10 de mayo
En nu, wat verwacht ik, o Heere? mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
De godsdienst is een zeer eenvoudige zaak. Eenvoudigheid is afgedrukt op al de werken Gods en bijzonder op het werk der genade. Hoe oprechter derhalve onze godsdienst is, hoe ongekunstelder zij zijn zal. Eenvoudig te zijn, is kinderlijk te zijn; en kinderlijk te zijn, is een zodanige geest en gemoed te bezitten, zonder welke niemand het Koninkrijk der hemelen zal ingaan. Kunnen wij dan met deze kinderlijke eenvoudigheid stap voor stap met David wandelen en hem hierin geheel volgen? Kunnen wij ons zegel aan deze dingen hechten en zeggen: „Heere, wat verwacht ik?”
Is uw godsdienst in deze weg geleid? „Mijn ziel wacht op de Heere; van Hem is mijn heil.” „Mijn ziel wacht op de Heere en mijn verwachting is van Hem.” Een zódanige gestalte is waarlijk van God, want bracht of kan iemand zich in deze gestalte des harten brengen? En als wij in dit deel van deze hemelse oefeningen kunnen ingaan, dan zullen wij in staat gesteld worden ook de volgende te kennen: „Mijn hoop is op U.” Het gewicht en de last der zonden gevoelende, zullen wij genoodzaakt zijn uit te roepen: „Verlos mij van al mijn overtredingen”; en gevoelende onze eigen zwakheid en de boosheid onzes harten, zullen wij eraan toevoegen: „En stel mij niet tot een smaad der dwazen.”
Indien wij nu deze smekingen in waarheid voor God kunnen neerleggen, mogen wij dan niet vragen wie deze verzuchtingen in ons hart formeerde? Wie werkte deze gewaarwording in de ziel? Uit Wiens handen kwamen ze voort? Zeker en gewis, dezelfde God Die David heeft onderwezen, moet ook ons onderwezen hebben. Dezelfde kracht die in hem wrocht, moet ook in ons gewerkt hebben, aleer wij door zoete ervaring deze hartetaal konden verstaan en ze ons toe-eigenen. Wij zien hier derhalve een weinig wat de ware godsdienst is; hier ontmoeten wij de oprechte uitademingen van een kinderlijke geest, en wat de bevinding is van een man Gods; en het zal ons geluk zijn als wij in zijn bevinding een zoete overeenkomst vinden met de onze.
Aan de lezer…
Misschien kunt u met David zeggen: „En nu, wat verwacht ik, o Heere? mijn hoop, die is op U.” Het zijn eenvoudige woorden, zonder kunst of opsmuk, maar juist zo spreekt een kinderlijke geest. Misschien vindt u uw eigen godsdienst zo arm en zo weinig, dat u nauwelijks durft te zeggen dat er iets van God in is. Toch, wie op de Heere wacht en geen andere verwachting meer heeft, heeft iets ontvangen wat niemand zichzelf geven kan.
Vraag u dan eens eerlijk af: wie formeerde die verzuchtingen in uw hart? Wie deed u roepen: „Verlos mij van al mijn overtredingen”, en: „Stel mij niet tot een smaad der dwazen”? Dat werkte geen vlees en bloed. Dezelfde God Die David onderwees, moet ook u onderwezen hebben. Laat u dan niet ontmoedigen door de eenvoud van uw bevinding, maar blijf zo, met lege handen, op Hem wachten. Van Hem is het heil.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, wat verwacht ik, o Heere? mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
De godsdienst is een heel eenvoudige zaak. Eenvoud is gedrukt op alle werken van God, en in het bijzonder op het werk van de genade. Hoe oprechter onze godsdienst daarom is, hoe ongekunstelder hij zal zijn. Eenvoudig zijn is kinderlijk zijn; en kinderlijk zijn is een geest en gemoed bezitten zonder welke niemand het Koninkrijk der hemelen zal binnengaan. Kunnen we dan met die kinderlijke eenvoud stap voor stap met David meegaan en hem hierin helemaal volgen? Kunnen we ons zegel op deze dingen zetten en zeggen: „Heere, wat verwacht ik?”
Is uw godsdienst langs deze weg geleid? „Mijn ziel wacht op de Heere; van Hem is mijn heil.” „Mijn ziel wacht op de Heere en mijn verwachting is van Hem.” Zo’n gestalte is werkelijk van God, want wie heeft zichzelf ooit in deze gestalte van het hart gebracht, of kan dat? En als we in dit deel van deze hemelse oefeningen kunnen ingaan, zullen we ook in staat gesteld worden het volgende te kennen: „Mijn hoop is op U.” Wanneer we het gewicht en de last van de zonden voelen, zullen we gedrongen worden uit te roepen: „Verlos mij van al mijn overtredingen.” En wanneer we onze eigen zwakheid en de boosheid van ons hart voelen, zullen we eraan toevoegen: „En stel mij niet tot een smaad der dwazen.”
Als we deze smekingen nu in waarheid voor God kunnen neerleggen, mogen we dan niet vragen wie deze verzuchtingen in ons hart vormde? Wie werkte dit besef in de ziel? Uit Wiens handen kwamen ze voort? Zeker en gewis moet dezelfde God Die David onderwezen heeft, ook ons onderwezen hebben. Dezelfde kracht die in hem werkte, moet ook in ons gewerkt hebben, voordat we door zoete ervaring deze taal van het hart konden verstaan en ons toe-eigenen. We zien hier daarom iets van wat de ware godsdienst is. Hier ontmoeten we de oprechte uitingen van een kinderlijke geest, en zien we wat de bevinding is van een man van God. En het zal ons geluk zijn als we in zijn bevinding een zoete overeenkomst met de onze vinden.
Aan de lezer…
Misschien kunt u met David zeggen: „En nu, wat verwacht ik, o Heere? mijn hoop, die is op U.” Het zijn eenvoudige woorden, zonder kunst of opsmuk, maar juist zo spreekt een kinderlijke geest. Misschien vindt u uw eigen godsdienst zo arm en zo gering, dat u nauwelijks durft te zeggen dat er iets van God in is. Toch heeft wie op de Heere wacht en geen andere verwachting meer heeft, iets ontvangen wat niemand zichzelf geven kan.
Vraag u dan eens eerlijk af: wie vormde die verzuchtingen in uw hart? Wie deed u roepen: „Verlos mij van al mijn overtredingen”, en: „Stel mij niet tot een smaad der dwazen”? Dat werkte geen vlees en bloed. Dezelfde God Die David onderwees, moet ook u onderwezen hebben. Laat u dan niet ontmoedigen door de eenvoud van uw bevinding, maar blijf zo, met lege handen, op Hem wachten. Van Hem is het heil.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, Lord, what wait I for? my hope is in Thee.
Psalm 39:7
True religion is a very simple thing. Simplicity is stamped upon all the works of God, and especially upon the work of grace. The more genuine, therefore, our religion is, the more simple it will be. To be simple is to be child-like, and to be child-like is to have that mind and spirit without which no man can enter into the kingdom of heaven.
Can we, then, with this child-like simplicity, walk step by step here with David, and follow him throughout? Can we put our seal to these things, and say, “Lord, what wait I for?” Is your religion brought into this narrow point? “Truly, my soul waits upon God; from Him comes my salvation.” “My soul, wait only upon God; for my expectation is from Him.”
Such a frame of soul is indeed from the hand of God, for no man ever did, or could bring himself into it. And if we can enter into one part of these heavenly breathings, we shall be able also to enter into the others, and say, “My hope is in You.” Feeling the weight and burden of sin, we shall be constrained to cry, “Deliver me from all my transgressions;” and feeling our own weakness, and the evil of our hearts, we shall add, “Make me not the reproach of the foolish.”
If, then, we can sincerely, before God, employ these petitions, may we not ask who produced them? Who wrought this experience in the soul? From whose hands did it come? Surely, surely, the same Lord that taught David, must have taught us; the same power that wrought in him, must have wrought in us, before we could, in sweet experience, enter into this feeling language, and adopt it as our own. Here, therefore, we see a little of what true religion is; here we see what are the genuine breathings of a child-like spirit, and what is the experience of a man of God; and it will be our mercy if we can see in his experience a sweet counterpart of our own.
To the reader…
Perhaps you can say with David: “And now, Lord, what wait I for? my hope is in Thee.” They are simple words, without art or ornament, but that is just how a child-like spirit speaks. Perhaps you find your own religion so poor and so small that you hardly dare to say there is anything of God in it. Yet whoever waits upon the Lord and has no other expectation left has received something that no one can give himself.
Ask yourself honestly, then: who formed those sighs in your heart? Who made you cry, “Deliver me from all my transgressions,” and, “Make me not the reproach of the foolish”? Flesh and blood did not work that. The same God Who taught David must have taught you too. Do not let the simplicity of your experience discourage you, then, but go on waiting for Him like this, with empty hands. Salvation belongs to Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, Señor, ¿qué esperaré? Mi esperanza en Ti está.
Salmo 39:7
La religión verdadera es una cosa muy sencilla. La sencillez está impresa en todas las obras de Dios, y especialmente en la obra de la gracia. Por tanto, cuanto más genuina sea nuestra religión, más sencilla será. Ser sencillo es ser como un niño, y ser como un niño es tener ese ánimo y ese espíritu sin los cuales nadie puede entrar en el reino de los cielos.
¿Podemos, pues, con esta sencillez de niño, andar aquí paso a paso con David y seguirle de principio a fin? ¿Podemos poner nuestro sello a estas cosas y decir: “Señor, ¿qué esperaré?” ¿Ha sido llevada su religión a este punto estrecho? “En Dios solamente está callada mi alma: de Él viene mi salud.” “Alma mía, en Dios solamente reposa; porque de Él es mi esperanza.”
Tal disposición del alma viene en verdad de la mano de Dios, porque nadie se ha llevado jamás a sí mismo a ella, ni podría hacerlo. Y si podemos entrar en una parte de estos anhelos celestiales, podremos entrar también en las demás y decir: “Mi esperanza en Ti está.” Sintiendo el peso y la carga del pecado, nos veremos obligados a clamar: “Líbrame de todas mis rebeliones”; y sintiendo nuestra propia debilidad y la maldad de nuestro corazón, añadiremos: “No me pongas por escarnio del insensato.”
Si, pues, podemos usar sinceramente estas peticiones delante de Dios, ¿no podemos preguntar quién las produjo? ¿Quién obró esta experiencia en el alma? ¿De qué manos vino? Ciertamente, ciertamente, el mismo Señor que enseñó a David debe habernos enseñado a nosotros; el mismo poder que obró en él debe haber obrado en nosotros, antes de que pudiéramos, en dulce experiencia, entrar en este lenguaje tan sentido y adoptarlo como nuestro. Aquí vemos, por tanto, un poco de lo que es la religión verdadera; aquí vemos cuáles son los anhelos genuinos de un espíritu de niño y cuál es la experiencia de un hombre de Dios; y será una misericordia para nosotros si podemos ver en su experiencia una dulce contrapartida de la nuestra.
Al lector…
Quizá pueda usted decir con David: “Y ahora, Señor, ¿qué esperaré? Mi esperanza en Ti está.” Son palabras sencillas, sin arte ni adorno, pero así es precisamente como habla un espíritu de niño. Quizá encuentre su propia religión tan pobre y tan pequeña que apenas se atreve a decir que haya en ella algo de Dios. Sin embargo, quien espera en el Señor y no tiene ya otra expectativa ha recibido algo que nadie puede darse a sí mismo.
Pregúntese, pues, con sinceridad: ¿quién formó esos suspiros en su corazón? ¿Quién le hizo clamar: “Líbrame de todas mis rebeliones” y “No me pongas por escarnio del insensato”? No fue la carne ni la sangre quien obró eso. El mismo Dios que enseñó a David debe haberle enseñado también a usted. No deje, pues, que la sencillez de su experiencia le desanime, sino siga esperándole así, con las manos vacías. De Él es la salvación.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl