Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De voorrechten en zegeningen van de vereniging met Christus

Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing. Opdat (het zij), gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heere. 1 Kor. 1: 30, 31.

De vrijmacht Gods is een grote diepte – zo’n bodemloze diepte, dat zij volstrekt onpeilbaar is voor het menselijk vernuft. Daarom, onbekwaam of onwillig zijnde om te geloven, wat zij niet kan begrijpen, heeft de mens de vrijmacht Gods ontkend, en met zwakke handen gepoogd, de scepter der Almacht te ontwringen uit de greep van de machtigen Heere van hemel en aarde, de grote en heerlijke Gebieder van alle gebeurtenissen en Beschikker van alle omstandigheden, die “doet naar Zijn wil met het heir van de hemel en de inwoners der aarde, en er is niemand die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij?” (Dan. 4: 35).

Maar omdat wij de vrijmacht Gods niet kunnen begrijpen, is zij daarom minder wezenlijk? Kunnen wij een andere volmaaktheid bevatten van dat grote en heerlijke Wezen, “die een ontoegankelijk licht bewoont, wie niemand ziet noch kan aanschouwen?” Kunnen wij, bij voorbeeld, Zijn eeuwig bestaan bevatten? Is ons verstand in staat om die bodemloze verborgenheid te peilen, dat er een heerlijk zelfbestaand Wezen bestaat, die van alle eeuwigheid is, volgens Zijn eigen verklaring van zichzelf: de Jk zal zijn die Ik zijn zal”. Ons verstand verliest zich in de overpeinzing van een eeuwig, zelfbestaand Wezen; en nochtans is het ontkennen daarvan godverzaking.

Wat zullen wij ook van Zijn Alomtegenwoordigheid zeggen? Dat Hij alle tijd en alle ruimte vervult, zodat waar wij ook zijn mogen, Hij tegenwoordig is. Kan het menselijk verstand zich een aanwezen bedenken, dat zich, om zo te spreken, aan elke plaats verspreidt, en toch slechts één God is? Of beschouwt Zijn Alwetendheid – dat Hij met een blik de harten van miljoenen mensen doorleest. Kunnen wij die volmaaktheid des Almachtigen doorzoeken? En durven wij het nochtans ontkennen, wanneer ons eigen geweten ons verzekert, dat alle dingen naakt en geopend zijn voor de ogen van degene met welke wij te doen hebben?

Of ziet wederom op Zijn Alomtegenwoordigheid, hoe Hij, die de zon, dien heerlijke luchtbol, schiep, ook de kronkelende worm en de slijmerige slak formeerde. Duizelen wij niet als wij pogen de krachten van onze rede te vestigen op een der oneindige volmaaktheden van Jehovah? Op al zulke ijdele redeneerders, die trachten God af te meten met het meetsnoer van het menselijk vernuft, en die op een vermetele wijze verwerpen, wat zij niet kunnen verstaan, mogen wij wel de scherpe taal van Zofar toepassen: zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe de Almachtige vinden? Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt CA doen? dieper dan de hel, wat kunt gij weten? Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee.” En op allen, die willen pogen te begrijpen wat onbevattelijk is, mogen wij wel zijn stekelige beschrijving toepassen van hetgeen de mens wezenlijk is, met al zijn pogingen om zijn aardse wijsheid in te leiden in de hemelse verborgenheden. “Dan zal een verstandeloos mens kloekzinnig worden; hoewel de mens als het veulen eens woudezels geboren is” (Job 40: 7-9, 12).

Maar die trotse redeneerders, die alles voor de rechtbank van het menselijk vernuft voeren, zijn niet de enige lieden die de vrijmacht Gods ontkennen. Er is een geslacht van mensen, en een talrijk geslacht ook, die, omdat de vrijmacht Gods strijdt tegen hun geliefkoosd leerstuk van schepselmedewerking, dat gewoonlijk “vrije wil” genoemd wordt, daartegen strijden met wanhopige vijandschap. Zij zien duidelijk dat de vrijmacht Gods tot op de wortelen toe hun lievelingsleerstelsel afsnijdt, en dat een God, die de vrijmachtige Beschikker is van alle lotgevallen, zich bedroefd weinig bekommert over de vrije wil van de mens, om te doen wat Hem behaagt en te zijn wat Hij wil.

Zij willen daarom gereder de vrijmacht Gods loslaten dan de vrije wil van de mens; en liever dan God te veroorloven de Regeerder te zijn van Zijn eigen wereld, plaatsen zij elke omstandigheid onder het gebied van blind toeval, en een verward gedobber van geluk en fortuin. Maar of mensen het ontkennen, of dat mensen het betwisten, dat deert niet: noch hun verloochening, noch hun bestrijding, zal het plechtig feit veranderen dat God oppermachtig regeert; dat “Hij zit boven de kloot der aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen” (Jes. 40: 22).

Maar het kind der genade, dat onder goddelijke onderwijzing is, wordt, wat ook zijn sterke vooroordelen of zijn vreselijke tegenstand tegen de schriftuurlijke waarheid in de dagen zijner onkunde geweest mogen zijn, vroeger of later tot het gezicht en de erkentenis der vrijmacht Gods gebracht, en ontvangt die, wanneer hij in deze verborgenheid ingeleid is, als een allergezegendste waarheid. In het kort, naar gelang dat het de Heere de Geest behaagt de ogen van zijn verstand te verlichten, ziet hij de vrijmacht Gods in alle dingen. Aanschouwt hij de schepping, dan ziet hij daar een vrijmachtige hand, die de zon in het firmament plaatste en de dageraad zijn plaats deed kennen.

Beschouwt hij zichzelf, zo ziet en gevoelt hij, dat een vrijmachtige kracht hem tot geboorte en aanwezen heeft geroepen; dat hij geen heerschappij had over zijn eigen komst in de tegenwoordige tijd en toestand, geen keuze wie zijn ouders, wat de omstandigheden zijner geboorte zouden zijn, welke bezigheid hij zou vervullen, hetzij minister of boer, of waar zijn lot geworpen zou zijn onder de kinderen der mensen. Over deze omstandigheden, die over zijn gehele leven beslissen, gevoelt hij dat hij niet meer te beslissen had, dan dat hij zulks had over de schepping der zon, of van “het Zevengesternte en de Orion” (Amos 5: 8), en dat de vrije wil niet meer naam of plaats in de beschikking van een van deze gebeurtenissen op aarde had, dan in die van de hemel.

Maar terwijl zijn oog ontsloten wordt om de vrijmachtige hand Gods op te merken, in het vaststellen en bepalen van de omstandigheden van zijn aardse aanwezen, ziet hij hoe alles door oneindige wijsheid geordend en door oneindige macht uitgevoerd was. En als hij komt tot de genade, en met een gelovig oog de handelingen Gods met de ziel kan naspeuren, dan straalt, op een nog meer zichtbare wijze, de vrijmacht Gods op zijn hart; want hij weet zeer wel, dat de vrije wil daar geen plaats had, en dat het niet was “,van degene die wil, noch van degene die loopt, maar des ontfermende Gods”. Hoe duidelijk ziet en gevoelt hij dat het vrijmachtige genade was, die hem eerst op zijn afhellende weg staande hield; vrijmachtige genade, die hem de last der zonde deed gevoelen; vrijmachtige genade, die een roepen en zuchten in zijn ziel verwekte; vrijmachtige genade, die hem aan de voetbank der genade bracht; vrijmachtige genade, die de Zaligmaker openbaarde en de boodschap der barmhartigheid en des vredes aan het hart toepaste.

Zo wordt hij gebracht tot het omhelzen in de eenvoudigheid van het geloof, als God op het hoogst verheerlijkende, en gepast voor de mens, wat sommigen ontkennen en anderen betwisten; en terwijl hij het omhelst, bewondert hij het, verheerlijkt hij het en onderwerpt hij er zich aan. Maar gij zult zeggen: “Wat heeft dit alles met de tekst te maken? Wij zien ten volle met u in uw omschrijving van de vrijmacht van de genade en wij geloven dat het de waarheid is; maar wat heeft zulks te maken met de woorden waarover gij heden voornemens bent te spreken?” Hierop antwoord ik: “Veel in elk opzicht. De vrijmacht Gods, is op onze tekst in levende letters des lichts ingedrukt”. “De vrijmacht Gods in de tekst?” zegt gij: “Ik zie daar geen vrijmacht vermeld”. Neen, het woord niet; maar de zaak is er aanwezig als de woorden ontbreken, en ik heb met zaken en feiten te doen, niet met blote woorden. Dus kan ik de vrijmacht Gods in de breedste trekken op onze tekst gedrukt zien. Ik zie het vooreerst in de uitdrukking: “Uit Hem bent gij in Christus Jezus”.

Wat anders dan vrijmacht is ten volle vervat, zo niet stellig uitgedrukt, in de verklaring dat het is “van God dat de heiligen in Christus Jezus zijn?” want als het geheel en volkomen “van God” is, dan is het geheel en volkomen de vrijmacht Gods. Plaatsten de heiligen Gods te Korinthe zichzelf in Christus Jezus, of plaatste God hen daarin? En als Gad ze in Christus plaatste, zodat Hij hen in Hem een standplaats, en een vereniging met Hem gaf, wat was dat dan anders dan een daad van goddelijke vrijmacht? Maar ik zie het ook in de verklaring welke dezelfde apostel in dezelfde tekst heeft gedaan, dat Christus Jezus “ons geworden is wijsheid van Gode, en rechtvaardigheid, en heiligmaking en verlossing;” want was het niet evenzeer een daad van Gods vrijmachtige genade en macht, om Christus Jezus aan ons en voor ons al deze goddelijke en hemelse zegeningen te doen worden, als om ons een vereniging met Hem te schenken?

Konden wij, kon iemand Hem dit alles voor ons hebben doen zijn? Beraamden wij het plan? Brachten wij het ten uitvoer? Wekten wij Christus op uit de doden? Hebben wij Hem aan de rechterhand Gods in hemelse plaatsen gezet, en Hem tot hoofd over alle dingen voor Zijn gemeente gesteld? Is dit niet geheel en al, van het eerst tot het laatst, van de vrijmachtige wil en de genadige uitvoering van de God aller genade? Wel somt de apostel het geheel op: geloofd zij de God en Vader van onze Heeren Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in Christus”.

Aldus een uitgebreide en schriftelijke grondslag voor de waarheid Gods gelegd hebbende, als in onze tekst voorgesteld, om op te rusten, zal ik nu met Gods hulp en zegen, uw gemoed hoofdzakelijk bepalen bij deze drie bijzonderheden, welke gij er duidelijk in geopenbaard zult vinden:

I. Ten eerste, de vereniging welke de heiligen Gods hebben met Christus Jezus, als verklaard in de woorden: “Uit Hem zijt gij, in Christus Jezus”.

11. Ten tweede, de voorrechten en zegeningen welke uit deze persoonlijke vereniging met Christus Jezus ontspruiten; dat Hij “hen geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid, en heiligmaking en verlossing”.

III. Ten derde, wat de vrucht is van al deze hemelse zegeningen? Het loven en prijzen van de naam des Heeren om hetgeen Hij is in zichzelf, en om hetgeen Hij is voor Zijn volk, “opdat het zij gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heere’.

I. Ik heb u dan in de eerste plaats, met Gods hulp, de vereniging aan te tonen, welke de heiligen Gods in Christus Jezus bezitten. Deze vereniging is de oorsprong en grondslag van elke geestelijke zegening; in het kort mogen wij vrijmoedig zeggen dat er zonder deze vereniging met Christus, geen van deze geestelijke zegeningen bestaat.

1. Maar, teneinde duidelijk de grondslag van deze vereniging met Christus al te schetsen, moeten wij voor enige ogenblikken terugkeren tot die grote en heerlijke waarheid, welke ik op het ogenblik in mijn inleiding u voorstelde, ik bedoel de vrijmacht Gods; want gij zult opmerken dat de apostel niet spreekt, alsof wij onszelf die vereniging met Christus Jezus gaven, zo wij ze in waarheid deelachtig zijn, maar hij voert het op tot een hogere oorsprong, en schrijft het toe aan een heerlijker en verhevener wil dan die, welke in de borst van een veranderlijk schepsel kan huisvesten. “Uit Hem,” verklaart hij, “bent gij in Christus Jezus.” Wijl deze woorden vol hemelse waarheid zijn en inderdaad de groten en hechten grondslag uitmaken, waarop de tekst gebouwd is, laat ons, nadat de Heere ons mag bekwamen, zien hoe deze vereniging, want door de uitdrukking in Christus Jezus wordt vereniging verklaard, uit God is.

a. Zij is dan, vooreerst uit het voornemen Gods. Wat God ook doet, dat verricht Hij in overeenstemming met Zijn eeuwig voornemen. Dit wordt in de Schrift soms “de raad Zijns willens” genoemd. die alle dingen werkt,” zegt Paulus, naar de raad van Zijn wil” (Efeze 1: 11). Tot hetzelfde doel spreekt de apostel in de woorden: “Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in zichzelf,” en in dergelijke taal drukt hij zich uit: “Die ons zalig heeft gemaakt en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons geschonken is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen” (2 Tim. 1: 9). Maar nog duidelijker, zo mogelijk, en klaarder legt hij de plechtige waarheid bloot, waar hij zegt: die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil” (Efeze 1: 5). Wanneer wij nu deze bijbelplaatsen bijeenbrengen, zullen wij in die allen de vrijmacht van Gods wil zien, en dat deze wil zich beslist in zekere vastgestelde voornemens.

Dus komen wij, hetzij wij spreken van “het welbehagen Zijns willens”, of de raad Zijns willens”, of Zijn “welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen heeft,” of “Zijn eigen voornemen en genade,” toch tot hetzelfde punt, de vrijmacht en het oppergebied van de wil van god. Dit moeten wij dus als een fundamentele waarheid stellen, dat de wil van god oppermachtig moet zijn, en oppermachtig zijnde, nooit enige teleurstelling of nederlaag kan ontmoeten. Geen schepsel in de hemel en geen schepsel op aarde kan ooit de uitvoering van Gods wil verhinderen. Geen schepsel in de hemel kon of zou “zulks doen, want Zijn wil wordt daar volmaakt gehoorzaamd; en welke tegenstand enig schepsel op aarde daartegen mag verheffen, Zijn wil moet over alles triomferen, gelijk Hij zegt: “Wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen, en hem tegelijk verbranden zou?” (Jes. 27: 4). Het was dan volgens deze eeuwige wil van god, dat Zijn volk een vereniging met de Zoon Zijner liefde zou bezitten.

b. Maar deze vereniging der gemeente met Zijn dierbare Zoon, was niet slechts overeenkomstig de wil en het voornemen Gods, want die wil en dat voornemen bevatten alle gebeurtenissen en omstandigheden; maar zij was ook uit de liefde Gods. Ik ben dikwijls getroffen door een uitdrukking van onze gezegende Heere in Zijn hogepriesterlijk gebed: “En hen lief gehad hebt, gelijk Gij Mij lief gehad hebt” (joh. 17: 23). Welk een beschouwing geeft ons dit van Gods liefde tot Zijn volk, dat Hij hen lief had met dezelfde liefde, waarmee Hij Zijn eniggeboren Zoon beminde! Maar wij moeten bedenken dat deze liefde tot hen alleen in de Zoon Zijner liefde bestond. Dit deed dus onze Heere zeggen: “Opdat de liefde, waarmee Gij Mij lief gehad hebt, in hen zij, en Ik in hen” (Joh. 17: 26).

c. Maar niet slechts was Gods vrijmacht betoond in het welbehagen van Zijn wil en Zijn eeuwige liefde, maar ook in de uitvoering van Zijn eeuwig voornemen; want het welbehagen Zijns willens kan alleen bekend gemaakt worden door haar uitvoering. In het ten uitvoer brengen, dus, van Zijn eeuwig voornemen en in de uitstorting Zijner liefde, schonk Hij Zijn volk een vereniging met Christus. Dit wordt door onze genadige Heere schoon uitgedrukt: ik heb Uw naam geopenbaard de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven;” en wederom: “Zij zijn Uwe, en al het Mijne is Uwe en het Uwe is Mijne; en Ik ben in hen verheerlijkt” (Joh. 17: 6, 9, 10).

d. Maar deze vrijmacht moet bekend gemaakt worden in openbaring, zowel als in voornemen en uitvoering; want de wil van god is ons een geheim, totdat dezelve de stroom des tijd afvloeit en aan ons hart bekend gemaakt wordt door een goddelijke en hemelse kracht. Zo is er niet slechts een eeuwige gemeenschap met Christus Jezus in het voornemen Gods, en in het geschenk van Zijn volk aan Hem, eer dat de tijd zijn loopbaan begon te lopen, maar er bestaat een geestelijke en levende vereniging, opgebouwd en uitstromende, die der ziel geschonken wordt, wanneer zij wedergeboren wordt door de kracht van Gods genade. De apostel zegt ons, dat ” de God en Vader van onze Heere Jezus Christus Zijn volk gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus” (Efeze 1: 3). Maar deze geestelijke zegeningen berusten op, en vloeien voort uit vereniging met Christus, hetwelk de apostel deed zeggen: gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem voor de grondlegging der wereld”.

Nu is onder deze geestelijke zegeningen de grootste, een geestelijke vereniging met Christus, want daarin is elke andere vervat. Wat dan ook het voornemen Gods mag zijn, of welke eeuwige vereniging iemand met Christus mag hebben, hij bezit geen geestelijke vereniging voor dat hij deelgenoot gemaakt is van Zijn Geest; want: “Zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe” (Rom. 8: g); en wederom: “Die de Heere aanhangt is één Geest met Hem” (1 Kor. 6: 17). Wij zien dus dat de heiligen Gods in Christus Jezus zijn, niet slechts in het oorspronkelijk voornemen Gods, die de grondslag zowel als de oorsprong is van elke anderen zegen; maar dat zij ook “in Christus Jezus zijn” door de uitvoering van dat voornemen in Zijn gift van hen om de Zijn te zijn, en ook “in Christus Jezus” door de openbaring van die vereniging door dat werk der genade aan hun harten, waardoor Christus in hen gevormd wordt, de hoop der heerlijkheid.

2. Maar wij hebben in de Schriftuur vier liefelijke en alleruitdrukkelijkste beelden, waardoor deze vereniging met Christus, als een levende, bevindelijke daadzaak, voorgesteld wordt. Zij hebben allen betrekking op hetzelfde punt; zij prediken allen hetzelfde leerstuk; zij ontvouwen allen dezelfde bevinding; inderdaad, zij zijn zo genadig en goddelijk samengesteld, dat elk ervan dient om de anderen op te luisteren en te bevestigen. Ik zal daarom, in het pogen om meer klaar en duidelijk de hoedanigheid en uitwerkselen van deze hemelse vereniging, deze vier beelden voorstellen, opdat wij daaruit niet slechts een heldere beschouwing mogen verzamelen van hetgeen deze vereniging in zichzelf uitmaakt, maar opdat wij tevens enige bemoedigende getuigenissen mogen opzamelen, dat wij daarvan persoonlijke deelgenoten zijn.

a. Het eerste beeld dat ik zal voorstellen is datgene, hetwelk onze allergezegendste Heere bezigde, toen Hij tot Zijn discipelen zei: Ik ben de wijnstok en gij bent de ranken (joh. 15: 5). Hier stelt de Heere de vereniging voor, welke de gemeente met Hem heeft, door het beeld van een boom, en de takken die daaraan zijn en uit dezelve groeien. Zo gij nu naar een boom ziet, en vooral een wijnstok, zult gij in een ogenblik opmerken dat de ranken buiten de stam geen leven, noch groeikracht, noch zelfs enig wezen bezitten; dat zij nooit enig onafhankelijk bestaan bezaten; dat zij uit de stam groeide, en dat zij geen leven bezitten dan hetgeen zij in gemeenschap daarmee hebben. Zie nog eens op dit punt. Stelt voor uw zielsogen de stam eens wijnstoks, zoals hij eerst tegen de muur geplant was. Wat ziet gij? Een eenzamen stam. Maar beziet hem een weinig nauwkeuriger: nu zult gij uit de bast aan alle zijden van de stam, van boven tot onder, kleine knoppen zien uitspruiten. Terwijl de lente nadert en het sap vloeit, merkt nu op wat volgt.

Eerst zwelt de knop; dan verlengt hij zich tot een tak; dan wordt, nadat het jaargetijde aanbreekt, de tak bekleed met bladeren, bloemen en vruchten. Maar hetzij in de knop, of rank, of bekleed met bladeren, bloemen of vruchten, hij had geen bestaan, onafhankelijk van zijn bestaan in de stam. Zijn wezen was oorspronkelijk in de stam, en hij werd trapsgewijze daaruit ontwikkeld door de meedeling van het leven en de sap, welke in de stam aanwezig waren, waaruit zij kwamen. Zo is het met de leden van Christus; zij hebben geen onafhankelijk bestaan buiten Hem. Onze gezegende Heere zegt daarom zelf: zonder Mij,” of, gelijk het mee kan worden overgezet “afgescheiden van Mij”, kunt gij niets doen. Dus hebben wij zonder vereniging met Christus geen geestelijk bestaan; en wij mogen vrijmoedig zeggen dat wij niet meer een geestelijk aanwezen bezitten in de raad Gods onafhankelijk van Christus, dan de rank van ‘een boom een onafhankelijk bestaan heeft buiten de stam, waaruit zij groeit. Maar gij zult ook in dit beeld van de wijnstok en de ranken opmerken, hoe alle vruchtbaarheid der zaak berust op haar vereniging met de wijnstok.

Welk leven er in de rank ook is, vloeit uit de stam; welke kracht er in de rank is, zij ontspruit uit haar vereniging met de stam; welke bladeren, welke vrucht ook, allen komen steeds voort uit haar vereniging met de stam. En zulks is het geval, of de rank groot of klein zij. Van de grootste tak eens booms af tot de kleinste twijg, allen zijn in vereniging met de stam, en allen trekken leven en voedsel daaruit. Zo is het in de genade: niet alleen is zelfs ons aanzijn, als zonen en dochteren van de Almachtigen Heere, verbonden met onze vereniging met Christus, maar ons welzijn. Al onze kennis daarom, van hemelse verborgenheden, al ons geloof, al onze hoop, al onze liefde in één woord, al onze genade, hetzij veel of weinig, hetzij dat van de zuigeling, het kind, de jongeling, of de vader, vloeit uit een persoonlijke, geestelijke, en bevindelijke vereniging met de Heere Jezus; want wij zijn niets behalve wat wij in Hem zijn, en wij bezitten niets behalve wat wij bezitten uit kracht van onze vereniging met Hem.

b. Neemt nu een ander beeld, dat de Heilige Geest tot hetzelfde goddelijk gebruik gebezigd en geheiligd heeft, dat van een gebouw waarvan de Heere Jezus Christus de grondslag is, en Zijn volk levende stenen, op Hem gebouwd. Dit beeld wordt zeer schoon door de apostel voorgesteld, waar hij, sprekende van de heiligen, zegt dat zij “gebouwd zijn op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is, op welke het gehele gebouw bekwaam samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere: op welke gij ook mee gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest”. Gij zult opmerken dat er hier van het volk Gods gesproken wordt als: gebouwd op het fundament der apostelen en profeten” – dat is de grondslag welke door hen gelegd werd, maar dat Jezus Christus zelf “de uiterste hoeksteen” is; en zij worden voorgesteld als opwassende tot een heilige tempel in Hem.

Uit dit beeld zamelen wij twee bijzonderheden op, ten eerste, dat deze vereniging een vereniging van onderstand is, en ten tweede, een vereniging tevens van levenden en geestelijken invloed. Want er wordt van onze gezegende Heere gesproken als van “de uiterste hoeksteen”, hetwelk de steen is, waarop het gehele gebouw rust. En wanneer de heiligen “opwassen tot een heilige tempel in Christus”, geeft zulks een meedeling van goddelijk leven te kennen, want leven en opwassen gaan altijd gepaard. Maar de apostel Petrus ontvouwt dit beeld op een nog meer duidelijke en gezegende wijze, waar hij zegt: “Tot wie komende als tot een levenden steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar; zo wordt gij ook zelf, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus” (1 Petr. 2: 4, 5).

Welk een wonderlijk verschil nu bestaat er tussen een gebouw, zodanig als waarin wij deze morgen vergaderd zijn, waarvan de stenen dode stenen, en het fundament een dood fundament is, en dat hemelse gebouw, “dat opwast tot een heilige tempel, een woonstede Gods”. In dit geestelijk gebouw, deze heerlijke tempel, voor de eeuwigheid gebouwd, is de grondslag een levend fundament, en de stenen daarop en in vereniging daarmee gebouwd, zijn levende stenen. Alzo rust elke levende steen niet alleen op het fundament als zijn enige steun, maar van deze uiterste hoeksteen die hen ondersteunt, en waarop hij steunt met al zijn gewicht, vloeit er een stroom van hemels leven, welke zich verspreidt over elke steen van het geestelijk gebouw, van welke grootte hij ook mag zijn, of welke plaats hij besla; en hoe zwaarder en nauwer elke steen op het fundament drukt, hoe meer leven er invloeit.

Alzo op Christus gebouwd te zijn is niet bloot op Hem te rusten als het fundament, gelijk de stenen zulks doen in een letterlijk gebouw, maar alzo op Hem te rusten dat een kennelijke meedeling Zijner genade in elke levenden steen kan vloeien, die er mee in vereniging is. Merk hierop uit een bevindelijk oogpunt. Als de genade Gods in uw hart zij, zal er een berusten op de Persoon des Heeren Jezus Christus bestaan. Gij zult op Hem leunen met al het gewicht van uw zonden en smarten; en hoe zwaarder zij u neerdrukken hoe meer gij op Hem zult leunen. Nu zult gij ondervinden dat, naarmate gij op Hem leunt, er een meedeling van leven uit Zijn volheid aan uw ziel zal zijn; en zo dit meer en meer aan uw hart ontsloten wordt, zal er een meer uitsluitend rusten op Hem bestaan in elke twijfel en elk bezwaar, in elke beproeving en verzoeking, want gij zult bevinden dat gij uw bezwaren niet alleen kunt dragen, want: wee hem die alleen staat, wanneer hij valt” (Pred. 4: 10). En gij zult ook bevinden dat wanneer gij kunt ophouden van alle pogingen en alle streven van uzelf, en Hem door het geloof vastklemt, gelijk de steen het fundament vastklemt, er een meedeling uit Zijn volheid zal zijn, om elke genade des Geestes in uw hart in levende oefening te houden.

c. Maar neemt een ander beeld, want ik wens dit onderwerp te ontsluiten gelijk de Heilige Schrift het gelegd heeft, dat van het hoofd en de leden. Hiervan wordt duidelijk gesproken door de apostel, zowel in de Zendbrief aan de Efezen als in dien aan de Colossensen. Ik zal de laatste nemen, als de duidelijkste: “Het Hoofd niet behoudende, uit hetwelk het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijke wasdom” (Kol. 2: 19). Hier wordt de gezegende Heere voorgesteld als het Hoofd, en Zijn volk als de leden van Zijn geestelijk lichaam. Nu weten wij welk een innige vereniging de leden van ons lichaam hebben met het hoofd en met elkaar, en dat, gelijk ik heb aangetoond in het geval van de wijnstok, onze lichamelijke leden nooit enig onafhankelijk bestaan hadden; zij hebben nooit bestaan buiten vereniging met het hoofd en met elkaar.

Zo is het in de genade; de heiligen Gods, als heiligen van God beschouwd, hadden nooit enig bestaan, behalve in vereniging met de Zoon van God. In Hem waren zij verkoren, gelijk de apostel verklaart: gelijk Hij “ons uitverkoren heeft in Hem”. In Hem zijn zij “aangenomen” (Efeze 1: 5); in Hem hebben zij hun erfenis verkregen (Efeze 1: 11). Maar wij moeten bedenken dat, gelijk geen beeld volkomen de verborgenheid der vereniging met Christus kan voorstellen, zo ook dit beeld van het Hoofd en de leden te bekrompen is in de hemelse wezenlijkheid, die daarin wordt afgebeeld. Ons letterlijk hoofd verschilt niet van onze leden in hoedanigheid en wezen; maar Christus, ons heerlijk Hoofd, verschilt oneindig van ons, als zijnde de eeuwige Zoon van God, één met de Vader en de Heilige Geest in de eenheid van het goddelijk Wezen. Hij is daarom, als ons geestelijk Hoofd, geestelijk meer voor ons, dan ons hoofd voor ons natuurlijk lichaam, als zijnde alles voor ons; want wij ontvangen uit Hem ons gehele leven en onze gehele vruchtbaarheid.

Als ons Hoofd, is Hij niet slechts over ons om te regeren en te besturen, maar ook om ons, uit Zijn eigen volheid, elk geestelijk geschenk en elke genade mee te delen. Maar deze meedeling is slechts uit kracht van een nauwe, innige en levende vereniging met Hem. Dus ontspruit alles dat ons maakt tot en openbaart als heiligen Gods, uit een zo nauwe vereniging met Hem als die welke onze leden hebben met ons letterlijk en natuurlijk hoofd. Waar zijn onze ogen anders dan in ons hoofd? Onze oren dan aan het hoofd? Onze reuk, onze smaak, onze spraak behalve in het hoofd? Van waar zijn onze krachten van denken, overpeinzing, geheugen, of beweging? Hebben zij niet allen hun middelpunt in, en vloeien zij niet uit het hoofd? Zodanig is Christus als “Hoofd boven alle dingen voor de gemeente, welke Zijn lichaam is, en de vervulling van degene, “die alles in allen vervult” (Efeze 1: 22, 23).

d. Maar er is ook een ander beeld hetwelk de Heilige Geest gebezigd heeft om deze levende vereniging tussen Christus en Zijn gemeente voor te stellen, die van man en vrouw, die één vlees zijn, een naam hebben, één belang, en één genegenheid, de nauwste van alle verenigingen tussen natuurlijk onderscheiden personen. Dus voegt de apostel, de mannen vermanende hun eigen vrouwen lief te hebben, en de oude verklaring aanhalende, dat “een man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw zal aanhangen, en zij twee zullen tot één vlees wezen,” er bij: “Deze verborgenheid is groot, doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente” (Efeze 5: 32).

Zij wordt daarom de vrouw des Lams genoemd, (Openb. 19: 7); en de heilige stad, het Nieuwe Jeruzalem” een beeld van de gemeente in haar verheerlijkten staat, wordt gezegd te zijn: “toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is” (Openb. 21: 2). Op dit beeld is het gehele Hooglied van Salomo gebouwd; en in vele bijbelplaatsen in het Oude Testament spreekt de Heere van Zijn gemeente als aan Hem “ondertrouwd” zijnde in die nauwste en tederste van alle verenigingen, als bijvoorbeeld in Hosea: “Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid;” en wederom: “Het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere, dat gij Mij noemen zult: mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baäl,” dat is mijn Heer of Meester (Hos. 2: 15). Deze vereniging bestaat in twee zaken, een deelgenootschap van dezelfde natuur, waardoor de Heere deel heeft aan haar vlees, en een deelgenootschap van Zijn Geest, waardoor zij gedoopt is in een geestelijke vereniging met Hem.

Deze vier beelden nu heeft de Heilige Geest gebezigd om de vereniging af te beelden, welke de heilige Gods heeft met Jezus Christus; en ofschoon zij van elkaar verschillen, zo vloeit er nochtans een algemene hoofdtrek door die allen, die van een vereniging, van de innigste en onontbindbaarste aard, vastgesteld, uitgevoerd, en geopenbaard als het vruchtgevolg van oneindige wijsheid, liefde, en genade, en de enige oorsprong en fontein van alles, dat ons heilig en gelukzalig kan doen zijn, beide voor de tijd en de eeuwigheid.

3. Maar de vraag kan oprijzen: Hoe kunnen wij onze bewustheid verzekeren van een persoonlijk aandeel in deze vereniging? Het is niet het zien daarvan in het Woord, of het toestemmen daarvan als een grote en heerlijke waarheid, dat er ons enig schriftuurlijk bewijs of persoonlijk aandeel in geeft. Wij moeten het getuigenis des Geestes aan onze geest hebben, dat wij kinderen Gods zijn, en vooral de Geest der aanneming tot kinderen, om God “Abba, Vader,” te noemen.

Dit is gedoopt te zijn met de Heilige Geest, in dezelfde Geest met Christus. Wanneer het u dus gegeven wordt, te drinken in een Geest met de Heere, en het Hem behaagt Zijn Persoon en werk, bloed en liefde, genade en heerlijkheid, aan uw ziel te openbaren, geeft het u een kennelijk bewijs, en ik mag wel zeggen het hoogste en grootste van alle bewijzen, van uw eeuwige vereniging met Hein. Hoe weet de tak eens booms, zo te zeggen, of liever, hoe openbaart hij zijn vereniging met de stam? Door het ontvangen van sappen uit zijn stam, die vloeien in zijn weefsels en vezelen, en hem bekleden met bladeren, en bloemen en vruchten. Hoe weet de steen, om zo te spreken, zijn vereniging met het fundament? Door daarop voortdurend te leunen en de ondersteuning te gevoelen welke het geeft, en de kracht die hij meedeelt.

Hoe kennen de leden des lichaams hun vereniging met het hoofd? Doordat zij daardoor bestuurd worden, handelen in gehoorzaamheid daaraan, en voortdurend daardoor geregeerd worden. Hoe kent de vrouw haar vereniging met haren echtgenoot? Door terug te zien naar de dag waarop de huwelijksband toegeknoopt werd, en door te weten dat dit het middel was, waardoor zij tot één vlees werden. Zo is het in de genade. Wij hebben onze vereniging met Christus te kennen uit haar kennelijke uitwerkselen, door de bevindelijke meedeling van Zijn Geest, als in de wijnstok; van Zijn steun, gelijk op het fundament; van Zijn leven en invloed, gelijk in het hoofd; en van Zijn liefde en gemeenschap, gelijk in de man. Wanneer wij dus in Hem leven, gelijk de rank in de wijnstok; als wij op Hein leunen, gelijk de steen op zijn fundament; als wij ons in Hem bewegen, gelijk het lichaamsdeel in het hoofd; en als wij Hem in liefde en genegenheid omhelzen, gelijk de vrouw haren man dan zal zulks het duidelijkste bewijs zijn van onze vereniging met Hem.

Maar deze vereniging is niet altijd even helder voor de heilige Gods. Er kan een wezenlijke vereniging bestaan, en nochtans kan, door twijfeling en vrees, uit de zwakheid van het geloof, de verzoekingen van de satan en de werkingen van een misleidend hart, een bewustheid van deze vereniging veel verdonkerd worden. Het is daarom noodzakelijk te zien op hetgeen ik kleinere bewijzen, kenmerken, en tekens zou kunnen noemen, welke de Heere genadig in Zijn Woord geschonken heeft, om deze twijfelingen en bezwaren op te helderen. Het grote punt van vereniging met Christus is, gelijk ik heb aangetoond, het bezit van Zijn Geest; want Hij is één met ons door een deelhebben van onze natuur, wij zijn één met Hem door een deelgenootschap van Zijn Geest.

Waar nu Zijn Geest is, daar zullen gewisse vruchten van Zijn inwonende tegenwoordigheid bestaan, want de Geest is nooit zonder Zijn vruchten, waar Hij ooit is met Zijn inwonende tegenwoordigheid en kracht. Er zal daar berouw over de zonde zijn, geloof in de Heere Jezus Christus, een hoop op Zijn genade, liefde tot Zijn naam, de vrees Gods in een teer geweten, afzondering van de wereld, een geest van het gebed, ware nederigheid des gemoeds en zelfvernedering voor de Heere; er zullen ook soms hemelse genegenheden en een genadig verlangen bestaan, een kennelijk verfoeien van alle kwaad en een aanhangen van alles wat goed is. Zodat, als gij niet altijd of dikwijls uw vereniging met Christus kunt erkennen door de invloeiing van Zijn liefde en gemeenschap, en door de rechtstreekse getuigenissen van Zijn Geest, gij toch op deze kleinere bewijzen tot uw welzijn mag merken, en, nadat de Heere u bekwame, uit dezelve een troostvolle hoop opmaken dat gij waarlijk vereniging bezit met de Zoon van God, en dat Hij bezit van uw hart heeft genomen.

II. Maar ik ga nu voort om enige van de voorrechten en zegeningen van deze vereniging met Christus aan te tonen, want zij is geen onvruchtbare vereniging. Vestig slechts een ogenblik, als een bewijs hiervan, een enkelen blik op de beelden, welke ik uit het Woord der waarheid heb voorgesteld. Is niet de vereniging van de wijnstok en zijn ranken een vruchtbare vereniging? “Zo draagt gij veel vrucht” zei onze Heere tot Zijn discipelen. Is niet de vereniging van het fundament en de levende stenen een vruchtbare vereniging, als het gevolg is een opwassen van een heilige tempel voor de Heere? Is niet de vereniging van het hoofd met de leden een vruchtbare vereniging, wanneer het leven, de gezondheid en elke bedrijvige beweging des lichaams daarmee in verband staat? En is niet de vereniging van man en vrouw een vruchtbare vereniging, wanneer de olijftakken de tafel omringen? Zo is het eveneens door de voordelen en zegeningen die uit deze vereniging met Christus ontspruiten, en door het bezit en het genot ervan, dat wij vooral in staat zijn het gezegende feit te bevestigen dat wij één met Hem zijn.

1. In onze tekst worden vier hoofdzakelijke voordelen en zegeningen gezegd te ontspruiten uit onze vereniging met Christus, want de apostel verklaart dat Hij “ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking en verlossing”.

Ik heb tevoren aangetoond dat het geschenk van Christus aan ons, in ons en voor ons zulk een bronwel van hemelse zegeningen zowel als een daad van de vrijmacht Gods is, als het schenken aan ons van een vereniging met de Zoon Zijner liefde. Wij zien dus de vrijmacht Gods Christus en de gemeente hecht vaststellen, en indien ik de uitdrukking mag bezige, onvernietigbaar aan elkaar geklonken, haar in Christus schenkende en vastmakende, en Christus in haar schenkende en vastmakende. Maar laat ons nu deze omschreven voorrechten beschouwen, en door het oog van het geloof bezien hoe Christus Jezus van God ons een elk van deze hemelse zegeningen gemaakt is.

a. Vooreerst dan, is Hij ons gemaakt tot wijsheid. De Heere weet wat wij zijn, als zo diep, zo vreselijk gezonken in Adams zondeval. Adam was wijs zowel als oprecht, maar bij de zondeval waren beiden als in een ogenblik vervlogen, want dezelfde vreselijke vermorzeling die zijn onschuld in stukken brak, verbrijzelde en verwoestte zijn wijsheid, en alzo werd hij een dwaas, zowel als een zondaar. Deze dwaasheid erven wij van hem, want dwaasheid is in het hart van een kind opgehoopt”. God dus, als volkomen bekend met de dwaasheid van ons gemoed, met onze ellendige onwetendheid en onbekwaamheid om de weg der zaligheid uit te denken, of daarin te wandelen wanneer die uitgedacht was, heeft ons barmhartig en genadig in de gewesten der zaligheid Een geschonken, die voor ons en ten onze behoeve oneindig zal zijn, boven wat wij verloren ‘hebben, en heeft Hem daarom tot onze “wijsheid” gemaakt. “Het heeft de Vader behaagd dat in Hem al de volheid wonen zouden daarom een volheid van wijsheid zowel als van alle andere goddelijke genade; en van deze wijsheid deelt Hij uit Zijn volheid mee aan Zijn gelovig volk.

Ik houd er niet van, juist bepaald te zeggen dat Zijn wijsheid de hun is door toerekening, en echter kan het in zekere zin zo genoemd worden. Neemt b.v. het beeld van het hoofd en de leden. Is ons hoofd niet, in zekere zin, wijsheid voor elk lichaamslid? Draagt het niet de verantwoordelijkheid van elke beweging, zodat al de wijsheid of bekwaamheid, welke enig lichaamslid bezit, beschouwd kan worden als in het hoofd bestaande? Bestuurt het oog niet de handen en voeten? Luistert het oor niet voor het gehele lichaam? Denken de hersens, en spreekt de tong niet voor elk lichaamslid? Dus zien wij natuurlijk dat al onze wijsheid in ons hoofd ligt, en de wijsheid van ons hoofd wordt op rekening van al de leden gesteld. Zo is geestelijk al onze hemelse wijsheid in ons Verbondshoofd. Het volk van God ziet en gevoelt hun onwetendheid en dwaasheid; hun onbekwaamheid om hun eigen voeten te besturen in het pad der waarheid en des vredes; hun dagelijkse ondervinding overtuigt hen, hoe licht zij in de strikken der zonde en van de satan verward worden; hoe verduisterd hun verstand, hoe hard hun hart, hoe vleselijk hun lichaam is, wanneer de Heere geen licht, leven en kracht aan hun zielen meedeelt.

Teneinde dus deze ellendige kwaden te genezen en te overwinnen, onder welke zij kermen en zuchten, bezwaard zijnde, is Jezus Christus hun wijsheid geworden van God; zodat, wanneer de God en Vader van onze Heere Jezus Christus op Zijn dierbare Zoon in de gewesten der zaligheid ziet, beschouwt Hij Hem als hun vertegenwoordigend hoofd, en ziet al de wijsheid, welke zij behoeven, in deze eeuwige volheid opgehoopt. Alzo rekent Hij, gelijk Hij hen hun zonden niet toerekent om Christus’ gerechtigheid, hen hun dwaasheden niet toe, om Christus’ wijsheid. “Gij bent wijzen in Christus,” zegt de apostel tot de Corinthiërs (1 Kor. 4: 10). Wijs door uw vereniging met Hem. Nu deelt Hij van deze wijsheid, die zonder mate in Christus woont, aan Zijn volk mee. Zij hebben die niet van zichzelf. Wat zij bezitten, is hun vrijwillig, goedschiks en overvloedig geschonken, zonder bepaling en zonder verwijt.

Maar het zal goed zijn om te letten op enige der vruchten van deze wijsheid, als goddelijk meegedeeld aan de heiligen Gods. Aldus is het zien van hun hopeloze toestand, en hun vlieden van de toekomende toorn; hun pleiten om genade; schreien om een openbaring van schuldverzoenende liefde; hartgrondig en diepgaande overtuigd te zijn, dat er geen zaligheid bestaat door de werken der wet; en wanhopen aan hun gerechtvaardigd te zullen worden door hun eigen rechtvaardigheid; altijd de dag van de dood, en des oordeels na de dood bedenkende, een gedeelte van deze wijsheid; gelijk Mozes luide uitriep: “0 dat zij wijs waren! zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken” (Deut. 32: 29). –

Op Jezus te zien door het oog van het geloof; Hem te zien als de Zoon van God, bekwaam tot het uiterste te behouden allen die door Hem tot God gaan;” en de schatten van liefde en genade te beschouwen, die in Zijn bloed en gerechtigheid geborgen zijn, is ook een deel van deze wijsheid. Het kwade te verlaten en alles dat goed is te zoeken; de voorschriften te gehoorzamen zowel als de ‘beloften te geloven; teer, voorzichtig en nauwgezet in de vrees Gods te wandelen; te lezen, bidden en overdenken; gemeenschap te oefenen met het hart, en altijd goddelijke onderwijzing te zoeken, is ook een gedeelte van deze wijsheid. In het kort, deze wijsheid is onvermijdelijk tot elke rechte beweging in het hart, mond en leven; tot elk goed woord en werk; tot ons gedrag in de kerk en in de wereld; en tot alles dat een heilige wandel betaamt.

Dit gevoelt het volk van God ‘diep. Wel weten zij, dat zij geen enkele waarheid recht kunnen zien, buiten het licht te zien in Zijn licht. Geen enkelen strik, geen gevaar kunnen zij vermijden, dan door Zijn waarschuwende stem en besturende hand; geen leerstuk kunnen zij bevatten, geen belofte geloven, geen voorschrift gehoorzamen, buiten dat het Hem, die ons gemaakt is wijsheid van God, behaagt het aan het hart mee te delen. Maar, door op Hem te zien, en uit Zijn volheid toevoer van hemelse onderwijzing te ontvangen, welke Hij hen meedeelt door het woord Zijner genade, tot leven en geest aan hun harten gemaakt, worden zij wijs gemaakt tot zaligheid; en dus vloeit er uit hun leven en vereniging met Hem wijsheid in hun boezem uit Zijn volheid, gelijk in het beeld van de wijnstok, de sappen uit de stam in de ranken vloeien.

Gelijk Hij dus hun voorbeeldige wijsheid is in de hemelse hoven, hun Raadgever en Voorspraak zijnde, die zaak bepleit, zo is Hij hun uitwerkende wijsheid, door de meedeling van deze wijsheid aan hun harten, want al de wijsheid die zij bezitten ontspruit uit Zijn volheid. En Hij is hun wijsheid tevens als zijnde het einde en het voorwerp van al de wijsheid, die zij bezitten of behoeven, want de hoogste, grootste en beste van alle wijsheid is Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding; om bevindelijk de schoonheid en heerlijkheid van Zijn goddelijke Persoon te kennen; de uitwerking van Zijn verzoenend bloed en van Zijn rechtvaardigende gerechtigheid te genieten; en boven alles ons gelukzalig en eeuwig aandeel te kennen in alles wat Hij is in alles wat Hij bezit voor de gemeente Gods.

b. Maar Hij is ons ook van God gemaakt tot Rechtvaardigheid. Wij moeten allen zonder uitzondering voor de rechtbank Gods verschijnen; en hoe kunnen wij daar staan, tenzij wij een rechtvaardigheid bezitten waarmee de wet Gods ten volle bevredigd zal worden? De Schrift verklaart dat onze gerechtigheid is “als een wegwerpelijk kleed”. Daarin kunnen wij dus niet voor de troon van God verschijnen. Maar onze gezegende Heere heeft een gerechtigheid uitgewerkt, door een volledige en volkomen gehoorzaamheid aan de wet, welke wij verbroken hebben. Hij heeft die volkomen gehoorzaamd in gedachten, woorden en daden; en deze rechtvaardigheid wordt toegerekend aan hen die geloven. Dit is ons bruiloftskleed; dit is onze rechtvaardigmaking. Wij bezitten geen andere, waarin wij voor de troon van God kunnen bestaan.

Maar dit kleed der gerechtigheid, hetwelk hen die geloven, wordt toegerekend, is volmaakt, omdat het de gehoorzaamheid is des Zoons Gods, en hierdoor worden allen die geloven, gerechtvaardigd van alle dingen, waarvan wij niet gerechtvaardigd konden worden door de wet van Mozes. Ik zal echter niet langer bij dit onderwerp verwijlen, daar het er een is hetwelk ik u dikwijls voorgesteld heb, en waarin gij, naar ik vertrouw, door de genade Gods goed bevestigd bent. Ik ga dus over tot de volgende hemelse zegening.

c. Hij is ons van God gemaakt tot heiligmaking. Het is een plechtige verklaring van de apostel dat zonder heiligmaking niemand de Heere zien zal” (Hebr. 12: 14). Daarom, deze heiligheid te bezitten, is een noodzakelijke en onmisbare geschiktheid voor de erfenis der heiligen in het licht; maar deze geschiktheid moet in ons gewerkt worden door de kracht van Gods genade, want ik ben zeer verzekerd dat wij er in ons zelf niets van bezitten. Maar ziet haar noodzakelijkheid eens in. Welke zaligheid zou er in de gewesten der zaligheid kunnen zijn, tenzij wij een natuur bezaten om die te genieten? Tenzij wij bekwaam gemaakt waren om Christus te zien gelijk Hij is, en Zijn tegenwoordigheid voor eeuwig te genieten, zou de hemel voor ons geen hemel zijn. Niets onreins of onheiligs kan daar binnen komen. Heiligmaking moet daarom in ons gewerkt worden door de kracht Gods, om ons geschikt te maken voor de hemelse erfenis.

Maar aangezien dit een vrij belangrijk onderwerp is, wensen wij er enige ogenblikken aan te wijden. De apostel verklaart dat de Heere Jezus Christus ons “van God geworden is tot heiligmaking”. Nu is Hij zulks op onderscheiden wijzen. Hij is zulks, vooreerst, als onze verbondene Vertegenwoordiger, dat is, Hij vertegenwoordigt in de tegenwoordigheid Gods, als het Verbondshoofd der gemeente, haar als volmaakt in heiligheid. Maar Hij is ook de oorsprong en fontein van alle heiligmaking, want al de heiligheid, die ooit bezeten is door allen of een der heiligen Gods, is uit Zijn volheid ontvangen. En Hij is ook hun heiligmaking door toerekening, doordat de heiligheid van Zijn natuur hen wordt toegerekend, want zij zijn “volmaakt in Hem”, en de heerlijkheid van Zijn menselijke natuur, met de verdiensten van Zijn gehoorzaamheid en lijden en bloedstorting, worden op rekening van het volk van God gesteld, in welke zin Hij gezegd wordt hen “door Zijn eigen bloed te hebben geheiligd” (Hebr. 13: 12).

Maar behalve deze voorbeeldige, toegerekende en verdienstelijke heiligmaking, is Hij zulks als de wortel van alle heiligmaking, want het is in Hem ingeënt ‘en geplant te zijn, dat wij delen in de wortel en de vettigheid van de olijfboom. Hij deelt daarom mee van Zijn Geest en Zijn genade om ons hemelse genegenheden, heilige verlangens, genadige gedachten en tedere gevoelens te schenken, en boven alles die liefde, waardoor Hij bemind wordt als de allerbeminnelijkste.

Door de heiligende werkingen van Zijn Geest, scheidt Hij ons van alle kwaad, of plant Zijn vrees diep in het hart, zodat zij een fontein des levens mag zijn om de strikken des doods te verlaten, en werkt hier in ons een gelijkvormigheid aan Zijn lijdend beeld, opdat wij hiernamaals aan Zijn heerlijk beeld gelijkvormig gemaakt mogen worden. Zo is er een volkomen en onvolkomen heiligmaking, volkomen door toerekening, onvolkomen in haar tegenwoordige werkingen. Maar de een is het onderpand van de andere, zodat, zo zeker als Christus nu Zijn volk in de hemel voorstelt als hun heilig Hoofd, zo zal Hij hen ook feitelijk brengen om voor eeuwig met Hem in de verblijven van volkomen heiligheid en volmaakte zaligheid te zijn, welke Hij voor hen bereid heeft als woningen van eeuwig licht en liefde.

d. Wij naderen nu tot de laatste zegening waarvan onze tekst spreekt: verlossing.

Dit woord behelst onderscheiden zaken.

Het bevat vooreerst een toestand van gevangenschap, want in oude tijden konden krijgsgevangenen, in tijden van oorlog, alleen verlost worden door een losprijs welke voor hen werd betaald. Zo lezen wij telken male van de kinderen Israëls dat zij “uit Egypte verlost, uit het diensthuis uitgeleid” waren, hetwelk hun gevangenschap onder Farao te kennen geeft.

Het wordt soms toegepast op een verlossing van de dood, gelijk in de verlossing der eerstgeborene, of van de onreine dieren wier nek gebroken moest worden, tenzij wij gelost werden.

En soms wordt het toegepast op een verlossing van schuld, gelijk het dikwijls gebeurde dat een schuldenaar voor slaaf verkocht werd.

In al deze drie betrekkingen is Christus van God “ons geworden tot verlossing”, van de gevangenschap der zonde, van de vloek der wet, van de vreselijke schuld, welke wij aan de goddelijke gerechtigheid verschuldigd zijn, heeft de gezegende Heere allen verlost, die in Zijn naam geloven.

Ziet nu eens, bij wijze van terugzicht, welke hemelse zegeningen er zijn voor diegenen, die een levende vereniging met de Zoon van God hebben. Alles is voor hen aangebracht dat tot hun zaligheid en hun heiligmaking dienen zal. Niet een enkelen zegen heeft God onthouden, die tot hun eeuwig welzijn zal strekken. Beschouwt hen als dwaas, onkundig, onbekwaam om de weg te zien, gekweld en bedroefd door duizenden moeilijkheden, door de zonde verontrust, door de satan verzocht, veraf op de zee. Hoe zullen zij de hemelse oever bereiken? God heeft, door een oneindige daad van vrijmachtige liefde, Zijn dierbare Zoon tot hun wijsheid gemaakt, zodat er niet één zo zal dwalen dat hij geheel en al verdwaalt, niemand de weg zal mislopen uit gebrek aan hemelse onderrichting, om dezelve te vinden of daarop te wandelen. Hun heerlijk Hoofd, dat in de hemel is, is hun van God wijsheid op aarde gemaakt, teneinde hen naar hun hemelse erfenis te brengen.

Hij ontsluit Zijn woord aan hun harten, Hij zendt een lichtstraal in hun boezem neer, die de heilige bladen verlicht, en hun voeten bestuurt in het pad der waarheid en des vredes. Als zij dwalen brengt Hij hen terug, als zij struikelen richt Hij hen op, en welke ook de moeilijkheden zijn mogen die hun pad belemmeren, vroeger of later komt er enige vriendelijke onderrichting of hemelse aanmoediging van Zijn genadige Majesteit. ‘Dus zal de reizende man, ofschoon een dwaas, niet dwalen op het pad des levens, want daar zijn genadige Heere zijn “wijsheid” is, leidt Hij veilig voort door elke moeilijkheid, totdat Hij hem voor Zijn aangezicht stelt in heerlijkheid.

Maar zij behoeven een gerechtigheid. Hoe kunnen zij voor de troon staan, ziende dat zij uit en van zichzelf zulke arme, onreine, bevlekte schepselen zijn? God heeft een weg ontsloten. Zijn dierbare Zoon heeft voor hen een volmaakt kleed der gerechtigheid vervaardigd; en de Heilige Geest brengt dat nabij, en bekleedt hen daarmee, zodat zij daarin onbevlekt en onbesmet voor de troon staan.

Maar buitendien zijn zij onheilig; zelfs hun natuur is bevlekt; zij zijn werelds en vleselijk, en hebben van nature geen smaak naar hemelse dingen. De gezegende Heere is hen van God geworden heiligmaking, teneinde hen niet alleen de heiligheid Zijner natuur toe te rekenen, maar ook de Heilige Geest in hun boezem te zenden, teneinde hun een nieuw hart en een nieuwe geest te schenken, teneinde hen met hemelse genade te voorzien, om in hun ziel geestelijke genegenheden te verwekken, en hen met elke vrucht van het nieuwe verbond te versieren.

Maar wederom, zij hebben zich aan de zonde en de satan verkocht; zijn dikwijls in diepe gevangenschap aan een lichaam der zonde en des doods; zijn duizend talenten schuldig, waarvan zij geen enkelen penning kunnen betalen. De Zoon van God is hen van Gode geworden “verlossing”, teneinde hun schuld af te betalen, hun wettische boeien te verbreken, de gevangenen in vrijheid te stellen, en ze tot de heerlijke vrijheid der kinderen Gods te voeren.

En al deze hemelse zegeningen zijn verbonden met, en vloeien voort uit hun vereniging met Christus. Hoe noodzakelijk is het dus, in staat te zijn, enige inwendige bewustheid van deze vereniging met Christus te verwezenlijken; want als wij ons persoonlijk aandeel daarin kunnen zien, dan zijn ~al die zegeningen de onze. Kunnen wij die verwezenlijken? Gevoelen wij dezelve? Zijn wij er bevindelijk mee bekend? Kennen wij iets van de Heere Jezus Christus door enige openbaring van Zijn Persoon, Zijn werk, Zijn liefde, Zijn bloed, en Zijn genade; door enige onderwijzing van Zijn gezegenden Geest, door enige meedeling van Zijn licht, leven en kracht aan ons hart; enig levend geloof in Zijn naam, enige hoop op Zijn barmhartigheid, enige liefde tot Hem die de allerbeminnelijkste is?

Wanneer wij deze dingen meer of minder in onze boezem kunnen opmerken, verwekken zij een bewijs van onze vereniging met de Zoon van God; en wanneer wij deze vereniging meer en meer helder kunnen zien, dan verrijst ons geloof, om Hem te omhelzen, als hun van God geworden tot al deze hemelse genaden. Onder een diepe bewustheid van onze onkunde en dwaasheid, gaan wij tot Hem om onderwezen te worden als onze wijsheid; onder een besef van onze naaktheid gaan wij tot Hem om bekleding als onze gerechtigheid; onder een kennis van de vleselijkheid van ons hart, en onbekwaamheid om iets te zijn dat goed is, gaan wij tot Hem als onze heiligmaking; de slavernij der zonde en van de satan gevoelende, gaan wij tot Hem als onze verlossing. Dit is, gebruik van Hem maken; dit is uit Zijn volheid ontvangen; dit is in Zijn naam te geloven tot het eeuwige leven; en dit is de zaligheid te verwezenlijken van een persoonlijke vereniging met de Zoon van God.

III. Terwijl nu deze dingen bevindelijk verwezenlijkt worden, komt er loven en prijzen van de naam van God, en een roemen van de Heere alleen. opdat het zij gelijk geschreven is: Die roemt roeme in de Heere.” Maar waar is zulks geschreven? Is het niet in Jeremia? Jen wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkte; en de rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom; maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat en Mij kent” (Jer. 9: 23, 24). Zo worden wij dan veroorloofd te roemen. Maar in wat en in wie? Niet in onszelf: dat is voor eeuwig vernietigd. De Heere heeft voorgenomen verachting uit te gieten over allen menselijke roem, opdat niemand zou roemen in zichzelf, wat hij ook zijn of wat hij bezitten mag.

Maar wanneer iemand een gezicht heeft van de Zoon van God in Zijn schoonheid, in Zijn gepastheid, in Zijn hemelse genade en goddelijke heerlijkheid; dan kan en mag hij roemen in de Heere. Hij kan zeggen: “O welk een Heere is er omhoog! Hoe heerlijk is Hij in Zijn uitnemendheid; hoe heerlijk Zijn wijsheid, Zijn rechtvaardigheid, Zijn heiligmaking, en Zijn verlossing. Laat mijn gehele roem daarin bestaan; laat ik er voor mijzelf geen enkel stofje van nemen. Indien ik wijs ben, laat ik Hem de roem toebrengen van mijn wijsheid te zijn; ben ik rechtvaardig, laat ik Hem de eer toebrengen van mijn rechtvaardigheid te zijn; bezit ik enige vrucht des Geestes, laat ik Hem de roem toebrengen van mijn heiligmaking te zijn; ben ik verlost van dood en bel, laat de roem van mijn verlossing de Zijne zijn.” Dit is te doen, wat de Heere wil dat wij doen zullen, roemen in Zijn dierbare Zoon.

En de Heere zal al Zijn volk vroeger of later op die plaats brengen. Hij zal hun zulke beschouwingen geven van de uitwerkselen van de zondeval, van de ellenden der zonde, en van hun eigen hulpeloosheid; en zal hun zulke genadige beschouwingen schenken van Zijn dierbare Zoon, die ben zullen spenen van het roemen in het schepsel, en doen roemen in de Heere als hun gehele zaligheid en al hun verlangen. Het mag zijn door een langdurige reeks van strenge kastijding, maar de Heere zal gewis al Zijn volk daar brengen; want Hij heeft besloten zijn Zoon te verheerlijken, en wanneer wij in Hem zo roemen kunnen, dan hebben wij de zin van Christus, en doen de wil van God.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.