6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Wie is de man, die de Heere vreest? Hij zal hem onderwijzen in de weg, die hij zal hebben te verkiezen.
Psalm 25:12
Heeft de Heere ooit een verkeerde stap gedaan onder de menigvuldige en afwisselende omstandigheden die de kinderen Gods hebben bedroefd? Ofschoon Hij de natuur beschaamd, het verstand teleurgesteld, onze plannen geheel en al het onderste boven gekeerd, misschien juist dat gedaan heeft wat wij het meest vreesden, en elke natuurlijke bedoeling en iedere neiging van ons hart gedwarsboomd heeft, kunnen wij zeggen dat Hij gedwaald heeft, dat Hij gefaald heeft, dat Hij onverstandig heeft gehandeld, dat Hij niet heeft gedaan wat voor ons geestelijk welzijn nodig was? Morrend, weerspannig, ongelovig harte, zwijg! Zal de mens, de dwaze mens, een aardworm, een schepsel van een dag, zijn zwakke stem verheffen en zeggen dat God kan falen?
Uw pad is zeer donker, zeer moeilijk, zeer droevig; gij kunt Gods hand niet zien in de beproeving die u drukt; gij kunt niet geloven dat het moet medewerken ten goede. Ik erken het. Ik heb het ook gevoeld. Ik heb het ook gekend. Maar de tijd zal komen wanneer dit donkere pad dat gij nu bewandelt, vol licht en helderheid zal zijn, wanneer gij de waarheid dezer woorden zult erkennen: „Hij bracht de blinden langs een weg, die zij niet kenden.”
Als wij het weten, dat God oneindig wijs is, dat Hij niet kan dwalen, dat al Zijn daden het kenmerk dragen van eeuwige wijsheid, dan zwijgen wij; dan hebben wij niets te zeggen; dan zijn wij waar Aäron was. Toen Nadab en Abihu door de Heere getroffen werden, wist Aäron dat God niet dwalen kon; Aäron dan zweeg stil (Lev. 10:3). Dit is onze rechte plaats. Indien wij iets kennen van de dwaasheid des schepsels, indien wij iets kennen van de wijsheid Gods, dan is dit onze plaats. Wanneer onze dierbare Nadabs en Abihu’s voor ons aangezicht worden getroffen, moeten wij zwijgen en onze mond in het stof steken; want God vervult Zijn bedoelingen in het aangezicht en in spijt van natuur, verstand en rede.
Welzalig is het volk dat, dus gezegend,
dit heug’lijk lot door ’s Hemels gunst bejegent.
Welzalig is het volk, dat bij ’t genot
van overvloed de Heer heeft tot zijn God!
Ps. 144:7
Aan de lezer…
Hoe dikwijls is uw pad zeer donker, zeer moeilijk, zeer droevig! Kunt u Gods hand niet zien in de beproeving die u drukt, en kunt u niet geloven dat zij moet medewerken ten goede? Ik zeg niet dat u zich daarover moet schamen; ik erken het, ik heb het zelf gevoeld en gekend. Maar hij vraagt u wel eerlijk: heeft de Heere ooit een verkeerde stap gedaan? Ook toen Hij uw plannen ondersteboven keerde en juist deed wat u het meest vreesdet?
Leg dan uw morrend, weerspannig hart het zwijgen op, niet uit bitterheid, maar omdat Hij oneindig wijs is en niet kan dwalen. Als Aäron mag u uw mond in het stof steken, ook wanneer het dierbaarste u ontnomen wordt. De tijd zal komen dat dit donkere pad vol licht zal zijn, en dat u zult erkennen dat Hij u langs een weg bracht die u niet kende. Hij zal de man die Hem vreest onderwijzen in de weg die hij zal hebben te verkiezen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wie is de man, die de Heere vreest? Hij zal hem onderwijzen in de weg, die hij zal hebben te verkiezen.
Psalm 25:12
Heeft de Heere ooit een verkeerde stap gezet in de vele en wisselende omstandigheden die de kinderen van God bedroefd hebben? Misschien heeft Hij de natuur beschaamd, het verstand teleurgesteld en onze plannen volledig ondersteboven gekeerd. Misschien heeft Hij juist gedaan wat we het meest vreesden, en elk natuurlijk voornemen en iedere neiging van ons hart gedwarsboomd. Maar kunnen we daarom zeggen dat Hij gedwaald heeft, dat Hij gefaald heeft, dat Hij onverstandig heeft gehandeld, dat Hij niet heeft gedaan wat voor ons geestelijk welzijn nodig was? Morrend, weerspannig, ongelovig hart, zwijg! Zal de mens, de dwaze mens, een aardworm, een schepsel van een dag, zijn zwakke stem verheffen en zeggen dat God kan falen?
Uw pad is heel donker, heel moeilijk, heel droevig. U kunt Gods hand niet zien in de beproeving die op u drukt. U kunt niet geloven dat zij moet meewerken ten goede. Ik erken het. Ik heb het ook gevoeld. Ik heb het ook gekend. Maar de tijd zal komen dat dit donkere pad waarop u nu gaat, vol licht en helderheid zal zijn, en dat u de waarheid van deze woorden zult erkennen: „Hij bracht de blinden langs een weg, die zij niet kenden.”
Als we weten dat God oneindig wijs is, dat Hij niet kan dwalen en dat al Zijn daden het kenmerk van eeuwige wijsheid dragen, dan zwijgen we. Dan hebben we niets te zeggen; dan zijn we waar Aäron was. Toen Nadab en Abihu door de Heere getroffen werden, wist Aäron dat God niet kon dwalen; hij zweeg (Lev. 10:3). Dat is onze juiste plaats. Als we iets kennen van de dwaasheid van het schepsel, als we iets kennen van de wijsheid van God, dan is dit onze plaats. Wanneer onze dierbare Nadabs en Abihu’s voor onze ogen getroffen worden, moeten we zwijgen en onze mond in het stof steken. Want God voert Zijn bedoelingen uit ten aanschouwen van en ondanks natuur, verstand en rede.
Welzalig is het volk dat, dus gezegend,
dit heug’lijk lot door ’s Hemels gunst bejegent.
Welzalig is het volk, dat bij ’t genot
van overvloed de Heer heeft tot zijn God!
Ps. 144:7
Aan de lezer…
Hoe vaak is uw pad heel donker, heel moeilijk, heel droevig! Kunt u Gods hand niet zien in de beproeving die op u drukt, en kunt u niet geloven dat zij moet meewerken ten goede? Ik zeg niet dat u zich daarover moet schamen; ik erken het, ik heb het zelf gevoeld en gekend. Maar ik vraag u wel eerlijk: heeft de Heere ooit een verkeerde stap gezet? Ook niet toen Hij uw plannen ondersteboven keerde en juist deed wat u het meest vreesde?
Leg uw morrend, weerspannig hart dan het zwijgen op, niet uit bitterheid, maar omdat Hij oneindig wijs is en niet kan dwalen. Net als Aäron mag u uw mond in het stof steken, ook wanneer het dierbaarste u ontnomen wordt. De tijd zal komen dat dit donkere pad vol licht zal zijn, en dat u zult erkennen dat Hij u langs een weg bracht die u niet kende. Hij zal de man die Hem vreest onderwijzen in de weg die hij zal hebben te verkiezen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
What man is he that feareth the LORD? him shall He teach in the way that he shall choose.
Psalm 25:12
In all the multiplicity and variety of circumstances that have distressed the children of God, has the Lord ever taken a wrong step? Though He has baffled nature, though He has disconcerted reason, though He has turned our plans upside down, though perhaps He has done the thing that we most feared, and thwarted every natural purpose and inclination of our heart—can we say that He has erred? that He has made a mistake? that He has acted unwisely? that He has not done that which is for our spiritual good?
Murmuring, rebellious, unbelieving heart, hold your peace! Shall man, foolish man, a worm of the earth, a creature of a day, lift up his puny voice and say that God can mistake? Your path is very dark, very intricate, very perplexed; you cannot see the hand of God in the trial that is now resting upon you; you cannot believe that it will work together for your good. I admit it. I have felt it. I have known it. But the time will come, when this dark path in which you are now walking, shall be seen full of radiancy and light, when you will prove the truth of these words, “He brought the blind by a way that they knew not.”
When we know God to be infinitely wise, that He cannot err, that all His dealings must be stamped with His own eternal wisdom, we are silenced, we hold our peace, we have nothing to say, we are where Aaron was. When Nadab and Abihu were smitten by the Lord, Aaron knew that God could not err; he held his peace (Lev. 10:3). This is our right spot. If we know anything of the folly of the creature—if we know anything of the wisdom of God—this is our spot. When our dear Nadabs and Abihus are smitten before our face, our spot is to hold our peace, to put our mouth in the dust; for God is still accomplishing His object, in the face, and in spite of nature, sense, and reason.
To the reader…
How often your path is very dark, very hard, very sorrowful! Can you not see God’s hand in the trial that presses upon you, and can you not believe that it must work together for good? I do not say that you must be ashamed of this; I admit it, I have felt it and known it myself. But I do ask you honestly: has the Lord ever taken a wrong step? Not even when He turned your plans upside down and did the very thing you feared most?
Then bid your murmuring, rebellious heart be still, not out of bitterness, but because He is infinitely wise and cannot err. Like Aaron, you may put your mouth in the dust, even when what is dearest to you is taken away. The time will come when this dark path will be full of light, and when you will acknowledge that He led you by a way you did not know. He will teach the man who fears Him in the way that he shall choose.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Quién es el hombre que teme a Jehová? Él le enseñará el camino que ha de escoger.
Salmo 25:12
En toda la multitud y variedad de circunstancias que han afligido a los hijos de Dios, ¿ha dado el Señor jamás un paso equivocado? Aunque haya desconcertado a la naturaleza, aunque haya confundido a la razón, aunque haya trastornado nuestros planes, aunque quizá haya hecho precisamente lo que más temíamos, y haya contrariado todo propósito e inclinación natural de nuestro corazón, ¿podemos decir que se ha equivocado? ¿Que ha cometido un error? ¿Que ha obrado sin sabiduría? ¿Que no ha hecho lo que es para nuestro bien espiritual?
¡Corazón murmurador, rebelde e incrédulo, calla! ¿Levantará el hombre, el hombre necio, un gusano de la tierra, una criatura de un día, su débil voz para decir que Dios puede equivocarse? Su camino es muy oscuro, muy intrincado, muy confuso; usted no puede ver la mano de Dios en la prueba que ahora pesa sobre usted; no puede creer que obrará juntamente para su bien. Lo admito. Lo he sentido. Lo he conocido. Pero vendrá el tiempo en que este camino oscuro por el que usted anda ahora se verá lleno de resplandor y de luz, cuando comprobará la verdad de estas palabras: “Guiaré los ciegos por camino que no sabían”.
Cuando sabemos que Dios es infinitamente sabio, que no puede errar, que todos Sus tratos han de llevar el sello de Su propia sabiduría eterna, quedamos en silencio, callamos, no tenemos nada que decir; estamos donde estuvo Aarón. Cuando Nadab y Abiú fueron heridos por el Señor, Aarón sabía que Dios no podía errar; y calló (Levítico 10:3). Este es nuestro verdadero lugar. Si sabemos algo de la necedad de la criatura, si sabemos algo de la sabiduría de Dios, este es nuestro lugar. Cuando nuestros queridos Nadab y Abiú son heridos delante de nuestros ojos, nuestro lugar es callar, poner nuestra boca en el polvo; porque Dios sigue cumpliendo Su propósito, frente a la naturaleza, los sentidos y la razón, y a pesar de ellos.
Al lector…
¡Cuántas veces su camino es muy oscuro, muy duro, muy triste! ¿No puede ver la mano de Dios en la prueba que le oprime, y no puede creer que haya de obrar juntamente para bien? No digo que deba avergonzarse de ello; lo admito, yo mismo lo he sentido y conocido. Pero sí le pregunto con sinceridad: ¿ha dado el Señor jamás un paso equivocado? ¿Ni siquiera cuando trastornó sus planes e hizo precisamente lo que usted más temía?
Ordene entonces a su corazón murmurador y rebelde que calle, no por amargura, sino porque Él es infinitamente sabio y no puede errar. Como Aarón, puede usted poner su boca en el polvo, aun cuando le sea quitado lo que más quiere. Vendrá el tiempo en que este camino oscuro estará lleno de luz, y en que reconocerá que Él le guió por un camino que no conocía. Al hombre que le teme, Él le enseñará el camino que ha de escoger.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Gods leiding met Israël in de woestijn
Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken, zo leidde hem de Heere alleen, en er was geen vreemd God met hem.
Deuteronomium 32:11,12
Om aan te tonen dat het genadewerk uitsluitend van de Heere is, staat in Zijn Woord ook: „zo leidde hem de Heere alleen” (Deut. 32:12). Hij wilde de eer met niemand delen. En er was geen vreemd god met hem. Hij stond geen enkele verwerpelijke god toe tussenbeide te komen, want Hij is een jaloers God. „De Heere alleen” (Hij tolereerde geen indringer; Jezus verdraagt geen mededinger) „leidde hem”.
Israël leidde niet zichzelf, noch werd het volk door een mens geleid. Maar de Heere alleen, in Zijn voorzienigheid en genade, leidde hem rond, onderwees hem, bewaarde hem als Zijn oogappel, en was voor hem alles wat de arend voor haar jongen is. De vrije wil had geen zeggenschap in deze zaak; menselijke kracht kwam niet tussenbeide; menselijke rechtvaardigheid mocht niet bemiddelen. Ze waren allemaal roerloos als een steen toen Israël heenging. God deed al het werk, opdat God alle eer zou krijgen. Hij begon, Hij zette voort, Hij voltooide, want „zo leidde hem de Heere alleen, en er was geen vreemd god met hem.”
O, hoe gezegend neemt de Heere de hele zaak in de hand! En hoe veilig leidt Hij Zijn volk! Hoe geborgen zijn zij! Als Hij hen als Zijn oogappel bewaart, kan iets hen dan echt kwaad doen? Als Hij hen leidt, kunnen ze dan verkeerd gaan? Als Hij hen onderwijst, kunnen ze dan onwetend blijven?
Wat een zegen is het om zelfs in deze woestijn, deze woeste huilende wildernis, te worden geleid, bewaard, onderwezen, opgewekt, genomen, gedragen op arendsvleugels. Kijk niet naar de woestijn; u zult er altijd niets dan verlatenheid aantreffen. Maar zie of er geen omgang en onderwijs is voor uw ziel in de woestijn, en als u uw leven hier beschreven vindt, dan staat uw naam in het boek des levens.
Lezen: Jesaja 40:18-31
Aan de lezer…
Misschien ziet u in uw eigen leven soms niets dan woestijn, een woeste, huilende wildernis waarin u de weg niet weet. Kijk dan niet alleen naar het zand om u heen; daar zult u niets dan verlatenheid vinden. Ik wijs u naar iets anders: „de Heere alleen leidde hem.” Niet de vrije wil, niet de menselijke kracht, niet uw eigen rechtvaardigheid; die waren allemaal roerloos als een steen. God deed al het werk, opdat Hij alle eer zou krijgen.
Is dat geen troost voor een ziel die in zichzelf geen kracht meer vindt? Als Hij Zijn volk bewaart als Zijn oogappel, wat kan het dan echt kwaad doen? Als Hij leidt, hoe kan het verkeerd gaan? Zoek daarom of er in deze woestijn geen omgang met Hem en geen onderwijs voor uw ziel is geweest. Vindt u daar uw leven beschreven, dan mag u weten dat Hij, Die begon, ook voort zal zetten en voltooien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken, zo leidde hem de Heere alleen, en er was geen vreemd God met hem.
Deuteronomium 32:11,12
Om te laten zien dat het werk van de genade alleen van de Heere is, staat er in Zijn Woord ook: „zo leidde hem de Heere alleen” (Deut. 32:12). Hij wilde de eer met niemand delen. En er was geen vreemd god met hem. Hij liet geen enkele verfoeilijke god tussenbeide komen, want Hij is een jaloers God. „De Heere alleen” (Hij duldde geen indringer; Jezus verdraagt geen mededinger) „leidde hem”.
Israël leidde zichzelf niet, en het volk werd ook niet door een mens geleid. Maar de Heere alleen leidde hem in Zijn voorzienigheid en genade rondom, onderwees hem, bewaarde hem als Zijn oogappel, en was voor hem alles wat de arend voor haar jongen is. De vrije wil had in deze zaak niets te zeggen; menselijke kracht kwam niet tussenbeide; menselijke gerechtigheid mocht niet bemiddelen. Ze waren allemaal stil als een steen toen Israël doortrok. God deed al het werk, zodat God alle eer zou krijgen. Hij begon, Hij zette voort, Hij voltooide, want „zo leidde hem de Heere alleen, en er was geen vreemd god met hem.”
O, hoe gezegend neemt de Heere de hele zaak in handen! En hoe veilig leidt Hij Zijn volk! Hoe geborgen zijn zij! Als Hij hen als Zijn oogappel bewaart, kan iets hun dan werkelijk kwaad doen? Als Hij hen leidt, kunnen ze dan verkeerd gaan? Als Hij hen onderwijst, kunnen ze dan onwetend blijven?
Wat een zegen is het om zelfs in deze woestijn, deze woeste, huilende wildernis, geleid, bewaard, onderwezen, opgewekt, genomen en op arendsvleugels gedragen te worden. Kijk niet naar de woestijn; u zult er altijd niets dan verlatenheid vinden. Maar ga na of er in de woestijn geen omgang met God en geen onderwijs voor uw ziel is. Vindt u uw leven hier beschreven, dan staat uw naam in het boek des levens.
Lezen: Jesaja 40:18-31
Aan de lezer…
Misschien ziet u in uw eigen leven soms niets dan woestijn, een woeste, huilende wildernis waarin u de weg niet weet. Kijk dan niet alleen naar het zand om u heen; daar zult u niets dan verlatenheid vinden. Ik wijs u op iets anders: „de Heere alleen leidde hem.” Niet de vrije wil, niet de menselijke kracht, niet uw eigen gerechtigheid; die waren allemaal stil als een steen. God deed al het werk, zodat Hij alle eer zou krijgen.
Is dat geen troost voor een ziel die in zichzelf geen kracht meer vindt? Als Hij Zijn volk bewaart als Zijn oogappel, wat kan het dan werkelijk kwaad doen? Als Hij leidt, hoe kan het dan verkeerd gaan? Ga daarom na of er in deze woestijn geen omgang met Hem en geen onderwijs voor uw ziel is geweest. Vindt u daar uw leven beschreven, dan mag u weten dat Hij Die begon, ook zal voortzetten en voltooien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
As an eagle stirreth up her nest, fluttereth over her young, spreadeth abroad her wings, taketh them, beareth them on her wings: so the LORD alone did lead him, and there was no strange god with him.
Deuteronomy 32:11, 12
To show that the work of grace is the Lord’s alone, it is also said in His Word, “So the LORD alone did lead him” (Deuteronomy 32:12). He would share the glory with none. And there was no strange god with him. He suffered no abominable god to come in between, for He is a jealous God. “The LORD alone” (He would brook no intruder; Jesus will bear no rival) “did lead him.”
Israel did not lead himself, nor was the people led by any man. But the Lord alone led him about in His providence and grace, instructed him, kept him as the apple of His eye, and was to him all that the eagle is to her young. Free will had no say in the matter; human strength did not step in; human righteousness was not allowed to mediate. They were all as still as a stone while Israel passed over. God did all the work, that God might have all the glory. He began, He carried on, He finished, for “so the LORD alone did lead him, and there was no strange god with him.”
O how blessedly the Lord takes the whole matter into His own hands! And how safely He leads His people! How secure they are! If He keeps them as the apple of His eye, can anything really harm them? If He leads them, can they go wrong? If He instructs them, can they remain ignorant?
What a blessing it is, even in this desert, this waste howling wilderness, to be led, kept, instructed, stirred up, taken and borne on eagles’ wings. Do not look at the desert; you will never find anything there but desolation. But examine whether in the desert there is not communion with God and instruction for your soul. If you find your life described here, then your name is written in the book of life.
Reading: Isaiah 40:18-31
To the reader…
Perhaps you sometimes see nothing in your own life but desert, a waste howling wilderness in which you do not know the way. Then do not look only at the sand around you; there you will find nothing but desolation. I point you to something else: “the LORD alone did lead him.” Not free will, not human strength, not your own righteousness; they were all as still as a stone. God did all the work, that He might have all the glory.
Is that not a comfort to a soul that finds no strength left in itself? If He keeps His people as the apple of His eye, what can really harm them? If He leads, how can it go wrong? Examine, then, whether in this desert there has not been communion with Him and instruction for your soul. If you find your life described there, you may know that He Who began will also carry on and finish.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Como el águila despierta su nidada, revolotea sobre sus pollos, extiende sus alas, los toma, los lleva sobre sus plumas: Jehová solo le guió, que no hubo con él dios ajeno.
Deuteronomio 32:11, 12
Para mostrar que la obra de la gracia es solo del Señor, se dice también en Su Palabra: “Jehová solo le guió” (Deuteronomio 32:12). Él no quería compartir la gloria con nadie. Y no hubo con él dios ajeno. No permitió que ningún dios abominable se interpusiera, porque Él es un Dios celoso. “Jehová solo” (no toleraba intruso alguno; Jesús no admite rival) “le guió”.
Israel no se guió a sí mismo, ni fue el pueblo guiado por hombre alguno. Sino que solo el Señor lo trajo alrededor en Su providencia y gracia, lo instruyó, lo guardó como la niña de Su ojo y fue para él todo lo que el águila es para sus pollos. El libre albedrío no tuvo voz en el asunto; la fuerza humana no intervino; a la justicia humana no se le permitió mediar. Todos quedaron quietos como una piedra mientras Israel pasaba. Dios hizo toda la obra, para que Dios tuviera toda la gloria. Él comenzó, Él continuó, Él terminó, porque “Jehová solo le guió, que no hubo con él dios ajeno”.
¡Oh, cuán benditamente toma el Señor todo el asunto en Sus propias manos! ¡Y cuán seguramente guía a Su pueblo! ¡Cuán seguros están! Si Él los guarda como la niña de Su ojo, ¿puede algo dañarlos realmente? Si Él los guía, ¿pueden extraviarse? Si Él los instruye, ¿pueden permanecer ignorantes?
¡Qué bendición es, aun en este desierto, este desierto horrible y yermo, ser guiado, guardado, instruido, despertado, tomado y llevado sobre alas de águila! No mire al desierto; nunca hallará allí sino desolación. Pero examine si en el desierto no hay comunión con Dios e instrucción para su alma. Si halla su vida descrita aquí, entonces su nombre está escrito en el libro de la vida.
Lectura: Isaías 40:18-31
Al lector…
Quizá a veces usted no ve en su propia vida sino desierto, un desierto horrible y yermo en el que no conoce el camino. Entonces no mire solo a la arena que le rodea; allí no hallará sino desolación. Le señalo otra cosa: “Jehová solo le guió”. No el libre albedrío, no la fuerza humana, no su propia justicia; todos quedaron quietos como una piedra. Dios hizo toda la obra, para tener toda la gloria.
¿No es esto un consuelo para un alma que ya no halla fuerza en sí misma? Si Él guarda a Su pueblo como la niña de Su ojo, ¿qué puede dañarlo realmente? Si Él guía, ¿cómo puede salir mal? Examine, pues, si en este desierto no ha habido comunión con Él e instrucción para su alma. Si halla allí su vida descrita, puede saber que Aquel que comenzó también continuará y terminará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Het Evangelie der genade Gods.
Handelingen 20:24
Wat betekent het woord „Evangelie”? Evangelie is een goed Angelsaksisch woord, van een zuivere Angelsaksische oorsprong, die ten grondslag ligt aan onze levendige en krachtige taal, verspreid over de gehele aarde. Onze moedertaal, waarin God schijnt gesteld te hebben een tabernakel voor de Evangeliezon, wier uitgang is van het einde des hemels en haar omloop tot aan deszelfs einden. Letterlijk beduidt het „Gods Woord”, of „boodschap”, of liever „goed nieuws” of „goede tijding”, wat meer overeenkomt met het oorspronkelijke.
Maar zij het dan „goed nieuws”, dan moet het goed nieuws van iets zijn of wel voor iemand. Er moeten goede tijdingen gebracht worden, en dan moeten er ook sommige personen zijn door wie zij worden ontvangen. Opdat het Evangelie goed nieuws zal kunnen zijn, of een blijde boodschap, moet er een boodschap van God aan de mens zijn. God als Spreker en de mens als hoorder. Hij de genadige Gever, en de mens de gelukkige ontvanger.
Maar zal het Evangelie het goede nieuws van de hemel tot de aarde zijn, dan zal het alleen die naam waard zijn wanneer het genade, barmhartigheid, vergeving, verlossing en zaligheid openbaart, en dit alles als soevereine giften van Gods onverdiende gunst. Anders zal het niet een Evangelie zijn dat aan onze behoeften tegemoetkomt; het zou geen goed nieuws zijn, geen blijde tijding aan ons als zondaren, aan ons als wetverbrekers, aan ons als schuldige misdadigers, aan ons als onreine overtreders, aan ons als aangeklaagden voor de balie van oneindige gerechtigheid, aan ons als veroordeelden om te sterven krachtens de strikte eisen van de heiligheid Gods. En daar het een Evangelie moet zijn dat geschikt voor ons is om het aan te nemen, moet het ook een Evangelie zijn waardig van God om het te schenken.
Dit Evangelie dan, zuiver, klaar en soeverein, is goed nieuws, of wel een blijde boodschap, daar het uitroept vergeving door het bloed van Jezus en rechtvaardiging door Zijn gerechtigheid. Het openbaart een gehoorzaamheid waardoor de wet verhoogd en verheerlijkt wordt, en een verzoening voor de zonde waardoor zij voor eeuwig wordt uitgewist en weggenomen, en alzo God de heerlijkheid toebrengt en de zaligheid aan de ziel. Het is een zuivere openbaring van soevereine genade, liefde en barmhartigheid, waardoor elke Persoon in de Goddelijke Drie-eenheid wordt verhoogd en verheerlijkt. Daarin ontmoeten goedertierenheid en waarheid elkander, en gerechtigheid en vrede kussen elkander. Gelijk daarin verklaard wordt, zal de waarheid uit de aarde spruiten, in de harten van berouwhebbende zondaren, en de gerechtigheid, tot in alle eeuwigheid bevredigd door de gehoorzaamheid van Christus, zal van de hemel neerzien.
Indien gij een zuiver, een klaar, een vrij Evangelie bemint, het Evangelie der genade Gods, dan bemint gij het niet slechts omdat het zo ten volle gepast is voor uw behoeften, zo geheel en al geschikt voor uw gevallen staat, maar dan bemint gij het omdat gij zijn zoetheid en kracht gevoeld en gesmaakt hebt; omdat het niet slechts spreekt van vergeving, maar die vergeving aanbrengt; niet alleen genade verkondigt, maar ook genade schenkt; niet alleen een weg ter zaligheid ontsluit, maar ook zaligheid toepast, met al de haar vergezellende zegeningen, in uw hart. Zo wordt het dus een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat het Evangelie voor u niet als goed nieuws klinkt, maar slechts als een bekend woord dat u al zo vaak gehoord hebt. Het is alleen goed nieuws voor wie zichzelf kent als zondaar, als wetverbreker, als schuldige, aangeklaagd voor de balie van oneindige gerechtigheid. Voelt u zich zo, en meent u dat er voor zulk een geen tijding meer is? Dan is dit Evangelie juist voor u bestemd, want het roept vergeving uit door het bloed van Jezus en rechtvaardiging door Zijn gerechtigheid.
Het is geen boodschap die u iets afvraagt, maar een die u alles schenkt als een soevereine gift van Gods onverdiende gunst. Het spreekt niet slechts van vergeving, maar brengt haar aan; het verkondigt niet alleen genade, maar schenkt haar ook. Bid dan dat u niet bij de klank blijft staan, maar zijn zoetheid en kracht mag smaken in uw eigen hart. Dan wordt het voor u wat het is: een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het Evangelie der genade Gods.
Handelingen 20:24
Wat betekent het woord „Evangelie”? Evangelie is een goed Angelsaksisch woord, van zuiver Angelsaksische oorsprong, die ten grondslag ligt aan onze levendige en krachtige taal, die over de hele aarde verspreid is. Het is onze moedertaal, waarin God een tent lijkt te hebben opgezet voor de zon van het Evangelie, die uitgaat van het einde van de hemel en haar omloop heeft tot aan zijn einden. Letterlijk betekent het „Gods Woord”, of „boodschap”, of liever „goed nieuws” of „goede tijding”, wat meer overeenkomt met het oorspronkelijke.
Maar als het „goed nieuws” is, dan moet het goed nieuws over iets zijn, of voor iemand. Er moeten goede tijdingen gebracht worden, en dan moeten er ook mensen zijn door wie zij ontvangen worden. Wil het Evangelie goed nieuws kunnen zijn, een blijde boodschap, dan moet het een boodschap van God aan de mens zijn. God is de Spreker en de mens de hoorder. Hij is de genadige Gever, en de mens de gelukkige ontvanger.
Maar als het Evangelie het goede nieuws van de hemel aan de aarde is, dan zal het die naam alleen waard zijn wanneer het genade, barmhartigheid, vergeving, verlossing en zaligheid openbaart, en dat alles als soevereine gaven van Gods onverdiende gunst. Anders zou het geen Evangelie zijn dat aan onze behoeften tegemoetkomt. Het zou geen goed nieuws zijn, geen blijde tijding voor ons als zondaren, als wetsovertreders, als schuldige misdadigers, als onreine overtreders, als aangeklaagden voor de balie van oneindige gerechtigheid, als veroordeelden die moeten sterven krachtens de strikte eisen van Gods heiligheid. En omdat het een Evangelie moet zijn dat voor ons geschikt is om aan te nemen, moet het ook een Evangelie zijn dat God waardig is om te schenken.
Dit Evangelie, zuiver, helder en soeverein, is dus goed nieuws, een blijde boodschap, omdat het vergeving uitroept door het bloed van Jezus en rechtvaardiging door Zijn gerechtigheid. Het openbaart een gehoorzaamheid waardoor de wet verhoogd en verheerlijkt wordt, en een verzoening voor de zonde waardoor die voor eeuwig wordt uitgewist en weggenomen; zo brengt het God de heerlijkheid toe en de ziel de zaligheid. Het is een zuivere openbaring van soevereine genade, liefde en barmhartigheid, waardoor elke Persoon in de Goddelijke Drie-eenheid wordt verhoogd en verheerlijkt. Daarin ontmoeten goedertierenheid en waarheid elkaar, en gerechtigheid en vrede kussen elkaar. Zoals daarin verklaard wordt, zal de waarheid uit de aarde spruiten, in de harten van berouwvolle zondaren, en de gerechtigheid, voor altijd bevredigd door de gehoorzaamheid van Christus, zal van de hemel neerzien.
Als u een zuiver, helder en vrij Evangelie liefhebt, het Evangelie van de genade van God, dan hebt u het niet alleen lief omdat het zo volkomen past bij uw behoeften en zo geheel geschikt is voor uw gevallen staat. Dan hebt u het lief omdat u zijn zoetheid en kracht gevoeld en gesmaakt hebt. Want het spreekt niet alleen van vergeving, maar brengt die vergeving ook; het verkondigt niet alleen genade, maar schenkt ook genade; het opent niet alleen een weg tot zaligheid, maar past ook de zaligheid toe in uw hart, met alle zegeningen die daarbij horen. Zo wordt het dus een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat het Evangelie voor u niet als goed nieuws klinkt, maar alleen als een bekend woord dat u al zo vaak gehoord hebt. Het is alleen goed nieuws voor wie zichzelf kent als zondaar, als wetsovertreder, als schuldige, aangeklaagd voor de balie van oneindige gerechtigheid. Voelt u zich zo, en denkt u dat er voor zo iemand geen goede tijding meer is? Dan is dit Evangelie juist voor u bestemd, want het roept vergeving uit door het bloed van Jezus en rechtvaardiging door Zijn gerechtigheid.
Het is geen boodschap die iets van u vraagt, maar een die u alles schenkt als een soevereine gave van Gods onverdiende gunst. Het spreekt niet alleen van vergeving, maar brengt haar ook; het verkondigt niet alleen genade, maar schenkt haar ook. Bid dan dat u niet bij de klank blijft staan, maar zijn zoetheid en kracht mag smaken in uw eigen hart. Dan wordt het voor u wat het is: een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The gospel of the grace of God.”
Acts 20:24
What does the word “gospel” signify? Its literal meaning is either “God’s word” or message, or rather, “good news,” or “good tidings,” which is more agreeable to the original. But if it be “good news,” it must be good news of something and to somebody. There must be some good tidings brought, and there must be some person by whom, as good tidings, it is received. In order, then, that the gospel should be good news, glad tidings, there must be a message from God to man, God being the Speaker, and man the hearer; He the gracious Giver, and man the happy receiver.
But if the gospel means good news from heaven to earth, it can only be worthy of the name as it proclaims grace, mercy, pardon, deliverance, and salvation, and all as free gifts of God’s unmerited favor. Otherwise, it would not be a gospel adapted to our needs; it would not be good news, glad tidings to us poor sinners, to us law-breakers, to us guilty criminals, to us vile transgressors, to us arraigned at the bar of infinite justice, to us condemned to die by the unswerving demands of God’s holiness. And as it must be a gospel adapted to us to receive, so must it be a gospel worthy of God to give.
This gospel then, pure, clear, and free, is good news or glad tidings, as proclaiming pardon through the blood of Jesus and justification by His righteousness. It reveals an obedience whereby the law was magnified and made honorable, and an atoning sacrifice for sin by which it was forever blotted out and put away; and thus it brings glory to God and salvation to the soul. It is a pure revelation of sovereign mercy, love and grace, whereby each Person in the divine Trinity is exalted and magnified. In it “mercy and truth meet together, righteousness and peace kiss each other.” As revealed in it, “truth springs out of earth” in the hearts of contrite sinners, and “righteousness,” eternally satisfied by Christ’s obedience, “looks down from heaven.”
If you love a pure, a clear, a free gospel, “the gospel of the grace of God,” you love it not only because it is so fully suitable to your needs, so thoroughly adapted to your fallen state, but because you have felt its sweetness and power; because it not only speaks of pardon, but brings pardon; not only proclaims mercy, but brings mercy; not only points out a way of salvation, but brings salvation, with all its rich attendant blessings, into your heart. It thus becomes “the power of God unto salvation to everyone that believes.”
To the reader…
There are times when the gospel does not sound to you like good news, but only like a familiar word you have heard so often. It is good news only to the one who knows himself as a sinner, a law-breaker, a guilty one, arraigned at the bar of infinite justice. Do you feel yourself to be such a one, and do you think there are no good tidings left for someone like you? Then this gospel is meant precisely for you, for it proclaims pardon through the blood of Jesus and justification by His righteousness.
It is not a message that asks something of you, but one that gives you everything as a sovereign gift of God’s unmerited favor. It not only speaks of pardon, but brings it; it not only proclaims mercy, but bestows it. Pray, then, that you may not stop at the sound, but may taste its sweetness and power in your own heart. Then it becomes to you what it truly is: the power of God unto salvation to everyone that believes.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“El evangelio de la gracia de Dios.”
Hechos 20:24
¿Qué significa la palabra “evangelio”? Su sentido literal es o bien “palabra de Dios” o mensaje, o mejor dicho, “buena noticia” o “buenas nuevas”, lo cual concuerda más con el original. Pero si es “buena noticia”, ha de ser buena noticia de algo y para alguien. Tiene que haber unas buenas nuevas que se traen, y tiene que haber alguna persona por quien se reciben como buenas nuevas. Para que el evangelio sea, pues, buena noticia, alegres nuevas, tiene que haber un mensaje de Dios al hombre, siendo Dios el que habla y el hombre el que oye; Él el Dador lleno de gracia, y el hombre el dichoso receptor.
Pero si el evangelio significa buenas nuevas del cielo a la tierra, solo puede ser digno de ese nombre en cuanto proclama gracia, misericordia, perdón, liberación y salvación, y todo ello como dones gratuitos del favor inmerecido de Dios. De otro modo no sería un evangelio adecuado a nuestras necesidades; no sería buena noticia ni alegres nuevas para nosotros, pobres pecadores; para nosotros, transgresores de la ley; para nosotros, reos culpables; para nosotros, viles transgresores; para nosotros, acusados ante el tribunal de la justicia infinita; para nosotros, condenados a morir por las exigencias inflexibles de la santidad de Dios. Y así como ha de ser un evangelio adecuado para que nosotros lo recibamos, así también ha de ser un evangelio digno de que Dios lo dé.
Este evangelio, pues, puro, claro y gratuito, es buena noticia o alegres nuevas, por cuanto proclama perdón por la sangre de Jesús y justificación por Su justicia. Revela una obediencia por la cual la ley fue magnificada y engrandecida, y un sacrificio expiatorio por el pecado por el cual este fue borrado y quitado para siempre; y así trae gloria a Dios y salvación al alma. Es una pura revelación de misericordia, amor y gracia soberanos, por la cual cada Persona de la divina Trinidad es exaltada y engrandecida. En él “la misericordia y la verdad se encontraron; la justicia y la paz se besaron”. Tal como en él se revela, “la verdad brotará de la tierra” en el corazón de pecadores contritos, y “la justicia”, satisfecha eternamente por la obediencia de Cristo, “mirará desde los cielos”.
Si usted ama un evangelio puro, claro y gratuito, “el evangelio de la gracia de Dios”, no lo ama solo porque es tan plenamente apropiado a sus necesidades, tan del todo adecuado a su estado caído, sino porque ha sentido su dulzura y su poder; porque no solo habla de perdón, sino que trae perdón; no solo proclama misericordia, sino que trae misericordia; no solo señala un camino de salvación, sino que trae la salvación, con todas sus ricas bendiciones, a su corazón. Así llega a ser “potencia de Dios para salud a todo aquel que cree”.
Al lector…
Hay tiempos en que el evangelio no le suena a usted como buena noticia, sino solo como una palabra conocida que ha oído tantas veces. Solo es buena noticia para quien se conoce a sí mismo como pecador, como transgresor de la ley, como culpable, acusado ante el tribunal de la justicia infinita. ¿Se siente usted así, y piensa que ya no quedan buenas nuevas para alguien como usted? Entonces este evangelio es precisamente para usted, porque proclama perdón por la sangre de Jesús y justificación por Su justicia.
No es un mensaje que le pide algo, sino uno que se lo da todo como don soberano del favor inmerecido de Dios. No solo habla de perdón, sino que lo trae; no solo proclama misericordia, sino que la otorga. Pida, pues, no quedarse en el sonido, sino gustar su dulzura y su poder en su propio corazón. Entonces llegará a ser para usted lo que de verdad es: potencia de Dios para salud a todo aquel que cree.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl