6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En een iegelijk, die liefheeft Degene, die geboren heeft, die heeft ook lief degene, die uit Hem geboren is.
1 Johannes 5:1
Waar liefde is tot Jezus, daar zal ook liefde zijn tot hen die door verlossing, wedergeboorte en persoonlijk bezit de Zijnen zijn. Hoe meer wij zien en hoe meer wij weten van de schoonheid en de zaligheid van de Heere van leven en heerlijkheid, des te meer zullen wij Zijn beeld liefhebben, zoals wij het zichtbaar zien afgedrukt in Zijn geliefd volk, en des te meer zullen wij ons aan dat volk hechten, als zijnde het dierbare eigendom van Christus. Het is onze doffe, geringe en onvolkomen kennis van God de Vader in Zijn eeuwige liefde, en van de Heere Jezus Christus in Zijn genade en heerlijkheid, die ons zo vaak koel, ongevoelig en dood laat in onze liefde voor Hem; en met het afnemen der liefde voor het Hoofd komt ook de liefde tot Zijn leden in verval.
Indien er meer zalige openbaringen waren aan onze ziel van de Persoon en het werk, de genade en de heerlijkheid, de schoonheid en de gelukzaligheid van de Heere Jezus Christus, is het onmogelijk dat wij Hem niet meerder en warmer en tederder zouden liefhebben; want Hij is het heerlijkste Voorwerp dat het oog des geloofs kan aanschouwen. Hij vervult de hemelen met de schitterende stralen Zijner heerlijke Majesteit en heeft de harten veroverd van duizenden van Zijn geslacht op aarde, door de openbaring van Zijn bloedende en stervende liefde. Zodat, indien wij Hem niet liefhebben, dit komt doordat wij Hem niet kennen. Indien Hij Zich dan dierbaar maakt aan hen die Hem kennen, is het duidelijk dat onze liefde zijn zal naarmate wij Hem persoonlijk, geestelijk en bij bevinding hebben leren kennen.
Ziet toch hoe goed, hoe lieflijk ’t is dat zonen
van ’t zelfde huis als broeders samenwonen,
daar ’t liefdevuur niet wordt gedoofd.
’t Is als de zalf op ’s Hogepriesters hoofd,
de zalf, waarmee hij is aan God gewijd,
die door haar reuk het hart verblijdt.
Ps. 133:1
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u klaagt over uw koude liefde, tot de Heere en tot Zijn volk. Is uw hart zo dikwijls ongevoelig, en vindt u weinig warmte in u voor hen die toch Christus toebehoren? Laat mij de oorzaak eerlijk aanwijzen: het is onze doffe, geringe kennis van Hem. Wie Hem weinig kent, heeft Hem weinig lief, en met het afnemen der liefde voor het Hoofd verkoelt ook de liefde tot Zijn leden.
Zoek de genezing dan niet in uzelf, alsof u uw liefde zou kunnen opwekken. Vraag veeleer of Hij Zich aan uw ziel wil openbaren in Zijn Persoon en werk, in Zijn bloedende en stervende liefde. Hij is het heerlijkste Voorwerp dat het oog des geloofs kan aanschouwen. Laat Hij Zich maar één ogenblik dierbaar maken, en u zult Zijn beeld ook in Zijn arme volk weer liefhebben.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En een iegelijk, die liefheeft Degene, die geboren heeft, die heeft ook lief degene, die uit Hem geboren is.
1 Johannes 5:1
Waar liefde is tot Jezus, daar zal ook liefde zijn tot hen die door verlossing, wedergeboorte en persoonlijk bezit de Zijnen zijn. Hoe meer wij zien en weten van de schoonheid en de zaligheid van de Heere van leven en heerlijkheid, des te meer zullen wij Zijn beeld liefhebben, zoals wij het zichtbaar afgedrukt zien in Zijn geliefde volk. En des te meer zullen wij ons aan dat volk hechten, omdat het het dierbare eigendom van Christus is. Het is onze doffe, geringe en onvolkomen kennis van God de Vader in Zijn eeuwige liefde, en van de Heere Jezus Christus in Zijn genade en heerlijkheid, die ons zo vaak koel, ongevoelig en dood laat in onze liefde tot Hem. En wanneer de liefde tot het Hoofd afneemt, raakt ook de liefde tot Zijn leden in verval.
Als er meer zalige openbaringen aan onze ziel waren van de Persoon en het werk, de genade en de heerlijkheid, de schoonheid en de gelukzaligheid van de Heere Jezus Christus, dan zou het onmogelijk zijn dat wij Hem niet meer, warmer en tederder zouden liefhebben. Want Hij is het heerlijkste Voorwerp dat het oog van het geloof kan aanschouwen. Hij vervult de hemelen met de schitterende stralen van Zijn heerlijke Majesteit, en Hij heeft de harten van duizenden van Zijn geslacht op aarde veroverd door de openbaring van Zijn bloedende en stervende liefde. Als wij Hem dus niet liefhebben, komt dat doordat wij Hem niet kennen. En als Hij Zich dierbaar maakt aan wie Hem kennen, dan is het duidelijk dat onze liefde zo groot zal zijn als de mate waarin wij Hem persoonlijk, geestelijk en bij bevinding hebben leren kennen.
Ziet toch hoe goed, hoe lieflijk ’t is dat zonen
van ’t zelfde huis als broeders samenwonen,
daar ’t liefdevuur niet wordt gedoofd.
’t Is als de zalf op ’s Hogepriesters hoofd,
de zalf, waarmee hij is aan God gewijd,
die door haar reuk het hart verblijdt.
Ps. 133:1
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u klaagt over uw koude liefde, tot de Heere en tot Zijn volk. Is uw hart zo vaak ongevoelig, en vindt u weinig warmte in u voor hen die toch Christus toebehoren? Laat mij de oorzaak eerlijk aanwijzen: het is onze doffe, geringe kennis van Hem. Wie Hem weinig kent, heeft Hem weinig lief, en wanneer de liefde tot het Hoofd afneemt, verkoelt ook de liefde tot Zijn leden.
Zoek de genezing dan niet in uzelf, alsof u uw liefde zelf zou kunnen opwekken. Vraag liever of Hij Zich aan uw ziel wil openbaren in Zijn Persoon en werk, in Zijn bloedende en stervende liefde. Hij is het heerlijkste Voorwerp dat het oog van het geloof kan aanschouwen. Laat Hij Zich maar één ogenblik dierbaar maken, en u zult Zijn beeld ook in Zijn arme volk weer liefhebben.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Every one that loveth him that begat loveth him also that is begotten of him.
1 John 5:1
Where there is love to Jesus, there will be love to those who are His by redemption, His by regeneration, and His by personal possession. The more, also, that we see and the more that we know of the beauty and blessedness of the Lord of life and glory, the more we shall love His image as we behold it visibly marked in His dear people, and the more we shall cleave to them as being Christ’s with tender affection.
It is our dim, scanty, and imperfect knowledge of God the Father in His eternal love; and of the Lord Jesus Christ in His grace and glory, which leaves us so often cold, lifeless, and dead in our affections towards Him; and with the declension of love towards the Head comes on decay of love towards His members. If there were more blessed revelations to our soul of the Person and work, grace and glory, beauty and blessedness of the Lord Jesus Christ, it is impossible but that we would more and more warmly and tenderly fall in love with Him; for He is the most glorious object that the eyes of faith can see. He fills heaven with the resplendent beams of His glorious majesty; and has ravished the hearts of thousands of His dear family upon earth by the manifestations of His bleeding, dying love. So that if we love Him not, it is because we know Him not. If, then, to those who know Him He makes Himself precious, it is evident that just in proportion to our personal, spiritual, experimental knowledge of Him will be our love to Him.
To the reader…
There are times when you complain of your cold love, both to the Lord and to His people. Is your heart so often unfeeling, and do you find little warmth in yourself towards those who nevertheless belong to Christ? Let me honestly point out the cause: it is our dim, scanty knowledge of Him. Whoever knows Him little, loves Him little, and when love to the Head declines, love to His members grows cold as well.
Do not look for the cure in yourself, then, as though you could stir up your love by your own efforts. Ask rather that He would reveal Himself to your soul in His Person and work, in His bleeding and dying love. He is the most glorious object that the eye of faith can behold. Let Him but make Himself precious for one moment, and you will love His image in His poor people once again.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Cualquiera que ama al que ha engendrado, ama también al que es nacido de Él.
1 Juan 5:1
Donde hay amor a Jesús, habrá amor a los que son Suyos por redención, Suyos por regeneración y Suyos por posesión personal. Además, cuanto más veamos y cuanto más conozcamos de la hermosura y bienaventuranza del Señor de la vida y de la gloria, más amaremos Su imagen al contemplarla visiblemente impresa en Su amado pueblo, y más nos uniremos a ellos con tierno afecto como pertenecientes a Cristo.
Es nuestro conocimiento oscuro, escaso e imperfecto de Dios el Padre en Su amor eterno, y del Señor Jesucristo en Su gracia y gloria, lo que nos deja tan a menudo fríos, sin vida y muertos en nuestros afectos hacia Él; y con la decadencia del amor hacia la Cabeza viene la mengua del amor hacia Sus miembros. Si hubiera más benditas revelaciones a nuestra alma de la Persona y obra, la gracia y gloria, la hermosura y bienaventuranza del Señor Jesucristo, sería imposible que no nos enamoráramos de Él cada vez con más calor y ternura; porque Él es el objeto más glorioso que pueden ver los ojos de la fe. Él llena el cielo con los rayos resplandecientes de Su gloriosa majestad, y ha arrebatado los corazones de miles de Su amada familia en la tierra con las manifestaciones de Su amor que sangró y murió. De modo que, si no le amamos, es porque no le conocemos. Si, pues, a los que le conocen Él se hace precioso, es evidente que nuestro amor a Él será exactamente proporcional a nuestro conocimiento personal, espiritual y experimental de Él.
Al lector…
Hay tiempos en que usted se queja de su amor frío, tanto hacia el Señor como hacia Su pueblo. ¿Está su corazón tan a menudo insensible, y halla en usted poco calor hacia aquellos que, sin embargo, pertenecen a Cristo? Permítame señalar con sinceridad la causa: es nuestro conocimiento oscuro y escaso de Él. Quien le conoce poco, le ama poco; y cuando decae el amor a la Cabeza, se enfría también el amor a Sus miembros.
No busque, pues, el remedio en usted mismo, como si pudiera avivar su amor con sus propios esfuerzos. Pida más bien que Él se revele a su alma en Su Persona y obra, en Su amor que sangró y murió. Él es el objeto más glorioso que el ojo de la fe puede contemplar. Basta que Él se haga precioso por un solo momento, y usted volverá a amar Su imagen en Su pueblo pobre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die overwint
Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is.
Openbaring 2:17
De schapen van de Heere zullen eerst hevige honger moeten ervaren om het manna te leren waarderen, want „een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem” (Spr. 27:7). Sterker nog, over het algemeen is een pijnlijke ervaring noodzakelijk om die eetlust op te wekken. Kijk eens naar de arbeider. Wat heeft hij toch een eetlust! Wat geniet hij van zijn eten, hoe eenvoudig het ook is! Waardoor heeft hij zo’n eetlust? Welnu, door zijn harde werken. Net zo is het met de geestelijke werkers, want die zijn er in het koninkrijk Gods. „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt”; „Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven” (Joh. 6:27); „In alle smartelijke arbeid is overschot” (Spr. 14:23).
Te werken onder een zondelast, tegenover krachtige verzoekingen, een lichaam van zonde en dood, en een hele horde begeerten en verdorvenheden, zal iemand doen smachten naar een betere gerechtigheid dan die van hemzelf. We roepen zelden om het levende brood tot we bijna zijn verhongerd. Dan, wanneer niets anders dan Jezus genoeg zal zijn, treedt God naar voren met dit Woord: „Ik zal u spijzen.” Soms zal het een belofte zijn; soms een glimp van Jezus; soms een zoete verzekering van het deel aan Zijn bloed en rechtvaardigheid; soms een glimlach; soms een teug van Zijn barmhartigheid, goedheid en liefde. Als er een evangeliewaarheid aan het hart wordt toegepast, als het geloof haar omhelst, de hoop zich erin verankert en de liefde ernaar uitgaat, wordt de ziel goddelijk gespijzigd.
De honger wordt merkbaar gestild: het Woord van God smaakt zoet; Jezus wordt in het hart ontvangen; en zoals het schaap ligt te herkauwen, overdenkt en overpeinst de ziel de waarheid Gods, en geniet er telkens opnieuw van. Wees nooit tevreden met alleen de letter van de waarheid. Zoek in uw persoonlijke en zalige ervaring de verklaring van Jezus vervuld te krijgen: „De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven” (Joh. 6:63).
Lezen: Amos 8
Aan de lezer…
Hongert uw ziel? Werkt u onder een zondelast, tegenover verzoekingen en verdorvenheden waarvan u moe en mat wordt? Het voelt misschien als een straf, maar het is juist de weg waarop de Heere de eetlust naar het levende Brood opwekt. Een verzadigde ziel vertreedt het honingzeem; de arbeider daarentegen geniet van het eenvoudigste maal. Zo zult ook u het manna leren waarderen.
Want wanneer niets anders dan Jezus genoeg is, treedt God naar voren met Zijn woord: „Ik zal u spijzen.” Soms is het een belofte, soms een glimp van Hem, soms een stille glimlach. Wees dan niet tevreden met alleen de letter, hoe zuiver ook. Zoek dat Zijn woorden voor u geest en leven worden. Wie hongert, zal niet ledig weggezonden worden; het is juist voor de vermoeiden en belasten dat Hij roept: „Komt herwaarts tot Mij.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is.
Openbaring 2:17
De schapen van de Heere zullen eerst hevige honger moeten ervaren om het manna te leren waarderen, want „een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem” (Spr. 27:7). Sterker nog, over het algemeen is er een pijnlijke ervaring nodig om die eetlust op te wekken. Kijk eens naar de arbeider. Wat heeft hij een eetlust! Wat geniet hij van zijn eten, hoe eenvoudig het ook is! Waar komt die eetlust vandaan? Welnu, van zijn harde werken. Zo is het ook met de geestelijke arbeiders, want die zijn er in het koninkrijk van God. „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt”; „Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven” (Joh. 6:27); „In alle smartelijke arbeid is overschot” (Spr. 14:23).
Wie werkt onder een zondelast, tegenover krachtige verzoekingen, een lichaam van zonde en dood en een hele horde begeerten en verdorvenheden, gaat smachten naar een betere gerechtigheid dan zijn eigen gerechtigheid. We roepen zelden om het levende brood voordat we bijna verhongerd zijn. Dan, wanneer niets anders dan Jezus genoeg is, treedt God naar voren met dit woord: „Ik zal u spijzen.” Soms is het een belofte, soms een glimp van Jezus, soms een zoete verzekering van een deel in Zijn bloed en gerechtigheid, soms een glimlach, soms een teug van Zijn barmhartigheid, goedheid en liefde. Wanneer een evangeliewaarheid aan het hart wordt toegepast, wanneer het geloof haar omhelst, de hoop zich erin verankert en de liefde ernaar uitgaat, wordt de ziel op goddelijke wijze gespijzigd.
De honger wordt merkbaar gestild: het Woord van God smaakt zoet, Jezus wordt in het hart ontvangen, en zoals het schaap ligt te herkauwen, zo overdenkt en overpeinst de ziel de waarheid van God en geniet er telkens opnieuw van. Wees nooit tevreden met alleen de letter van de waarheid. Zoek in uw persoonlijke en zalige ervaring te beleven dat het woord van Jezus vervuld wordt: „De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven” (Joh. 6:63).
Lezen: Amos 8
Aan de lezer…
Hongert uw ziel? Werkt u onder een zondelast, tegenover verzoekingen en verdorvenheden waarvan u moe en mat wordt? Het voelt misschien als een straf, maar het is juist de weg waarlangs de Heere de eetlust naar het levende Brood opwekt. Een verzadigde ziel vertreedt het honingzeem; de arbeider daarentegen geniet van het eenvoudigste maal. Zo zult ook u het manna leren waarderen.
Want wanneer niets anders dan Jezus genoeg is, treedt God naar voren met Zijn woord: „Ik zal u spijzen.” Soms is het een belofte, soms een glimp van Hem, soms een stille glimlach. Wees dan niet tevreden met alleen de letter, hoe zuiver ook. Zoek dat Zijn woorden voor u geest en leven worden. Wie hongert, zal niet ledig weggezonden worden; juist de vermoeiden en belasten roept Hij toe: „Komt herwaarts tot Mij.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
To him that overcometh will I give to eat of the hidden manna.
Revelation 2:17
The Lord’s sheep must first experience keen hunger to learn to value the manna, for “the full soul loatheth an honeycomb” (Prov. 27:7). More than that, as a general rule a painful experience is needed to create that appetite. Look at the labouring man. What an appetite he has! How he enjoys his food, however plain it may be! Where does that appetite come from? Why, from his hard work. So it is with the spiritual labourers, for there are such in the kingdom of God. “Come unto Me, all ye that labour and are heavy laden”; “Labour not for the meat which perisheth, but for that meat which endureth unto everlasting life” (John 6:27); “In all labour there is profit” (Prov. 14:23).
He who labours under a burden of sin, against powerful temptations, a body of sin and death, and a whole host of lusts and corruptions, begins to long for a better righteousness than his own. We seldom cry for the living bread until we are almost starved. Then, when nothing but Jesus will do, God comes forward with this word: “I will feed you.” Sometimes it is a promise, sometimes a glimpse of Jesus, sometimes a sweet assurance of an interest in His blood and righteousness, sometimes a smile, sometimes a draught of His mercy, goodness and love. When a gospel truth is applied to the heart, when faith embraces it, hope anchors in it and love flows out towards it, the soul is divinely fed.
The hunger is sensibly satisfied: the Word of God tastes sweet, Jesus is received into the heart, and as the sheep lies chewing the cud, so the soul meditates and ponders upon the truth of God and enjoys it again and again. Never be satisfied with the mere letter of truth. Seek to know in your own personal and blessed experience the fulfilment of the word of Jesus: “The words that I speak unto you, they are spirit, and they are life” (John 6:63).
Reading: Amos 8
To the reader…
Is your soul hungry? Are you labouring under a burden of sin, against temptations and corruptions that leave you weary and faint? It may feel like a punishment, but it is the very way by which the Lord awakens the appetite for the living Bread. The full soul loathes the honeycomb; the labourer, on the other hand, enjoys the plainest meal. So you too will learn to value the manna.
For when nothing but Jesus will do, God comes forward with His word: “I will feed you.” Sometimes it is a promise, sometimes a glimpse of Him, sometimes a quiet smile. Do not be satisfied, then, with the letter alone, however pure. Seek that His words may become spirit and life to you. Whoever hungers will not be sent away empty; it is to the weary and heavy laden that He calls, “Come unto Me.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Al que venciere, daré a comer del maná escondido.
Apocalipsis 2:17
Las ovejas del Señor deben experimentar primero un hambre aguda para aprender a valorar el maná, porque “el alma harta huella el panal de miel” (Prov. 27:7). Más aún, por regla general se necesita una experiencia dolorosa para crear ese apetito. Mire al jornalero. ¡Qué apetito tiene! ¡Cómo disfruta su comida, por sencilla que sea! ¿De dónde viene ese apetito? Pues de su duro trabajo. Así es con los trabajadores espirituales, porque los hay en el reino de Dios. “Venid a Mí todos los que estáis trabajados y cargados”; “Trabajad no por la comida que perece, mas por la comida que a vida eterna permanece” (Juan 6:27); “En toda labor hay fruto” (Prov. 14:23).
El que trabaja bajo una carga de pecado, contra poderosas tentaciones, un cuerpo de pecado y de muerte, y toda una hueste de concupiscencias y corrupciones, comienza a anhelar una justicia mejor que la suya. Rara vez clamamos por el pan vivo hasta que estamos casi muertos de hambre. Entonces, cuando nada sino Jesús basta, Dios se adelanta con esta palabra: “Yo os alimentaré”. A veces es una promesa, a veces un vislumbre de Jesús, a veces una dulce seguridad de tener parte en Su sangre y justicia, a veces una sonrisa, a veces un sorbo de Su misericordia, bondad y amor. Cuando una verdad del evangelio es aplicada al corazón, cuando la fe la abraza, la esperanza echa ancla en ella y el amor fluye hacia ella, el alma es alimentada divinamente.
El hambre es saciada de manera sensible: la Palabra de Dios sabe dulce, Jesús es recibido en el corazón, y como la oveja echada rumia, así el alma medita y reflexiona en la verdad de Dios y la goza una y otra vez. No se dé nunca por satisfecho con la mera letra de la verdad. Procure conocer en su propia experiencia personal y bendita el cumplimiento de la palabra de Jesús: “Las palabras que Yo os he hablado, son espíritu y son vida” (Juan 6:63).
Lectura: Amós 8
Al lector…
¿Tiene hambre su alma? ¿Trabaja usted bajo una carga de pecado, contra tentaciones y corrupciones que le dejan cansado y desfallecido? Puede sentirse como un castigo, pero es precisamente el camino por el cual el Señor despierta el apetito por el Pan vivo. El alma harta huella el panal; el jornalero, en cambio, disfruta la comida más sencilla. Así también usted aprenderá a valorar el maná.
Porque cuando nada sino Jesús basta, Dios se adelanta con Su palabra: “Yo os alimentaré”. A veces es una promesa, a veces un vislumbre de Él, a veces una sonrisa callada. No se dé, pues, por satisfecho solo con la letra, por pura que sea. Procure que Sus palabras lleguen a ser para usted espíritu y vida. Quien tiene hambre no será despedido vacío; es a los trabajados y cargados a quienes Él llama: “Venid a Mí”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En nu, wat verwacht ik, o Heere? mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
De godsdienst is een zeer eenvoudige zaak. Eenvoudigheid is afgedrukt op al de werken Gods en bijzonder op het werk der genade. Hoe oprechter derhalve onze godsdienst is, hoe ongekunstelder zij zijn zal. Eenvoudig te zijn, is kinderlijk te zijn; en kinderlijk te zijn, is een zodanige geest en gemoed te bezitten, zonder welke niemand het Koninkrijk der hemelen zal ingaan. Kunnen wij dan met deze kinderlijke eenvoudigheid stap voor stap met David wandelen en hem hierin geheel volgen? Kunnen wij ons zegel aan deze dingen hechten en zeggen: „Heere, wat verwacht ik?”
Is uw godsdienst in deze weg geleid? „Mijn ziel wacht op de Heere; van Hem is mijn heil.” „Mijn ziel wacht op de Heere en mijn verwachting is van Hem.” Een zódanige gestalte is waarlijk van God, want bracht of kan iemand zich in deze gestalte des harten brengen? En als wij in dit deel van deze hemelse oefeningen kunnen ingaan, dan zullen wij in staat gesteld worden ook de volgende te kennen: „Mijn hoop is op U.” Het gewicht en de last der zonden gevoelende, zullen wij genoodzaakt zijn uit te roepen: „Verlos mij van al mijn overtredingen”; en gevoelende onze eigen zwakheid en de boosheid onzes harten, zullen wij eraan toevoegen: „En stel mij niet tot een smaad der dwazen.”
Indien wij nu deze smekingen in waarheid voor God kunnen neerleggen, mogen wij dan niet vragen wie deze verzuchtingen in ons hart formeerde? Wie werkte deze gewaarwording in de ziel? Uit Wiens handen kwamen ze voort? Zeker en gewis, dezelfde God Die David heeft onderwezen, moet ook ons onderwezen hebben. Dezelfde kracht die in hem wrocht, moet ook in ons gewerkt hebben, aleer wij door zoete ervaring deze hartetaal konden verstaan en ze ons toe-eigenen. Wij zien hier derhalve een weinig wat de ware godsdienst is; hier ontmoeten wij de oprechte uitademingen van een kinderlijke geest, en wat de bevinding is van een man Gods; en het zal ons geluk zijn als wij in zijn bevinding een zoete overeenkomst vinden met de onze.
Aan de lezer…
Misschien kunt u met David zeggen: „En nu, wat verwacht ik, o Heere? mijn hoop, die is op U.” Het zijn eenvoudige woorden, zonder kunst of opsmuk, maar juist zo spreekt een kinderlijke geest. Misschien vindt u uw eigen godsdienst zo arm en zo weinig, dat u nauwelijks durft te zeggen dat er iets van God in is. Toch, wie op de Heere wacht en geen andere verwachting meer heeft, heeft iets ontvangen wat niemand zichzelf geven kan.
Vraag u dan eens eerlijk af: wie formeerde die verzuchtingen in uw hart? Wie deed u roepen: „Verlos mij van al mijn overtredingen”, en: „Stel mij niet tot een smaad der dwazen”? Dat werkte geen vlees en bloed. Dezelfde God Die David onderwees, moet ook u onderwezen hebben. Laat u dan niet ontmoedigen door de eenvoud van uw bevinding, maar blijf zo, met lege handen, op Hem wachten. Van Hem is het heil.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, wat verwacht ik, o Heere? mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
De godsdienst is een heel eenvoudige zaak. Eenvoud is gedrukt op alle werken van God, en in het bijzonder op het werk van de genade. Hoe oprechter onze godsdienst daarom is, hoe ongekunstelder hij zal zijn. Eenvoudig zijn is kinderlijk zijn; en kinderlijk zijn is een geest en gemoed bezitten zonder welke niemand het Koninkrijk der hemelen zal binnengaan. Kunnen we dan met die kinderlijke eenvoud stap voor stap met David meegaan en hem hierin helemaal volgen? Kunnen we ons zegel op deze dingen zetten en zeggen: „Heere, wat verwacht ik?”
Is uw godsdienst langs deze weg geleid? „Mijn ziel wacht op de Heere; van Hem is mijn heil.” „Mijn ziel wacht op de Heere en mijn verwachting is van Hem.” Zo’n gestalte is werkelijk van God, want wie heeft zichzelf ooit in deze gestalte van het hart gebracht, of kan dat? En als we in dit deel van deze hemelse oefeningen kunnen ingaan, zullen we ook in staat gesteld worden het volgende te kennen: „Mijn hoop is op U.” Wanneer we het gewicht en de last van de zonden voelen, zullen we gedrongen worden uit te roepen: „Verlos mij van al mijn overtredingen.” En wanneer we onze eigen zwakheid en de boosheid van ons hart voelen, zullen we eraan toevoegen: „En stel mij niet tot een smaad der dwazen.”
Als we deze smekingen nu in waarheid voor God kunnen neerleggen, mogen we dan niet vragen wie deze verzuchtingen in ons hart vormde? Wie werkte dit besef in de ziel? Uit Wiens handen kwamen ze voort? Zeker en gewis moet dezelfde God Die David onderwezen heeft, ook ons onderwezen hebben. Dezelfde kracht die in hem werkte, moet ook in ons gewerkt hebben, voordat we door zoete ervaring deze taal van het hart konden verstaan en ons toe-eigenen. We zien hier daarom iets van wat de ware godsdienst is. Hier ontmoeten we de oprechte uitingen van een kinderlijke geest, en zien we wat de bevinding is van een man van God. En het zal ons geluk zijn als we in zijn bevinding een zoete overeenkomst met de onze vinden.
Aan de lezer…
Misschien kunt u met David zeggen: „En nu, wat verwacht ik, o Heere? mijn hoop, die is op U.” Het zijn eenvoudige woorden, zonder kunst of opsmuk, maar juist zo spreekt een kinderlijke geest. Misschien vindt u uw eigen godsdienst zo arm en zo gering, dat u nauwelijks durft te zeggen dat er iets van God in is. Toch heeft wie op de Heere wacht en geen andere verwachting meer heeft, iets ontvangen wat niemand zichzelf geven kan.
Vraag u dan eens eerlijk af: wie vormde die verzuchtingen in uw hart? Wie deed u roepen: „Verlos mij van al mijn overtredingen”, en: „Stel mij niet tot een smaad der dwazen”? Dat werkte geen vlees en bloed. Dezelfde God Die David onderwees, moet ook u onderwezen hebben. Laat u dan niet ontmoedigen door de eenvoud van uw bevinding, maar blijf zo, met lege handen, op Hem wachten. Van Hem is het heil.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, Lord, what wait I for? my hope is in Thee.
Psalm 39:7
True religion is a very simple thing. Simplicity is stamped upon all the works of God, and especially upon the work of grace. The more genuine, therefore, our religion is, the more simple it will be. To be simple is to be child-like, and to be child-like is to have that mind and spirit without which no man can enter into the kingdom of heaven.
Can we, then, with this child-like simplicity, walk step by step here with David, and follow him throughout? Can we put our seal to these things, and say, “Lord, what wait I for?” Is your religion brought into this narrow point? “Truly, my soul waits upon God; from Him comes my salvation.” “My soul, wait only upon God; for my expectation is from Him.”
Such a frame of soul is indeed from the hand of God, for no man ever did, or could bring himself into it. And if we can enter into one part of these heavenly breathings, we shall be able also to enter into the others, and say, “My hope is in You.” Feeling the weight and burden of sin, we shall be constrained to cry, “Deliver me from all my transgressions;” and feeling our own weakness, and the evil of our hearts, we shall add, “Make me not the reproach of the foolish.”
If, then, we can sincerely, before God, employ these petitions, may we not ask who produced them? Who wrought this experience in the soul? From whose hands did it come? Surely, surely, the same Lord that taught David, must have taught us; the same power that wrought in him, must have wrought in us, before we could, in sweet experience, enter into this feeling language, and adopt it as our own. Here, therefore, we see a little of what true religion is; here we see what are the genuine breathings of a child-like spirit, and what is the experience of a man of God; and it will be our mercy if we can see in his experience a sweet counterpart of our own.
To the reader…
Perhaps you can say with David: “And now, Lord, what wait I for? my hope is in Thee.” They are simple words, without art or ornament, but that is just how a child-like spirit speaks. Perhaps you find your own religion so poor and so small that you hardly dare to say there is anything of God in it. Yet whoever waits upon the Lord and has no other expectation left has received something that no one can give himself.
Ask yourself honestly, then: who formed those sighs in your heart? Who made you cry, “Deliver me from all my transgressions,” and, “Make me not the reproach of the foolish”? Flesh and blood did not work that. The same God Who taught David must have taught you too. Do not let the simplicity of your experience discourage you, then, but go on waiting for Him like this, with empty hands. Salvation belongs to Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, Señor, ¿qué esperaré? Mi esperanza en Ti está.
Salmo 39:7
La religión verdadera es una cosa muy sencilla. La sencillez está impresa en todas las obras de Dios, y especialmente en la obra de la gracia. Por tanto, cuanto más genuina sea nuestra religión, más sencilla será. Ser sencillo es ser como un niño, y ser como un niño es tener ese ánimo y ese espíritu sin los cuales nadie puede entrar en el reino de los cielos.
¿Podemos, pues, con esta sencillez de niño, andar aquí paso a paso con David y seguirle de principio a fin? ¿Podemos poner nuestro sello a estas cosas y decir: “Señor, ¿qué esperaré?” ¿Ha sido llevada su religión a este punto estrecho? “En Dios solamente está callada mi alma: de Él viene mi salud.” “Alma mía, en Dios solamente reposa; porque de Él es mi esperanza.”
Tal disposición del alma viene en verdad de la mano de Dios, porque nadie se ha llevado jamás a sí mismo a ella, ni podría hacerlo. Y si podemos entrar en una parte de estos anhelos celestiales, podremos entrar también en las demás y decir: “Mi esperanza en Ti está.” Sintiendo el peso y la carga del pecado, nos veremos obligados a clamar: “Líbrame de todas mis rebeliones”; y sintiendo nuestra propia debilidad y la maldad de nuestro corazón, añadiremos: “No me pongas por escarnio del insensato.”
Si, pues, podemos usar sinceramente estas peticiones delante de Dios, ¿no podemos preguntar quién las produjo? ¿Quién obró esta experiencia en el alma? ¿De qué manos vino? Ciertamente, ciertamente, el mismo Señor que enseñó a David debe habernos enseñado a nosotros; el mismo poder que obró en él debe haber obrado en nosotros, antes de que pudiéramos, en dulce experiencia, entrar en este lenguaje tan sentido y adoptarlo como nuestro. Aquí vemos, por tanto, un poco de lo que es la religión verdadera; aquí vemos cuáles son los anhelos genuinos de un espíritu de niño y cuál es la experiencia de un hombre de Dios; y será una misericordia para nosotros si podemos ver en su experiencia una dulce contrapartida de la nuestra.
Al lector…
Quizá pueda usted decir con David: “Y ahora, Señor, ¿qué esperaré? Mi esperanza en Ti está.” Son palabras sencillas, sin arte ni adorno, pero así es precisamente como habla un espíritu de niño. Quizá encuentre su propia religión tan pobre y tan pequeña que apenas se atreve a decir que haya en ella algo de Dios. Sin embargo, quien espera en el Señor y no tiene ya otra expectativa ha recibido algo que nadie puede darse a sí mismo.
Pregúntese, pues, con sinceridad: ¿quién formó esos suspiros en su corazón? ¿Quién le hizo clamar: “Líbrame de todas mis rebeliones” y “No me pongas por escarnio del insensato”? No fue la carne ni la sangre quien obró eso. El mismo Dios que enseñó a David debe haberle enseñado también a usted. No deje, pues, que la sencillez de su experiencia le desanime, sino siga esperándole así, con las manos vacías. De Él es la salvación.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl