sin that brings you into bondage, the darkness that will not let you see your evidences, the deadness in which your love seems shrunk to its last spark. You would gladly look back to better times, but even that you cannot do. Do not be surprised, then; this is how God’s children are often tried and exercised.
That is just why the Lord points you to the marks in His Word. Is there, beneath all your doubts and fears, still that desire to do His will, to serve Him in simplicity and sincerity, to live in His fear? You did not get that desire from yourself. It is a testimony of Scripture that you are born of God, and whoever loves Him so may hold fast to His promise, even in the dark.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y sabemos que a los que a Dios aman, todas las cosas les ayudan a bien.
Romanos 8:28
Otra muestra de que amamos a Dios es que guardamos Sus mandamientos: que salimos del mundo y estamos apartados de él; que deseamos hacer Su voluntad, servirle y andar delante de Su rostro con sencillez, humildad y sinceridad; que Su temor vive en nosotros; que le obedecemos y hacemos lo que es agradable delante de Él.
Pero ¿por qué menciono estas señales? Por esta razón: los hijos de Dios son a menudo probados y ejercitados en cuanto a si de veras le aman. Hay tanto en su corazón que va en contra del amor de Dios. Está el mundo; en su carnalidad persiguen las cosas temporales y visibles. El pecado obra en ellos y continuamente los lleva a la servidumbre. Hay tinieblas en su mente, de modo que no pueden ver sus evidencias. Hay muerte en su alma, de modo que el amor de Dios parece reducido a su última chispa. Todas estas cosas van tan en contra del amor de Dios que a veces parecen no tener lo más mínimo de él en su corazón. Y cuando quisieran mirar atrás a ciertos lugares, momentos y temporadas, a menudo no pueden, tan profundas son las tinieblas de su mente. Por eso es necesario mirar a ciertas señales de la Palabra de Dios.
Supongamos, pues, que con todas nuestras dudas y temores y toda nuestra desconfianza, con nuestra dureza de corazón, nuestra incredulidad, nuestra corrupción de mente y nuestra muerte de espíritu, podemos hallar estas señales en nuestra alma: que somos nacidos de Dios, que le conocemos, y que guardamos Sus mandamientos y deseamos hacer Su voluntad. Entonces tenemos el testimonio de la Sagrada Escritura de que pertenecemos a los que aman a Dios, y de que por tanto tenemos derecho a esta promesa.
Lectura: 1 Juan 5:1-13
Al lector…
Quizá se reconoce demasiado bien en lo que aquí se describe: el mundo que atrae, el pecado que le lleva a la servidumbre, las tinieblas que no le dejan ver sus evidencias, la muerte en la que su amor parece reducido a su última chispa. Con gusto miraría atrás a tiempos mejores, pero ni siquiera eso puede hacer. No se sorprenda, pues; así son a menudo probados y ejercitados los hijos de Dios.
Precisamente por eso el Señor le señala las señales de Su Palabra. ¿Hay, debajo de todas sus dudas y temores, todavía aquel deseo de hacer Su voluntad, de servirle con sencillez y sinceridad, de vivir en Su temor? Ese deseo no lo sacó de sí mismo. Es un testimonio de la Escritura de que usted es nacido de Dios, y quien le ama así puede asirse de Su promesa, aun en la oscuridad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar wij zijn schuldig altijd Gode te danken over u, broeders, die van de Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des geestes en geloof der waarheid.
2 Thess. 2:13
Er is zowel een mededeling van gerechtigheid als een toerekening van gerechtigheid, en de mededeling daarvan is het schenken van een Goddelijke natuur aan de ziel. Heb ik een greintje heiligheid in mijzelf? Neen. Kunnen al de mensen in de wereld met inspanning van al hun krachten één greintje geestelijke heiligheid in hun hart verwekken? Niet één! Indien alle predikanten in de wereld zich verenigden met de bedoeling één greintje heiligheid in iemands ziel voort te brengen, zij zouden zich daarmee wel tot in de eeuwigheid kunnen bezighouden. Maar zij zouden door hun prediking net zo min heiligheid kunnen voortbrengen, als dat ze daardoor een klomp goud zouden kunnen scheppen.
Maar omdat door een genadige daad van God de Vader Jezus voor Zijn volk tot heiligmaking is geworden, deelt Hij een zekere mate van Zijn eigen heiligheid aan hen mede. Hij werkt in hen het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Hij zendt de Heilige Geest, Die in hen heilige begeerten verwekt. In één woord, Hij schenkt hun een volkomen heilige natuur, die daarom de heiligheid bemint en gemeenschap oefent met een heilig God: een hemelse, geestelijke en Goddelijke natuur, die zich in eeuwige dingen verlustigt en zich daarin verheugt, als zijnde zoet en aangenaam. Het moge inderdaad in geringe mate zo zijn, dat men dikwijls verontrust en geschud wordt – en hij die erin delen mag, weet dat – omdat men er zo weinig van heeft; toch heeft men er juist genoeg van om te weten wat het is.
Heeft uw ziel nooit eens gevoeld, of voelt zij soms nog niet een zekere mate van heiligheid, die naar God uitgaat? En dit niettegenstaande dat gij u hebt leren kennen als een besmette ellendeling, in wiens hart zich bij tijden elke ongerechtigheid en elke vorm van onkiesheid en verderf openbaren, die maar al te dikwijls hun sporen op uw zinnelijke geest achterlaten. Gevoelt gij nooit een uitademing van uw ziel in de boezem van een heilig God? Hemelse begeerten, zuivere genegenheden, eenvoudigheid van het oog, eenvoud in uw wensen, een hart dat verlangt om Jezus in de geest, in beeld en gelijkenis gelijkvormig te zijn? Dit is een heiligheid, zoals de Heere des levens en der heerlijkheid uit Zijn volheid mededeelt aan Zijn arm en nooddruftig volk.
Aan de lezer…
Ziet u in uw hart, lezer, niets dan besmetting, ongerechtigheid en verderf? Bent u verontrust omdat u zo weinig heiligheid in uzelf vindt? Dan staat u niet alleen; geen mens kan ook maar één greintje heiligheid in zijn eigen ziel verwekken. Heiligheid is geen vrucht van onze inspanning, maar een gave die de Heere uit Zijn volheid mededeelt aan Zijn arm en nooddruftig volk.
Maar vraag uzelf eens eerlijk af: gevoelt u nooit een uitgaan van uw ziel naar een heilig God? Een verlangen naar zuiverheid, een hart dat ernaar uitziet Jezus gelijkvormig te zijn? Dat verlangen is niet uit uzelf. Het is een kenmerk van die nieuwe natuur die Hij schenkt. Is het maar weinig, het is genoeg om te weten wat het is. Ga er dan mee naar Hem, Die voor de Zijnen tot heiligmaking geworden is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar wij zijn schuldig altijd Gode te danken over u, broeders, die van de Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des geestes en geloof der waarheid.
2 Thess. 2:13
Er is zowel een mededeling van gerechtigheid als een toerekening van gerechtigheid, en de mededeling daarvan is het schenken van een Goddelijke natuur aan de ziel. Heb ik een greintje heiligheid in mijzelf? Nee. Kunnen alle mensen in de wereld met inspanning van al hun krachten één greintje geestelijke heiligheid in hun hart verwekken? Niet één! Als alle predikanten in de wereld zich zouden verenigen met het doel om één greintje heiligheid in iemands ziel voort te brengen, dan zouden zij zich daar tot in eeuwigheid mee bezig kunnen houden. Maar zij zouden door hun prediking net zo min heiligheid kunnen voortbrengen als dat zij daardoor een klomp goud zouden kunnen scheppen.
Maar omdat Jezus door een genadige daad van God de Vader voor Zijn volk tot heiligmaking is geworden, deelt Hij hun een zekere mate van Zijn eigen heiligheid mee. Hij werkt in hen het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Hij zendt de Heilige Geest, Die in hen heilige begeerten wekt. In één woord: Hij schenkt hun een volkomen heilige natuur, die daarom de heiligheid liefheeft en gemeenschap oefent met een heilig God. Het is een hemelse, geestelijke en Goddelijke natuur, die zich verlustigt in eeuwige dingen en zich daarin verheugt, omdat ze zoet en aangenaam zijn. Het mag inderdaad maar in geringe mate zijn, zodat men vaak verontrust en geschud wordt – en wie eraan deel mag hebben, weet dat – omdat men er zo weinig van heeft; toch heeft men er juist genoeg van om te weten wat het is.
Heeft uw ziel nooit eens een zekere mate van heiligheid gevoeld, of voelt zij die soms nog niet, die naar God uitgaat? En dat terwijl u uzelf hebt leren kennen als een besmette ellendeling, in wiens hart zich bij tijden elke ongerechtigheid en elke vorm van onreinheid en verderf openbaart, die maar al te vaak hun sporen in uw zinnelijke geest achterlaten. Voelt u nooit dat uw ziel zich uitademt in de boezem van een heilig God? Hemelse begeerten, zuivere genegenheden, eenvoud van het oog, eenvoud in uw wensen, een hart dat ernaar verlangt om in geest, beeld en gelijkenis aan Jezus gelijkvormig te zijn? Dat is de heiligheid die de Heere van het leven en van de heerlijkheid uit Zijn volheid meedeelt aan Zijn arm en nooddruftig volk.
Aan de lezer…
Ziet u in uw hart, lezer, niets dan besmetting, ongerechtigheid en verderf? Bent u verontrust omdat u zo weinig heiligheid in uzelf vindt? Dan staat u niet alleen; geen mens kan ook maar één greintje heiligheid in zijn eigen ziel verwekken. Heiligheid is geen vrucht van onze inspanning, maar een gave die de Heere uit Zijn volheid meedeelt aan Zijn arm en nooddruftig volk.
Maar vraag uzelf eens eerlijk af: voelt u nooit dat uw ziel uitgaat naar een heilig God? Een verlangen naar zuiverheid, een hart dat ernaar uitziet om aan Jezus gelijkvormig te zijn? Dat verlangen komt niet uit uzelf. Het is een kenmerk van de nieuwe natuur die Hij schenkt. Is het maar weinig, het is genoeg om te weten wat het is. Ga er dan mee naar Hem, Die voor de Zijnen tot heiligmaking geworden is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But we are bound to give thanks alway to God for you, brethren beloved of the Lord, because God hath from the beginning chosen you to salvation through sanctification of the Spirit and belief of the truth.
2 Thessalonians 2:13
There is the impartation of righteousness, as well as the imputation of it; and the impartation of it is the communication of a divine nature to the soul. Have I one grain of holiness in myself? Not one. Can all the men in the world, by all their united exertions, raise up a grain of spiritual holiness in their hearts? Not an atom, with all their efforts. If all the preachers in the world were to unite together for the purpose of working a grain of holiness in one man’s soul, they might strive to all eternity—they could no more by their preaching create holiness, than by their preaching they could create a lump of gold.
But because, by a gracious act of God the Father, Jesus is made unto His people sanctification, He imparts a measure of His own holiness to them. He works in them to will and to do of His own good pleasure; He sends the Holy Spirit, to raise up holy desires—in a word, He communicates a nature perfectly holy, which therefore loves holiness, and has communion with a holy God; a heavenly, spiritual, and divine nature, which bathes in eternal things as its element, and enjoys spiritual things as sweet and precious. It may indeed be small in measure; and he that has it is often exercised and troubled because he has so little of it; yet he has enough just to know what it is.
Has not your soul, though you feel to be a defiled wretch, though every iniquity is at times working in your heart, though every worm of obscenity and corruption is too often trailing its filthy slime upon your carnal mind—has it not felt, does it not sometimes feel, a measure of holiness Godwards? Do you never feel a breathing forth of your soul into the bosom of a holy God? Heavenly desires, pure affections, singleness of eye, simplicity of purpose, a heart that longs to have the mind, image, and likeness of Jesus stamped upon it—this is a holiness such as the Lord of life and glory imparts out of His fullness to His poor and needy family.
To the reader…
Do you see nothing in your heart, dear reader, but defilement, iniquity and corruption? Are you troubled because you find so little holiness in yourself? Then you are not alone; no one can raise up even a single grain of holiness in his own soul. Holiness is not the fruit of our exertion, but a gift which the Lord imparts out of His fullness to His poor and needy people.
But ask yourself honestly: do you never feel your soul going out to a holy God? A longing for purity, a heart that yearns to be conformed to Jesus? That longing does not come from yourself. It is a mark of the new nature that He gives. Though it be but little, it is enough to know what it is. Take it, then, to Him Who has been made sanctification for His own.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas nosotros debemos siempre dar gracias a Dios por vosotros, hermanos amados del Señor, de que Dios os haya escogido desde el principio para salud, por la santificación del Espíritu y fe de la verdad.
2 Tesalonicenses 2:13
Existe la impartición de la justicia, así como su imputación; y su impartición es la comunicación de una naturaleza divina al alma. ¿Tengo yo un grano de santidad en mí mismo? Ni uno. ¿Pueden todos los hombres del mundo, con todos sus esfuerzos unidos, levantar un grano de santidad espiritual en sus corazones? Ni un átomo, con todos sus esfuerzos. Si todos los predicadores del mundo se unieran con el propósito de producir un grano de santidad en el alma de un solo hombre, podrían esforzarse por toda la eternidad; no podrían crear santidad con su predicación más de lo que podrían crear con su predicación un pedazo de oro.
Pero porque, por un acto de gracia de Dios el Padre, Jesús es hecho santificación para Su pueblo, Él les imparte una medida de Su propia santidad. Obra en ellos así el querer como el hacer, por Su buena voluntad; envía al Espíritu Santo para despertar deseos santos; en una palabra, comunica una naturaleza perfectamente santa, que por eso ama la santidad y tiene comunión con un Dios santo; una naturaleza celestial, espiritual y divina, que se baña en las cosas eternas como en su elemento y goza de las cosas espirituales como dulces y preciosas. Puede ser, en verdad, pequeña en medida; y el que la tiene a menudo está ejercitado y turbado porque tiene tan poco de ella; sin embargo, tiene lo suficiente para saber lo que es.
Aunque usted se sienta un miserable contaminado, aunque toda iniquidad obre a veces en su corazón, aunque todo gusano de inmundicia y corrupción arrastre con demasiada frecuencia su baba sucia sobre su mente carnal, ¿no ha sentido su alma, no siente a veces, una medida de santidad hacia Dios? ¿No siente nunca que su alma se exhala hacia el seno de un Dios santo? Deseos celestiales, afectos puros, un ojo sencillo, sencillez de propósito, un corazón que anhela tener impresos la mente, la imagen y la semejanza de Jesús: esta es una santidad tal como la que el Señor de la vida y de la gloria imparte de Su plenitud a Su familia pobre y necesitada.
Al lector…
¿No ve usted en su corazón, querido lector, nada más que contaminación, iniquidad y corrupción? ¿Está turbado porque halla tan poca santidad en sí mismo? Entonces no está solo; nadie puede levantar ni un solo grano de santidad en su propia alma. La santidad no es fruto de nuestro esfuerzo, sino un don que el Señor imparte de Su plenitud a Su pueblo pobre y necesitado.
Pero pregúntese con sinceridad: ¿no siente nunca que su alma sale hacia un Dios santo? ¿Un anhelo de pureza, un corazón que desea ser conformado a Jesús? Ese anhelo no viene de usted mismo. Es una señal de la nueva naturaleza que Él da. Aunque sea poco, basta para saber lo que es. Llévelo, pues, a Aquel que ha sido hecho santificación para los Suyos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl