7 juni
Hoor nu toe, Jozua, gij hogepriester, gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken.
Zacharia 3:8
Een verlost zondaar is een wonderteken voor de engelen om te aanschouwen. Gelijk de apostel zegt: „Wij zijn een schouwspel geworden èn de wereld, èn de engelen, èn de mensen.” De ouden pleegden te zeggen dat een goed mens, die met vele wederwaardigheden worstelde, voor de góden een schouwspel was om te zien. Wij mogen met alle christelijke eenvoudigheid zeggen dat de verborgenheden der verlossing dingen zijn, voor de engelen begerig om in te zien; en wat is er onder deze verborgenheden der verlossing groter dan een verlost zondaar?
Dat een mens, die door de oorspronkelijke en dadelijke zonden niets anders dan de eeuwige toorn Gods waardig is, uit het verderf zou worden opgehaald en hem een recht wordt gegeven op de zaligheid, waarop hij nooit aanspraak heeft kunnen maken, strekt inderdaad te allen tijde tot een heilige verwondering. En dat gij of ik zou opgenomen zijn in de verkiezende liefde van God, ooit aan Jezus zou gegeven zijn tot verlossing, ooit zou levend gemaakt zijn door de Geest om onze verloren, gevallen staat te leren kennen, dat gij of ik ooit zou gezegend worden met enige ontdekking van de Heere Jezus Christus en Zijn reddende genade, dit is en moet altijd zijn een zaak van heilige verwondering hier, en het zal de stof van eeuwige en eindeloze lofzegging zijn hiernamaals.
Om iemand te zien, zo geheel verschillend van wat hij eens was, voorheen zo zorgeloos, vleselijk, onkundig, onverschillig; en dezelfde man nu op zijn knieën te zien, smekend om genade, terwijl de tranen langs zijn wangen biggelen, hem nu hevig ontroerd zijn verzuchtingen te zien uitstorten, terwijl zijn ogen opwaarts geslagen zijn, of hem vergeving zou mogen geschonken worden tot rust van zijn beroerd gemoed — is dit niet iemand op wie wij met verbazing en verwondering moeten zien? Iemand te zien die een toeknikje van Jezus’ vriendelijk aangezicht, een woordje van Zijn van vrede sprekende lippen ver verkiest boven alle voorrechten, genoegens en vriendschap die de wereld bieden kan — waarlijk, indien er een wonder op aarde plaats kan hebben, zodanig één is een wonder.
Was het ook niet zo in het oog der discipelen, toen Paulus het eerst Christus predikte in de synagogen, dat Hij was de Zoon van God? Allen die hem hoorden, verwonderden zich en zeiden: „Is deze niet die eertijds de kerk van God vervolgde?” Zo zien en verwonderen wij ons en ontwaren bij tijden een heilige blijdschap in onze ziel, dat Hij, Die regeert aan de rechterhand Gods, altijd nog paarlen aan Zijn onsterfelijke kroon toevoegt. En wanneer het dan gebeuren mag dat enigen van hen die nauw met ons in het vlees verbonden zijn, worden toegebracht, hetzij man, vrouw, zuster, broeder, kind, betrekkingen of vrienden, dan staren wij daarop niet alleen met een heilige verwondering, maar ook met de tederste genegenheid, en dan mengen wij deze met tranen van dankerkentenis aan de God van alle barmhartigheden.
Aan de lezer…
Hebt u zich wel eens verwonderd, lezer, dat u nog leeft onder de prediking, dat er een zucht naar genade in uw hart is, dat de wereld u niet meer kan vervullen? Wie niets anders dan de eeuwige toorn Gods waardig is en toch uit het verderf wordt opgehaald, is een wonderteken, ook voor de engelen. Misschien ziet u in uzelf alleen nog de oude zorgeloosheid en de vleselijkheid. Maar is er een tranen vergieten op uw knieën en een smeken om vergeving, dan is dat niet uit uzelf.
Want Hij, Die regeert aan de rechterhand Gods, voegt nog altijd paarlen toe aan Zijn kroon. Laat dat ook uw hoop zijn voor wie u lief zijn en nog ver van Hem zijn: een man, een vrouw, een kind. Bid voor hen en geef het niet op. Wat Hij voor anderen deed, kan Hij ook voor u en de uwen doen, tot eeuwige lofzegging van de God van alle barmhartigheden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hoor nu toe, Jozua, gij hogepriester, gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken.
Zacharia 3:8
Een verloste zondaar is een wonderteken voor de engelen om te aanschouwen. Zoals de apostel zegt: „Wij zijn een schouwspel geworden èn de wereld, èn de engelen, èn de mensen.” De ouden zeiden vaak dat een goed mens die met veel tegenspoed worstelde, voor de góden een schouwspel was om te zien. Wij mogen in alle christelijke eenvoud zeggen dat de verborgenheden van de verlossing dingen zijn waarin de engelen begerig zijn in te zien. En wat is er onder deze verborgenheden van de verlossing groter dan een verloste zondaar?
Een mens die door de erfzonde en de dadelijke zonden niets anders dan de eeuwige toorn van God verdient, wordt uit het verderf opgehaald en krijgt een recht op de zaligheid, waarop hij nooit aanspraak had kunnen maken. Dat is werkelijk altijd een reden tot heilige verwondering. En dat u of ik opgenomen zouden zijn in de verkiezende liefde van God, ooit aan Jezus gegeven zouden zijn om verlost te worden, ooit door de Geest levend gemaakt zouden zijn om onze verloren, gevallen staat te leren kennen; dat u of ik ooit gezegend zouden worden met enige ontdekking van de Heere Jezus Christus en Zijn reddende genade: dat is en moet hier altijd een zaak van heilige verwondering zijn, en het zal hierna de stof zijn van eeuwige en eindeloze lofzegging.
Iemand te zien die zo totaal anders is dan hij eens was, vroeger zo zorgeloos, vleselijk, onwetend en onverschillig, en diezelfde man nu op zijn knieën te zien, smekend om genade, terwijl de tranen over zijn wangen biggelen; hem nu diep ontroerd zijn verzuchtingen te zien uitstorten, met zijn ogen naar boven gericht, of hem vergeving geschonken mag worden tot rust van zijn verontruste gemoed: is dat niet iemand naar wie wij met verbazing en verwondering moeten kijken? Iemand te zien die een knikje van Jezus’ vriendelijk aangezicht, een woordje van Zijn lippen die vrede spreken, verre verkiest boven alle voorrechten, genoegens en vriendschap die de wereld kan bieden: waarlijk, als er op aarde een wonder kan plaatsvinden, dan is zo iemand een wonder.
Was het ook niet zo in de ogen van de discipelen, toen Paulus voor het eerst in de synagogen Christus predikte, dat Hij de Zoon van God was? Allen die hem hoorden, verwonderden zich en zeiden: „Is deze niet die eertijds de kerk van God vervolgde?” Zo zien wij het ook en verwonderen wij ons, en soms ervaren wij een heilige blijdschap in onze ziel dat Hij, Die regeert aan de rechterhand van God, nog steeds parels aan Zijn onsterfelijke kroon toevoegt. En wanneer het dan mag gebeuren dat sommigen van hen die nauw met ons naar het vlees verbonden zijn, worden toegebracht, of het nu man, vrouw, zuster, broer, kind, familie of vrienden zijn, dan kijken wij daar niet alleen met een heilige verwondering naar, maar ook met de tederste genegenheid. En dan vermengen wij die met tranen van dankbaarheid aan de God van alle barmhartigheden.
Aan de lezer…
Hebt u zich wel eens verwonderd dat u nog leeft onder de prediking, dat er een verlangen naar genade in uw hart is, dat de wereld u niet meer kan vervullen? Wie niets anders dan de eeuwige toorn van God verdient en toch uit het verderf wordt opgehaald, is een wonderteken, ook voor de engelen. Misschien ziet u in uzelf alleen nog de oude zorgeloosheid en vleselijkheid. Maar als er tranen zijn op uw knieën en een smeken om vergeving, dan komt dat niet uit uzelf.
Want Hij, Die regeert aan de rechterhand van God, voegt nog altijd parels toe aan Zijn kroon. Laat dat ook uw hoop zijn voor wie u lief zijn en nog ver van Hem af staan: een man, een vrouw, een kind. Bid voor hen en geef het niet op. Wat Hij voor anderen deed, kan Hij ook voor u en de uwen doen, tot eeuwige lofzegging van de God van alle barmhartigheden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hear now, O Joshua the high priest, thou, and thy fellows that sit before thee: for they are men wondered at.
Zechariah 3:8
A saved sinner is a spectacle for angels to contemplate. As the Apostle says, “We are made a spectacle unto the world, and to angels and to men.” The ancients used to say that “a good man struggling with difficulties was a sight for the gods to look at.” We may say, with all Christian truth, that the mysteries of redemption are “things the angels desire to look into;” and among the mysteries of redemption, what greater than a redeemed sinner?
That a man who deserves, by sin original and sin actual, nothing but the eternal wrath of God, should be lifted out of perdition justly merited into salvation to which he can have no claim, must indeed ever be a holy wonder. And that you or I should ever have been fixed on in the electing love of God, ever have been given to Jesus to redeem, ever quickened by the Spirit to feel our lost, ruined state, ever blessed with any discovery of the Lord Jesus Christ and of His saving grace—this is and ever must be a matter of holy astonishment here, and will be a theme for endless praise hereafter.
To see a man altogether so different from what he once was; once so careless, carnal, ignorant, unconcerned; to see that man now upon his knees begging for mercy, the tears streaming down his face, his bosom heaving with convulsive sighs, his eyes looking upward that pardon may reach him in his desperate state—is not that a man to be looked at with wonder and admiration? To see a man preferring one smile from the face of Jesus, and one word from His peace-speaking lips to all the titles, honors, pleasures, and power that the world can bestow; why, surely if there be a wonder upon earth, that man is one.
Was not this the very feeling of the disciples when Saul first “preached Christ in the synagogues, that He is the Son of God?” “All that heard him were amazed, and said, Is not this he that persecuted the Church of God?” So we look and wonder, and feel at times a holy joy that He Who reigns at God’s right hand is ever adding trophies to His immortal crown. And whenever we see any of those near and dear to us in the flesh; be it husband, wife, sister, brother, child, relative, or friend, touched by the finger of this all-conquering Lord, subdued by His grace, and wrought upon by His Spirit, then not only do we look upon such with holy wonder, but with the tenderest affection, mingled with the tears of thankful praise to the God of all our mercies.
To the reader…
Have you ever wondered that you are still alive under the preaching, that there is a longing for grace in your heart, that the world can no longer fill you? Whoever deserves nothing but the eternal wrath of God and yet is lifted out of perdition is a wonder, even to the angels. Perhaps you see in yourself only the old carelessness and carnality. But if there are tears on your knees and a pleading for pardon, that does not come from yourself.
For He Who reigns at the right hand of God is still adding jewels to His crown. Let that be your hope as well for those you love who are still far from Him: a husband, a wife, a child. Pray for them and do not give up. What He has done for others He can also do for you and yours, to the everlasting praise of the God of all mercies.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Escucha pues ahora, Josué gran sacerdote, tú, y tus amigos que se sientan delante de ti; porque son varones simbólicos.
Zacarías 3:8
Un pecador salvado es un espectáculo que los ángeles contemplan. Como dice el apóstol: “Somos hechos espectáculo al mundo, y a los ángeles, y a los hombres”. Los antiguos solían decir que “un hombre bueno luchando con las dificultades era un espectáculo digno de que lo miraran los dioses”. Nosotros podemos decir, con toda verdad cristiana, que los misterios de la redención son cosas “en las cuales desean mirar los ángeles”; y entre los misterios de la redención, ¿qué hay mayor que un pecador redimido?
Que un hombre que, por el pecado original y el pecado actual, no merece otra cosa que la ira eterna de Dios, sea levantado de una perdición justamente merecida a una salvación a la que no puede tener ningún derecho, tiene que ser en verdad siempre una santa maravilla. Y que usted o yo hayamos sido alguna vez objeto del amor electivo de Dios, hayamos sido dados a Jesús para que nos redimiera, vivificados por el Espíritu para sentir nuestro estado perdido y arruinado, bendecidos con algún descubrimiento del Señor Jesucristo y de Su gracia salvadora: esto es y tiene que ser siempre motivo de santo asombro aquí, y será tema de alabanza sin fin en el más allá.
Ver a un hombre tan del todo distinto de lo que era antes; antes tan descuidado, carnal, ignorante, indiferente; ver a ese hombre ahora de rodillas pidiendo misericordia, con las lágrimas corriéndole por el rostro, el pecho agitado por suspiros convulsos, los ojos mirando hacia arriba para que el perdón le alcance en su estado desesperado: ¿no es ese un hombre digno de ser mirado con asombro y admiración? Ver a un hombre que prefiere una sola sonrisa del rostro de Jesús y una sola palabra de Sus labios que hablan paz a todos los títulos, honores, placeres y poder que el mundo puede otorgar; pues, ciertamente, si hay una maravilla sobre la tierra, ese hombre es una.
¿No era este el mismo sentir de los discípulos cuando Saulo por primera vez “predicaba a Cristo en las sinagogas, diciendo que éste era el Hijo de Dios”? “Y todos los que le oían estaban atónitos, y decían: ¿No es éste el que perseguía a la iglesia de Dios?” Así miramos y nos maravillamos, y a veces sentimos un santo gozo de que Aquel que reina a la diestra de Dios esté siempre añadiendo trofeos a Su corona inmortal. Y siempre que vemos a alguno de los que nos son cercanos y queridos según la carne —sea esposo, esposa, hermana, hermano, hijo, pariente o amigo— tocado por el dedo de este Señor que todo lo vence, sometido por Su gracia y obrado por Su Espíritu, entonces no solo miramos a tal persona con santo asombro, sino con el más tierno afecto, mezclado con lágrimas de alabanza agradecida al Dios de todas nuestras misericordias.
Al lector…
¿Se ha maravillado usted alguna vez de seguir vivo bajo la predicación, de que haya en su corazón un anhelo de gracia, de que el mundo ya no pueda llenarle? Quien no merece otra cosa que la ira eterna de Dios y, sin embargo, es levantado de la perdición es una maravilla, aun para los ángeles. Quizás usted solo ve en sí mismo el antiguo descuido y la carnalidad. Pero si hay lágrimas de rodillas y un ruego por perdón, eso no viene de usted mismo.
Porque Aquel que reina a la diestra de Dios sigue añadiendo joyas a Su corona. Que esa sea también su esperanza para los que usted ama y que aún están lejos de Él: un esposo, una esposa, un hijo. Ore por ellos y no se dé por vencido. Lo que Él ha hecho por otros, puede hacerlo también por usted y los suyos, para alabanza eterna del Dios de todas las misericordias.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl