Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Dood en opstanding of geestelijke overtuigingen en hemelse genegenheden

Indien gij dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt de dingen die boven zijn, daar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Kol. 3: 1-3.

Tot op de tijd dat de ogen van ons verstand geestelijk verlicht zijn en ons hart door wederbarende genade is aangeraakt, gevoelen wij niets zaligmakends of bevindelijks van de kracht Gods in de verlossing der ziel. Wij kunnen godsdienstig, zeer godsdienstig; ernstig, buitengewoon ernstig; vroom, bepaald vroom zijn; wij kunnen ter kerk gaan of de kapel bezoeken, het sacrament ontvangen of aan de tafel des verbonds neerzitten, onze gebeden opzeggen of uit het hoofd bidden, de Heilige Schrift en goede boeken lezen; en door ons godsdienstig leven met het goddeloze gedrag van velen te vergelijken door wie wij omringd worden, onszelf behagen met de bedrieglijke inbeelding dat wij onszelf aanbevelen in de gunst Gods, en, wanneer de dood het toneel zal besluiten, wij beloond zullen worden met het eeuwige leven. En echter kunnen wij al dien tijd verstoken zijn van de kracht Gods in het behoud der ziel, onkundig van wet en evangelie, van veroordeling of zaligheid, van wat wij als zondaars zijn of wat de Heere Jezus voor diegenen is die in Zijn naam geloven evenals de beesten die vergaan. Waarachtige godsvrucht moet door de kracht Gods in de ziel gewrocht worden. Wij worden niet zalig, omdat wij godvruchtig zijn; maar wij zijn godvruchtig omdat wij gezaligd zijn. die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen” (2 Tim. 1: 9) – zalig gemaakt voordat zij geroepen zijn, en geroepen omdat zij gezaligd zijn.

De genade, die onze namen in het boek des levens des Lams schreef, die onze personen aan de Zoon van God schonk, opdat Hij ons zou verlossen door Zijn lijden, bloedstorten, en sterven aan het kruis; de genade welke nu in het hart van Jezus is als zittende ter rechterhand des Vaders in heerlijkheid en majesteit, – deze zelfde genade maakt onze ziel levend in geestelijk leven, overtuigt ons van zonde, schenkt ons bekering, brengt ons aan de voet van het kruis, openbaart in ons een dierbare Zaligmaker, en verwekt geloof, hoop en liefde in Zijn naam, welke ons beide zaligen en heiligen tot het eeuwige leven. Dus worden wij niet zalig door iets van een godsdienstige aard dat wij onszelf, of anderen aan ons kunnen meedelen; maar wij worden zalig door de genade Gods, en door die genade Gods uitsluitend. “Uit genade bent gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave” (Efeze 2: 8). Indien dan die genade nimmer ons hart bezoekt met haar wederbarende kracht en haar heiligende invloeden, kunnen wij al de godsdienst hebben die het vlees kan bezitten, in al zijn hoogdravende leerstukken, of al zijn eenvoudige leerstelsels; in al zijn nauwgezetheid of al zijn slofheid; in al zijn kerksheid of al zijn afscheiding; in al zijn Farizeïsme of al zijn Antinomianisme; en echter onder de toorn Gods sterven en ons deel hebben met de verdoemden.

Vergelijk deze vleselijke godsdienst waarin er duizenden gewikkeld zijn, en waarin duizenden bevredigd leven en sterven vergelijk, zeg ik, deze uitwendige dienst, deze enkele lichaamsoefening, zonder leven of kracht, zonder geloof of bekering, zonder liefde of hoop, zonder goddelijke onderwijzing of hemelse getuigenis, met zulk een taal als welke ik daar zo even tevoren uit het door de Heilige Geest ingegeven Woord heb voorgelezen. Vraag aan lieden, ja zelfs zeer nauwgezette en godsdienstige lieden, wat zij weten aangaande het gestorven te zijn, en het verborgen zijn van hun leven in Christus bij God; aangaande het opgewekt zijn met Christus, en het zoeken der dingen die boven zijn, aangaande het bedenken der dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn; en welk antwoord kunnen zij geven? Wat weten zij voor hun zelf van een hartgrondige, bevindelijke, en geestelijke godsvrucht gelijk deze? Niets, volstrekt niets! Welke godsdienst behoren wij dan als de waren te omhelzen, die het zegel van de mens, of die het zegel Gods draagt?

Dien welke onverlichte, onwedergeboren mensen, en zelfs leraars ons willen inprenten en op ons geweten willen dringen, of dien welke de Heilige Geest in het ingegeven Woord heeft doen neerschrijven als een gids voor de heiligen Gods? Ik behoef u niet te zeggen welke wij moeten geloven – of wij het ware licht te volgen hebben dat op de ingegeven bladzijden schijnt en de ziel naar de hemel en naar God geleidt, of dat ignis fatuus, dat komeetachtige dwaallicht hetwelk, uit het verdorven hart van de mens ontstaande, alleen met bedrieglijk licht rond ons speelt, om ons af te leiden en te verdrinken in de poel van bijgeloof, dwaling en eigengerechtigheid. Er zijn vier zaken op te merken in de voor ons liggende woorden, welke ik zal trachten u voor te stellen gelijk zij worden aanbevolen aan mijn verstand, hart en geweten.

1. De dood: “Gij bent gestorven”.

II. De Opstanding: “Indien gij dan met Christus bent opgewekt”.

III. De Hemelvaart en zitten ter rechterhand Gods: “Uw leven is met Christus verborgen in God”.

IV. Bedenking: “Bedenk de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn”.

I. – De oorsprong en fontein van alle waarachtige godsvrucht, van alle levende godzaligheid, is vereniging met Christus. Hij is het hoofd des lichaams, de Gemeente; daarom komt van Hem, en van Hem alleen, alle geestelijk leven in zijn geestelijke leden. “Ik ben gekomen opdat zij het leven hebben” (Joh. 10: 10). “Ik ben de opstanding en het leven” (Joh. 11: 25). Indien wij dus vereniging niet Christus hebben – en zonder vereniging met Christus bezitten wij geen zaligmakende, heiligende, noch bevindelijke godsdienst – zullen wij vereniging met Hem hebben, niet alleen in hetgeen Hij nu is aan de rechterhand des Vaders, maar in al hetgeen Hij was, terwijl Hij zich hier beneden ophield. Gelijk dan het pad des Heeren Jezus Christus tot de rechterhand des Vaders in heerlijkheid, een weg van lijden, droefheid en sterven was, en gelijk bij Hem het kruis voor de kroon ging, alzo moet het met ons zijn. Indien wij enige hoop in onze ziel hebben van met Christus te zullen zijn in het rijk van de eeuwige dag; indien wij enige verwachting hebben van met Hem te zullen heersen in het toekomende leven, en daar liefelijkheden te genieten aan Gods rechterhand eeuwig en altoos; indien wij enige zalige overtuiging bezitten dat wij met Hem zullen verheerlijkt worden, en Hem zullen zien gelijk Hij is van aangezicht tot aangezicht, hetwelk wij nimmer zullen genieten zonder levende vereniging met Hem, – moeten wij eerst aan Zijn lichaam gelijkvormig worden gemaakt zoals het hier beneden geopenbaard is.

Ik behoef u nauwelijks te zeggen dat zij allen die God voorgekend heeft, verordineerd zijn tot de gelijkvormigheid, naar het beeld van Christus, zoals de apostel het zo duidelijk getuigt: want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd, aan het beeld Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broederen” (Rom. 8: 29). Deze gelijkvormigheid begint beneden, maar wordt boven volmaakt: “En wij allen, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest” (2 Kor. 3: 18). Dit beeld of deze gelijkenis van Christus is tweevoudig: 1. Zijn lijdend beeld, hier beneden, toen Hij “een man van smart en met droefheden bekend” was, en 2. Zijn verheerlijkt beeld, waarin Hij nu verschijnt aan de rechterhand des Vaders. “Moest niet de Christus deze dingen lijden,” zei Hij zelf, “en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?” (Luk. 24: 26). Gelijk dan, in Christus het Hoofd, het lijden en de heerlijkheid ten nauwste verbonden waren door de wil en het besluit des Vaders, alzo is het ook met de leden. indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen” (2 Tim. 2: 12). “Zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook niet Hem verheerlijkt worden” (Rom. 8: 17).

1. Maar aangezien dit een gewichtig onderwerp is zal ik trachten het een weinig vollediger en duidelijker te ontvouwen. Let dan op deze twee punten: 1. Eerst, de grondslag waarop de gelijkvormigheid aan het beeld van Christus berust; 2. Ten tweede, de aard van die gelijkvormigheid.

a. De voorverordinerende voornemens Gods zijn de grondslag, gelijk ik heb aangetoond uit de schriftuurplaats, zo even aangehaald uit Rom. 8. Het was het eeuwig voornemen Gods om Zijn dierbare Zoon te verheerlijken door Hem tot het Hoofd Zijns volks te maken, wiens natuur Hij zou aannemen in vereniging met Zijn goddelijke Persoon. Dit is het fundament van hun gelijkvormigheid aan Hem, gelijk zij tevens die vereniging met Hem is waardoor wij leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn een” worden” (Efeze 5: 30).

b. Maar dit toont ons de aard van die gelijkvormigheid, dat Hij ons gelijkvormig gemaakt werd, door onze natuur aan te nemen, en wij Hem gelijk worden gemaakt door te delen in Zijn Geest. Daar deze gelijkvormigheid aan Zijn beeld een geestelijke gelijkvormigheid is, – een zielenovereenkomst, alhoewel er hiernamaals een lichamelijke overeenkomst zal zijn, want “gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld van de hemelse dragen” (1 Kor. 15: 49) beide in ziel en lichaam, zij vangt aan bij de wedergeboorte, door de inplanting van het leven Gods in het hart. Tot op dien tijd zijn wij deze wereld gelijkvormig, dragen wij het beeld van de eerste Adam, de gevallen Adam, dien Adam die, “een zoon gewon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld” (Gen. 5: 3), het vleselijk beeld hetwelk God veracht, wanneer Hij ontwaakt, om gericht uit te oefenen over hen die het dragen (Ps. 73: 21). Ik heb u aangetoond dat het beeld van Christus waaraan wij moeten worden gelijkvormig gemaakt tweevoudig is. 1. Het lijdend beeld waarin Hij op aarde verscheen, en 2. het verheerlijkt beeld hetwelk Hij nu in de hemel draagt. Gelijk wij dan hierna gelijkvormig moeten worden gemaakt aan Zijn verheerlijkt beeld hierboven, want “als Hij zal geopenbaard zijn, zullen wij Hem gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is” (1 Joh. 3: 2), zo moeten wij nu aan het beeld Zijns lijdens hier beneden gelijkvormig worden gemaakt.

Het kan u wellicht toeschijnen, dat ik enigszins van mijn tekst begin af te dwalen. Maar zulks is het geval niet; want deze gelijkvormigheid aan het beeld des lijdens van Christus, wordt in de woorden van de apostel te kennen gegeven in het: “Gij bent gestorven”; want elke schrede van de Heere Jezus Christus van de kribbe tot aan het kruis was, als ik de uitdrukking mag bezige, een schrede des doods, een schrede in de dood, en een schrede tot de dood. Hij kwam om te sterven: dat was Zijn boodschap. Er was geen natuurlijke sterfelijkheid in Zijn vlees; maar Hij nam een natuur aan die sterven kon, en een Leven dat Hij kon afleggen. Had Zijn reine mensheid natuurlijk, sterfelijk geweest, dan zou zij een gevallen, verdorven en zondelijke natuur, aan de verderving onderworpen zijn geweest; maar Gods Heilige zag geen verderving (Ps. 16: 10). En zei Hij dit niet zelf? “Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme; niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelf af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.” (Joh 10: 17, 18). Maar Hij kwam om te sterven. “Ik stel mijn leven voor de schapen” (Joh. 10: 15).

Omdat Hij dan dat leven aannam opdat Hij het zou afleggen, was Zijn pad, van de eerste aanneming van dat leven al in de schoot der maagd tot de aflegging daarvan aan het kruis, met elke ademhaling, woord en verrichting van Zijn reine mensheid, om zo te spreken, een daad des doods, omdat zij een lijdenszaak was; want Zijn lijden eindigde in de dood. Daarom was elke daad van Zijn gezegende Majesteit, toen Hij hier beneden was, een daad des lijdens zijnde, in zoverre een daad des doods als zij daartoe leidde, daarin uitliep; en ons een voorbeeld daarvan was. Hij stierf aan de wereld, want Hij was niet van de wereld en veroordeelde en richtte dezelve door Zijn sterven; Hij stierf onder de wet, want Hij torste haren vloek en verdroeg haar straf; Hij stierf onder de toorn Gods die ons toekwam, opdat zij bevredigd en afgekeerd zou worden. Hij stierf dagelijks onder armoede en schande, vervolging en verzoeking, ons een voorbeeld nalatende, opdat wij in Zijn voetstappen zouden wandelen. En Zijn dagelijks sterven eindigde in Zijn werkelijk sterven, een toneel van verdienstelijk lijden besluitende met de opoffering Zijns lichaams en Zijner ziel aan het kruis, in de offerande welke Hij opofferde als de enige verzoening voor de zonde.

2. De aanvang van deze gelijkvormigheid aan het lijdend beeld van Christus is, gelijk ik reeds heb aangemerkt bij de wedergeboorte, wanneer de eerste trek van het beeld van Christus op de ziel afgemaald wordt; en deze trek is de tekening des doods. Want wij leven nooit voordat wij sterven, en wij sterven nooit voordat wij leven. Zo ondervond Paulus het: “Zonder de wet zo leefde ik eertijds, maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weer levend geworden, doch ik ben gestorven” (Rom. 7: 9). “Gij bent gestorven.” Maar wanneer bent gij begonnen te sterven? Toen uw ziel Gode levend gemaakt werd door Zijn wederbarende genade.

a. Ons eerste sterven is, naar ik geloof, gewoonlijk aan de wereld. Overtuiging van zonde, gemoedsangst, zielsbenauwdheid, gewetensschuld voeren er ons uit. Het gewonde hert kan met de kudde niet meelopen. Zij ligt in de schaduw onder het riet te bloeden en te sterven, wanneer de getakte troep vrolijk voort huppelt. Alzo stort een getroffen geweten neer en valt, of sluipt weg in de schaduw uit het gezelschap en buiten het gezicht van de vrolijke jongelingen en lustige maagden, onder welke de nu getroffen mens wellicht het eerste en voorste draafde. Het nieuwe leven Gods in de ziel, de klimmende vrees voor Zijn heiligen naam, de ontkiemende teerheid des gewetens, die zich ontsluiten gelijk een groen blad in de lente, krimpen allen terug van de kille ademhaling, de bezoedelende aanraking der wereld, wat ons lot, welke onze levensstand ook zij, zelfs waar geen onzedelijkheid noch goddeloosheid zich duidelijk openbaart.

Deze eerste slagen der overtuiging, deze vreemde bewustheid van ongemak en ongeluk, kunnen niet slechts onverwachts komen, maar derzelver oorzaak ook op dien tijd de lijder onbekend zijn; en kan echter, gelijk de aanvang der tering, de aanvang des doods zijn. De aanvang van een werk der genade is dikwijls zeer trapsgewijs; maar het gaat altijd voort, totdat de kranke sterft.

b. Dit is onder de wet gebracht worden, want “door de wet is de kennis der zonde” (Rom. 3: 20). Aan Christus’ lijdend beeld moeten wij worden gelijkvormig gemaakt; deze dood moeten wij dus sterven; want wij moeten een levende vereniging met de Heere Jezus hebben in Zijn stervend leven, wanneer wij vereniging met Hem hebben in Zijn verrezen leven aan de rechterhand des Vaders. Gelijk Jezus onder de wet stierf, en het sterven onder de wet aan de wet stierf, alzo moeten wij dezelfde dood sterven, opdat wij met Hem gestorven mogen zijn. De wet moet ons doden gelijk zij Hem doodde; moet ons vloeken gelijk zij Hem vloekte; veroordeling en schuld in ons geweten brengen gelijk zij zichtbare en blijkbare veroordeling op Hem bracht, toen Hij onze zonden in Zijn eigen lichaam droeg aan het kruishout. Niet dat wij kunnen lijden in dezelfde uitgestrektheid, of tot hetzelfde doel waartoe Hij leed. Hij kon zeggen: “Gaat het ulieden niet aan, gij allen die over de weg gaat? Schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart die mij aangedaan is, waarmee de Heere mij bedroefd heeft ten dag der hittigheid Zijns toorns” (Klaagl. 1: 12). Hij kon in de taal van de dichter zeggen: uw pijlen doorboren mij, en Uw hand drukt mij zeer terneer”.

De wet spaarde Hem niet; zij eiste de uiterste penning; en Hij blies de adem niet uit voordat Hij zeggen kon: “Het is volbracht”. Indien wij dus iets levends zullen kennen van het sterven met Christus, moeten wij iets van het sterven kennen zoals Hij deed. En merk er op dat het kruisigen een smartelijk en langzaam sterven was, ofschoon in des Heeren geval bovennatuurlijk verkort; want waartoe behoefde Hij, toen het werk volbracht was, meer te lijden? Alzo sterft gij onder de wet een langzame dood; trapsgewijze verminderen en verwelken uw kracht en geest, het vlees wordt zwakker en zwakker, totdat gij ten laatste sterft zonder enige hoop of hulp. Dit is sterven onder de wet.

c. Maar wederom, Christus stierf onder de geopenbaarde, zichtbaren toorn Gods. Niet dat Zijn gezegende Majesteit niet een lichtglans genoot in het zien van het aangezicht des Vaders, dat in onuitsprekelijk welgevallen op Hem straalde, toen de wolk des toorns voorbij gegaan was, want hoe anders zou hij met zulk een zoete en kinderlijke vertrouwelijkheid gezegd kunnen hebben: vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest?” (Luk. 23: 46). Maar ogenschijnlijk, naar het oog der mensen, zijner vijanden en moordenaars, stierf Hij onder de toorn Gods, want Hij stierf een gevloekte dood overeenkomstig de taal van de Wet, want -Hij werd letterlijk en waarlijk “aan het hout gehangen”. Zijn wrede vijanden wisten niets van die goddelijke voornemens van welke zij de onbewuste uitvoerders waren; ook zagen zij niet dat toen zij Hem bespotten, zeggende: Hij heeft anderen verlost, dat Hij nu zichzelf verlosse,” Hij Zijn lichaam en Zijn ziel aan Zijn Vader opofferde als een schuldverzoenende offerande. Alzo moeten wij in zekere zin in onze ondervinding sterven onder de toorn Gods.

Wij moeten gevoelen met welk een heilig en rechtvaardig God wij te doen hebben, en dat wij rechtvaardig veroordeeld zijn om te sterven; dat wij door onze zonden de eeuwige verdoemenis verdiend hebben; en dat tenzij Hij genade aan ons schenkt, tenzij Hij ons door zijn genade zalige, wij nimmer van de toekomende toorn kunnen verlost worden. Als wij zodanig de verschrikkingen des Almachtigen gevoelen of vrezen, sterven wij aan alle wettische hoop, wij worden aan onze gerechtigheid gedood, en komen voor God om, soms in een kreet van benauwdheid. Toen uw ziel in u vernederd werd door een bewustheid van de toorn Gods over uw zonden; toen de schuld smartelijk en zwaar op uw geweten lag, bent gij, soms lichamelijk, plat voor God neergevallen, gevoelende dat er niets in u was om u van de onderste helle te verlossen, en dat als God een geweldigen bliksemschicht van uit de binnenste schuilplaats van de hemel slingerde en u in de bodemlozen put slingerde, gij slechts uw verdienste en de gerechtigheid haren eis ontving. Dit was sterven onder de toorn Gods; dit was bezwijken onder de kennis van schuld en veroordeling in uw geweten. Hebt gij dit nimmer gevoeld?

3. Maar de dood is natuurlijk en letterlijk in alle gevallen geen snelle of plotselinge gebeurtenis. Er is een langdurige tering, en langzaam toenemende waterzucht, zowel als de snelle koorts en het schielijk vernielend koud vuur. Hoe onderscheiden in naam en hoedanigheid, in aanvang en voortgang, zijn de krankheden die de gelederen der levenden dunne, en de begraafplaatsen met de doden aanvullen. Maar het einde van allen is hetzelfde. De weg kan lang of kort zijn, maar zij lopen allen uit op dezelfde plaats – ons laatste huis. Evenals in de natuurlijke, alzo is het in de geestelijken dood. De apostel zegt: “Ik ben met Christus gekruist,” en wederom: maar het zij ver van mij dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus; door welke de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld gekruisigd ben” (Gal. 6: 14).

Wij weten dat de kruisiging een langdurig sterven was; zij nam het leven niet plotseling weg, want met een verfijnde wreedheid vermeed zij het beschadigen der levensorganen, opdat de schuldige, gelijk een Romeins keizer van een zijner vijanden zei, zich zou voelen sterven”. Er worden daarom voorbeelden vermeld van mensen die drie dagen lang aan het kruis leefden; maar zij werden langzamerhand zwakker en zwakker, en hun lichaamskrachten namen trapsgewijs af, totdat smart en honger en dorst het toneel besloten. Alzo is het in de genade. Het zijn niet al de kinderen van God, die gelijk Heman zijn verschrikkingen lijden totdat zij doodbrakende zijn; evenmin sidderen allen over de geopende mond van de hel met onuitsprekelijke vrees van er plotseling in gestoten te zullen worden. Maar zij sterven een langzame en uitterende dood, zwakker en zwakker wordende totdat hun gehele kracht verspild en verloren is, en zij sterven in hun gevoel van hulpeloos en hopeloos om zichzelf te behouden. Alzo sterven zij even volkomen, indien niet zo plotseling of geweldig, als degenen die getroffen neervallen onder de verschrikkingen der wet, en het uitgetogen zwaard der gerechtigheid meer scherp en krachtig in hun leven gevoelen.

4. Nu is het door deze dood dat wij sterven aan de tijdelijke en zinnelijke dingen; aan al de liefkozingen van het natuurlijk menselijk gemoed; aan al de genietingen en najagingen des levens; aan die drukke, onrustige wereld die ons eens zo vast en stevig in haar omhelzing vastklemde, en ons steeds in haren lichtzinnige dans rond bleef slingeren. Laat ons terug zien. Wij behoorden niet altijd tot die sekte van arme suffers, gelijk de wereld ons noemt. Wij waren eenmaal even vrolijk en even opgeruimd als de vrolijkste en opgeruimdste van hen. Maar wat waren wij wezenlijk en waarlijk met al onze vrolijkheid? Gode dood, der zonde levende; dood aan alles wat heilig en goddelijk is, levend aan alles wat ijdel en dwaas is, lichtzinnig en beuzelachtig, vleselijk en zinnelijk, zo niet juist verfoeilijk en afschuwelijk, ons natuurlijk leven was bij ons allen een zinnelijk leven; bij sommigen van onze wellicht vol genoegen en werelds geluk; bij anderen een leven van begeerlijkheid, van eergierigheid, of eigengerechtigheid. De menselijke najagingen en genoegens verschillen evenzeer als hun stand en hun neiging, maar een leven van zinnelijkheid en eigenliefde heerst en regeert in allen. Door nu met Christus te sterven, sterven wij aan die dingen waarin ons natuurlijk leven bestaat, want zij leven in ons zolang als wij in dezelve leven; en opdat zij in ons mogen sterven moeten wij aan dezelve sterven. Alzo spreekt de apostel van zijn eigen dubbele kruisiging: “Door welke de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld gekruisigd ben”. De wereld dus, kan ons alleen gekruisigd worden als wij aan dezelve gekruisigd zijn.

Paulus zegt daarom: “Maar zij die Van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden” (Gal. 5: 24). Velen hebben gepoogd het vlees te kruisigen, maar konden dit nimmer doen omdat zij niet eerst zelf gekruist waren. Nu, ons dus te kruisigen is een sterven in onze ziel te brengen met betrekking tot de aardse dingen. Zo sterven wij aan de wereld onder de overtuiging van zonde; want wat is de wereld voor ons als wij lijden onder de priemen van een schuldig geweten? Welke ontheffing kan zij aanbrengen voor een bloedende wond? Welke balsem voor het bedrukte gemoed? Welke verlossing van dood en hel? Daarom sterven wij aan de wereld uit oorzaak van haar onbekwaamheid om ons enig goed te doen, daar de wereld, de tijdelijke en zinnelijke dingen, de liefkozingen van nature en kunst, de toeschouwers van zijn ellende allen voor de ogen van iemand, die aan een kruis stierf, zouden heen zweven, – hij aan dezelve gestorven, zij dood voor hem. Zo is het of moest het zijn in de kruisiging der ziel. “0 wereld,” zegt zij terwijl zij aan het kruis hangt, “gij hebt mij lang genoeg bedrogen. Waar zijn nu uw beloofde genoegens, uw vreugde, uw vermaken, uw plannen van voordeel en eer? Wat kunnen zij allen voor mij, een arm stervend zondaar, verrichten? Ik heb dagen en jaren doorgebracht in het gretig zoeken naar het aangeboden genot, en wat heb ik anders gevonden dan schuld en veroordeling? Dat ik aan u sterve en Gode leeft.”

Op dergelijke wijze sterven wij aan de zonde. De zonde bracht eenmaal haar wanhopige kracht te voorschijn en overwon al onze voornemens; de zonde trok, en wij volgden gelijk de zot tot de bestraffing des stoks. De zonde liefkoosde, en wij luisterden naar haar misleidende listen. De zonde hield haar lokaas uit, en wij slikten te gretig, te onnadenkend de haak in. Maar nu zien en gevoelen wij welke schuld en veroordeling zij in ons geweten aangebracht heeft door ter zijde getrokken, verstrikt, en overwonnen te zijn. Wij bevinden en gevoelen dat de genietingen der zonde slechts voor een tijd zijn, en dat het een bitter droevige zaak is te zondigen tegen de Heere. Wanneer wij ook, door een geloofsblik, vergund worden om te zien welk lijden en welke droefheid de zonde aan de Heere kostte om ze weg te doen, opdat wij niet voor eeuwig onder haren last zouden verzinken, dan is daar een sterven aan – ten minste aan haar heerschappij voerende macht en gebied.

Evenzo met onze eigen gerechtigheid, wijsheid, kracht, en al de deugd van het schepsel. Er was een tijd, waarop wij dezelve allen hoog waardeerden, en ze gelijk Job “niet wilden loslaten”. Maar trapsgewijze, toen de wet, de gerechtigheid, en heiligheid Gods, de natuur en boosheid der zonde, en onze eigen hulpeloosheid om te verrichten hetgeen wij wilden, voor ons geweten ontsloten werden, stierven wij aan de kracht welke wij eenmaal dachten dat wij in onszelf hadden om te geloven, ons te bekeren, en te gehoorzamen. Onze geroemde kennis zagen wij dat onkunde, en de ergste onkunde was, daar zij ons met hoogmoed vervulde, terwijl wij werkelijk verstoken waren van alle waarachtige kennis aangaande God en Zijn dierbare Zoon. Onze eens geroemde kracht bevonden wij zwakheid te zijn, want zij bekwaamde ons nimmer om ons waarlijk van onze zonden te bekeren, noch zaligmakend in de Heere Jezus te geloven, noch hield ons van de macht des kwaads terug. En alzo stierven wij aan dezelve, en zij aan ons.

Wij mochten hen aanroepen om ons te helpen in tijd van nood; maar het was gelijk aan het roepen van de doden om de levenden te hulp te komen. Maar toen er een betere gerechtigheid, wijsheid en kracht aan ons werden geopenbaard in een gekruiste Christus, toen stierven wij blijmoedig, zowel als gevoelig en bevindelijk aan al het onze, opdat wij het alles in Hem mochten vinden. Zo is er een zaligheid in het sterven met Christus, want door dit sterven verliezen wij slechts datgene waarvan wij wel mogen scheiden, en verkrijgen datgene in deszelfs plaats wat ons voor altijd en eeuwig verrijkt. Van de wereld te scheiden is van haar veroordeling te scheiden; aan onszelf te sterven is het zaad en de aanvang niet slechts van het sterven van onze grootste vijand, maar van ons leven in Christus. Dus wordt het sterven de grondslag van alle levende godzaligheid, de grote voorwaarde van alles wat heilig en gelukzalig, gezegend en vreedzaam is voor de tijd en voor de eeuwigheid.

gij bent gestorven.” Bevindt gij het niet zodanig door levende ondervinding? Wanneer bloeit de godsvrucht het meeste in uw hart? Wanneer hebben de tijdelijke en zinnelijke dingen het minste invloed op uw ziel? Schijnt gij niet meer der wereld gestorven te zijn, wanneer gij door zonden en smarten wordt terneder gedrukt dan wanneer wispelturigheid en beuzelachtigheid uw gemoed in bezit nemen? En als gij ooit begiftigd wordt met een blik op de lijdenden Jezus in de sombere hof, bezwijkende aan het schandelijke

kruis, schijnt het dan niet, ten minste zo lang als de indruk duurt, alles ter dood te brengen wat op andere tijden uw gemoed bezig houdt of streelt, terwijl zij een goede hoop door genade in uw ziel verwekt? Als wij dan door het geloof op Jezus zien, als stervende opdat wij zouden leven, doodt de kracht van Zijn sterven, die in onze ziel stroomt, ons aan de tijdelijke en zinnelijke dingen. Zo ondervinden wij, dat hoe meer wij ons vastklemmen aan de Persoon van Jezus als voor ons gekruist, en hoe meer wij de verborgenheid van Zijn verzoenend bloed en stervende liefde omhelzen, hoe meer de macht der zonde, wereldsgezindheid, eigengerechtigheid, schepselkracht, en wijsheid in de ziel sterven. Maar o welk een moeilijkheid om van deze afgoden te scheiden 1 Het is moordwerk. En echter, als wij enigermate aan dezelve gestorven zijn, welk een verlossing is het dan van de ellendige dienstbaarheid der zonde, en de niet veel minder harde ellendige slavernij van de wereld en zichzelf.

H. Wij hebben gezien wat sterven is. Wij hebben de dood vrij goed in het aangezicht gestaard, en gezien dat alhoewel hij zo verschrikkelijk voor het vlees is, hij tenslotte de vriend van de Christen is, en niet zijn vijand. Wij gaan dan nu over tot de beschouwing van zijn metgezel en opvolger, de opstanding, welke ons tweede punt van overweging zou zijn.

Indien gij dan met Christus opgewekt bent. Wij zien dus dat er een opwekking met Christus is zowel als een sterven met Hem.

De opstanding van onze gezegende Heere heeft verschillende betrekkingen, die allen invloed hebben op de bevinding van de heiligen Gods.

1. Christus verrees voor zichzelf uit de doden, triomferende over dood en hel. Maar Hij verrees niet slechts voor zichzelf, opdat Hij op Zijn troon der heerlijkheid mocht zitten, volgens de belofte des Vaders, maar als het Hoofd der gemeente, van die ontelbare menigte, die, wanneer zij samen vergaderd zijn de sterren niet alleen in aantal zullen te boven gaan, maar boven dezelve zullen uitblinken in heerlijkheid. Gelijk zij nu allen met Christus stierven toen Hij aan het vloekhout stierf, en geestelijk begraven werden toen Hij in de graftombe lag, zo zijn zij, toen de machtige Jezus uit de doden opstond en uit Zijn somber graf te voorschijn kwam, waarin Hij drie dagen en drie nachten gelegen had, op hetzelfde ogenblik met Hem verrezen. Wij lezen daarom dat God “ons levend gemaakt heeft met Christus, en ons mee heeft opgewekt, en ons mede gezet in de hemel in Christus Jezus” (Efeze 2: 5, 6). Hier zien wij het verband dat er bestaat tussen Christus’ opstanding en onze wedergeboorte.

“Heeft ons opgewekt,” dat is, ons levend gemaakt, “met Christus”. Toen dan het leven in het dode lichaam van Christus in het graf inkwam, was het de geestelijke opwekking van al de leden Zijns lichaams, de zekerheid en waarborg van hun wedergeboorte. Petrus zegt daarom: geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die, naar Zijn grote barmhartigheid, ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden” (1 Petr. 1: 3). Gelijk er zonder het sterven van Christus geen verzoening voor de zonde kon geweest zijn, zo kon er zonder Zijn opstanding geen rechtvaardigmaking noch wedergeboorte zijn geweest; want gelijk “Hij overgeleverd is om onze zonden, alzo is Hij opgewekt om onze rechtvaardigmaking” (Rom. 4: 25). Wedergeboorte is dan de opstanding der ziel ‘ als het voorspel van de opstanding van lichaam en ziel samen in de grote dag; en zij moet in levende bevinding op gelijke wijze gekend worden als het sterven wordt bekend gemaakt. Want gelijk wij geestelijk en bevindelijk met Christus sterven onder en door de wet, alzo worden wij geestelijk en bevindelijk met Hem opgewekt onder en door het Evangelie.

Toen Christus uit de dood verrees had de wet geen macht meer over Hem. De wet verrichtte alles wat zij doen kon om Hem te doden. Toen Hij aan het kruis hing loste de wet al haar donderslagen en vloekspraken op Zijn geheiligd hoofd. Zij veroordeelde en doodde Hem, en toen kon zij niet meer uitrichten; want het is met de wet Gods eveneens als met de menselijke wetten; wanneer zij eenmaal haar straf heeft toegepast, en de schuldige onder die straf gestorven is, dan heeft de wet haar werk gedaan. Zij sterft in de dood. Een schuldige kan niet tweemaal worden ter dood gebracht; zo was het met Christus en zo is het met het volk van Christus; toen de wet Christus gedood had, was zij dood met betrekking tot Hem, en kan Hem nimmermeer aanraken. Dus toen Hij uit de doden verrees, verrees Hij vrij van alle wettische eisen, vorderingen en afpersingen; Hij verrees zo volmaakt ontslagen van al de straffen der wet als een misdadiger, die de gevangenis verlaat, wanneer de koningin de pardonbrief getekend heeft.

2. Maar hoe moet dit bevindelijk worden bekend gemaakt? Door enige openbaring of ontdekking van de verrezen Christus aan de ziel. Wij lezen “De discipelen dan werden verblijd, als zij de Heere zagen” (Joh. 20: 20). Waarom? Omdat zij in Hem hun Heere en hun God aanschouwden, gelijk Thomas dit zag en betuigde. Hun twijfeling en vrees, hun ongeloof en wantrouwen waren allen verdwenen, en zij verheugden zich in Hem met een onuitsprekelijke vreugde vol van heerlijkheid. Alzo wanneer de ziel met enige openbaring van Jezus gezegend wordt als van de doden opgestaan, en met een zalig getuigenis van haar aandeel in Zijn sterven en opstanding, en het geweten enigermate gereinigd is door de toepassing van het verzoenbloed, zodat zij haar verlost van de schuld der zonde en de vloek der wet, en haar in de vrijheid stelt waarmee Christus Zijn volk vrijmaakt, verrijst het bevindelijk met Hem; dat wil zeggen, zij verrijst uit en van onder de veroordeling der wet en des gewetens, en gaat in tot de gelukzaligheid der verlossing door vrije genade, en door vrije genade alleen.

3. Maar niet alleen verrijst zij van onder alle wetsbeschuldigingen en veroordelingen, maar zij verrijst uit de wereld door boven de wereld te verrijzen. Hoe velen zijn er zelfs van diegenen welke begeren om God te vrezen, die door de wereld onder gehouden worden, en voor wie zij haar aantrekkende kracht niet verloren heeft; die, ten minste een tijd lang, vastgehouden worden door wereldse bezigheden, of verstrikt worden door wereldse personen of wereldse onderhandelingen. Hun deelgenoten in beroepsbezigheden of hun deelgenoten in het leven; hun vleselijke betrekkingen of hun wereldsgezinde kinderen; hun talrijke verbintenissen of hun maatschappelijke gewoonten; hun sterke driften of hun diep ingewortelde vooroordelen, binden en kluisteren hen allen aan de aarde vast. Daar wroeten zij, en liggen temidden van hetgeen Milton noemt:

“De rook en het gewoel van deze donkere plek
Die men de Aarde noemt;”

en zodanig zijn zij aan de touwen hunner zonden vastgebonden, dat zij er nauwelijks verlossing van zoeken, noch zelfs begeren te verrijzen in een ruimeren dampkring boven de misten en dampen van deze benevelde plaats, zodat zij een hemelse dampkring inademen, en met Jezus uit het graf der verdorvenheden verrijzen mochten. Maar als zij, als leden van Zijn geestelijk lichaam, reeds met Christus verrezen zijn, daar het niet mogelijk was dat het Hoofd door de dood gebonden gehouden werd, toen God de smarten des doods ontbonden had (Hand. 2: 24), zo zullen zij evenmin altijd begraven blijven in het graf der vleselijkheid en wereldsgezindheid. Zij moeten geestelijk verrijzen zo zij met Christus opgestaan zijn. Indien zij aandeel hebben in de werkelijkheid van Christus’ opstanding, dan moetenzij tevens de kracht van Christus’ opstanding kennen.

Maar hoe zalig is het iets van deze kracht te kennen; in onze gevoelens en genegenheden van uit het graf der vleselijkheid te verrijzen, waarin wij vaak zo vast gehouden worden; uit dien dood en die dienstbaarheid, wettelijkheid en eigen gerechtigheid, die ons zodanig terneder drukken. En niet alleen dit, maar om te verrijzen boven de glimlachen en fronselingen van het schepsel, boven de verstrooiende zorgen der dagelijkse bezigheden en werkzaamheden, ververwijderd van het gezelschap der goddelozen en dode belijders. Alzo op te klimmen is een vervulling der belofte: “Al lag gijlieden tussen twee rijen van stenen, zo zult gij toch worden als vleugelen van een duif, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud” (Ps. 68: 14). O hoe groot is het, weg te komen uit het stof en vuil der stenen; uit de klei en de afbraak van het pottenbakkersveld, waar alle onrein gedierte tussen de gebroken potscherven nestelt; en een duif te zijn die op haar zilveren vleugelen en gouden vederen tot de hemelpoort opstijgt!

Weten wij het niet soms wat het zegt, op te klimmen in heilige begeerten en vurige verlangens naar levende vereniging en gemeenschap met de Heere Jezus? Dit is met Christus verrezen te zijn. Maar hoe velen die wij, met al hun gebreken en struikelingen, toch hopen dat God vrezen, schijnen meer lijken op Lazarus in het graf, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en Zijn aangezicht omwonden met een zweetdoek,” dan op Lazarus nadat het woord gesproken was: “ontbindt hem, en laat hem heen gaan”. Helaas! al te vele leden zelfs van christelijke gemeenten, die een openlijke belijdenis in een verrezen en naar de hemel opgevaren Jezus hebben afgelegd, schijnen meer bezorgd over de voorspoed van hun winkel of boerderij, en meer bekommerd over hun vrouwen en huisgezinnen, en over het algemeen over de arme tijdelijke en zinnelijke dingen dan over de voorspoed van hun ziel. Maar terwijl zij zodanig in en door hun grafkleren worden ondergehouden, bevinden zij het even onmogelijk te zijn om zich van dezelve te ontwarren, als het Lazarus was om zijn eigen grafdoeken los te maken. Niets minder dan dezelfde stem van liefde en macht, die de slapende Lazarus te voorschijn riep, kan hen uit het graf roepen om het aangezicht van een verrezen Christus te aanschouwen.

Gij die gestorven bent en nochtans leeft, begraven en nochtans opgewekt, kunt gij in uw zielen iets van die twee punten bemerken; welke ik getracht heb voor u open te leggen? Kunt gij iets vinden dat gelijkt op het sterven, en iets gelijkende op de opstanding? Bent gij immer gezonken onder de verschrikkingen van een gebroken wet, onder de schuld des gewetens, onder een kennis van veroordeling, onder vrees van eeuwig te zullen omkomen, onder een plechtige overtuiging dat gij uw ziel door geen oefening van uzelf kunt verlossen van onder de toorn Gods; en dus gestorven bent aan al uw eigen kracht, wijsheid en goedheid? Kunt gij terugzien op enig bijzonder tijdperk waarop zulk een bevinding van het sterven in uw ziel gewrocht werd? Of indien gij geen bepaald tijdstip of bijzonder tijdperk kunt noemen, kunt gij echter naspeuren, dat gij voor een langer of korter tijd overtuigingen van zonde hebt gehad, en dat zij van zulk een aard, werkelijkheid en diepte geweest zijn, dat zij in uw hart het werken er onder brachten, en u deden gevoelen dat, tenzij Christus aan uw ziel geopenbaard werd, gij in eeuwige ellende zoudt moeten neerzinken?

Ofschoon op dien tijd smartelijk, en alhoewel wij toen wellicht geheel onkundig waren aan hetgeen de Heere met en in ons deed, hoe goed is het echter, hoe versterkend en aanmoedigend voor het geloof, in staat te zijn om terug te zien naar een tijdstip waarop de Heere het oordeel naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood stelde, teneinde ons verbond met de dood te vernietigen, en ons voorzichtig verdrag met de hel te vertreden. Overtuigingen zijn geen vertroostingen, de wet is geen evangelie; dienstbaarheid en gevangenschap geen verlossing en vrijheid; maar zij gaan dezelve vooraf, bereiden tot dezelve, en zijn onmisbaar voor dezelve.

Maar is de Heere een schrede verder gegaan in uw zielsbevinding? Heeft de Geest Gods genade en goedertierenheid aan uw hart gewerkt door verlossing te openbaren door vrijmachtige, overklimmende genade? Heeft Hij het u immer geschonken om de schoonheid en gelukzaligheid, genade en heerlijkheid van de Persoon van een verrezen Christus te aanschouwen, en alzo in uw hart een zoete bekendheid met Zijn liefde, Zijn bloed en Zijn zaligheid gebracht, zo gepast naar al uw behoeften en ellenden. en zo in elk opzicht het uiterste van uw wanhopende toestand van nature en door beoefening omvattende? Heeft de Heere de Geest zo in uw ziel een mate van geloof gewrocht in de Zoon van God, enig geloof van vastklemmen, zo niet verzekerd geloof, zodat gij, gelijk de Schrift zegt, met voornemen van het hart bij de Heere zult blijven (Hand. 40: 23); dat is een vast voornemen en bevestigd besluit, om in Zijn genade en kracht voort te gaan en te volharden tot het einde, en liever te sterven dan te scheiden van een goede hoop in Hem?

Dit nu is opstanding, want dit is opstaan uit de puinhopen van zichzelf, om een verrezen Christus te omhelzen. En waar er een sterven geweest is, daar zal ook deze opstanding zijn. De goddelozen sterven in hun zonden, maar niet alzo de rechtvaardigen, Velen sterven in de overtuigingen van hun natuurlijk geweten, gelijk Saul, Achitofel, en Judas. Maar de heilige Gods sterft nimmer onder de last en het gewicht van geestelijke overtuigingen; want in hen is er een hemels leven dat nimmer sterven kan. Met Christus opgewekt zijnde, als een lid van Zijn geestelijk lichaam, zal hij nimmer in wanhoop noch onder de toorn Gods sterven. Hij kan telkenmale vrezen dat hij zo sterven zal; en uit vrees des doods en wat op de dood volgt de gehele tijd zijn levens der dienstbaarheid onderworpen zijn; maar vrijheid en verlossing zal, hoe lang ook uitgesteld, eindelijk komen.

De opstanding van Christus is daarvan de zekere waarborg, want gelijk Jezus moest opstaan uit het graf en daarin niet langer kon liggen dan de bepaalde tijd, alzo zal de heilige Gods niet altijd kermen en zuchten onder verschrikking en bekommering; zal niet immer in het graf van donkerheid en somberheid blijven. De Heere zal hem te voorschijn brengen en de macht zijner opstanding op zijn eigen tijd en wijze aan zijn ziel openbaren; en dan zal hij in zijn geweten een gezegend getuigenis van Christus’ opstanding ontvangen door de kennis daarvan in zijn eigen hart.

III. Maar wij komen nu tot ons derde punt: Hemelvaart, en haar gevolg: zitten aan de rechterhand Gods.

1. Jezus vertoefde niet lang op aarde nadat Hij van de doden was opgestaan. Veertig dagen bracht Hij hier beneden door, om van Zijn discipelen gezien te worden, aan welke “Hij ook, nadat Hij geleden had, zichzelf levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen” (Hand. 1: 3), teneinde een onbetwistbaar getuigenis achter te laten, dat Hij dezelfde Jezus was die op Calvarië gekruisigd was. Maar Hij verwijlde niet langer dan tot dit einde noodzakelijk was, en tevens vereist werd tot bevestiging van hun wankelend geloof. Aan het einde der veertig dagen, voer Hij op van de Olijfberg in het gezicht van Zijn elf discipelen, in wier tegenwoordigheid “Hij werd opgenomen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen” (Hand. 1: 9).

Dus was er een zichtbaar heengaan van onze genadige Heere; en dit werd verricht in de tegenwoordigheid en in het gezicht van de elf apostelen, om hen te verzekeren van de werkelijkheid en gewisheid van Zijn hemelvaart; want ofschoon zij Hem niet zagen toen Hij uit de doden opstond, zagen zij Hem toen Hij opvoer. Ooggetuigen waren, gelijk door voorname Godgeleerden is opgemerkt, niet noodzakelijk in het feit van Zijn hemelvaart; want Hem te zien toen Hij verrezen was kon als een voldoend bewijs dienen voor Zijn opstanding, maar men moest Hem zien opvaren om Zijn hemelvaart te bewijzen. Ik heb op dit punt aangedrongen, omdat ik een stevige grondslag wens te leggen, waarop ons geloof kan berusten. Maar wij zullen nu de hemelvaart van onze zegenden Heere bevindelijk overwegen.

Als wij dan vereniging met Christus hebben in sterven en opstanding, dan hebben wij ook vereniging met hem in de hemelvaart. Wij lezen daarom in de schriftuurtekst welke ik tevoren genoemd heb: “En heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in Christus Jezus” (Efeze 2: 6). Er werden zekere voetstappen door onze gezegende Heere van het kruis naar de kroon gedaan, in welke wij vereniging en gemeenschap met Hem hebben, Ie. het sterven, 2e. de begrafenis, 3e. levendmaking, 4e. opstanding, 5e. hemelvaart, en 6e. zitting, dat is zitten ter rechterhand Gods. In al deze punten heeft de Gemeente vereniging en gemeenschap met Christus. Wij hebben het sterven, de begrafenis, de levendmaking, de opstanding beschouwd, en nu komen wij aan de Hemelvaart. Wij zijn evenmin letterlijk opgevaren als wij letterlijk verrezen zijn; maar wij varen geestelijk op, gelijk wij geestelijk uit de dood verrijzen. Onze lichamen zijn hier beneden, maar onze zielen zijn, naar wij vertrouwen, met Christus verrezen en naar de hemel gevaren.

Wat deze hemelvaart bevindelijk is zullen wij meer bijzonder zien als wij tot ons laatste punt overgaan, want het is in het voorschrift vervat: “Bedenk de dingen die boven zijn”. Hebt gij niet telkenmale hemelse genegenheden, geestelijke begeerten, vurige verzuchtingen, werkingen van geloof, en hoop en liefde – die levende bewoners der ziel, die smachten en fladderen gelijk zovele vogels die in een kooi zijn opgesloten? Het zijn deze genegenheden die met Christus naar de hemel varen tot waar Hij is, zittende aan Gods rechterhand, wanneer de Geest de kooi opent, en de jeugdige arenden omhoog vliegen.

Houdt dit dan in gedachten, dat toen Christus opvoer, Hij niet alleen voor zichzelf naar de hemel voer, maar tevens als het grote Hoofd der Gemeente. “Ik vaar op tot Mijn Vader en tot uw Vader, tot Mijn God en tot uw God.” Hij voer op als het Hoofd van Zijn geestelijk lichaam, en nam dus het gehele lichaam met zich in de hemel mee. Gelijk aan het kruis al de uitverkorenen van God met Hem stierven; gelijk zij in het graf allen met Hem begraven werden, gelijk zij allen met Hem verrezen toen Hij opstond; alzo voeren zij allen met Hem naar de hemel toen Christus opvoer. Hij zei daarom: “Ik ga heen om u plaats te bereiden”. Hij bereidde een plaats door die in Zijn eigen Persoon in bezit te nemen, opdat waar Hij is, Zijn volk eveneens zal zijn. Dus, toen de Heere Jezus Christus opvoer naar de hemel en Zijn zetel beklom aan de rechterhand des Vaders, toen al de engelen hun gouden harpen bespeelden; en de hemelse hoven met de heerlijke harmonie vervuld werden, toen de overheden en machten in de hemelen en de geesten der volmaakt rechtvaardigen de Zoon van God op de troon Zijner heerlijkheid zittende zagen, is de Gemeente Gods deugdelijk met Hem naar de hemel opgevaren, en met Hem gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hemelen.

Dit geestelijk zitten met Christus in de hemelse plaatsen is de grondslag van onze geestelijke hemelvaart; want, terwijl deze goddelijke werkelijkheden in onze ziel worden toegepast door de kracht Gods, en haar zoetigheid en zaligheid bevindelijk in onze harten geopenbaard worden, rijzen en klimmen onze genegenheden omhoog totdat zij zich allen verenigen in Jezus aan de rechterhand des Vaders. Kent gij alzo de hemelvaart van Christus niet slechts in de leer maar in bevinding? Hebt gij nimmer een beschouwing gehad van Christus aan de rechterhand Gods? Toen gij Hem alzo zaagt door het oog des geloofs, ging uw hart naar Hem op, en uw genegenheid vloeide derwaarts waar uw hart was heen gegaan, want gij zaagt Hem aan de rechterhand des Vaders, als opgevaren zijnde en de gevangenis gevankelijk weggevoerd hebbende. Ik hoop dat ik hiervan iets bij zielservaring ken, anders zou ik het u niet kunnen beschrijven. 0, dat gij en ik daarvan meer mochten kennen, en dat wij meer mochten bedenken de dingen die boven zijn, en minder die op de aarde zijn.

2. Als gevolg van de hemelvaart van Christus is Zijn zitten, dat is in de taal van onze tekst: “zittende aan de rechterhand Gods”.

Nu zijn er in Christus’ zitten ter rechterhand Gods verscheidene zaken begrepen; Ie. Aanneming, dat is, de goedkeuring Zijns hemelse Vaders, en Zijn aanneming van Hem als de Godmens Middelaar, hetwelk geopenbaard werd doordat Hij Hem aan Zijn rechterhand plaatste. 2e. Verheffing tot de koninklijke waardigheid en macht. 3e. Voorspraak, want Hij “zou zitten als een priester op Zijn troon” (Zach. 6: 13); en 4e. Middelaarschap, als het levende Hoofd der Gemeente; want ons leven wordt in de tekst verklaard in Christus bij God verborgen te zijn”.

Maar wij zullen bevinden dat dit zitten met Christus vol van hemelse vrucht is, en, gelijk de boom welke Johannes in een gezicht zag, zijn zijn vrucht en bladeren tot genezing der heidenen. Deze vruchten moeten bevindelijk gekend worden, opdat zij getast, gesmaakt en genoten mogen worden. Zodat elke dierbare belofte welke ooit aan uw ziel toegepast werd, elk kenmerk van genade, elke liefelijke toefluistering, elke liefdeblik, elke beschouwing van de Koning in Zijn schoonheid, zovele getuigenissen zijn dat Jezus aan de rechterhand Gods is. Waarom? Omdat zij zovele vruchten van Zijn voorspraak zijn. Gevoelt gij niet uw behoefte aan een Middelaar wanneer gij tot de troon der genade nadert? Waarheen zijn uw gebeden gericht? Klimmen zij niet alle op tot de plaats waar Jezus zetelt? En moeten zij niet alle begeurd worden met de wierook Zijner voorspraak opdat zij mogen opklimmen tot de oren van de Heere Zebaoth? Kent gij iets van geestelijke gemeenschap met de Heere Jezus Christus? Aan wie ontboezemt gij uw smarten? Voor wiens aangezicht legt gij uw kommer? Tot wie begeeft gij u in tijden van verzoeking en druk? Wie kan u onder dezelve schragen,. of u uit dezelve verlossen? Ziet gij niet uit naar een openbaring van de liefde, het bloed en de genade van Jezus? Bewijst dit niet dat uw hoop geankerd is binnen het voorhangsel, waar de Voorloper voor ons is ingegaan? (Hebr. 6: 20).

3. Maar ik heb daareven aangemerkt dat een van de vruchten van Christus zitten aan de rechterhand Gods, en waarbij ik mij nu moet bepalen, is dat Hij een levend Hoofd zou zijn over alle dingen der Gemeente. Tot dit einde heeft God Hem, gelijk Paulus ons zegt: “gezet tot Zijn rechterhand in de hemel” (Efeze 1: 20-23). De apostel zegt daarom in onze tekst, “uw leven is met Christus verborgen in God”. Dus Jezus als opgestaan, als naar de hemel gevaren, als zittende aan de rechterhand des Vaders, “ons leven”. Wij bezitten geen ander; want Hij is “de Weg, de Waarheid en het Leven”.

Maar dit leven is “met Christus verborgen in God”. Door dit woord “verborgen” mogen wij vooral twee dingen verstaan: Ie. Dat dit leven verborgen is voor de wereld. Het geestelijk leven van een kind Gods is geheel en al voor het vleselijk oog verborgen; 2e. Het betekent dat dit leven in Hem geborgen, aan Zijn handen toevertrouwd, en veilig en zeker in Zijn boezem bewaard is. Uit Hem dan, als ons leven, komen al onze dagelijkse toevoer van geloof, en liefde en elke genade. Uit Hem komt al mijn kracht om te prediken, al uw bekwaamheid om te horen. Van Hem komt elke beweging van verootrnoediging en verbrijzeling, elk gevoel van ootmoed, eenvoudigheid, en goddelijke oprechtheid; uit Hem, als ons “van God geworden tot heiligmaking”, wordt men die “heiligmaking” deelachtig zonder welke niemand de Heere zien zal.”

Welk een invloed heeft dan de opstanding, hemelvaart, en het zitten van Christus op de ervaring eens Christens! Neem die goddelijke werkelijkheden weg of verbergt ze uit het gezicht, en wat blijft er over dan vleselijkheid en dood? Het is uit gebrek aan een bevindelijke kennis van deze goddelijke waarheden, dat er zo weinig van geestelijken godsdienst gekend wordt. Maar niets anders is van enige wezenlijke waarde. Een aardse godsdienst mag een Farizeeër bevredigen; een vleselijke, vormelijke godsdienst mag een doden belijder voldoen; maar alleen levende vereniging met een levenden Heere aan de rechterhand Gods, en mededelingen uit Zijn volheid te ontvangen, zijn het die een levende ziel verzadigen. Kunt gij zonder Christus leven? Zo gij een waar gelovige in de Zoon van God bent, kunt gij evenmin zonder Christus leven als zonder brood; zonder gebed dan zonder voedsel; zonder geloof en hoop als zonder dagelijkse spijzen. Ik erken volgaarne, dat wij onze koude en dodige tijden hebben, en deze kunnen menigvuldig en langdurig zijn; maar ik spreek nu van de ondervinding eens gelovigen, wanneer het leven Gods warm in zijn hart is.

Nu wordt al deze voorraad van leven en kracht, van genade en sterkte, meegedeeld uit de volheid van Jezus aan de rechterhand Gods, want het behaagde de Vader dat in Hem al de volheid wonen zou; en zij worden door Hem gesteld om onze stervende zielen in het leven te houden, want ons leven is met Christus verborgen in God”. Het zijn de ademingen, bewegingen en handelingen van dit verborgen leven in de ziel die een echt Christen van een doden belijder onderscheiden. Een dode belijder is voldaan met een aardsen godsdienst, met een reeks van vormen, met uitwendige plechtigheden, met de vleiende toejuiching van stervende wezens gelijk bij zelf is. Maar de heilige Gods, in wiens hart de Geest woont, en dien Hij onderwijst door Zijn hemelse genade, ziet van tijd tot tijd tot Jezus op, om uit Zijn volheid te ontvangen. Zijn leven is met Christus verborgen in God. In de schoot van Christus stort hij al zijn smarten uit; en ontvangt uit dien schoot zijn genietingen. Dit is de hemelvaart van een gelovige ziel tot daar waar Jezus zetelt, bekwaam om zalig te maken allen, die door Hem tot God gaan.

Bedriegt uzelf niet; denkt niet dat een bloot uitwendige godsdienst, of een belijdenis der waarheid zonder een bevinding van haar leven en haar kracht, u ooit zal behouden. Het is het verborgen leven, en dit verborgen met Christus in de boezem Gods, dat een levende ziel maakt en openbaart. Als wij dit niet bezitten dan hebben wij niets. Ik zeg u duidelijk en getrouw, dat zo gij dit inwendige en verborgen leven Gods niet in uw boezem hebt, gij niets goed kent, gij niets bezit om uw ziel te redden of te heiligen. Onderzoekt daarom, en ziet, gij die begeert God te vrezen, wat gij in uw boezem kunt vinden van die vereniging met Christus in sterven, opstanding, hemelvaart en het zitten met Hem in de hemel. Ware godsdienst is een hemelse godsdienst. Hij daalt af van God, en klimt op tot God; en bent verzekerd dat, als gij deelgenoten van deze hemelse godsdienst bent, uw verheerlijkte lichamen hiernamaals met uw onsterfelijke zielen zullen naar de hemel opvaren; want, wanneer Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult gij ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid” (Kol. 3: 4).

IV. Uit onze vereniging met Christus in deze punten volgt van de apostel vermaning, welke ik voorstelde in de 4e en laatste plaats te overwegen onder het opschrift: Bedenking. “Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.”

De apostel neemt aan dat de Colossische gelovigen aan welke bij schreef, deelgenoten waren van deze levende werkelijkheden – dat zij waren gestorven, opgewekt, opgevaren, en met Christus in de hemelen zaten. Hij vermaant hen daarom ernstig tot het verrichten van die levende handelingen, die de werkelijkheid der genade in het hart openbaren.

Wij kunnen zijn vermaning in twee voorname punten verdelen: 1e ontkennend; 2e. stelligerwijze; dat is, 1e wat zij niet zouden doen, 2e. wat zij zouden verrichten.

1. Hij gebiedt hun dan, dat zij niet zouden bedenken de dingen die op aarde zijn”. Nu hebben wij natuurlijk geen genegenheid voor iets anders. Er bestaat in onze ziel geen geestelijke begeerte of hemelse bedenking, wanneer wij in onwedergeboren toestand verkeren. Zo diep zijn wij gevallen dat wij de wereld en de dingen der wereld liefhebben, en niets anders kunnen beminnen. Wij hebben geen hart voor iets anders dan de tijdelijke en zinnelijke dingen; neen liever haten wij, omdat ons vleselijk gemoed vijandschap tegen God is, alles wat geestelijk, hemels en heilig is. Een voornaam gedeelte dus, van het werk Gods op de ziel is, het bedenken van deze aardse dingen van ons af te nemen, en onze genegenheden te vestigen op Jezus, waar Hij boven gezeten is opdat wij die dingen liefhebben en haten mogen welke Hij liet heeft en haat.

Maar hoe uitgebreid, hoe nadrukkelijk is de vermaning, “niet te bedenken de dingen die op aarde zijn”. Er is dan, volgens deze onderrichting, geen enkele zaak op aarde waarop wij onze genegenheden zouden vestigen. Wij beminnen onze vrouwen, onze kinderen, onze betrekkingen; en zulks behoren wij te doen; want de mannen worden geboden hun vrouwen liet te hebben als zichzelf (Efeze 5: 25, 33). Maar wij moeten hen niet liefhebben boven God, of onbestaanbaar met onze liefde en gehoorzaamheid jegens Hem, ook moeten wij hen niet alzo liefhebben als wij Hem beminnen, die stierf om ons van de toekomende toorn te verlossen. Onze genegenheid moet niet gevestigd zijn op de dingen die op aarde zijn. Bezigheden, wereldse zorgen, familieaangelegenheden, tijdelijke en zinnelijke dingen, in welke vorm zij voorkomen, welke gedaante zij mogen aannemen, moeten zich niet zodanig rond onze genegenheden wikkelen, dat ze dezelve aan de grond vastkluisteren.

Wij mogen dezelve bezigen als Gods schepselen tot verzorging en onderstand van ons leven, maar wij moeten ze niet misbruiken. Wij kunnen in onze tegenwoordige tijdelijke toestand niet volkomen van de tijdelijke en zinnelijke dingen gescheiden zijn, want de meesten van onze hebben ons brood te verdienen in het zweet van onze aanschijns, of het zwaardere zweet van ons verstand, maar wij moeten er onze genegenheden niet op stellen. Huizen, tuinen, landerijen, eigendommen, vrienden, huisgezinnen, – al deze aardse zaken moeten wij niet beminnen, zelfs indien wij dezelve, of enkelen ervan bezitten, noch er onze genegenheden op vestigen zodat zij afgoden worden. Een voornaam doel Gods in zijn roeden en met een dagelijks kruis is, om ons hart te spenen, los te maken, en af te scheiden van die natuurlijke afgoden, want wij kunnen ze niet omhelzen zonder bevlekking. jakobus spreekt van een hoofdbeginsel van de zuiveren en onbevlekte godsdienst als bestaande in “zichzelf onbesmet te bewaren van de wereld” (Jak. 1: 27).

Dus kunnen wij een kind van God vergelijken bij iemand die in zindelijk gewaad gekleed is, bijvoorbeeld een zeer net geklede vrouw, die haren weg te gaan heeft door een morsige steeg, door een van de ellendige straatjes van Londen. Hoe voorzichtig moet zij voortgaan, hoe nauw moet zij haar klederen bijeenhouden om zich voor besmetting te bewaren. Eveneens is het in de genade: wij hebben door deze wereld te wandelen gelijk een zindelijke vrouw door een nauwe steeg loopt, waar aan weerszijden niets dan vuil en modder is. Gij kunt wellicht niet geloven dat deze fraaie en schone wereld, gelijk zij zich aan uw oog voordoet, zo walgelijk of morsig kan zijn als een achtersteeg van Londen. Maar het is zo, want alles is hier besmet met de morsigheid der zonde. Zo kan een sierlijk voorwerp vuil zijn, omdat het tot een afgod herschapen is. Het kan slechts een bloem, en nochtans een afgod zijn; het kan een lievelingskind zijn, dat elkeen bemint om haar schoonheid of aantrekkelijkheid; nochtans kan het een bevlekkende afgod zijn. Een gekoesterd plan, een lievelingsbespiegeling, kan een afgod zijn. Een korenoogst, een kudde schapen, een goede boerderij, een bloeiende handelszaak, algemene achting, kunnen alle bevlekkende afgoden zijn; want al deze dingen, wanneer zij gretig nagejaagd en bemind worden, trekken de ziel van God af, en door die onmerkbaar van Hem af te voeren, brengen zij bevlekking en schuld in het geweten.

2. Nu zijn wij, of zullen door genade ter bekwamer tijd, door beproevingen en verdrukkingen en de handelingen Gods met de ziel, gespeend en gescheiden worden van de aarde met al haar liefkozingen en genoegens en alle haar bezoedelende afgoden. En als wij begiftigd worden met een geloofsblik van een opgevaren Jezus, en het behaagt Hem zich dierbaar aan de ziel te doen worden door enige ontdekking Zijner liefde en genade, zal het ons hart en genegenheden tot Hem zelf opvoeren. Wij zullen dus bekwaam gemaakt worden, om het stellige gedeelte van het voorschrift ten uitvoer te brengen, hetwelk is te bedenken de dingen die boven zijn, waar Christus is zittende ter rechterhand Gods. Als wij Hem zo leren liefhebben, zullen wij andere dingen minder beminnen; en als het Hem behaagt ons nabij Hem te houden, zullen wij trachten, om gelijk Johannes ons vermaant, onszelf van de afgoden te bewaren, welke slechts ontroerende schuld in ons geweten kunnen brengen.

Ik ben inderdaad wel bewust dat dit alles in onze ziel moet gewrocht worden door de kracht Gods. Ik leg die voorschriften niet neer, noch dring er op aan als wettische plichten, die men moet vervullen, maar als gezegende voorrechten welke door God in ons hart worden gewrocht. Ik weet welk een boos hart ik in mijn borst omdraag, hoe spoedig ik ter zijde afgetrokken en verstrikt ben door de strikken der zonde en van de satan; maar mijn begeerte is om altijd op te zien tot de Heere des levens en der heerlijkheid, dat Hij de mededelingen Zijner genade mag doen afdalen, opdat ik de kracht van Zijn opstanding in mijn hart mag gevoelen, en alzo gespeend worden van die tijdelijke en zinnelijke dingen, en mijn genegenheden meer eenvoudig op Zijn gezegende Majesteit gevestigd mag hebben. En ik weet dat ware godsvrucht altijd deze uitwerking moet hebben. Zij moet het hart zuiveren, en de genegenheden aantrekken. Hetzij gij bet weet of niet, gij kunt er op rekenen, dat er in ware godsvrucht een levende wezenlijkheid is, een levende kracht in de genade Gods; en dat waar God werkt door Zijn Geest, iets moet verricht worden, en gewis iets zal worden gedaan, om een scheiding te maken tussen ons en hen, die zichzelf leven en bedenken de dingen die op de aarde zijn.

De Heere legge, in Zijn oneindige barmhartigheid, deze dingen met grotere kracht en meer gewicht op ons geweten; doe ons hoe langer hoe meer hun ernstig gewicht gevoelen; en leide ons meer levend en bevindelijk in die hemelse waarheden die op aarde zulke dierbare vruchten dragen, en welke zullen bekroond worden “met lof en eer en heerlijkheid op de verschijning van Jezus Christus”, wie met de Vader en de Heilige Geest toekomt even gelijke en eeuwige heerlijkheid.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.