5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.
1 Johannes 5:20
Wat een gelukzaligheid om het eeuwige leven te hebben. Een eeuwig leven dat door de eeuwigheid zelf niet kan worden uitgeput! Er is in mijn ziel iets zo bijzonder gelukzaligs in de uitdrukking „eeuwig leven”, dat ik niet kan ophouden erbij stil te staan. Wat verruimt de gedachte eraan, het gevoelen ervan de borst! Hoe armzalig, hoe gering en nietig is ons tijdelijk leven met al zijn zorgen — in vergelijking met de kleine handbreedte die God ons hier beneden heeft toegestaan?
En merk op hoe door Johannes ons oog gevestigd wordt op de ware God, Die Zelf het eeuwige Leven is. Hij is niet alleen de Gever, de Bron, het Onderwerp, het Voorwerp ervan; Hijzelf is het alles. O, als Hij onze ziel door Zijn Geest en Zijn genade levend heeft gemaakt, dragen wij nu al het eeuwige leven in onze boezem! Want dat eeuwige leven is de kostelijke vrucht op aarde van dat eeuwige leven in de hemel, dat bij de Vader was en ons is geopenbaard (1 Joh. 1:2).
„Maar,” zult u vragen, „hoe kunnen wij weten dat wij het eeuwige leven hebben?” Door het inwendige bewustzijn dat wij leven; door de pols die slaat; de longen die ademen; het oog dat ziet; het oor dat hoort; de tong die spreekt; de handen die tasten; door de warme bloedstroom in onze aderen; door de gedachten die nu en dan in onze geest opkomen. Op dezelfde wijze kennen wij het geestelijk leven door het inwendig bewustzijn ervan en door zijn inwendige werking. En waar geestelijk leven is, daar is het eeuwige leven.
Wanneer wij de roerselen, het ontspringen, het opwellen en andere verschillende bewegingen van dit geestelijke leven in ons hart voelen, hebben wij een getuigenis dat wij ook eeuwig leven hebben. Dan mogen wij weten dat dit eeuwige leven in de Zoon van God is en door de Zoon van God in ons is ingeblazen en aan onze ziel is meegedeeld.
Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan;
al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan.
De heiligheid is voor Uw huis, o Heer,
eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer!
Psalm 93:4
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u er zelden bij stilstaat wat het betekent eeuwig leven te hebben. Ons tijdelijk leven is maar een kleine handbreedte, vol zorgen en spoedig voorbij. Maar hier wordt ons oog gericht op de waarachtige God, Die Zelf het eeuwige leven is. Ik kan er niet over ophouden, en wie het iets mag smaken, verstaat waarom: wie door Zijn Geest levend gemaakt is, draagt nu al iets van dat eeuwige leven in zich.
„Maar hoe weet ik of ik dat leven heb?” vraagt u misschien bevend. Zoals een mens weet dat hij leeft omdat zijn hart klopt en zijn longen ademen, zo wordt het geestelijk leven gekend aan zijn werking. Voelt u soms een opwellen naar God, een zucht, een verlangen, een droefheid over de zonde? Veracht die roerselen niet. Waar geestelijk leven is, daar is het eeuwige leven, en dat leven is in de Zoon van God en door Hem aan uw ziel meegedeeld.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.
1 Johannes 5:20
Wat een gelukzaligheid om het eeuwige leven te hebben: een eeuwig leven dat zelfs door de eeuwigheid niet kan worden uitgeput! De uitdrukking „eeuwig leven” heeft voor mijn ziel iets zo bijzonder gelukzaligs, dat ik niet kan ophouden erbij stil te staan. Hoe verruimt de gedachte eraan, het besef ervan, het hart! Hoe armzalig, hoe gering en nietig is daarbij vergeleken ons tijdelijk leven met al zijn zorgen, die kleine handbreedte die God ons hier beneden heeft toegestaan!
En let erop hoe Johannes ons oog richt op de waarachtige God, Die Zelf het eeuwige Leven is. Hij is niet alleen de Gever, de Bron, de Inhoud en het Voorwerp ervan; Hij Zelf is het alles. O, als Hij onze ziel door Zijn Geest en Zijn genade levend heeft gemaakt, dan dragen wij nu al het eeuwige leven in ons binnenste! Want dat eeuwige leven is op aarde de kostbare vrucht van dat eeuwige leven in de hemel, dat bij de Vader was en ons is geopenbaard (1 Joh. 1:2).
„Maar,” zult u vragen, „hoe kunnen wij weten dat wij het eeuwige leven hebben?” Door het inwendige besef dat wij leven: door de pols die slaat, de longen die ademen, het oog dat ziet, het oor dat hoort, de tong die spreekt en de handen die tasten; door de warme bloedstroom in onze aderen en door de gedachten die telkens in onze geest opkomen. Op dezelfde wijze kennen wij het geestelijk leven door het inwendige besef ervan en door zijn inwendige werking. En waar geestelijk leven is, daar is het eeuwige leven.
Wanneer wij de roerselen, het ontspringen, het opwellen en de andere bewegingen van dit geestelijk leven in ons hart voelen, hebben wij een getuigenis dat wij ook het eeuwige leven hebben. Dan mogen wij weten dat dit eeuwige leven in de Zoon van God is, en door de Zoon van God in ons is ingeblazen en aan onze ziel is meegedeeld.
Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan;
al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan.
De heiligheid is voor Uw huis, o Heer,
eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer!
Psalm 93:4
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u er zelden bij stilstaat wat het betekent het eeuwige leven te hebben. Ons tijdelijk leven is maar een kleine handbreedte, vol zorgen en snel voorbij. Maar hier wordt ons oog gericht op de waarachtige God, Die Zelf het eeuwige leven is. Ik kan er niet over ophouden, en wie er iets van mag smaken, begrijpt waarom: wie door Zijn Geest levend gemaakt is, draagt nu al iets van dat eeuwige leven in zich.
„Maar hoe weet ik of ik dat leven heb?” vraagt u misschien bevend. Zoals een mens weet dat hij leeft omdat zijn hart klopt en zijn longen ademen, zo wordt het geestelijk leven gekend aan zijn werking. Voelt u soms een opwellen naar God, een zucht, een verlangen, een droefheid over de zonde? Veracht die roerselen niet. Waar geestelijk leven is, daar is het eeuwige leven, en dat leven is in de Zoon van God en door Hem aan uw ziel meegedeeld.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
This is the true God, and eternal life.
1 John 5:20
O the blessedness, which eternity itself can never exhaust, of possessing eternal life! There is something to my mind so singularly blessed in the expression “eternal life,” that I cannot help dwelling upon it. How the thought, the feeling of it expands the breast! Compared with it, how poor, base, and low is our temporal life and all its concerns—the short span which God has allotted to us here below!
And do observe how our eye is directed by holy John to the true God as being Himself eternal life. He is not only the Giver, the Spring, the Subject, the Object of it—He Himself is it all. O if He has but quickened our souls by His Spirit and grace, we carry now, even now, eternal life in our breast! for this eternal life is the precious fruit on earth of that eternal life in heaven which was with the Father and was manifested unto us (1 John 1:2).
But how shall we know that we have eternal life, you may ask? How do we know that we have natural life? By an inward consciousness that we are alive; by the pulse which beats, the lungs which breathe, the eye which sees, the ear which hears, the tongue which speaks, the hands which feel, by the warm flow of blood through our veins, by the thoughts which pass to and fro through our mind.
Similarly we know the possession of spiritual life by an inward consciousness of it and by its inward actings. And as where there is spiritual there is eternal life, as we feel the bubblings, springings, risings, and varied movements of this spiritual life in our bosom, we have a testimony that we have also eternal life; that this eternal life is in the Son of God, and from the Son of God has been breathed into and communicated unto our souls.
To the reader…
It may be that you seldom pause to consider what it means to have eternal life. Our temporal life is only a short span, full of cares and quickly gone. But here our eye is directed to the true God, Who is Himself eternal life. I cannot stop speaking of it, and whoever may taste something of it understands why: whoever has been quickened by His Spirit already carries something of that eternal life within.
“But how do I know whether I have that life?” you may ask with trembling. Just as a person knows he is alive because his heart beats and his lungs breathe, so spiritual life is known by its workings. Do you sometimes feel a rising up towards God, a sigh, a longing, a grief over sin? Do not despise those stirrings. Where there is spiritual life, there is eternal life, and that life is in the Son of God and has been communicated to your soul by Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Este es el verdadero Dios, y la vida eterna.
1 Juan 5:20
¡Oh la bienaventuranza, que la eternidad misma nunca podrá agotar, de poseer la vida eterna! Hay algo para mi mente tan singularmente bendito en la expresión “vida eterna”, que no puedo dejar de detenerme en ella. ¡Cómo ensancha el pecho el pensamiento y el sentimiento de ella! En comparación, ¡cuán pobre, vil y baja es nuestra vida temporal con todos sus asuntos, el breve lapso que Dios nos ha asignado aquí abajo!
Y observe usted cómo el santo Juan dirige nuestra mirada al Dios verdadero como siendo Él mismo la vida eterna. Él no es solamente el Dador, la Fuente, el Sujeto y el Objeto de ella: Él mismo lo es todo. ¡Oh, si Él tan solo ha vivificado nuestras almas por Su Espíritu y Su gracia, llevamos ahora, aun ahora, la vida eterna en nuestro pecho! Porque esta vida eterna es el precioso fruto en la tierra de aquella vida eterna en el cielo, la cual estaba con el Padre y nos ha aparecido (1 Juan 1:2).
Pero, ¿cómo sabremos que tenemos vida eterna?, preguntará usted quizá. ¿Cómo sabemos que tenemos vida natural? Por una conciencia interior de que estamos vivos; por el pulso que late, los pulmones que respiran, el ojo que ve, el oído que oye, la lengua que habla, las manos que palpan, por el cálido fluir de la sangre por nuestras venas, por los pensamientos que van y vienen por nuestra mente.
De la misma manera conocemos la posesión de la vida espiritual por una conciencia interior de ella y por sus operaciones internas. Y como donde hay vida espiritual hay vida eterna, al sentir los borbotones, los brotes, las elevaciones y los diversos movimientos de esta vida espiritual en nuestro pecho, tenemos un testimonio de que tenemos también vida eterna; de que esta vida eterna está en el Hijo de Dios, y que desde el Hijo de Dios ha sido soplada y comunicada a nuestras almas.
Al lector…
Puede ser que rara vez se detenga usted a considerar lo que significa tener vida eterna. Nuestra vida temporal es solo un breve lapso, lleno de afanes y pronto pasado. Pero aquí se dirige nuestra mirada al Dios verdadero, que es Él mismo la vida eterna. No puedo dejar de hablar de ello, y quien llegue a gustar algo de ello entiende por qué: quien ha sido vivificado por Su Espíritu lleva ya dentro algo de esa vida eterna.
“Pero, ¿cómo sé si tengo esa vida?”, preguntará usted quizá con temor. Así como una persona sabe que está viva porque su corazón late y sus pulmones respiran, así se conoce la vida espiritual por sus operaciones. ¿Siente usted a veces un elevarse hacia Dios, un suspiro, un anhelo, una tristeza por el pecado? No desprecie esos movimientos. Donde hay vida espiritual hay vida eterna, y esa vida está en el Hijo de Dios y ha sido comunicada por Él a su alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het gebed van Salomo
Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als Gij hen geplaagd zult hebben, hoor Gij dan uit de hemel, en vergeef de zonden Uwer knechten en van Uw volk Israël.
2 Kronieken 6:26-27
We zondigen altijd: we denken, verlangen, zeggen of doen altijd iets kwaads. „Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben” (v. 35). De zonde is nog steeds de oorzaak. Elke bezoeking moet tot de zonde worden herleid. Dit is de reden dat de hemel is afgesloten en dat er geen regen is, letterlijk of geestelijk.
Als we de toestand waarin de Kerk gewoonlijk verkeert in ogenschouw nemen, moeten we dan niet vrezen, ernstig vrezen, dat er momenteel te veel van is? Het is een tijd van droogte; de hemel is vaak afgesloten; weinig dauw, weinig regen valt; de bediening van het Woord wordt zeer weinig gezegend; in deze donkere en sombere tijd, deze tijd van Sions zwakke staat, vallen er weinig regenbuien op de zielen van Gods kinderen.
Maar de hemel is vaak afgesloten met betrekking tot personen. Ze klagen vaak dat ze roepen maar niet worden gehoord; dat ze tot God komen en geen toegang vinden; dat Hij Zichzelf met een wolk bedekt, zodat hun gebed er niet doorheen kan. Als de hemel zo is afgesloten, als er geen doorgang voor gebed is, geen toegang tot God, geen ingaan in het binnenste van het voorhangsel, geen zoet besef van vereniging en uitwisseling, zijn dit maar al te vaak vruchten van hun eigen ongehoorzaamheid en dwaasheid. Als we tegen God in wandelen, zal Hij tegen ons in wandelen. Wij sluiten de hemel tegen onszelf af.
Maar dezelfde hemel die de toegang van beneden af uitsluit, sluit ook de regen en de dauw van bovenaf uit. Wat kan er dan nog voor vruchtbaarheid in de ziel zijn? Wat is de stoffelijke aarde zonder regen? Als er een lange periode van droogte is, wat hebben de planten en bomen hier dan van te lijden! Wat verslappen en verdorren boom, plant en bloem, vooral in een heel warm klimaat!
Veel meer nog de ziel. Als er geen geestelijke regen zou zijn, als Gods aanwezigheid en barmhartigheid niet zouden neervallen, als er geen bedauwende regenbuien van Zijn aanwezigheid en genade zouden zijn, hoezeer verstokt het hart dan! Hoezeer verslapt en verdort elke genade van de ziel! De tedere knop van hoop, de uitkomende bloem van liefde, de rijpende vruchten van beoefening en het groene blad van belijdenis verslappen en hangen als het ware nog slechts aan de stengel als er regen noch dauw is.
De zonde, de zonde is nog steeds de oorzaak. Als de Heere de hemel afsluit, als Hij de regen weigert en de dauw achterhoudt, zijn wij de schuld ervan. Wij moeten de Heere vrijmaken, en Hem niet onze zonde deelachtig laten zijn. Deze droogte van de ziel, in kerken of in personen, veroorzaken we grotendeels zelf door onze eigen vleselijkheid en dwaasheid.
Lezen: Jeremia 14
Aan de lezer…
Wie het meemaakt dat de hemel gesloten is, weet hoe dat voelt. Misschien is de hemel nu ook voor u gesloten. Roept u en wordt u niet gehoord, komt u tot God en vindt u geen toegang, alsof Hij Zichzelf met een wolk heeft bedekt? Dan kent u iets van die droogte waarover ik spreek. De tedere knop van hoop hangt slap, de bloem van liefde verdort, en het hart wordt hard. Hoe smartelijk is zo’n tijd voor een ziel die eens de regen heeft gekend!
Wees dan eerlijk voor Gods aangezicht. Zoek de oorzaak niet bij de Heere, maar maak Hem vrij, en erken dat wij het zelf zijn die door onze dwaasheid de hemel tegen onszelf afsluiten. Dat is geen woord om u te verpletteren, maar om u op de rechte plaats te brengen. Want in deze plaats bidden, Zijn Naam belijden en zich van de zonde bekeren, dat is juist de weg waarop Salomo vraagt: „Hoor Gij dan uit de hemel, en vergeef.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als Gij hen geplaagd zult hebben, hoor Gij dan uit de hemel, en vergeef de zonden Uwer knechten en van Uw volk Israël.
2 Kronieken 6:26-27
We zondigen altijd: we denken, verlangen, zeggen of doen altijd iets wat verkeerd is. „Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben” (v. 35). De zonde is nog steeds de oorzaak. Elke bezoeking moet tot de zonde worden teruggevoerd. Dat is de reden waarom de hemel gesloten is en er geen regen valt, letterlijk of geestelijk.
Als we kijken naar de toestand waarin de Kerk gewoonlijk verkeert, moeten we dan niet vrezen, ernstig vrezen, dat dit op dit moment al te zeer het geval is? Het is een tijd van droogte. De hemel is vaak gesloten; er valt weinig dauw en weinig regen; de bediening van het Woord wordt maar heel weinig gezegend. In deze donkere en sombere tijd, deze tijd van Sions zwakke staat, vallen er weinig regenbuien op de zielen van Gods kinderen.
Maar de hemel is ook vaak gesloten voor afzonderlijke personen. Zij klagen vaak dat ze roepen maar niet gehoord worden; dat ze tot God komen en geen toegang vinden; dat Hij Zich met een wolk bedekt, zodat hun gebed er niet doorheen kan. Wanneer de hemel zo gesloten is, wanneer er geen doorgang is voor het gebed, geen toegang tot God, geen ingaan binnen het voorhangsel, geen zoet besef van vereniging en gemeenschap, dan zijn dat maar al te vaak de vruchten van hun eigen ongehoorzaamheid en dwaasheid. Als we tegen God in wandelen, zal Hij tegen ons in wandelen. Wij sluiten zelf de hemel voor ons af.
Maar dezelfde hemel die de toegang van beneden afsluit, houdt ook de regen en de dauw van boven tegen. Welke vruchtbaarheid kan er dan nog in de ziel zijn? Wat is de aarde zonder regen? Als er een lange periode van droogte is, wat hebben de planten en bomen dan te lijden! Hoe verslappen en verdorren boom, plant en bloem, vooral in een heel warm klimaat!
Hoeveel te meer de ziel! Als er geen geestelijke regen zou zijn, als Gods tegenwoordigheid en barmhartigheid niet zouden neerdalen, als er geen verkwikkende regenbuien van Zijn tegenwoordigheid en genade zouden zijn, hoe zou het hart dan verharden! Hoe zou elke genade in de ziel verslappen en verdorren! De tedere knop van de hoop, de opengaande bloem van de liefde, de rijpende vruchten van de beoefening en het groene blad van de belijdenis verslappen en hangen als het ware nog maar aan de stengel, als er regen noch dauw is.
De zonde, de zonde is nog steeds de oorzaak. Als de Heere de hemel sluit, als Hij de regen weigert en de dauw achterhoudt, ligt de schuld bij ons. Wij moeten de Heere vrijspreken en Hem niet laten delen in onze zonde. Deze droogte van de ziel, in kerken of bij personen, veroorzaken we grotendeels zelf door onze eigen vleselijkheid en dwaasheid.
Lezen: Jeremia 14
Aan de lezer…
Wie het meemaakt dat de hemel gesloten is, weet hoe dat voelt. Misschien is de hemel nu ook voor u gesloten. Roept u en wordt u niet gehoord, komt u tot God en vindt u geen toegang, alsof Hij Zich met een wolk heeft bedekt? Dan kent u iets van die droogte. De tedere knop van de hoop hangt slap, de bloem van de liefde verdort, en het hart wordt hard. Hoe smartelijk is zo’n tijd voor een ziel die eens de regen heeft gekend!
Wees dan eerlijk voor Gods aangezicht. Zoek de oorzaak niet bij de Heere, maar spreek Hem vrij, en erken dat wij het zelf zijn die door onze dwaasheid de hemel voor onszelf afsluiten. Dat is geen woord om u te verpletteren, maar om u op de juiste plaats te brengen. Want in deze plaats bidden, Zijn Naam belijden en zich van de zonde bekeren, dat is juist de weg waarop Salomo vraagt: „Hoor Gij dan uit de hemel, en vergeef.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
When the heaven is shut up, and there is no rain, because they have sinned against Thee; yet if they pray toward this place, and confess Thy Name, and turn from their sin, when Thou dost afflict them; then hear Thou from heaven, and forgive the sin of Thy servants, and of Thy people Israel.
2 Chronicles 6:26-27
We are always sinning: we are always thinking, desiring, saying or doing something that is wrong. “When the heaven is shut up, and there is no rain, because they have sinned against Thee” (1 Kings 8:35). Sin is still the cause. Every affliction must be traced back to sin. That is the reason why the heaven is shut up and there is no rain, literally or spiritually.
When we look at the state in which the Church is commonly found, must we not fear, seriously fear, that this is all too much the case at the present time? It is a time of drought. The heaven is often shut up; there is little dew and little rain; the ministry of the Word is but very little blessed. In this dark and gloomy day, this day of Zion’s low estate, few showers fall upon the souls of God’s children.
But the heaven is often shut up for individuals too. They often complain that they cry but are not heard; that they come to God and find no access; that He covers Himself with a cloud, so that their prayer cannot pass through. When the heaven is thus shut up, when there is no passage for prayer, no access to God, no entering within the veil, no sweet sense of union and communion, these are all too often the fruits of their own disobedience and folly. If we walk contrary to God, He will walk contrary to us. We ourselves shut up the heaven against us.
But the same heaven that shuts out access from below also withholds the rain and the dew from above. What fruitfulness can there then be in the soul? What is the earth without rain? When there is a long season of drought, how the plants and trees suffer! How tree, plant and flower droop and wither, especially in a very hot climate!
How much more the soul! If there were no spiritual rain, if God’s presence and mercy did not come down, if there were no refreshing showers of His presence and grace, how the heart would harden! How every grace in the soul would droop and wither! The tender bud of hope, the opening flower of love, the ripening fruits of practice and the green leaf of profession droop and, as it were, barely hang upon the stalk when there is neither rain nor dew.
Sin, sin is still the cause. When the Lord shuts up the heaven, when He refuses the rain and withholds the dew, the blame lies with us. We must clear the Lord and not make Him a partaker in our sin. This drought of soul, whether in churches or in individuals, we bring about very largely ourselves by our own carnality and folly.
Reading: Jeremiah 14
To the reader…
Whoever has known the heaven to be shut up knows how that feels. Perhaps the heaven is shut up for you now too. Do you cry and are not heard, do you come to God and find no access, as if He had covered Himself with a cloud? Then you know something of that drought. The tender bud of hope hangs limp, the flower of love withers, and the heart grows hard. How sorrowful such a time is for a soul that once knew the rain!
Then be honest before God’s face. Do not look for the cause in the Lord, but clear Him, and acknowledge that it is we ourselves who shut up the heaven against us by our folly. That is not a word to crush you, but to bring you to the right place. For to pray toward this place, to confess His Name and to turn from sin, is the very way in which Solomon asks: “Then hear Thou from heaven, and forgive.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si los cielos se cerraren, que no haya lluvias por haber pecado contra Ti, si oraren a Ti en este lugar, y confesaren Tu Nombre, y se convirtieren de sus pecados, cuando los afligieres, Tú los oirás en los cielos, y perdonarás el pecado de Tus siervos y de Tu pueblo Israel.
2 Crónicas 6:26-27
Siempre estamos pecando: siempre estamos pensando, deseando, diciendo o haciendo algo que está mal. “Cuando el cielo se cerrare, y no lloviere, por haber ellos pecado contra Ti” (1 Reyes 8:35). El pecado sigue siendo la causa. Toda aflicción ha de remontarse al pecado. Esa es la razón por la que el cielo se cierra y no hay lluvia, literal o espiritualmente.
Cuando miramos el estado en que comúnmente se encuentra la Iglesia, ¿no hemos de temer, temer seriamente, que esto sea demasiado el caso en el tiempo presente? Es un tiempo de sequía. El cielo está a menudo cerrado; hay poco rocío y poca lluvia; el ministerio de la Palabra es muy poco bendecido. En este día oscuro y sombrío, este día de abatimiento de Sion, pocos aguaceros caen sobre las almas de los hijos de Dios.
Pero el cielo se cierra a menudo también para personas en particular. Con frecuencia se quejan de que claman y no son oídos; de que vienen a Dios y no hallan acceso; de que Él se cubre con una nube, de modo que su oración no puede pasar. Cuando el cielo está así cerrado, cuando no hay paso para la oración, ni acceso a Dios, ni entrada dentro del velo, ni dulce sentir de unión y comunión, estos son con demasiada frecuencia los frutos de su propia desobediencia y necedad. Si andamos en contra de Dios, Él andará en contra de nosotros. Nosotros mismos cerramos el cielo contra nosotros.
Pero el mismo cielo que cierra el acceso desde abajo retiene también la lluvia y el rocío desde arriba. ¿Qué fecundidad puede haber entonces en el alma? ¿Qué es la tierra sin lluvia? Cuando hay una larga temporada de sequía, ¡cómo sufren las plantas y los árboles! ¡Cómo el árbol, la planta y la flor se doblan y se marchitan, sobre todo en un clima muy caluroso!
¡Cuánto más el alma! Si no hubiera lluvia espiritual, si no descendieran la presencia y la misericordia de Dios, si no hubiera aguaceros refrescantes de Su presencia y gracia, ¡cómo se endurecería el corazón! ¡Cómo toda gracia en el alma se doblaría y se marchitaría! El tierno brote de la esperanza, la flor abierta del amor, los frutos madurantes de la práctica y la hoja verde de la profesión se doblan y, por así decirlo, apenas cuelgan del tallo cuando no hay ni lluvia ni rocío.
El pecado, el pecado sigue siendo la causa. Cuando el Señor cierra el cielo, cuando niega la lluvia y retiene el rocío, la culpa es nuestra. Hemos de justificar al Señor y no hacerle partícipe de nuestro pecado. Esta sequía del alma, sea en iglesias o en personas en particular, la provocamos en muy gran parte nosotros mismos por nuestra propia carnalidad y necedad.
Lectura: Jeremías 14
Al lector…
Quien ha conocido el cielo cerrado sabe lo que se siente. Quizá el cielo está cerrado también para usted ahora. ¿Clama y no es oído, viene a Dios y no halla acceso, como si Él se hubiera cubierto con una nube? Entonces sabe algo de esa sequía. El tierno brote de la esperanza cuelga lacio, la flor del amor se marchita, y el corazón se endurece. ¡Qué triste es tal tiempo para un alma que una vez conoció la lluvia!
Sea entonces sincero delante del rostro de Dios. No busque la causa en el Señor, sino justifíquele a Él, y reconozca que somos nosotros mismos quienes cerramos el cielo contra nosotros por nuestra necedad. Esa no es una palabra para aplastarle, sino para llevarle al lugar correcto. Porque orar hacia este lugar, confesar Su Nombre y convertirse del pecado es precisamente el camino por el cual Salomón pide: “Tú los oirás en los cielos, y perdonarás.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o Heere. Uw heil naar Uw toezegging; opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden; want ik vertrouw op Uw Woord.
Psalm 119:41, 42
Een levende ziel wenst een antwoord te geven aan hem die hem smaadt. Maar dit kan hij van zichzelf niet doen, want hij heeft niet één woord ter zelfverdediging. Dit is volkomen uitgesloten, en daarom heeft hij datgene nodig wat hem van een antwoord voorziet tegenover zijn versmaders. En wat alleen kan hem daarvan voorzien? De goedertierenheden Gods in zijn hart. „En dat Uw goedertierenheden mij overkomen, o Heere! Uw heil naar Uw toezegging. Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden.”
De inkomst van de goedertierenheden in de ziel en de openbaring van het heil aan het hart verschaft een antwoord aan hem die ons smaadt. Indien gij acht wilt geven op het woord „goedertierenheden”, dan ziet gij dat het een meervoudsvorm heeft, want er zijn vele goedertierenheden; maar „heil” staat in het enkelvoud, want er is maar één heil. In welk opzicht dan had de psalmist behoefte aan goedertierenheden? Alleen zoals de letter van het woord het meldt? Of zoals het staat opgetekend in het geïnspireerde Woord der waarheid?
Als dingen om erop te zien, zoals men ziet op voorwerpen die opgehangen zijn, bijvoorbeeld een schilderij, alleen daarom opdat ons oog zich daarop verlustigen zou? Neen, hij had ze nodig in zijn hart; daar moesten ze ingaan, over hem komen of hem bezoeken. Ze moesten hem ingeblazen worden, één geheel met hem worden, gelijk het hartenbloed dat in zijn aderen zou circuleren, om als het Koninkrijk Gods opgericht te zijn in zijn ziel.
En waarom had hij behoefte aan inwendige goedertierenheden? Omdat hij inwendige versmaders had. Waarom had hij behoefte aan goedertierenheden in zijn ziel? Omdat hij in zijn ziel veroordeeld was. Daar was het vonnis des doods geschreven; daar was het dat het vonnis van vrijspraak moest vermeld worden. Daar werd de smaad waargenomen, maar ook daar moest het antwoord aan de versmader gegeven worden.
Indien het slechts een uitwendige versmading ware, dan zou kunnen worden volstaan met een uitwendig antwoord; maar daar de beschuldiging van binnen voortgebracht was, namelijk in het hart, in de consciëntie, in het gevoel, noodzaakte dit dat het antwoord op dezelfde plaats gegeven werd. Het moest geschreven worden op dezelfde plaats, in dezelfde tafelen gegraveerd en voortgebracht met dezelfde of met veel groter kracht, zodat het een voldoend antwoord was op de beschuldigingen van hem die hem beschuldigde.
Aan de lezer…
Bestreden ziel, hoort u ook die stem van binnen die u beschuldigt en smaadt, en weet u er niets tegenover te stellen? U zoekt naar een woord ter zelfverdediging, maar vindt er niet één. Wees daarover niet verslagen, want zo verging het ook de psalmist. De beschuldiging was in zijn hart, in zijn consciëntie voortgebracht, en daarom moest ook daar het antwoord gegeven worden. Waar het vonnis des doods geschreven stond, moest ook de vrijspraak komen.
Vraag dan niet alleen om de goedertierenheden des Heeren te kennen zoals men een schilderij aanziet, maar bid dat zij over u komen, uw hart binnengaan en één met u worden. Er zijn vele goedertierenheden, maar er is slechts één heil, en dat heil is naar Zijn toezegging. Wanneer Hij dat in uw ziel openbaart, hebt u uw smader wat te antwoorden, niet uit uzelf, maar uit Hem. Vertrouw daarom op Zijn Woord.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o Heere. Uw heil naar Uw toezegging; opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden; want ik vertrouw op Uw Woord.
Psalm 119:41, 42
Een levende ziel wil graag een antwoord geven aan hem die haar smaadt. Maar dat kan zij uit zichzelf niet, want zij heeft geen enkel woord om zich te verdedigen. Dat is volkomen uitgesloten, en daarom heeft zij iets nodig wat haar een antwoord geeft tegenover haar smaders. En wat alleen kan haar dat geven? De goedertierenheden van God in het hart. „En dat Uw goedertierenheden mij overkomen, o Heere! Uw heil naar Uw toezegging. Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden.”
Wanneer de goedertierenheden in de ziel binnenkomen en het heil aan het hart geopenbaard wordt, geeft dat een antwoord aan hem die ons smaadt. Als u let op het woord „goedertierenheden”, dan ziet u dat het in het meervoud staat, want er zijn vele goedertierenheden; maar „heil” staat in het enkelvoud, want er is maar één heil. Op welke manier had de psalmist dan goedertierenheden nodig? Alleen zoals de letter van het woord ze vermeldt? Of zoals ze opgetekend staan in het geïnspireerde Woord der waarheid?
Als dingen om naar te kijken, zoals men kijkt naar iets wat aan de muur hangt, bijvoorbeeld een schilderij, alleen opdat ons oog zich eraan zou verlustigen? Nee, hij had ze nodig in zijn hart; daar moesten ze binnengaan, over hem komen of hem bezoeken. Ze moesten hem ingeblazen worden en één geheel met hem worden, zoals het hartenbloed dat door zijn aderen stroomt, zodat ze als het Koninkrijk van God in zijn ziel opgericht zouden zijn.
En waarom had hij inwendige goedertierenheden nodig? Omdat hij inwendige smaders had. Waarom had hij goedertierenheden in zijn ziel nodig? Omdat hij in zijn ziel veroordeeld was. Daar was het doodvonnis geschreven; daar moest ook het vonnis van vrijspraak vermeld worden. Daar werd de smaad gevoeld, maar daar moest ook het antwoord aan de smader gegeven worden.
Als het slechts een uitwendige smaad was, zou een uitwendig antwoord kunnen volstaan. Maar omdat de beschuldiging van binnen was voortgebracht, namelijk in het hart, in het geweten, in het gevoel, moest het antwoord ook op diezelfde plaats gegeven worden. Het moest op dezelfde plaats geschreven worden, in dezelfde tafelen gegraveerd en voortgebracht met dezelfde of nog veel grotere kracht, zodat het een voldoende antwoord was op de beschuldigingen van hem die hem beschuldigde.
Aan de lezer…
Bestreden ziel, hoort u ook die stem van binnen die u beschuldigt en smaadt, en weet u er niets tegenover te stellen? U zoekt naar een woord om uzelf te verdedigen, maar vindt er niet één. Wees daarover niet verslagen, want zo verging het ook de psalmist. De beschuldiging was in zijn hart, in zijn geweten voortgebracht, en daarom moest ook daar het antwoord gegeven worden. Waar het doodvonnis geschreven stond, moest ook de vrijspraak komen.
Vraag dan niet alleen om de goedertierenheden van de Heere te kennen zoals men naar een schilderij kijkt, maar bid dat zij over u komen, uw hart binnengaan en één met u worden. Er zijn vele goedertierenheden, maar er is maar één heil, en dat heil is naar Zijn toezegging. Wanneer Hij dat in uw ziel openbaart, hebt u uw smader wat te antwoorden, niet uit uzelf, maar uit Hem. Vertrouw daarom op Zijn Woord.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Let Thy mercies come also unto me, O Lord, even Thy salvation, according to Thy word. So shall I have wherewith to answer him that reproacheth me: for I trust in Thy word.”
Psalm 119:41-42
A living soul wants to return an answer to the one who reproaches him. But he cannot do it of himself, for he has not a word to speak in self-justification; that is utterly cut off; and therefore he needs to have that which shall furnish him with an answer to these reproaches. And what alone can furnish him with an answer? The mercies of God in his soul. “Let Thy mercies come also unto me, O Lord, even Thy salvation, according to Thy word. So shall I have wherewith to answer him that reproacheth me: for I trust in Thy word.” The coming in of “mercies” into the soul, and the manifestation of “salvation” to the heart afford an answer to “him that reproacheth me.”
If you will observe, the word “mercies” is in the plural number, there being many mercies; but “salvation” is in the singular number, there being only one salvation. In what way, then, did the Psalmist want these mercies? Merely as standing in the letter of the Word? Only as recorded in the inspired Word of truth? As things to look at, as objects hung up, as it were, in a picture, merely for the eye to gaze upon? No; he wanted them in his heart, to “come to him,” to visit him, to be breathed into him, to be made part and parcel of him, to be the life-blood that should circulate in his veins, to be the very kingdom of God set up with power in his soul.
And why did he want internal mercies? Because he had internal reproaches. Why did he need mercies in his soul? Because condemnation was in his soul. It was there the sentence of death was written; it was there the sentence of acquittal was to be recorded. It was there that reproach was felt; it was there the answer to the reproach was to be given.
If the reproach were merely outward, the answer might be outward also; but the reproof being inward, in the heart, in the conscience, in the feelings, it was needed that the answer should be in the same place, written in the same spot, engraved in the same tablets, and brought home with the same or far greater power, so as to be a sufficient answer to the reproaches of him that reproached him.
To the reader…
Troubled soul, do you also hear that voice within that accuses and reproaches you, and do you have nothing to set against it? You look for a word to defend yourself, but you cannot find a single one. Do not be cast down by this, for it was the same with the psalmist. The accusation arose in his heart, in his conscience, and therefore the answer had to be given there too. Where the sentence of death stood written, the acquittal had to come as well.
So do not ask merely to know the Lord’s mercies as one looks at a painting, but pray that they may come upon you, enter your heart and become one with you. There are many mercies, but there is only one salvation, and that salvation is according to His word. When He reveals it in your soul, you will have wherewith to answer him that reproaches you, not from yourself, but from Him. Trust, therefore, in His Word.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y vengan a mí Tus misericordias, oh Jehová; Tu salud, conforme a Tu dicho. Y daré por respuesta a mi avergonzador, que en Tu palabra he confiado.”
Salmo 119:41-42
Un alma viviente quiere dar respuesta a quien la afrenta. Pero no puede hacerlo por sí misma, pues no tiene una sola palabra que decir en su propia justificación; eso le está cortado por completo; y por eso necesita tener aquello que le provea de una respuesta a estas afrentas. ¿Y qué es lo único que puede proveerle de una respuesta? Las misericordias de Dios en su alma. “Y vengan a mí Tus misericordias, oh Jehová; Tu salud, conforme a Tu dicho. Y daré por respuesta a mi avergonzador, que en Tu palabra he confiado.” La entrada de las “misericordias” en el alma y la manifestación de la “salud” al corazón proporcionan una respuesta a “mi avergonzador”.
Si usted observa, la palabra “misericordias” está en plural, pues hay muchas misericordias; pero “salud” está en singular, pues solo hay una salvación. ¿De qué manera, pues, quería el salmista estas misericordias? ¿Meramente como están en la letra de la Palabra? ¿Solo como registradas en la inspirada Palabra de verdad? ¿Como cosas para mirar, como objetos colgados, por así decirlo, en un cuadro, solo para que el ojo los contemple? No; las quería en su corazón; quería que “vinieran a él”, que le visitaran, que le fueran infundidas, que llegaran a ser parte integrante de él, que fueran la sangre vital que circulara por sus venas, que fueran el mismo reino de Dios establecido con poder en su alma.
¿Y por qué quería misericordias interiores? Porque tenía afrentas interiores. ¿Por qué necesitaba misericordias en su alma? Porque la condenación estaba en su alma. Allí estaba escrita la sentencia de muerte; allí había de registrarse la sentencia de absolución. Allí se sentía la afrenta; allí había de darse la respuesta a la afrenta.
Si la afrenta fuera meramente exterior, la respuesta podría ser también exterior; pero siendo el reproche interior, en el corazón, en la conciencia, en los sentimientos, era necesario que la respuesta estuviera en el mismo lugar, escrita en el mismo sitio, grabada en las mismas tablas y aplicada con el mismo poder o con uno mucho mayor, para ser una respuesta suficiente a las afrentas de aquel que le afrentaba.
Al lector…
Alma atribulada, ¿oye usted también dentro de sí esa voz que le acusa y le afrenta, y no tiene nada que oponerle? Busca una palabra para defenderse, pero no halla ni una sola. No se abata por ello, pues lo mismo le sucedía al salmista. La acusación surgía en su corazón, en su conciencia, y por eso también allí había de darse la respuesta. Donde estaba escrita la sentencia de muerte, allí también había de venir la absolución.
No pida, pues, solamente conocer las misericordias del Señor como quien mira un cuadro, sino ore para que vengan a usted, entren en su corazón y lleguen a ser una sola cosa con usted. Hay muchas misericordias, pero solo hay una salvación, y esa salvación es conforme a Su dicho. Cuando Él la revele en su alma, tendrá qué responder a quien le afrenta, no desde usted mismo, sino desde Él. Confíe, por tanto, en Su Palabra.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl