6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad voor de grondlegging der wereld.
Johannes 17:24
Niets zonder de openbaring en de mededeling dezer heerlijkheid zou het hart van God kunnen voldoen; en niets, zonder te delen in die heerlijkheid, kan het hart van de mens voldoen. Zonder deze zou de hemel geen hemel voor zijn ziel zijn. De heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus niet te zien; de heerlijkheid niet te aanschouwen van een vleesgeworden God; niet gevormd te zijn naar Zijn heerlijk beeld, zodat wij volkomen heilig zijn naar lichaam en ziel — waren deze dingen ons ontzegd, er zou volstrekt geen hemel zijn voor de verlosten onder de kinderen der mensen.
Maar door Zijn heiligen de hemel te geven als hun zalig huis, gaf God hun hiermede een eeuwig gewicht van heerlijkheid. Hij heeft gewild dat allen die Hij tot zaligheid heeft uitverkoren, de hemelse kust zouden bereiken; dat niemand op de reis schipbreuk zou lijden; dat de zonde hen niet zou verderven; dat de satan in geen zijner listen tegen hun eeuwige zaligheid zou slagen; maar dat alle leden van het geestelijk lichaam van Christus in eeuwigheid met hun verheerlijkt Hoofd zouden zijn in de gewesten der zaligheid, om de heerlijkheid te aanschouwen en erin te delen die geopenbaard zal worden wanneer Hij komen zal en al Zijn heiligen met Hem.
Het is het vooruitzicht dier heerlijkheid dat de christen in zijn strijd tegen de zonde aanvuurt en hem de moed geeft nooit het slagveld te verlaten vóór de overwinning de strijd bekroont. Het geeft zijn hart de kracht in al de moeite en de beproevingen hier op aarde om voort te streven, ten einde de prijs der onsterfelijkheid te behalen, opdat hij eenmaal veilig dat land moge bereiken waar al de tranen worden afgedroogd, en waar de heerlijkheid van God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest onbeneveld gezien en genoten zal worden door de verheerlijkte mensheid van Jezus.
God is goed, looft Hem te zaam
met gezang en snarenspel.
Ps. 135:2
Aan de lezer…
Wie strijdt tegen de zonde, terwijl de moeite en de beproevingen hier op aarde hem zwaar vallen, vraagt zich af wat hem staande houdt. Misschien voelt u zich meer een schipbreukeling dan een reiziger naar de hemelse kust, en vreest u dat de zonde of de listen van de satan u nog zullen verderven. Hoor dan wat de Zoon tot de Vader zegt: „Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.”
Dat is geen zwakke wens, maar de wil van Hem Die door de Vader liefgehad is vóór de grondlegging der wereld. Niemand van de Zijnen zal op de reis schipbreuk lijden. Laat dat vooruitzicht u aanvuren om het slagveld niet te verlaten, want er komt een land waar al de tranen worden afgedroogd en waar u Zijn heerlijkheid zult aanschouwen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad voor de grondlegging der wereld.
Johannes 17:24
Niets minder dan de openbaring en de mededeling van deze heerlijkheid zou het hart van God kunnen voldoen, en niets minder dan het delen in die heerlijkheid kan het hart van de mens voldoen. Zonder haar zou de hemel geen hemel voor zijn ziel zijn. De heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus niet zien, de heerlijkheid van een vleesgeworden God niet aanschouwen, niet gevormd zijn naar Zijn heerlijk beeld, zodat wij volkomen heilig zijn naar lichaam en ziel: als ons deze dingen ontzegd waren, zou er helemaal geen hemel zijn voor de verlosten onder de mensenkinderen.
Maar door Zijn heiligen de hemel te geven als hun zalig thuis, gaf God hun daarmee een eeuwig gewicht van heerlijkheid. Hij heeft gewild dat allen die Hij tot zaligheid heeft uitverkoren, de hemelse kust zouden bereiken; dat niemand op de reis schipbreuk zou lijden; dat de zonde hen niet zou verderven; dat de satan met geen van zijn listen tegen hun eeuwige zaligheid zou slagen. Hij heeft gewild dat alle leden van het geestelijk lichaam van Christus eeuwig met hun verheerlijkt Hoofd zouden zijn in de gewesten van de zaligheid, om de heerlijkheid te aanschouwen en erin te delen die geopenbaard zal worden wanneer Hij komt, en al Zijn heiligen met Hem.
Het is het vooruitzicht van die heerlijkheid dat de christen aanvuurt in zijn strijd tegen de zonde en hem de moed geeft het slagveld nooit te verlaten voordat de overwinning de strijd bekroont. Het geeft zijn hart de kracht om in alle moeite en beproevingen hier op aarde door te strijden, om de prijs van de onsterfelijkheid te behalen. Zo mag hij eenmaal veilig dat land bereiken waar alle tranen worden afgedroogd, en waar de heerlijkheid van God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest onbeneveld gezien en genoten zal worden door de verheerlijkte mensheid van Jezus.
God is goed, looft Hem te zaam
met gezang en snarenspel.
Ps. 135:2
Aan de lezer…
Wie strijdt tegen de zonde, terwijl de moeite en de beproevingen hier op aarde hem zwaar vallen, vraagt zich af wat hem staande houdt. Misschien voelt u zich meer een schipbreukeling dan een reiziger naar de hemelse kust, en vreest u dat de zonde of de listen van de satan u nog zullen verderven. Hoor dan wat de Zoon tegen de Vader zegt: „Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.”
Dat is geen zwakke wens, maar de wil van Hem Die door de Vader is liefgehad vóór de grondlegging der wereld. Niemand van de Zijnen zal op de reis schipbreuk lijden. Laat dat vooruitzicht u aanvuren om het slagveld niet te verlaten, want er komt een land waar alle tranen worden afgedroogd en waar u Zijn heerlijkheid zult aanschouwen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Father, I will that they also, whom Thou hast given me, be with me where I am; that they may behold my glory, which Thou hast given me: for Thou lovedst me before the foundation of the world.
John 17:24
Nothing short of the revelation and communication of this glory could satisfy the heart of God; and nothing short of the partaking of this glory can satisfy the heart of man. Heaven short of this would be no heaven to his soul. Not to see the glory of God in the face of Jesus Christ; to have no view of the glory of an incarnate God; not to be conformed to His glorious image, so as to be perfectly holy both in body and soul—were these things denied, there would be no heaven at all for the redeemed among the children of men.
But God, in giving the saints heaven as their happy home, gave them with it an eternal weight of glory. He has designed that all whom He has chosen unto salvation should reach the heavenly shore; that none should suffer shipwreck by the way; that sin should not be their ruin; that Satan should not succeed in any of his devices against their eternal safety; but that every member of the mystical body of Christ should be forever with their glorious Head in the realms of bliss, to behold and to be partakers of the glory which shall be revealed when He comes and all His saints with Him.
It is the prospect of this eternal glory which animates the Christian in all his battles against sin, and encourages him never to quit the field until victory crown the strife. It nerves his heart in all the troubles and trials of this mortal state, still to press forward to win this immortal prize, that he may safely reach that land where tears are wiped from off all faces, and where the glory of God the Father, God the Son, and God the Holy Spirit will be seen and enjoyed through the glorified humanity of Jesus without a cloud to dim its rays, or intercept its eternal luster.
To the reader…
Whoever fights against sin while the troubles and trials of this earthly life press heavily upon him will ask himself what keeps him standing. Perhaps you feel more like a shipwrecked sailor than a traveller to the heavenly shore, and you fear that sin or the devices of Satan will yet be your ruin. Then hear what the Son says to the Father: “Father, I will that they also, whom Thou hast given me, be with me where I am.”
That is no feeble wish, but the will of Him Who was loved by the Father before the foundation of the world. None of His own will suffer shipwreck on the way. Let that prospect animate you never to quit the field, for there is a land coming where all tears are wiped away and where you will behold His glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Padre, aquellos que me has dado, quiero que donde yo estoy, ellos estén también conmigo; para que vean mi gloria que me has dado: por cuanto me has amado desde antes de la constitución del mundo.
Juan 17:24
Nada menos que la revelación y la comunicación de esta gloria podía satisfacer el corazón de Dios; y nada menos que la participación en esta gloria puede satisfacer el corazón del hombre. Un cielo sin esto no sería cielo para su alma. No ver la gloria de Dios en la faz de Jesucristo; no tener ninguna visión de la gloria de un Dios encarnado; no ser conformado a Su imagen gloriosa, para ser perfectamente santo en cuerpo y alma: si estas cosas fueran negadas, no habría cielo alguno para los redimidos de entre los hijos de los hombres.
Pero Dios, al dar a los santos el cielo como su hogar feliz, les dio con él un eterno peso de gloria. Ha dispuesto que todos los que Él ha escogido para salvación lleguen a la orilla celestial; que ninguno sufra naufragio en el camino; que el pecado no sea su ruina; que Satanás no tenga éxito en ninguna de sus maquinaciones contra su seguridad eterna; sino que todo miembro del cuerpo místico de Cristo esté para siempre con su glorioso Cabeza en las regiones de la dicha, para contemplar la gloria que será revelada cuando Él venga, y todos Sus santos con Él, y ser partícipe de ella.
Es la perspectiva de esta gloria eterna la que anima al cristiano en todas sus batallas contra el pecado, y le alienta a no abandonar nunca el campo hasta que la victoria corone la lucha. Fortalece su corazón en todas las tribulaciones y pruebas de este estado mortal, para seguir adelante a fin de ganar este premio inmortal, para que llegue seguro a aquella tierra donde las lágrimas son enjugadas de todos los rostros, y donde la gloria de Dios Padre, Dios Hijo y Dios Espíritu Santo será vista y gozada a través de la humanidad glorificada de Jesús, sin una nube que oscurezca sus rayos o intercepte su eterno resplandor.
Al lector…
Quien lucha contra el pecado mientras las tribulaciones y pruebas de esta vida terrenal pesan sobre él, se preguntará qué es lo que le mantiene en pie. Quizá usted se siente más como un náufrago que como un viajero hacia la orilla celestial, y teme que el pecado o las maquinaciones de Satanás todavía sean su ruina. Escuche entonces lo que el Hijo dice al Padre: “Padre, aquellos que me has dado, quiero que donde yo estoy, ellos estén también conmigo”.
Eso no es un deseo débil, sino la voluntad de Aquel que fue amado por el Padre desde antes de la constitución del mundo. Ninguno de los Suyos sufrirá naufragio en el camino. Deje que esa perspectiva le anime a no abandonar nunca el campo, porque viene una tierra donde todas las lágrimas serán enjugadas y donde usted contemplará Su gloria.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een hoog vertrek
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
Als we ooit tijden hebben ondervonden waarin de ziel in benauwdheid verkeerde (en we moeten zelf uitmaken of dat het geval is), namen we onze toevlucht tot de Heere. Er is geen ander naar wie we toe kunnen gaan. We kunnen elke arm behalve de Zijne proberen, we kunnen elke kant uitkijken, behalve de goede, en we kunnen op elke staf leunen behalve op de ware. Maar vroeg of laat zullen we hierop uitkomen, dat niemand anders dan de Heere God Almachtig, Die hemel en aarde heeft geschapen, Die onze ziel en ons lichaam heeft gemaakt, Die ons heeft behouden en behoed tot het huidige moment, Die aan ons bed staat en langs ons pad, en altijd op ons let, en Die Zijn geliefde Zoon heeft gezonden als offer voor de zonde — dat niemand anders dan deze eeuwige Schepper, Behouder en Verlosser, Die hemel en aarde heeft gemaakt en in stand houdt, vrede, vergeving en troost tot ons hart kan spreken.
Maar u zult hebben opgemerkt dat in de tekst wordt gesproken van „tijden van benauwdheid”. De tekst omschrijft gelukkig niet wat deze tijden zijn, hoeveel en hoelang ze duren. Ook wordt niet beschreven wat die benauwdheid zal zijn. Wat voor benauwdheid een kind van God ook overkomt, het is een „tijd van benauwdheid”. En hoelang of hoe kort die ook duurt, het blijft een „tijd van benauwdheid”.
En in deze tijden van benauwdheid zal de Heere zijn Hoog Vertrek, zijn Toevlucht zijn. Maar hoe heerlijk is het dat we in deze tijden van benauwdheid een God hebben naar Wie we toe kunnen gaan; dat we ervaren dat er eeuwigdurende armen zijn om op te leunen, dat er een genadig oor is waarin we onze klachten kunnen uitstorten, dat er een hart is, een medelevend hart, in de borst van de Heere des levens en der heerlijkheid, dat met ons te doen heeft; te weten dat er een hand is die verlichting brengt, en soms verlichting van die almachtige en genadige hand te ervaren!
Lezen: Psalm 9
Aan de lezer…
Hoe dikwijls komt een ziel in tijden van benauwdheid! Misschien verkeert u daar thans in. Hebt u ook al elke arm geprobeerd behalve de Zijne, en op elke staf geleund behalve op de ware? Dan weet u hoe weinig zij u konden geven. Schaam u er niet voor dat het u zo is gegaan; het is de weg die velen van Gods kinderen gegaan zijn, totdat zij hierop uitkwamen dat niemand anders dan de Heere vrede, vergeving en troost tot het hart kan spreken.
De tekst zegt niet hoelang uw benauwdheid duren zal, maar wel dat de Heere in zulke tijden een Hoog Vertrek is voor de verdrukte. Er is een genadig oor waarin u uw klachten mag uitstorten, en een medelevend hart dat met u te doen heeft. Zoek Hem dan, ook al ziet u nog geen uitkomst, want Hij heeft niet verlaten degenen die Hem zoeken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
Als we ooit tijden hebben gekend waarin de ziel in benauwdheid verkeerde (en dat moeten we zelf beoordelen), dan namen we onze toevlucht tot de Heere. Er is geen ander naar wie we toe kunnen gaan. We kunnen elke arm proberen behalve de Zijne, we kunnen alle kanten uitkijken behalve de goede, en we kunnen op elke staf leunen behalve op de ware. Maar vroeg of laat komen we hierop uit: niemand anders dan de Heere God Almachtig kan vrede, vergeving en troost tot ons hart spreken. Hij heeft hemel en aarde geschapen, Hij heeft onze ziel en ons lichaam gemaakt, Hij heeft ons tot op dit moment bewaard en behoed, Hij staat aan ons bed en langs ons pad en let altijd op ons, en Hij heeft Zijn geliefde Zoon gezonden als offer voor de zonde. Niemand anders dan deze eeuwige Schepper, Behouder en Verlosser, Die hemel en aarde heeft gemaakt en in stand houdt, kan dat.
Maar u zult hebben opgemerkt dat de tekst spreekt van „tijden van benauwdheid”. Gelukkig omschrijft de tekst niet wat die tijden zijn, hoeveel het er zijn en hoelang ze duren. Ook wordt niet beschreven wat die benauwdheid zal zijn. Welke benauwdheid een kind van God ook overkomt, het is een „tijd van benauwdheid”. En hoe lang of hoe kort die ook duurt, het blijft een „tijd van benauwdheid”.
In deze tijden van benauwdheid zal de Heere zijn Hoog Vertrek, zijn Toevlucht zijn. Hoe heerlijk is het dat we in zulke tijden een God hebben naar Wie we toe kunnen gaan! Hoe heerlijk te ervaren dat er eeuwige armen zijn om op te leunen, dat er een genadig oor is waarin we onze klachten kunnen uitstorten, en dat er in de borst van de Heere des levens en der heerlijkheid een hart is, een medelevend hart, dat met ons te doen heeft. Hoe heerlijk te weten dat er een hand is die verlichting brengt, en soms verlichting van die almachtige en genadige hand te ervaren!
Lezen: Psalm 9
Aan de lezer…
Hoe vaak komt een ziel in tijden van benauwdheid! Misschien verkeert u daar nu in. Hebt u ook al elke arm geprobeerd behalve de Zijne, en op elke staf geleund behalve op de ware? Dan weet u hoe weinig die u konden geven. Schaam u er niet voor dat het u zo is gegaan; het is de weg die veel kinderen van God gegaan zijn, totdat zij erop uitkwamen dat niemand anders dan de Heere vrede, vergeving en troost tot het hart kan spreken.
De tekst zegt niet hoelang uw benauwdheid zal duren, maar wel dat de Heere in zulke tijden een Hoog Vertrek is voor de verdrukte. Er is een genadig oor waarin u uw klachten mag uitstorten, en een medelevend hart dat met u te doen heeft. Zoek Hem dan, ook al ziet u nog geen uitkomst, want Hij heeft niet verlaten degenen die Hem zoeken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD also will be a refuge for the oppressed, a refuge in times of trouble. And they that know Thy Name will put their trust in Thee: for Thou, LORD, hast not forsaken them that seek Thee.
Psalm 9:9-10
If we have ever known times when the soul was in trouble (and of that we must judge for ourselves), then we fled for refuge to the Lord. There is no other to whom we can go. We may try every arm but His, we may look every way but the right one, and we may lean on every staff but the true. But sooner or later we come to this: none but the Lord God Almighty can speak peace, pardon and comfort to our hearts. He created heaven and earth, He made our soul and body, He has kept and preserved us to this very moment, He stands by our bed and by our path and ever watches over us, and He sent His beloved Son as a sacrifice for sin.
None but this eternal Creator, Preserver and Redeemer, Who made and upholds heaven and earth, can do it.
But you will have noticed that the text speaks of “times of trouble.” Happily the text does not describe what those times are, how many there are, or how long they last. Nor does it describe what that trouble will be. Whatever trouble befalls a child of God, it is a “time of trouble.” And however long or short it lasts, it is still a “time of trouble.”
In these times of trouble the Lord will be his high tower, his Refuge. How blessed it is that in such times we have a God to Whom we can go! How blessed to feel that there are everlasting arms to lean upon, that there is a gracious ear into which we may pour our complaints, and that in the bosom of the Lord of life and glory there is a heart, a sympathising heart, that feels for us. How blessed to know that there is a hand which brings relief, and sometimes to feel relief from that almighty and gracious hand!
Reading: Psalm 9
To the reader…
How often a soul comes into times of trouble! Perhaps you are in such a time now. Have you, too, tried every arm but His, and leaned on every staff but the true one? Then you know how little they could give you. Do not be ashamed that it went so with you; it is the way many children of God have gone, until they came to this: that none but the Lord can speak peace, pardon and comfort to the heart.
The text does not say how long your trouble will last, but it does say that in such times the Lord is a refuge for the oppressed. There is a gracious ear into which you may pour out your complaints, and a sympathising heart that feels for you. Seek Him, then, even though you see no way out as yet, for He has not forsaken them that seek Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y será Jehová refugio al pobre, refugio para el tiempo de angustia. Y en Ti confiarán los que conocen Tu Nombre; por cuanto Tú, oh Jehová, no desamparaste a los que Te buscaron.
Salmo 9:9-10
Si alguna vez hemos conocido tiempos en que el alma estaba en angustia (y de eso debemos juzgar nosotros mismos), entonces nos refugiamos en el Señor. No hay otro a quien podamos ir. Podemos probar todo brazo excepto el Suyo, podemos mirar en todas direcciones excepto en la correcta, y podemos apoyarnos en todo bastón excepto en el verdadero. Pero tarde o temprano llegamos a esto: nadie sino el Señor Dios Todopoderoso puede hablar paz, perdón y consuelo a nuestro corazón. Él creó los cielos y la tierra, Él hizo nuestra alma y nuestro cuerpo, Él nos ha guardado y preservado hasta este mismo momento, Él está junto a nuestro lecho y junto a nuestro camino y siempre vela sobre nosotros, y Él envió a Su Hijo amado como sacrificio por el pecado.
Nadie sino este eterno Creador, Preservador y Redentor, que hizo y sostiene los cielos y la tierra, puede hacerlo.
Pero habrá notado que el texto habla de “el tiempo de angustia”. Felizmente el texto no describe cuáles son esos tiempos, cuántos hay ni cuánto duran. Tampoco describe cuál será esa angustia. Cualquiera que sea la angustia que sobrevenga a un hijo de Dios, es un “tiempo de angustia”. Y dure lo que dure, mucho o poco, sigue siendo un “tiempo de angustia”.
En estos tiempos de angustia el Señor será su alta torre, su Refugio. ¡Qué bendición es tener en tales tiempos un Dios a Quien podemos ir! ¡Qué bendición sentir que hay brazos eternos en los que apoyarse, que hay un oído misericordioso en el que podemos derramar nuestras quejas, y que en el seno del Señor de la vida y de la gloria hay un corazón, un corazón compasivo, que se conduele de nosotros! ¡Qué bendición saber que hay una mano que trae alivio, y a veces sentir alivio de esa mano todopoderosa y misericordiosa!
Lectura: Salmo 9
Al lector…
¡Cuántas veces entra un alma en tiempos de angustia! Quizá esté usted ahora en un tiempo así. ¿Ha probado usted también todo brazo excepto el Suyo, y se ha apoyado en todo bastón excepto en el verdadero? Entonces sabe cuán poco pudieron darle. No se avergüence de que le haya ido así; es el camino que muchos hijos de Dios han recorrido, hasta que llegaron a esto: que nadie sino el Señor puede hablar paz, perdón y consuelo al corazón.
El texto no dice cuánto durará su angustia, pero sí dice que en tales tiempos el Señor es refugio al pobre. Hay un oído misericordioso en el que puede derramar sus quejas, y un corazón compasivo que se conduele de usted. Búsquele, pues, aunque todavía no vea salida, porque Él no desamparó a los que Le buscaron.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De opening Uwer woorden geeft licht.
Psalm 119:130
Het behaagt somtijds de gezegende Geest om getuigenis te geven aangaande Jezus, en enig gedeelte der Schrift te openen dat van Jezus spreekt; ja, een Goddelijk licht voor onze verbaasde ogen te ontsluiten, of enige heldere stralen der Evangeliewaarheid in onze ziel te doen afdalen, waardoor wij Jezus zien. Wij worden in de gewaarwording onzer ziel soms gebracht bij de begeerten der Grieken, die waren opgekomen tot het feest om te aanbidden, en die tot Jezus kwamen en zeiden: „Wij wilden Jezus wel zien”; en uit enige bevatting van Zijn schoonheid en beminnelijkheid storten wij onze ziel voor God uit en zeggen: „Wij wilden Jezus wel zien.” Wij hebben behoefte om Zijn liefde te gevoelen, om onze ogen gezalfd te hebben, teneinde Zijn heerlijkheid te kunnen aanschouwen; om op Hem te kunnen zien als voor ons gekruisigd en onze zonden dragende in Zijn lichaam op het hout, opdat wij een zoet en gezegend deelgenootschap mochten hebben met Hem als onze lijdende Borg; en alzo door het geloof ingaan in de lengte en breedte en diepte en hoogte van Zijn liefde, die alle kennis te boven gaat.
Waar een werk der genade in de ziel gevonden wordt, daar zal dit hevig verlangen naar Christus aanwezig zijn, al is het niet altijd even sterk. De ziel die waarlijk van God onderwezen wordt, vindt geen rust dan in Jezus, en zij kan buiten deze rust, die bestaat in een bevindelijke kennis van de Zoon van God, geopenbaard door de Heilige Geest, geen voldoening vinden. Maar aan de genieting van deze geestelijke rust kan een lange tijd van uitstel voorafgaan; donkere wolken kunnen maanden en jaren aaneen de genadestoel omhullen; het kruis van Christus kan niet gezien worden; de Heilige Geest houdt Zich terug in het vervullen van Zijn verbondsbediening, door de zaken uit Christus niet te nemen en ze aan de ziel voor te stellen. En waar deze hemelse openbaringen ontbreken, kunnen wij ons aandeel in de dingen der zaligheid niet vaststellen, noch ook ons hart verzekeren dat wij, wanneer wij dit leven afleggen, een gebouw bij God zullen hebben, bereid van vóór de grondlegging der wereld.
Met handen bedekt Hij het licht en doet aan hetzelve verbod door degene die tussendoor komt. Er zijn vele twijfelingen en vrezen, achterdocht, vermoeden en jaloersheid, of wij niet geheel en al bedrogen zijn. Op die tijden schijnt alles tegenover ons te staan, om ons te kenmerken als zijnde niet anders dan gewone belijders. Het is in zulke donkere en sombere tijden dat de opening der woorden Gods ons licht geeft.
De een of andere belofte wordt dierbaar in het hart afgedrukt. Bijvoorbeeld: „Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” Als die belofte met kracht in het hart komt, dan sterkt zij het geloof, en de vermoeide pelgrim komt tot de Heere, zich vermoeid en zwaar beladen gevoelende, en hij wordt somtijds voor enige ogenblikken de zoete rust gewaar. Hij wordt gewaar uit zijn gevallen staat, met al deszelfs gevolgen, Jezus te aanschouwen in Zijn genade en schoonheid. Hij wordt begunstigd, in alle eenvoud, zoals hij is, zich op Jezus te werpen, en enig gevoel van Zijn verzoenend bloed, stervende liefde en volkomen verzoening voor de zonde wordt voor hem ontsloten.
Het geloof springt op, vat het aan en omhelst het, en de ziel begint de geur en zoetigheid van de gezegende kracht van des Zaligmakers bloed en liefde te smaken. Zo geeft de opening van Gods woorden licht, en hij gevoelt door de Goddelijke inkomst van hetgeen God uitwendig heeft geopenbaard, dat inkerend licht in de kameren van zijn ziel wordt ontstoken, en hij kan in zekere mate de kracht van het kruis van Christus in zijn hart ontwaren.
Aan de lezer…
Zijn de wolken over de genadestoel bij u al lang zo donker, waarde lezer, dat u vreest geheel en al bedrogen te zijn? Kunt u uw aandeel in de dingen der zaligheid niet vaststellen, en schijnt alles tegen u te staan? Houd dan moed, al is het met een bevend hart. Die twijfelingen en vrezen bewijzen niet dat er geen werk der genade is; waar dat werk is, daar is ook dat hevig verlangen om Jezus te zien, al is het niet altijd even sterk.
Het is juist in zulke donkere tijden dat de opening van Gods woorden licht geeft. Eén belofte, met kracht in het hart gebracht, kan de vermoeide pelgrim doen komen tot Hem Die zegt: „Komt tot Mij, en Ik zal u rust geven.” Werp u dan, zoals u bent, op Hem neer. Hij Die het licht bedekt, kan het ook weer doen opgaan, en zal u Zijn verzoenend bloed en stervende liefde doen smaken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De opening Uwer woorden geeft licht.
Psalm 119:130
Het behaagt de gezegende Geest soms om getuigenis te geven van Jezus en een gedeelte van de Schrift te openen dat over Jezus spreekt. Ja, Hij laat dan een Goddelijk licht opgaan voor onze verbaasde ogen, of laat heldere stralen van de waarheid van het Evangelie in onze ziel neerdalen, waardoor wij Jezus zien. In het gevoel van onze ziel worden wij soms gebracht bij het verlangen van de Grieken die naar het feest waren gekomen om te aanbidden, en die tot Jezus kwamen en zeiden: „Wij wilden Jezus wel zien.” Vanuit enig besef van Zijn schoonheid en beminnelijkheid storten wij onze ziel voor God uit en zeggen: „Wij wilden Jezus wel zien.” Wij hebben behoefte om Zijn liefde te voelen en onze ogen gezalfd te krijgen, zodat wij Zijn heerlijkheid kunnen aanschouwen. Wij verlangen op Hem te zien als voor ons gekruisigd, die onze zonden draagt in Zijn lichaam op het hout, zodat wij een zoete en gezegende gemeenschap met Hem mogen hebben als onze lijdende Borg, en zo door het geloof mogen ingaan in de lengte en breedte en diepte en hoogte van Zijn liefde, die alle kennis te boven gaat.
Waar een werk van genade in de ziel gevonden wordt, daar zal dit vurige verlangen naar Christus aanwezig zijn, al is het niet altijd even sterk. De ziel die werkelijk door God onderwezen wordt, vindt geen rust dan in Jezus. Buiten deze rust, die bestaat in een bevindelijke kennis van de Zoon van God, geopenbaard door de Heilige Geest, kan zij geen voldoening vinden. Maar aan het genieten van deze geestelijke rust kan een lange tijd van uitstel voorafgaan. Donkere wolken kunnen maanden en jaren achtereen de genadestoel omhullen; het kruis van Christus kan niet gezien worden; de Heilige Geest houdt Zich terug in het vervullen van Zijn verbondsbediening, doordat Hij het niet uit Christus neemt en aan de ziel voorstelt. En waar deze hemelse openbaringen ontbreken, kunnen wij ons aandeel in de dingen van de zaligheid niet vaststellen, en ons hart er ook niet van verzekeren dat wij, wanneer wij dit leven afleggen, een gebouw bij God zullen hebben, bereid van vóór de grondlegging van de wereld.
Met handen bedekt Hij het licht en doet aan hetzelve verbod door degene die tussendoor komt. Er zijn veel twijfels en vrezen, achterdocht, vermoedens en jaloezie, of wij niet helemaal bedrogen zijn. Op zulke tijden lijkt alles tegen ons te staan, alsof wij niets anders zijn dan gewone belijders. Juist in zulke donkere en sombere tijden geeft de opening van Gods woorden ons licht.
Een of andere belofte wordt dierbaar in het hart gedrukt. Bijvoorbeeld: „Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” Als die belofte met kracht in het hart komt, versterkt zij het geloof. De vermoeide pelgrim komt dan tot de Heere, vermoeid en zwaar beladen als hij zich voelt, en hij ervaart soms voor enkele ogenblikken de zoete rust. Hij mag vanuit zijn gevallen staat, met alle gevolgen daarvan, Jezus aanschouwen in Zijn genade en schoonheid. Hij wordt begunstigd zich in alle eenvoud, zoals hij is, op Jezus te werpen, en enig besef van Zijn verzoenend bloed, stervende liefde en volkomen verzoening voor de zonde wordt voor hem geopend.
Het geloof springt op, grijpt het aan en omhelst het, en de ziel begint de geur en zoetheid te proeven van de gezegende kracht van het bloed en de liefde van de Zaligmaker. Zo geeft de opening van Gods woorden licht. Doordat wat God uitwendig geopenbaard heeft op Goddelijke wijze binnenkomt, voelt hij dat er inwendig licht wordt ontstoken in de kamers van zijn ziel, en kan hij in zekere mate de kracht van het kruis van Christus in zijn hart ervaren.
Aan de lezer…
Zijn de wolken over de genadestoel bij u al zo lang zo donker dat u vreest helemaal bedrogen te zijn? Kunt u uw aandeel in de dingen van de zaligheid niet vaststellen, en lijkt alles tegen u te staan? Houd dan moed, al is het met een bevend hart. Die twijfels en vrezen bewijzen niet dat er geen werk van genade is; waar dat werk is, daar is ook dat vurige verlangen om Jezus te zien, al is het niet altijd even sterk.
Juist in zulke donkere tijden geeft de opening van Gods woorden licht. Eén belofte, met kracht in het hart gebracht, kan de vermoeide pelgrim doen komen tot Hem Die zegt: „Komt tot Mij, en Ik zal u rust geven.” Werp u dan, zoals u bent, op Hem neer. Hij Die het licht bedekt, kan het ook weer laten opgaan, en zal u Zijn verzoenend bloed en stervende liefde laten smaken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The entrance of thy words giveth light.”
Psalm 119:130
The blessed Spirit is pleased sometimes to give some testimony concerning Jesus, to open up some passage of Scripture which speaks of Jesus, to cast a divine light before the astonished eyes, and to throw some of the blessed beams of gospel truth into our souls, whereby we see Jesus. We are brought sometimes in soul feeling to the desires of those Greeks who came up to worship at the feast, and went to Philip, saying, “Sir, we would see Jesus;” and from some apprehension of His beauty and loveliness, we pour out our soul before God, and say, “We would see Jesus.” We want to feel His love, to have our eyes anointed to behold His glory, to look upon Him as crucified for us and bearing our sins in His own body on the tree, that we may have a sweet and blessed fellowship with Him as our suffering Surety, and thus, by faith, enter into the length and breadth and depth and height of that love of His “that passes knowledge.”
Wherever there is a work of grace upon the soul, there will be this pining after Christ. The soul that is really taught of God can never rest satisfied short of Jesus. “There remains a rest to the people of God,” and they can never be satisfied short of that rest, which consists in an experimental knowledge of the Son of God, as revealed by the Holy Spirit to their souls.
But before the enjoyment of this spiritual rest, there is often long delay; clouds of darkness for months and years together often envelope the mercy-seat; the cross of Christ cannot be seen; the Holy Spirit does not fulfill His covenanted office in taking of the things of Christ, and showing them to the soul; and in the absence of these heavenly manifestations, we cannot realize our saving interest in the things of salvation, nor can we feel our hearts sweetly composed and settled down in the blessed assurance, that when this life shall come to a close, we shall inhabit mansions prepared for us before the foundation of the world. When “with clouds He covers the light, and commands it not to shine by the cloud that comes between,” there are many doubts and fears, suspicions, surmises, and jealousies whether we are not deceived and deluded altogether. At such seasons, everything seems to be against us, and to stamp us as being nothing but nominal professors.
It is in such dark and gloomy seasons as these that “the entrance of God’s words gives light.” For instance, some such promise as this is made sweet to the soul—“Come unto Me, all you that labor and are heavy laden, and I will give you rest.” As that promise is brought home with power to the heart, and is shed abroad with some sweetness in the soul, it draws forth and strengthens faith, and the toiling pilgrim comes to the Lord, feeling himself “weary and heavy laden,” and as he comes, he is indulged sometimes with a few sweet moments of rest. He is enabled to look out of fallen self, with all its miseries, and to look upon Jesus in His grace and beauty.
He is favored to cast himself simply, as he is, upon Jesus, and some sense of His atoning blood, dying love, and complete atoning sacrifice for sin is opened up to his heart. Faith springs up to lay hold of and embrace it, and he begins to taste the savor and sweetness and healing efficacy of a Savior’s blood and love.
Thus “the entrance of God’s words gives light,” and he feels by the divine coming in of what God has externally revealed, that inward light is shed abroad in the recesses of his soul, and he can, in some measure, realize the power of the cross of Jesus in his heart.
To the reader…
Have the clouds over the mercy-seat been so dark for so long that you fear you are deceived altogether? Can you not settle your interest in the things of salvation, and does everything seem to be against you? Then take courage, even with a trembling heart. Those doubts and fears do not prove that there is no work of grace; where that work is, there is also this earnest longing to see Jesus, even if it is not always equally strong.
It is in just such dark seasons that the entrance of God’s words gives light. One promise, brought home to the heart with power, can make the weary pilgrim come to Him Who says, “Come unto Me, and I will give you rest.” So cast yourself upon Him, just as you are. He Who covers the light can also make it shine again, and He will let you taste His atoning blood and dying love.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El principio de Tus palabras alumbra.
Salmo 119:130
El bendito Espíritu se complace a veces en dar algún testimonio acerca de Jesús, en abrir algún pasaje de la Escritura que habla de Jesús, en arrojar una luz divina ante los ojos asombrados y en hacer entrar en nuestra alma algunos de los benditos rayos de la verdad del evangelio, por los cuales vemos a Jesús. A veces somos llevados, en el sentir del alma, a los deseos de aquellos griegos que subieron a adorar en la fiesta y se acercaron a Felipe, diciendo: “Señor, quisiéramos ver a Jesús”; y desde alguna percepción de Su hermosura y amabilidad, derramamos nuestra alma delante de Dios y decimos: “Quisiéramos ver a Jesús.” Queremos sentir Su amor, que nuestros ojos sean ungidos para contemplar Su gloria, mirarle como crucificado por nosotros y llevando nuestros pecados en Su cuerpo sobre el madero, para que tengamos una dulce y bendita comunión con Él como nuestro Fiador sufriente, y así, por la fe, entremos en la anchura y la longura, la profundidad y la altura de aquel amor Suyo “que excede a todo conocimiento”.
Dondequiera que hay una obra de gracia en el alma, habrá este anhelo de Cristo. El alma verdaderamente enseñada por Dios nunca puede quedar satisfecha con menos que Jesús. “Queda un reposo para el pueblo de Dios”, y ellos nunca pueden quedar satisfechos con menos que ese reposo, que consiste en un conocimiento experimental del Hijo de Dios, tal como el Espíritu Santo lo revela a su alma.
Pero antes de gozar de este reposo espiritual hay a menudo una larga demora; nubes de tinieblas envuelven con frecuencia el propiciatorio durante meses y años enteros; no se puede ver la cruz de Cristo; el Espíritu Santo no cumple Su oficio, conforme al pacto, de tomar de las cosas de Cristo y mostrarlas al alma; y en ausencia de estas manifestaciones celestiales, no podemos experimentar nuestra parte salvadora en las cosas de la salvación, ni podemos sentir nuestro corazón dulcemente sosegado y asentado en la bendita seguridad de que, cuando esta vida llegue a su fin, habitaremos moradas preparadas para nosotros antes de la fundación del mundo. Cuando “con las nubes encubre la luz, y le manda no brillar, interponiendo aquellas”, hay muchas dudas y temores, sospechas, conjeturas y recelos de si no estaremos engañados y alucinados del todo. En tales ocasiones todo parece estar en contra nuestra y marcarnos como meros profesantes de nombre.
Es en ocasiones oscuras y sombrías como estas cuando “el principio de las palabras de Dios alumbra”. Por ejemplo, alguna promesa como esta se hace dulce al alma: “Venid a Mí todos los que estáis trabajados y cargados, que Yo os haré descansar.” Cuando esa promesa es traída con poder al corazón y derramada con alguna dulzura en el alma, atrae y fortalece la fe, y el peregrino fatigado viene al Señor, sintiéndose “trabajado y cargado”, y al venir se le conceden a veces unos pocos momentos dulces de reposo. Es capacitado para mirar fuera de su yo caído, con todas sus miserias, y mirar a Jesús en Su gracia y hermosura.
Le es concedido echarse sencillamente, tal como es, sobre Jesús, y se abre a su corazón algún sentido de Su sangre expiatoria, de Su amor moribundo y de Su completo sacrificio expiatorio por el pecado. La fe brota para asirlo y abrazarlo, y él comienza a gustar el sabor, la dulzura y la eficacia sanadora de la sangre y el amor de un Salvador.
Así “el principio de las palabras de Dios alumbra”, y él siente, por la entrada divina de lo que Dios ha revelado exteriormente, que una luz interior se derrama en los rincones de su alma, y puede experimentar en alguna medida el poder de la cruz de Jesús en su corazón.
Al lector…
¿Han estado las nubes sobre el propiciatorio tan oscuras durante tanto tiempo que teme estar engañado del todo? ¿No puede asegurar su parte en las cosas de la salvación, y todo parece estar en su contra? Entonces cobre ánimo, aunque sea con corazón tembloroso. Esas dudas y temores no prueban que no haya obra de gracia; donde está esa obra, está también este ferviente anhelo de ver a Jesús, aunque no siempre sea igual de fuerte.
Es precisamente en tales ocasiones oscuras cuando la entrada de las palabras de Dios alumbra. Una sola promesa, traída al corazón con poder, puede hacer que el peregrino cansado venga a Aquel que dice: “Venid a Mí, que Yo os haré descansar.” Échese, pues, sobre Él, tal como es. Aquel que encubre la luz puede también hacerla brillar de nuevo, y le hará gustar Su sangre expiatoria y Su amor moribundo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl