Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Een vraag van God aan de ziel

Leerrede over Hosea 6: 4a. “Wat zal ik u doen, o Efraim?”

Ik ken geen gedeelte van de Heilige Schrift, dat zo moeilijk valt te begrijpen, als het boek van Hoséa. Het is moeilijk, om het in zijn letterlijke betekenis te begrijpen, en nog moeilijker, indien al mogelijk, om de geestelijke betekenis ervan goed te begrijpen. Het is in zijn letterlijke betekenis moeilijk, omdat wij zo weinig van de geschiedkundige omstandigheden van Efraïm, (of Israël) weten, onder welke deze profetieën geschied zijn.

De geestelijke en bevindelijke betekenis ervan is moeilijk te begrijpen, omdat Efraïms verschillende karaktertrekken zeer verstrooid in dit boek zijn opgetekend, wat het samenbrengen van een gehele en juiste beschrijving erg moeilijk maakt. Echter kunnen weinige woorden van de letterlijke zin van dit boek ons de weg banen, om de geestelijke betekenis daarvan enigszins te begrijpen.

Wat zijn nu de geschiedkundige omstandigheden waaronderde profeet Hoséa deze profetieën schreef? Zij werden grotendeels gericht tot Israël, dat is, tot de tien stammen, die onder de regering van Jerobéam van Juda afvielen, en die, kort na de profetieën van Hoséa, door Salmanezer, de koning va n Assyrië, gevankelijk werden weggevoerd. Het was daarom kort voor hun ballingschap, dat Hoséa tot de tien stammen, bekend onder de naam van Efraïm (omdat die de aanzienlijkste onder hen was) deze profetieën richtte.

Maar vestigen wij onze aandacht op de geestelijke mening van dit boek, dan vinden wij een veel diepere betekenis dan enkel een blote aanspraak aan de tien stammen. Wij vindendaar een karakter, een geestelijk karakter voorgesteld, enonder de naam van Efraïm beschreven.

En wie en wat dit geestelijk karakter is, zal het onderwerp van enig onderzoek voor ons uitmaken. Het leidt geen twijfel, of hier wordt een kind van God, onder de naam van Efraïm, voorgesteld; want de beloften, die wij hier opgetekend vinden, zijn zo groot en heerlijk, dat niemand, dan een levende ziel daarmee bedoeld kan worden; echter een kind van God, onder bijzondere omstandigheden, en in een bijzondere staat.

Laat ons daarom dienaangaande enkele karaktertrekken van Efraïm proberen bijeen te verzamelen.

1. De meest in het oog lopende en bijzonder onderscheidende karaktertrek van Efraïm schijnt geweest te zijn, dat hij een “afwijker” was. Wij lezen daarom Hoofd. 4: 16 5 “Israël is onbandig, als een onbandige koe” en in Hoofd. 14: 5 vinden wij deze belofte aan hem toegezegd ; “Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben.”

2. Deze afwijkingen van Efraïm waren de dadelijke oorzaken van al zijn andere snode verkeerdheden. Daarom was hij een afgodendienaar, Hoofd. 4: 17. “Efraïm is vergezeld met de afgoden.” Afgoderij is de bron van afwijkingen. Want zodra wij de springader des levenden waters verlaten, houwen wij onszelf bakken uit, gebroken bakken, die geen water houden. Zodra wij in onze begeerten de afgoden nalopen, beginnen de afwijkingen. En zodra die afwijkingen vat op ons krijgen, maken zij krachtige voortgang.

3. Een andere karaktertrek, ten aanzien van Efraïm in dit boek opgetekend, was, dat hij zich vermengde met de wereld, Hoséa 7: 8. “Efraïm die verwart zich met de volken.” Hij was verstrikt geworden in de wereld, had het gezelschap van Gods volk verlaten, en was met hen die geen vreze Gods voor hun ogen hadden, in nauwe betrekking geraakt. Zo was zijn hart verhard, en zijn geweten verstokt geworden. Hij was gelijk aan “een koek, die niet is omgekeerd.”

Wat een verbazend en treffend zinnebeeld! Hij was in alles niet enkel deeg, dat door de hand van God gekneed was; hij was ook in zijn geheel geen brood, zodat het goed bruikbaar voedsel kon genoemd worden; maar hij was aan de ene kant verbrand en aan de anderekant was hij nog deeg. Hij was noch goed voor God noch voor mensen. Hij voegde zich niet bij de wereld en evenmin bij de Kerk. “Vreemden” – zegt ons het 9de vers – “verteren zijn kracht, en hij merkt het niet”.

Daar was, – om het zo eens uit te drukken – een verborgen opdroging in zijn gestel. Hij was zo verstrikt in de wereld en zo in het zin- en zienlijke verward, dat deze vreemden, als een kwaal in zijn levensbestaan, “al zijn krachten verteerden, – ook is de grauwigheid op hemverspreid”. De krachten van zijn jeugd waren verdwenen, enzijn gezicht vertoonde de rimpel van ouderdom, en evenwel – “hij merkte het niet”.

Deze enkele trekken, die ik, zo de tijd het mij toeliet, metvelen zou kunnen vermeerderen, bewijzen ons, dat he t karakter van Efraïm deze kenbare trek had dat hij een afwijker was. Zijn hart was, zoals zo velen van des Heeren volk: door de bedrieglijkheid der zonden verhard geworden. Het weinige gevoel dat hij nog bezat, was slechts voor een ogenblik en voorbijgaande, gelijk “een morgenwolk en vroegkomende dauw”.

Daardoor hadden de bedeling van Gods voorzienigheid ten goede, ende oordelen van Zijn gramschap ten kwade op hem weinig uitwerking; en daarom zegt de Heere in de woorden van onze tekst: “Wat zal ik u doen, o Efraïm!” De Heere spreekt hier in de taal van een teder vader. Bijvoorbeeld: Een vader heeft een losbandige zoon, die opgroeiend, zijn eigen wegen gaat, en over wie de vader zijnoorspronkelijke heerschappij verloren heeft. Om zijn vorig gezagte herwinnen, ontvangt hij hem met de grootste tederheid, maar dat heeft geen uitwerking. Hij neemt strengere maatregelen te baat, en ook dezen zijn vruchteloos. Soms houdt hij zich van verre, maar dat veranderd de weg van zijn zoon niet.

Dan is hij vriendelijk maar ook luistert de zoon niet naar deze vaderlijke stem. En hoewel de zoon soms enige bewegingen in zijn gemoed mag gewaar worden, en het plan heeft, om zijn losbandig en tegen zijn vader rebellerend leven te veranderen, het is “een morgenwolk”, die weldra weer verdwijnt. Ja, vaderlijke beloften en bedreigingen, zij zijn allen vruchteloos. Nu is de vader radeloos en zegt: ” Wat zal ik met hem doen? Wat zal ik meer aan hem beginnen? Welke weg ik ook met hem insla, welke middelen ik probeer, zij zijn allen vruchteloos. Hij is en blijft altijd dezelfde weerspannige zoon, en alles wat ik doe, het schijnt van geen uitwerking te zijn”.

In deze zin zouden wij de woorden van onze tekst een redetwist kunnen noemen, als of God met Efraïm redeneerde, de zaak overdacht en zei: ” Wat zal ik vervolgens beginnen? Welke weg zal Ik nu inslaan ?”
Maar er is een andere betekenis van het woord, die ik mijns inziens mag opnemen, zonder de oorspronkelijke betekenis geweld aan te doen, en die is, een vraag: Wat zal Ik u doen? Zeg Mij, wat zal het zijn? en Ik zal het doen.

Wanneer wij dan onze tekstwoorden beschouwen: “Wat zal Ik u doen, o Efraïm?” eerst als een redetwist en vervolgens als een vraag, dan moge het zijn tot onze stichting, onder de genadige voorlichting van de Heilige Geest, naar dat Hij het met kracht tot onze harten zal brengen.

Als een redetwist.

Wat zal Ik u doen, o Efraïm.?” Wij moeten niet veronderstellen, dat wanneer de Heere deze vraag aan Efraïm doet, Hij dan niet weet welke Hij moet weg inslaan, want “de Heere zijn al zijn werken van eeuwigheid bekend.” Maar de Heere spreekt hier met Efraïm, zoals een mens met zijn naaste spreekt; want die redeneertrant vinden wij vaak in des Heeren Woord opgetekend. God verwaardigt Zich om de taal van mensen op Zijn heilige lippen te nemen. Zo lezen wijdat Hij spreekt van Zijn armen, of handen, of oren, of andere delen van het menselijk lichaam; zo ook hier neemt Hij de taal van mensen aan, alsof Hij in twijfel stond wat nu Hij nu verder moest beginnen: ” Wat zal Ik u doen, o Efraïm?”

Maar helaas! Wanneer wij in die afwijkende staat verkeren- en ik zou die man wel eens willen weten, die hier niet diep schuldig voor de Heere staat – schijnt ons niets dan de Heere Zelf ons te kunnen bewegen. Wij kunnen zware verdrukkingen hebben, maar deze brengen op zich zelf ons niet nader tot Hem. Zij maken vaak de opstand van ons hart nog groter, maken ons onvriendelijk en knorrig, en vermeerderen onze natuurlijke verkeerdheden.

Zo lezen wij bij Jes. 57: 17: “Ik was verbolgen over de ongerechtigheid hunner gierigheid, en sloeg hen; Ik verbergde Mij, en was verborgen; evenwel gingen zij afkerig heen in de weg huns harten”. Zoals een halsstarrig kind, door de roede van zijn ouders eerder verbroken dan veranderd kan worden; zo kan God in de weg van Zijn voorzienigheid, ons door beproeving en verdrukking als vermorzelen. Maar onze harten zullen, buiten zijn onweerstaanbare genade, niet verbroken worden, om in boetvaardigheid en Goddelijk berouw voor Hem neer te vallen.

Zo ook aande andere kant, kunnen Gods gunstbewijzen, zegeningen enweldaden in de weg van Zijn Voorzienigheid, ons niet van onze afwijkingen terugbrengen. Al gaf Hij ons het verlangen van ons hart in het natuurlijke, al gelukten ons ook al de plannendie wij maakten, het zou op zichzelf ons niet spenen aande afgoden, noch ons doen uitroepen: “Wat heb ik meer met de afgoden te doen!” 6

Daarom; hetzij dat de storm van tegenspoed blaast, of de zon van voorspoed in het aangezicht schijnt, de afwijker gaat steeds zijn slechte we g en verandert de verkeerdheden van zijn hart niet.

Als een vraag.

Maar er is ook een andere betekenis in de woorden van onze tekst, en dat is, een vraag of onderzoek wat het belangrijke doel van mijn overdenking zal zijn. Het is alsof de Heere zei: Kom Efraïm! Kom tot Mijntroon; zeg Mij en vertel Mij alles wat in uw hart is. Verklaar Mij ongeveinsd en vrijmoedig al uw zielsbehoeften, die u verlangd vervuld te hebben. Zeg Mij en toon Mij al de verlangens, die zich in uw binnenste verheffen en opdoen: Wat zal Ik u doen, o Efraïm?”

Wanneer de slechte afwijker maar slechts een kleine vertedering ontvangt – en de Heere vertedert hem soms zoals wij in Hoofdst. 14: 6 lezen: “Ik zal Israël zijn als dedauw.” Wanneer de dauw des Geestes in het hart van de afwijker valt, dan

vermurwt, vertedert en verbreekt Hij hem; want de genezing van zijn afwijkingen gebeurt niet anders, dan wanneer de Heere zijn hart geheel vermorzelt.
En wanneer Hij dan Efraïm voor Zich roept en vraagt: “Wat zal ik u doen?” Wat een lang en breed smeekschrift heeft Efraïm dan niet in te leveren! Want wil de Koning Zijn oor aan hem lenen, dan stort Hij zijn hele hart voor Hem uit. En mag hij bevoorrecht wezen, om zijn hele ziel voor de Heere uit te storten, dan is het niet te verwonderen, dat hij een uitgebreid verzoek en een groot smeekschrift voor de Goddelijke Majesteit heeft neer te leggen.

Is het niet zoet en aangenaam toegang tot de Heere te hebben in het gebed? Als u iets van dat toenaderen tot God weet, dan hebt u de verborgenheid van de levende Godzaligheid ook in uw ziele gevoeld. Wat een aangenaam voorrecht, in de verhoorzaal toegelaten te worden, en de tegenwoordigheid van de Koning te mogen genieten! Er komen tijden en uren wanneer wij onze harten voor de Heere kunnen openen en Hem alle verlangens en behoeften die drukken en branden in onze gemoederen, mogen bloot leggen.

Het zijn inderdaad zeer zeldzame tijden, maar bij uitnemendheid zoet en zalig, als zij ons vergund worden. En als de Heere onze harten, pleitende voor Hem doet zijn, dan heeft Hij een oor om ons te horen. En wanneer Hij de weg ontsluit, om tot Hem te gaan, dan zal Hij ook ieder verlangen, door de Heilige Geest in ons gewerkt, genadig vervullen.

Maar, om tot de zaak zelf te komen, laat ons de woordenvan de tekst nader beschouwen, als een vraag van God aande ziel. “Wat zal Ik u doen? Wat verlangt u? zeg het Mij, en het zal u geschieden!” Laat ons met de arme afwijker tot de troon van genade gaan, en laat ons – als de Heere het belieft ons te bekwamen – met hem, de Heere in alle eenvoudigheid en nederigheid en oprechtheid vertellen, wat Hij met en voor ons behoeft te doen.

1 . Wanneer de Heere aan Efraïm een open mond in het verlangen schenkt, is het een eerste behoefte, dat zijn zonden mochten vergeven worden door de genezing van zijn afwijkingen. Wij lezen immers bij Jer. 50: 20 dat de Heere gesproken heeft: Ik zal ze dengenen vergeven, die Ik zal doen overblijven”, Daarom zei Efraïm ook: “Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede”. Hoséa 14: 3.

Het kan ook niet anders, want wanneer wij gevoelen, wie wij zijn en tot hiertoe geweest zijn; als wij in ons geweten ontwaren, welke misdadige ellendelingen, welke verachtelijke rebellen, welke vuile monsters wij zijn, en hoe wij dag aan dag en uur aan uur, met alles wat afzichtelijk en ijselijk is, bezoedeld zijn; wanneer wij een oog hebben gekregen op de reinheid en heiligheid van Gods natuur; o, hoe verlangen wij dan naar de openbaarmaking en toepassing aan ons geweten, dat onze zonden genezen en vergeven zijn!

En wanneer de Heere dan tot de ziel zegt: “Wat zal Ik udoen? Wat is uw vurigst verlangen?” Dan zou het antwoord zijn: Dat mijn afkerigheden genezen, dat mijnzonden vergeven, dat al de verzwarende omstandigheden ervanuitgewist- mogen worden, dat mijn ongerechtigheden achter Uw rug in de zee geworpen en mijn ziel gewassen wordt in die Fontein, die er geopend is voor de zonden en de onreinigheden”.

Als de ziel bekwaam gemaakt wordt, om deze bede voor de troon neer te leggen, dan is de vergeving reeds in e nigermate geschonken. Zodra de ziel in het geloof vraagt ontvangt zij ook in het geloof de kracht, om in het geloof te pleiten, en het geloof brengt het genadig antwoord ter neder. Hoe treffend was dit in de zaak van Jesaja! Hoofdst. 6: 5-7, en met Daniël! Hoofdst. 9: 20-23. Als de Heere dus in de tekst zegt: “Wat zal Ik u doen o Efraïm ?” Dan zegt Hij tevens: Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.” Maak uw verzoeken diep en wijd, “eis beneden in de diepte, en boven uit de hoogte.” (Jes. 7: 11) en zeg Mij, wat u nodig hebt!

Nu, mijn vrienden! Neem dit aan tot uw troost. Ik kan dit, door de vrijmachtige ontferming van Jehovah, met zekerheid bepalen; ik vertrouw dat ik van hetgeen ik daar zei, iets op een geestelijke en bevindelijke wijze ondervonden heb. Als de Heere uw ziel beweldadigt met een zoete toegang tot Zijn genadetroon, o, laat die tijd niet ongebruikt voorbijgaan.

Wat zouden wij wel van de schipper denken, die, zo spoedig mogelijk de haven van zijn bestemming moest bereiken, met goede wind en gunstig tij zijn anker niet lichtte, of slechts een klein zeiltje ophees, en zo niet zijn meeste voordeel met dat gunstig tij en die goede wind zocht te krijgen? Nu, zulk een gunstige gelegenheid biedt zich soms aan onze zielen aan. Het koeltje van ge nade waait de ziel aan, en de vloed van geloof verheft zich: en zullen wij, bij zulke zeldzaam voorkomende gelegenheden, niet het meeste voordeel er mee zoeken te maken? Wanneer de Heere Zich verwaardigt Zijn oor tot ons te lenen, is het dan geen tijd voor ons, onze begeerten Hem voor te dragen?

Herinner u wat de profeet Eliza tot de Koning van Israël zei, toen die zijn pijlen driemaal tegen de aarde sloeg, en toen stil stond. De man Gods werd zeer toornig op hem, en zei: “gij zoudt vijf of zesmaal geslage n hebben, dan zoudt gij de Syriërs tot verdoens toe geslagen hebben, doch nu zult gij de Syriërs driemaal slaan.” (2 Kon. 13: 19.) Had hij doorgegaan met zijn pijlen tegen de aarde te slaan, hij zou een volle zegepraal verworven hebben. Daarom werd de profeet toornig op hem, toen hij stil stond.

Zo is het soms ook met ons. Wanneer de Heere ons een kleine toegang tot Hem geeft, dan maken wij daar dat gebruik niet van wat Hij wel van ons verlangt. De satan werpt zijn vurige schichten in ons hart; een wereldse omstandigheid verbijstert ons gemoed; een vuile verbeelding verheft zich in ons binnenste, en in plaats van de duivel weerstand te bieden, opdat hij van ons zou vlieden, geven wij aan hem toe; en ziet, de schone gelegenheid is voorbij gegaan, het zoete ogenblik is verloren, en er kunnen maanden voorbij gaan voor dat wij weer tot oren van de Koning toegelaten worden.

Het zal daarom onze wijsheid en genade zijn, dat, wanneer de koelte waait en de vloed mee is, alle zeilen bij te zetten, om zover het mogelijk is te vorderen op de reis naar de haven van eeuwige rust en vrede.

2. Maar laat ons voortgaan. Wanneer de Heere tot de ziel zegt: “Wat zal Ik u doen?” Zou dit dan geen bede van de ziel zijn: “Heere! dat U Zich aan mij wil openbaren? Dat U Uw hoogheerlijke Persoon, Uw verzoenend bloed, Uw vrijsprekende gerechtigheid en Uw stervende liefde in mijn hart bekend maakt?” Wanneer de ziel iets van Jezus liefde kent, heeft zij ook behoefte aan de wegneming van de sluier, welke haar gezicht belemmert, opdat zij zonder hindernissenHem, Die zij lief heeft, zal aanschouwen.

Hij, die iets van de schoonheid, dierbaarheid en de heerlijkheid van het Lam Gods gezien heeft, zal ook behoefte hebben aan een nadere, een waardiger, een zoete en een veelvuldiger gemeenschap en openbaring van Zijn genadevolle en gezegende Majesteit. En als dan de ziel bevoorrecht en bekwaam gemaakt wordt, om, voor de troon van de Heere de hoge God te horen zeggen: “Wat zal Ik u doen? Vertel Mij uw grootste en diepste verlangen.”

Zal er dan geen kinderlijke zucht in de ziel oprijzen, dat Hij Zichzelf aan ons openbare zoals Hij zich niet openbaart aan de wereld? Zou zij niet zeggen: O, dat ik zulk een zoete ontdekking van Uw heerlijke Personen zulk een gezegende openbaring van Uw stervende liefde mocht hebben, waardoor ik in de vereniging en gemeenschap met Uw heerlijke Persoon mag delen, en nu en voor eeuwig welgelukzalig zal zijn!

Ik ben er zeker van, dat wanneer de grote Koning het oor aan de ziel leent, dan zal zij behoefte gevoelen om de Koning in Zijn schoonheid te zien. Wanneer de ziel een toegang tot Jezus verleent wordt, dan zal zij zeggen: “Heere Jezus! Ontdek Uzelf aan mij, opdat ik U in al Uw schoonheid, beminnelijkheid en dierbaarheid mag aanschouwen”.

3. Maar de Koning is niet moe geworden door te horen, en Zijn almachtig oor is niet zwaar geworden door te luisteren naar de vele beden en smekingen, die bij zulk een gelegenheid worden ingediend. Hij houdt nog wat aan met te zeggen: “Wat zal Ik u doen?” Als wij dan ook, onder de inwendige leiding, onderwijzing en besturing van de Heilige Geest, tot het gehoor van de Koning worden toegelaten, zal één bede van dat lange verzoekschrift ongetwijfeld deze zijn: “Maak door Uw ontferming mijn geweten teer in Uw vrees”. Als het geweten teer is, dan zullen wij angstig zijn om tegen Hem te zondigen. Wij zullen verlangen Hem te behagen, wij zullen wensen

Zijn beeld gelijkvormig te zijn en Zijn gelijkenis op ons gestempeld te hebben, wij zullen ons van alles, dat Hij haat, willen afwenden, en dat Hij bemint willen aankleven.

Als de Heere ons daarom tot Zich doet naderen, en vraagt: “Wat zal ik u doen?” dan zal de ziel antwoorden: “Heere! maak mijn geweten teer en mijn hart week; dat Uw vreze steeds mijn beoefening zij. Laat mij niet blind zijn voor het kwade en slechte van de zonden, en voor de beminnelijkheid en waardigheid van de heiligmaking. Doe mij de strikken, die de satan voor mijn voeten spreidt, goed zien, en dat ik door Uw barmhartigheid en genade, ze zorgvuldig vermijdt. Bewaar mij voor iets te doen dat U mishaagt, en laat mijn gedrag, mijn wandel en omgang voor U en de mensen zo ingericht zijn, dat het U welbehagelijk zij”.

Ik ben er ten volle van overtuigd, dat, wanneer de Heere de ziele vraagt: “Wat zal Ik u doen?” dan zal de bede, om een teer geweten een van de eerste begeerten zijn, die zij aan Hem voordraagt. Was dit ook de bede van Jabes niet? en de Heere heeft het nodig geacht, dat tot onze onderrichting te beschrijven: “indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte!” En was het ook hierin niet, dat “God liet komen wat hij begeerde?”

4. Verder als de Heere tot de ziel zegt: “Wat zal Ik doen?” zal het antwoord zijn: “Heere geef dat ik gemeenschap met U mag oefenen. Dat ik weet, wat het is met U te spreken en te wandelen, als een man met zijn vriend; dat mijn ziel, als het ware, tot U omhoog stijgt, om een heilig verkeer met U te genieten, opdat zij weet wat het is, in een zoete en hemelse gemeenschap met de Koning der koningen te verkeren.”

Welke onderhandeling is met deze te vergelijken? Wij gaan de wereld in, en wat geeft ons de onderhandeling en de omgang met haar? Het maakt het geweten angstig, het hart verhard, het bezoedelt het gemoed envervult ons met alles, wat zinnelijk en vleselijk is. Wij gaan onder de dode belijders, en wat geeft ons de omgang met hen? Zij doet ons opzwellen in hoogmoed en verwaandheid, en zendt ons dor en onvruchtbaar heen. Ga maar onder de kinderen van God, en wat vindt u in de omgang met hen? Ach! vaak lichtvaardigheid en beuzelingen. Ik zeg niet, dat u dit altijd bevinden zult want soms kunnen zij ons tot licht en leven, kracht en sterkte en vertroosting zijn, maar dikwijls slaan ons de liefste vrienden wonden. Dezen kwetsen ons gemoed, en genen delen hun vleselijkheid en dodigheid ons mee.

Maar wat hebben wij, als wij bekwaam gemaakt worden met Hem te onderhandelen, van de Heere te verwachten? Enige gelijkvormigheid aan Zijnbeeld, enige kracht uit Zijn tegenwoordigheid, enige mededeling van licht en leven van Dien, in Wie alleen alle licht en leven eeuwig woont.

En als uw ziel iets weet van dat uitgaan uit de wereld, en zoals de Heere zegt: “Gaat heen, Mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit de deuren naar u toe;” als u bij bevinding die roepstem van de Heere verstaat, en weet wat het is de deur gesloten hebbende, het hart voor Hem uit te storten, dan zult u het mij ook zeker toestemmen, dat vijf minuten gemeenschapsoefening met de Heere van leven en heerlijkheid, aangenamer en voordeliger zijn, dan uren achtereen met de heiligste en hoogstbegenadigste van Zijn kinderen te onderhandelen.

5. Opnieuw, – want wij zijn de lijst van onze beden nog niet ten einde, – als de Heere zegt: “Wat zal Ik u doen?” dan zal het antwoord zijn: “Heere! breek elke strik, die aan mijn ziel gespannen wordt! Verlos mij van iedere verzoeking, die mijn zo makkelijk afzwervende voet gelegd wordt. Verbreek alde afgoden, die zich tussen U en mij verheffen. Neem alle onoprechtheid, geveinsdheid en bijgeloof weg. Reinig en ontledig mij van alle eigengerechtigheid, en van de hatelijke heerschappij van alles, dat U naar kroon en scepter steekt.”

En denkt niet, dat het de Heere niet welbehagelijk zou zijn, als wij Hem vragen, deze dingen in ons en voor ons te doen. Zulke en dergelijke verlangens doet de ziel niet dan door de werking van Hem, die ze ook denkt te beantwoorden. Hij ontsteekt Zelf eerst dat verlangen, dat Hij wil vervullen, en daarom kan het Hem niet vertoornen, als wij datgene van Hem vragen, wat Hij ons zo graag geeft. Het geroep van de nederige is Hem aangenaam. En wanneer wij enigermate in gemeenschap met de Heere verkeren, dan onttroont Hij deze afgoden, verbreekt de ontkomen, maakt ons oprecht en nederig voor allerellendigste geveinsdheid, waar onze harten zo vol van zijn en hiervan overvloeien.

6. Als de Heere opnieuw vraagt: “wat zal Ik u doen?”dan zal een ander verzoek zijn: “Dat ik het leem, en Gij de Pottenbakker mocht zijn. Dat ik op een gevoelige en bevindelijke wijze het werk van Uw handen mag wezen. Dat ik Uw wil mag weten en doen. Dat ik enigermate Uw beeld gelijkvormig worde, en Uwe genadige vingeren in mij het willen en het werken, naar Uw vrijmachtig welbehagen, moge werken; opdat ik zo mag weten en gevoelen dat ik een vat der barmhartigheid ben, bekwaam tot gebruik door de Heere.”

Als de mens daartoe gebracht is, dan ontvangt de inwendige hoogmoed de doodsteek, de vrije wil geeft de geest, mensenwerk en oefening feilen als nietige beuzeling en de ziel ligt zonder enige hulp of kracht voor de Heere. En totdat de vrije wil, eigengerechtigheid, menselijke vermogens en verdiensten zijn opgedroogd en verwelkt, totdat zij de geest hebben gegeven, kunnen zij nooit tot die plek komen, waar wij het leem en God de Pottenbakker is. Of kan het leem zichzelf tot een vat formeren?

Kan het zichzelf fatsoen en gedaante geven? Kan het zichzelf van de plaats begeven en een vat worden, hetzij tot gebruik of tot sieraad? Immers, nee. Nu, even zomin kunnen wij onszelf tot heerlijkheid geschikt maken, of ons als vaten tot eer bereiden. Als de Heere ons deze gewaarwording in onze ziel geeft, ons zoetste voorrecht, ons lievelingsgenot is, leem te wezen. De vrije wil, eigengerechtigheid, menselijke wijsheid en vermogens geven wij graag aan de Farizeeën en zeggen: “henen uit! henen uit!” – laten zij er hun voordeel mee doen.

Maar wanneer de Heere onze zielen tot Hem doet naderen, en ons in nederigheid en verbrokenheid voor Zijn troon doet kruipen, dan voelen wij dat wij niets zijn als Hij het ons niet maakt, dat wij niets hebben dat Hij ons niet geeft, dat wij geen goeds hebben, als Hij het niet in ons werkt, en dat wij geen werking in ons bevinden, als Hij het niet in ons en voor ons doet. Hier te zijn en hier te liggen, is het leem te zijn. En gewaar te worden, dat de Heere heilige verlangens, vurige verzuchtingen, verborgen uitroepen en daden van geloof, hoop en liefde in ons werkt, en ze gevoelen dat Hij dit alles uit vrije genade geeft en werkt, en dat Hij dat alleen in en voor ons werkt, dat is Hem als de Pottenbakker te bevinden. Dit is gebracht te zijn tot de aangenaamste, de zaligste, maar ook tevens de vernederendste plek, waarop de ziel komen kan.

Er zijn hier misschien sommigen aanwezig die naar de Hemel denken te gaan door vleselijke Godsvrucht, aangeboren heiligheid, eigen krachtsinspanning en natuurlijke wijsheid, maar ik verklaar u plechtig, dat u jammerlijk teleurgesteld zult worden. geloof mij, zulk een weg naar de Hemel is enkel misleiding, bedriegerij van de satan, en het broedsel van onze diep onreine en eigengerechtige harten. In de dingen Gods vinden wij geen natuurlijke krachten, of menselijke wijsheid; want wij zijn en hebben niets, dan dat God ons geeft en op een geestelijke wijze in ons werkt.

Daarenboven zal de kennis en bevinding van ‘s mensen ellende, en Gods genade in de mens niet tot het zondigen voeren. Integendeel, het zal hem hemelsgezind, dood voor de wereld, vol liefde tot God en het volk van God maken, waartoe de mens, met al zijn krachten en proberen, nooit komen kan.

7 . “Wat zal Ik udoen, o, Efraïm?” De meesten vanGods kinderen hebben een bijzondere behoefte, die zij vervuld wensen te hebben, of een bijzondere verzoeking waar zij van verlost wensen te zijn. Sommigen van het volk des Heeren zouden, wanneer zij al hun begeerten in éénbede de Heere voorstelden, zeggen: “dat de vergeving van mijn zonden aan mijn geweten verzegeld worde.” Anderen zouden, hun verlangens in eens samenvattend, gebracht willen zijn in de genietingen van de vrijheid van het Evangelie.

Weer anderen, al hun verlangens in een bede tot de troon der genade zendend, zouden tot hun Ontfermer zeggen: “Verlos mij van die bijzondere verzoeking; of spaar mij voor deze of gene bijzondere verdrukking.” En noganderen zouden uit een bijzondere beproeving of benauwdheid gered wensen te worden, die hen bij tijden tot in het stof vernederen.

Wanneer de Heere de ziel maar bekwaammaakt, om voor Hem in het gebed te verschijnen, en om Hem bekend te maken, wat arbeid er in hun harten is, o! dan is het, alsof de Heere zei: “Vrees niet uw toestand aan Mij bekend te maken. Ik weet reeds uw behoeften en verlangens, en Ik heb de macht om te kunnen helpen, en Ik ben bereidwillig om u te helpen, en zal daarom u uw verlangens geven. Wat zal Ik u doen? Zeg het Mij vrij en onbeschroomd, wat moet het wezen?” De Heere bemoedigt en bekwaamt iedereen die Hij zo tot zich trekt, om Hem te vertellen wat hij het meest nodig heeft. En wanneer hij zo tot Hem mag naderen, dan is het gebed reeds half beantwoord. De zegen, waar de zielbehoefte aan heeft, is reeds op weg, en snelt in zijn gang tot de ziel.

Maar welke zielsgestalte is al noodzakelijk, vóórdat wij de Heere de belangrijkste behoeften van onze zielen kunnen bekendmaken? Voor dat wij hiertoe komen, moeten wij aan alle volmaaktheid een einde gezien hebben. Wij moeten van het zien en steunen op de gerechtigheid van het schepsel afgebracht zijn. Onze sterkte moet in zwakheid, onze wijsheid in dwaasheid en onze kennis in onwetendheid gekeerd zijn. Alles wat wij meenden te zijn, en waarop wij met verwaandheid neerzagen, moet verwelken en aan een nachtgezicht gelijk worden. Hij die op een gevoelige en geestelijke wijze in Jezus wil opstaan, moet in zichzelf neerzinken te midden vande puinhopen van het schepsel. Alle Godsdienst, alle oefening, alle toevlucht, alle hulp en hoop van het schepsel moeten opgehouden hebben te bestaan, voordat wij in Goddelijke oprechtheiden geestelijke eenvoudigheid voor de Heere kunnen komen, om Hem te smeken, dat Hij in ons datgene wil werken, wat welbehagelijk voor Zijn aangezicht is.

Dit is ook de grote reden, waarom zo weinigen van ons weten te spreken van gebedsverhoringen. Veel Christenen gaan daar al biddend, zuchtend en verlangend jaar uit jaar in heen, zonder dat zij een helder en duidelijk antwoord ontvangen. Van waar komt dit? Wat is hiervan de oorzaak? – Het is: omdat die gebedenen verlangens halfhartig zijn – dat is, onze harten zijn niet recht voor God. Zij zijn net als Efraïms koek: zij moetenomgekeerd worden; zij komen niet uit het hart. Onze vleselijke Godsdienst is niet ten volle verbroken, niet ondersteboven gekeerd, niet in verwarring gebracht, niet in een bedelaarsgestalte veranderd, niet in een volkomen onvermogendheid vernietigd.

Wij lezen in Gods Woord: “En als zij niet hadden om te betalen” – welk een staat! – “schold hij het hun beiden kwijt. Maar al te veel van Gods volk zijn als de dienstknecht, waarvan wij bij Matthéüs lezen, die tot zijn heer zei: “heer wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.”De meesten van Gods kinderen proberen in het eerst een verdrag met hun grote schuldeiser te maken; net als iemand, die in het wereldse achteruit gaat, liever metvijf schellingen in het pond zijn schuldeiser betaalt, dan dat hij bankroet zal gaan.

Maar zolang wij bij God nog een penning op het pond te betalen hebben, blijft de hele rekening voor ons open. Zoals Joseph Hart zegt:

“Gena verheerlijkt zich, in bedelarm te komen.
Verliezen zet de ziel in ‘t ruime winstgenot;
Wordt op de grote lijst één mijt van u vernomen,
Gij hoeft geen volle gunst, geen kwijtschelding van God.”

Maar velen van Gods kinderen, die dit nooit ondervonden hebben, vrezen tot deze plaats te komen. Zij zijn net als een zo vaak achteruitgaande winkelier, die zijn zaken niet eens goed onder ogen durft te zien. Hij wil maar geld tegen een overgrote rente lenen, pand geven, of iets anders doen, om zijn afnemend krediet hoog te houden. Maar uiteindelijk stort hij in een tienmaal zo grote nederlaag, dan wanneer hij zich direct had overgegeven. Zo is het ook met sommige levendgemaakte zielen. Ze willen hun niets waardig krediet steeds ondersteunen, door van anderen goede denkbeelden en gevoelens te ontlenen. Zij doen beloften, nemen besluiten en voornemens, en nemen elke oefening en aanslag te baat om toch maar die lelijke bedelaarsgestalte te ontlopen.

Maar vroeger of later komen al die verbintenissen terug en zij zijn allen verbroken en geschonden. God kan hen niet aannémen, tenzij zij als in het eerst, als geheel verdorven, onvermogend, en volkomen hulp- en radeloos voor Hem verschijnen. En worden zij hier gebracht, dan hebben zij een geheel ontslag te wachten, de schuld is betaald, en wanneer de Heere Jezus zijn stervende liefde aan hun zielen openbaart, dan delen zij in de genieting van een volle kwijtschelding.

Het is even zo in de genade als in de natuur: niets te hebben, bedelarm te zijn, van de gaven van anderen te leven, dat doet de marszeilen van onze hoogmoed strijken. Niets in ons te hebben om er op te steunen en te vertrouwen, laat de ziel slechts een schrede van de hel te zijn. Alles in ons te slechten, af te breken en te vernielen, is de muren omver te rukken, die ons beveiligen van niet in de diepte neer te storten.

Maar het is de waarheid; voordat al het eigen niet is onttroond, voordat alle gerechtigheid, krachten, oefeningen en Godsvrucht van het schepsel niet tot is vernietigd, kunnen wij niet gaan in de kracht, de gelukzaligheid en wezenlijkheid van Christus Koninkrijk. Wij zijn met onze versierselen niet bevoegd, om een gast aan de bruiloftstafel van het Avondmaal des Lams te zijn. Wij zullen ons nooit tot de schatten van vergevende liefde begeven, of een verlangende blik op de rijkdom van het bloed der verzoening werpen, en de heerlijkheid en de schoonheid van een vrijsprekende gerechtigheid gevoelen, of die afgod van onze natuurlijke Godsdienst moet van zijn plaats gerukt en vermorzeld zijn.

Wij kunnen, vol verwaandheid en ingenomen als wij zijn van nature met onszelf, Jezus in de hof Gethsémané niet volgen, noch het lijden, het kermen, de folteringen en het bebloede lichaam van Gods Zoon met de ogen van het geloof zien. Ook zullen wij de wonderlijke verborgenheid van de Immanuël, de GOD-MENS, die aan het kruis leed en stierf, niet aande voet van de staak heilbegerig omhelzen.

Zolang wij onze ogen gevestigd houden op onze Farizeese Godsdienst, onze vleselijke en eigen Godsvrucht en oefeningen, hebben wij geen ogen om Jezus te zien, noch oren om Zijn stem te horen. Want wij zijn over het algemeen zo met ons zelf ingenomen, dat de Koning der koningen voor ons geen beminnelijkheid heeft. Wij vinden Hem slechts een wortel uit een dorre aarde, en daar is geen gedaante noch heerlijkheid aan Hem dat wij Hem zouden begeren.”

Maar wanneer wij een gezicht krijgen van onze – zal ik zeggen – lelijkheid, van de verbastering, ontaarding en afzichtelijkste werkingen van onszelf, dan zien wij ook, hoe onmogelijk het is, dat wij met onszelf voor de Heere kunnen bestaan. En wanneer wij de vernielde en rampzalig bedorven toestand van onszelf voelen, dan beginnen wij ook gewaar te worden, welk een heerlijke zaligheid overeenkomstig de raad en het voornemen Gods is vervuld geworden.

Wij zien dan, hoe de Heere van levenen heerlijkheid van de Hemel is neergedaald, opdat Hij ellendigen, die nooit tot Hem konden opklimmen, zaligen zou; hoe Hij vergeving schenkt aan doodschuldigen, die geengerechtigheid van zichzelf bezitten, en schatten van Zijnstervende liefde en opgestane heerlijkheid opende voor hen, die buiten Hem geheel verloren en verwerpelijk zijn.

Als ditaan de ziel ontdekt wordt, dan omhelst het geloof het als de grote verborgenheid der Godzaligheid. De hoop werpt hier haar anker uit, “gaat tot het binnenste van het voorhangsel,”en de liefde gaat uit tot Jezus, en omhelst Hem met toegenegenarmen, om zulk een stervende liefde, die de Zoon vanGod aan het kruis van Golgotha ten toon spreidde. Deze bevinding stelt de zondaar op zijn rechte plaats. Zij vernedert hem in zijn gewaarwordingen, brengt zijn ziel ten onder en verbreekt het tot niets. Maar ook verhoogt zij de Heere Jezus in Zijn genegenheden en Hij wordt in zijn geweten geopenbaard als zijn “alles in allen.”

Nu verlangt hij niet anders dan met Hem te leven, en hij wenst met Hem in alles te sterven, en gevoelt de kracht van de woorden van de Geest, door Paulus beschreven: “Hetzij, dat wij leven wij leven de Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.” Rom. 14: 8.

Sta mij nu nog toe om, het gebed samenvattend, de twee volgende grote waarheden voor te stellen, en dat de Heere naar Zijn grote barmhartigheid deze waarheden aan ons geweten toepasse en verzegele. Er zijn in de school van Jezus Christus voornamelijk twee grote lessen te leren, en alle Goddelijke onderwijzingen kunnen daaronder geteld en gerekend worden.

De één is, door de onderwijzing van de Heilige Geest te leren, wat wij van nature zijn. Dat is te zien en te gevoelen het volledige verderf en algehele ellendigheid van ons eigen ik, en de volkomen bedelaarsgestalte, de zwakheid en de hulpeloosheid van het schepsel in de dingen Gods. Dit is de eerste grote les van de Goddelijke onderwijzing. En deze les hebben wij dag aan dag te bestuderen. Het is hiermee: “regel op regel, regel op regel, hier een weinig en daar een weinig.”Dit gedeelte van de Goddelijke onderwijzing hebben wij bijna dagelijks door te gaan, en soms in zeer pijnlijke diepten neer te zinken onder een besef van onze verdorven natuur.

En de andere grote les van Goddelijke onderwijzing is “den enigen waren God te kennen en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft.” Te weten wie en wat Jezus is, en de kracht van Zijn verzoenend bloed te kennen tot reiniging van het schuldig geweten; de uitgebreidheid van Zijn rechtvaardigende gerechtigheid, om van alle zonden vrijgesproken en ontslagen te worden; de verborgenheid van Zijn stervende liefde, om de hardheid van het hart te verbreken, en een liefde te werken tot Hem; en door de ogen van geloof Zijn heilig wandelend en lijdend beeld te aanschouwen om Hem enigszins gelijkvormig te zijn en in ons Zijn beeld te bevinden.

Door deze twee gedeelten van de Goddelijke onderwijzing, maakt en houdt de Heilige Geest de kinderen Gods nederig. En alde onderscheiden bedelingen van Gods voorzienigheid, hetzijbeproevingen, verzoekingen of verlossingen, alles wat wij, hetzij in het natuurlijke, hetzij in het geestelijke, hebben door te gaan; in een woord, de hele loop van de omstandigheden, waardoor een kind van God zich ziet omringd, zijn allen daartoe ingericht, dat zij hem leiden zouden, hetzij tot eendiepe kennis van zichzelf, of tot een uitgebreidere kennis van Christus. Zij zijn bedoeld om hem, onder welke leiding van God ook, te vernederen, opdat de Heere van leven en heerlijkheid verhoogd zou worden. Dit brengt ook mee, dat de ziel “alle dingen zullenmede werken ten goede.” Iedere gebeurtenis in Gods voorzienigheid, en al de bedelingen van Zijn genade zijn gericht op en eindigen tot eeuwige heerlijkheid van de Drieëenige God.

Ik herhaal het, al de bedelingen en onderwijzingen van de Geest gaan volgens deze regel en strekken tot het genoemde doel. En elke onderwijzing – wat wij daar ook onder verstaan willen, – en elke bevinding, – of wat wij ook voor bevinding houden mogen – die aan deze regel en aan dit doel niet beantwoordt, – ons met beschaamdheid desaangezichts in het stof te vernederen, en tegelijk de Heerevan leven en heerlijkheid te verhogen, om Hem met de lofen de eer van de hele zaligheid te bekronen – ik zeg: elke bevinding of ingebeelde bevinding (want daar is zoveel ingebeelde bevinding in de Kerk) die hier niet aan beantwoordt, vloeit niet voort uit de alleen zaligmakende onderwijzing vanGod de Heilige Geest in het hart. Want zijn verbondsbediening is, het uit Christus te nemen en aan de ziel bekend te maken, opdat Christus zou verheerlijkt worden.

Zie hier dan het doel van al de bedelingen, leidingen, besturingen en onderwijzingen van de dierbare Geest. Zij zullen eindigen in de vertroosting, zaligheid en eeuwige vreugde van al de verlosten, en tot verheerlijking van Jehovah, Die, als Vader en Zoon en Heilige Geest, waardig is te ontvangen, alle aanbidding, eer, kracht, prijs, dankzegging en heerlijkheid, beide nu en in alle eeuwigheid!

AMEN.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.