6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.
1 Johannes 1:9
Heeft de Heere uw zonde tot een last gemaakt? Heeft Hij u ooit doen gevoelen dat gij schuldig voor Hem waart? Heeft Hij ooit uw geweten neergedrukt op het gezicht en bij het gevoel van uw ongerechtigheden, uw zonden en afwijkingen? En ontlokt de Heere van tijd tot tijd een eerlijke, oprechte, onbewimpelde belijdenis dier zonden van uw lippen?
Wat zegt de Heilige Geest tot u? Wat heeft die gezegende Geest voor uw lering en uw troost opgetekend? „Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons onze zonden te vergeven.” Niet alleen op grond van genade, nog minder omdat gij ze beleden hebt. Niet uw belijdenis van zonden, maar het is aldus: uw belijdenis van zonden is een bewijs van Goddelijk licht; uw belijdenis van zonden komt voort uit een werk van genade op uw hart.
Zo gij dus het Goddelijke leven in u hebt, indien gij genade hebt in uw ziel, zijt gij een kind van God. Jezus gehoorzaamde voor u; Jezus leed voor u; Jezus stierf voor u; Jezus heeft uw zonden weggedaan. En daarom, omdat gij een kind van God zijt en omdat Jezus dat alles voor u gedaan heeft, is God nu „getrouw” aan Zijn belofte dat Hij een belijdend zondaar wil aannemen, en „rechtvaardig” aan Zijn eigen onveranderlijk en waarachtig karakter. En daarom, zowel uit rechtvaardigheid als genade, uit trouw zowel als uit medelijden, kan en wil Hij vergeven en vergeeft Hij, en wist genadig alle ongerechtigheid en elke overtreding van een belijdend boeteling uit.
Mijn ziel, hoe treurt ge dus verslagen,
wat zijt g’ onrustig in uw lot?
Berust in ’s Heeren welbehagen:
Hij doet welhaast uw heilzon dagen.
Uw hoop herleev’ naar zijn gebod:
mijn redder is mijn God.
Ps. 42:5
Aan de lezer…
Wie de zonde als een last heeft leren voelen, weet waarover dit woord spreekt; is dat ook bij u zo? Ligt u soms met een neergedrukt geweten voor de Heere, en komt er een eerlijke, onbewimpelde belijdenis over uw lippen? Denk dan niet dat uw belijdenis de grond is waarop God vergeeft. Zij is iets anders en iets beters: een bewijs van Goddelijk licht, een vrucht van het werk der genade op uw hart.
En waar dat werk is, daar heeft Jezus gehoorzaamd, geleden en Zijn leven gegeven, en de zonden weggedaan. Daarom is God „getrouw” aan Zijn belofte en „rechtvaardig” aan Zijn eigen waarachtig karakter, wanneer Hij een belijdend zondaar vergeeft. Dit is geen wankele troost: rechtvaardigheid en genade, trouw en medelijden spreken hier samen voor u. Breng dan uw zonden, hoe zwaar ook, eerlijk bij Hem; Hij kan en wil vergeven, en Hij reinigt van alle ongerechtigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.
1 Johannes 1:9
Heeft de Heere uw zonde voor u tot een last gemaakt? Heeft Hij u ooit laten voelen dat u schuldig voor Hem stond? Heeft Hij ooit uw geweten neergedrukt toen u uw ongerechtigheden, zonden en afwijkingen zag en voelde? En brengt de Heere van tijd tot tijd een eerlijke, oprechte, onverbloemde belijdenis van die zonden over uw lippen?
Wat zegt de Heilige Geest dan tegen u? Wat heeft die gezegende Geest voor uw onderwijs en uw troost opgeschreven? „Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons onze zonden te vergeven.” Niet alleen op grond van genade, en nog minder omdat u ze beleden hebt. Het is niet uw belijdenis van zonden, maar het zit zo: uw belijdenis van zonden is een bewijs van goddelijk licht. Uw belijdenis van zonden komt voort uit een werk van genade in uw hart.
Als u dus het goddelijke leven in u hebt, als u genade in uw ziel hebt, bent u een kind van God. Jezus gehoorzaamde voor u, Jezus leed voor u, Jezus stierf voor u, Jezus heeft uw zonden weggedaan. En daarom, omdat u een kind van God bent en omdat Jezus dat alles voor u gedaan heeft, is God nu „getrouw” aan Zijn belofte dat Hij een zondaar die belijdt wil aannemen, en „rechtvaardig” aan Zijn eigen onveranderlijke en waarachtige karakter. Daarom kan en wil Hij vergeven, zowel uit gerechtigheid als uit genade, zowel uit trouw als uit medelijden. Hij vergeeft ook werkelijk, en wist genadig alle ongerechtigheid en elke overtreding uit van een boeteling die belijdt.
Mijn ziel, hoe treurt ge dus verslagen,
wat zijt g’ onrustig in uw lot?
Berust in ’s Heeren welbehagen:
Hij doet welhaast uw heilzon dagen.
Uw hoop herleev’ naar zijn gebod:
mijn redder is mijn God.
Ps. 42:5
Aan de lezer…
Wie de zonde als een last heeft leren voelen, weet waarover dit woord spreekt; is dat bij u ook zo? Ligt u soms met een neergedrukt geweten voor de Heere, en komt er een eerlijke, onverbloemde belijdenis over uw lippen? Denk dan niet dat uw belijdenis de grond is waarop God vergeeft. Zij is iets anders en iets beters: een bewijs van goddelijk licht, een vrucht van het werk van de genade in uw hart.
En waar dat werk is, daar heeft Jezus gehoorzaamd, geleden en Zijn leven gegeven, en de zonden weggedaan. Daarom is God „getrouw” aan Zijn belofte en „rechtvaardig” aan Zijn eigen waarachtige karakter, wanneer Hij een zondaar die belijdt vergeeft. Dit is geen wankele troost: gerechtigheid en genade, trouw en medelijden spreken hier samen voor u. Breng dan uw zonden, hoe zwaar ook, eerlijk bij Hem; Hij kan en wil vergeven, en Hij reinigt van alle ongerechtigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
If we confess our sins, he is faithful and just to forgive us our sins, and to cleanse us from all unrighteousness.
1 John 1:9
Has the Lord made sin your burden? Has He ever made you feel guilty before Him? Has He ever pressed down your conscience with a sight and sense of your iniquities, your sins, your backslidings? And does the Lord draw, from time to time, honest, sincere, unreserved confession of those sins out of your lips? What does the Holy Spirit say to you? What has the blessed Spirit recorded for your instruction, and for your consolation? “If we confess our sins, He is faithful and just to forgive us our sins.”
Not merely on a footing of mercy; still less because you confess them. It is not your confessing them, but it is thus–your confessing them is a mark of divine light; your confessing them springs from the work of grace upon your heart. If, then, you possess divine life, if you have grace in your soul, you are a child of God, Jesus obeyed for you–Jesus suffered for you–Jesus died for you–Jesus has put away your sin. And, therefore, you being a child of God, and Jesus having done all these things for you, God is now “faithful” to His promise that He will receive a confessing sinner; and “just” to His own immutable and truthful character. And thus, from justice as well as mercy, from faithfulness as well as compassion, He can, He will, and He does–pardon, forgive, and sweetly blot out every iniquity and every transgression of a confessing penitent.
To the reader…
Whoever has learned to feel sin as a burden knows what this word is speaking of; is that so with you as well? Do you sometimes lie before the Lord with a weighed-down conscience, and does an honest, unreserved confession come from your lips? Then do not think that your confession is the ground on which God forgives. It is something else and something better: an evidence of divine light, a fruit of the work of grace in your heart.
And where that work is, there Jesus has obeyed, suffered and given His life, and put away the sins. That is why God is “faithful” to His promise and “just” to His own true character when He forgives a confessing sinner. This is no unsteady comfort: justice and grace, faithfulness and compassion speak here together on your behalf. Bring your sins to Him honestly, then, however heavy they may be; He can and will forgive, and He cleanses from all unrighteousness.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si confesamos nuestros pecados, Él es fiel y justo para que nos perdone nuestros pecados, y nos limpie de toda maldad.
1 Juan 1:9
¿Ha hecho el Señor del pecado su carga? ¿Le ha hecho sentirse alguna vez culpable delante de Él? ¿Ha oprimido alguna vez su conciencia con una visión y un sentimiento de sus iniquidades, sus pecados, sus rebeliones? ¿Y saca el Señor de tiempo en tiempo de sus labios una confesión sincera, honesta y sin reservas de esos pecados? ¿Qué le dice el Espíritu Santo? ¿Qué ha dejado escrito el bendito Espíritu para su instrucción y para su consolación? “Si confesamos nuestros pecados, Él es fiel y justo para que nos perdone nuestros pecados”.
No meramente sobre la base de la misericordia; mucho menos porque usted los confiese. No es su confesarlos, sino que es así: su confesarlos es una señal de luz divina; su confesarlos brota de la obra de la gracia en su corazón. Si, pues, usted posee vida divina, si tiene gracia en su alma, es usted un hijo de Dios; Jesús obedeció por usted, Jesús sufrió por usted, Jesús murió por usted, Jesús ha quitado su pecado. Y por tanto, siendo usted un hijo de Dios, y habiendo hecho Jesús todas estas cosas por usted, Dios es ahora “fiel” a Su promesa de que recibirá a un pecador que confiesa, y “justo” conforme a Su propio carácter inmutable y verdadero. Y así, por justicia tanto como por misericordia, por fidelidad tanto como por compasión, Él puede, Él quiere y Él efectivamente perdona, remite y borra dulcemente toda iniquidad y toda transgresión de un penitente que confiesa.
Al lector…
Quien ha aprendido a sentir el pecado como una carga sabe de qué habla esta palabra; ¿es así también con usted? ¿Está a veces delante del Señor con una conciencia abrumada, y sale de sus labios una confesión sincera y sin reservas? Entonces no piense que su confesión es el fundamento sobre el cual Dios perdona. Es otra cosa, y algo mejor: una evidencia de luz divina, un fruto de la obra de la gracia en su corazón.
Y donde está esa obra, allí Jesús ha obedecido, ha sufrido y ha dado Su vida, y ha quitado los pecados. Por eso Dios es “fiel” a Su promesa y “justo” conforme a Su propio carácter verdadero cuando perdona a un pecador que confiesa. Este no es un consuelo inestable: la justicia y la gracia, la fidelidad y la compasión hablan aquí juntas a su favor. Lleve, pues, sus pecados a Él con sinceridad, por pesados que sean; Él puede y quiere perdonar, y limpia de toda maldad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een grote Hogepriester
Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
Hebreeën 4:14
Het is niet nodig dat ik uitvoerig aantoon hoe de hogepriester onder de wet was gevormd naar het beeld en voorbeeld van de Heere Jezus Christus. En toch zijn er bepaalde punten van overeenkomst en bepaalde punten van verschil die wenselijk zijn te bespreken, om het bedenken en de betekenis van de Heilige Geest te illustreren en te beschrijven in de woorden die ons worden voorgelegd. Er zijn drie punten van overeenkomst (er waren er meer, maar ik beperk me tot drie) tussen de hogepriester onder de wet en de „Hogepriester over het huis Gods”. Het eerste is dat de hogepriester offerde; het tweede, dat hij bad voor de zonden van de mensen op de grote verzoendag, door fijn gestoten welriekende specerijen te nemen en op vurige kolen die van het altaar waren genomen te leggen, en ze binnen de voorhang te dragen (zie Lev. 16:12, 13); en het derde, dat hij de mensen zegende (zie Num. 6:23).
Welnu, in deze drie punten leek de hogepriester onder de wet schitterend op de „Hogepriester over het huis Gods”. Maar o, wat is de overeenkomst zwak! hoe vaag het beeld! hoe schimmig het voorbeeld! De hogepriester onder de wet kon slechts het bloed van stieren en geiten offeren, dat nooit de zonde wegneemt; de „Hogepriester over het huis Gods” offerde Zichzelf — Zijn eigen lichaam en Zijn eigen ziel — dat kostbare, kostbare bloed, dat „ons reinigt van alle zonde”. De hogepriester onder de wet kon alleen wierook offeren op de kolen van het altaar; de „Hogepriester over het huis Gods” biedt dagelijks de macht van Zijn offer aan door „voor ons te bidden”. De hogepriester onder de wet kon de zegen alleen in bepaalde woorden uitspreken; hij kon die zegen niet geven of op de ziel overdragen; de „Hogepriester over het huis Gods” zegent de ziel met de zoete blijken van Zijn liefdevolle goedheid en tedere genade.
Lezen: Leviticus 16:1-19
Aan de lezer…
Vergelijk eens de hogepriester onder de wet met de Hogepriester over het huis Gods. Hoe zwak was het beeld en hoe schimmig het voorbeeld! Die van toen kon slechts het bloed van dieren offeren, dat nooit de zonde wegnam; hij kon wierook leggen op de kolen en een zegen in woorden uitspreken, maar die zegen niet in de ziel overdragen.
Lieve lezer, de Heere Jezus offerde Zichzelf, Zijn eigen lichaam en ziel, en Zijn kostbaar bloed reinigt van alle zonde. Hij bidt dagelijks voor de Zijnen in de kracht van dat offer. En Hij zegent niet met woorden alleen, maar met de zoete blijken van Zijn liefdevolle goedheid en tedere genade. Zoekt u een zegen die u werkelijk raakt? Ga dan niet naar het schaduwbeeld, maar naar Hem, Die geeft wat Hij belooft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
Hebreeën 4:14
Het is niet nodig dat ik uitvoerig aantoon hoe de hogepriester onder de wet was gevormd naar het beeld en voorbeeld van de Heere Jezus Christus. Toch zijn er bepaalde punten van overeenkomst en bepaalde punten van verschil die het goed is te bespreken, om de bedoeling en de betekenis van de Heilige Geest in de woorden die ons worden voorgelegd toe te lichten en te beschrijven. Er zijn drie punten van overeenkomst (er waren er meer, maar ik beperk me tot drie) tussen de hogepriester onder de wet en de „Hogepriester over het huis Gods”. Het eerste is dat de hogepriester offerde. Het tweede is dat hij op de grote verzoendag bad voor de zonden van het volk, door fijngestoten welriekende specerijen te nemen, die op vurige kolen van het altaar te leggen en ze binnen het voorhangsel te dragen (zie Lev. 16:12, 13). Het derde is dat hij het volk zegende (zie Num. 6:23).
Welnu, in deze drie punten leek de hogepriester onder de wet prachtig op de „Hogepriester over het huis Gods”. Maar o, hoe zwak is de overeenkomst! Hoe vaag het beeld! Hoe schimmig het voorbeeld! De hogepriester onder de wet kon slechts het bloed van stieren en bokken offeren, dat nooit de zonde wegneemt. De „Hogepriester over het huis Gods” offerde Zichzelf — Zijn eigen lichaam en Zijn eigen ziel — dat kostbare, kostbare bloed, dat „ons reinigt van alle zonde”. De hogepriester onder de wet kon alleen reukwerk offeren op de kolen van het altaar; de „Hogepriester over het huis Gods” brengt dagelijks de kracht van Zijn offer voor God door „voor ons te bidden”.
De hogepriester onder de wet kon de zegen alleen in bepaalde woorden uitspreken; hij kon die zegen niet geven of in de ziel overbrengen. De „Hogepriester over het huis Gods” zegent de ziel met de zoete blijken van Zijn liefdevolle goedheid en tedere genade.
Lezen: Leviticus 16:1-19
Aan de lezer…
Vergelijk eens de hogepriester onder de wet met de Hogepriester over het huis Gods. Hoe zwak was het beeld en hoe schimmig het voorbeeld! De hogepriester van toen kon slechts het bloed van dieren offeren, dat nooit de zonde wegnam. Hij kon reukwerk leggen op de kolen en een zegen in woorden uitspreken, maar die zegen niet in de ziel overbrengen.
De Heere Jezus offerde Zichzelf, Zijn eigen lichaam en ziel, en Zijn kostbaar bloed reinigt van alle zonde. Hij bidt dagelijks voor de Zijnen in de kracht van dat offer. En Hij zegent niet met woorden alleen, maar met de zoete blijken van Zijn liefdevolle goedheid en tedere genade. Zoekt u een zegen die u werkelijk raakt? Ga dan niet naar het schaduwbeeld, maar naar Hem, Die geeft wat Hij belooft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Seeing then that we have a great High Priest, that is passed into the heavens, Jesus the Son of God, let us hold fast our profession.
Hebrews 4:14
There is no need for me to show at length how the high priest under the law was formed after the image and pattern of the Lord Jesus Christ. Yet there are certain points of resemblance and certain points of difference which it is well to consider, in order to explain and set forth the mind and meaning of the Holy Spirit in the words now before us. There are three points of resemblance (there were more, but I confine myself to three) between the high priest under the law and the “High Priest over the house of God.” The first is that the high priest offered sacrifice. The second is that on the great Day of Atonement he interceded for the sins of the people, by taking sweet incense beaten small, putting it upon burning coals from the altar and bearing it within the veil (see Lev. 16:12, 13). The third is that he blessed the people (see Num. 6:23).
Now in these three points the high priest under the law beautifully resembled the “High Priest over the house of God.” But oh, how faint the resemblance! How dim the image! How shadowy the type! The high priest under the law could offer only the blood of bulls and goats, which can never take away sin. The “High Priest over the house of God” offered Himself — His own body and His own soul — that precious, precious blood which “cleanseth us from all sin.” The high priest under the law could offer only incense upon the coals of the altar; the “High Priest over the house of God” daily presents before God the virtue of His sacrifice by “making intercession for us.”
The high priest under the law could only pronounce the blessing in certain words; he could not give that blessing or convey it into the soul. The “High Priest over the house of God” blesses the soul with the sweet manifestations of His loving-kindness and tender mercy.
Reading: Leviticus 16:1-19
To the reader…
Compare for a moment the high priest under the law with the High Priest over the house of God. How faint was the image and how shadowy the type! The high priest of those days could offer only the blood of beasts, which never took away sin. He could lay incense upon the coals and pronounce a blessing in words, but he could not convey that blessing into the soul.
The Lord Jesus offered Himself, His own body and soul, and His precious blood cleanses from all sin. He daily intercedes for His own in the virtue of that sacrifice. And He blesses not with words alone, but with the sweet manifestations of His loving-kindness and tender mercy. Are you seeking a blessing that truly reaches you? Then do not go to the shadow, but to Him Who gives what He promises.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por tanto, teniendo un gran Pontífice, que penetró los cielos, Jesús el Hijo de Dios, retengamos nuestra profesión.
Hebreos 4:14
No es necesario que muestre extensamente cómo el sumo sacerdote bajo la ley fue formado según la imagen y el modelo del Señor Jesucristo. Sin embargo, hay ciertos puntos de semejanza y ciertos puntos de diferencia que conviene considerar, para explicar y exponer el sentir y el significado del Espíritu Santo en las palabras que ahora tenemos delante. Hay tres puntos de semejanza (había más, pero me limito a tres) entre el sumo sacerdote bajo la ley y el “Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios”. El primero es que el sumo sacerdote ofrecía sacrificio. El segundo es que en el gran Día de la Expiación intercedía por los pecados del pueblo, tomando el perfume aromático molido, poniéndolo sobre las brasas de fuego del altar y llevándolo dentro del velo (véase Lev. 16:12, 13). El tercero es que bendecía al pueblo (véase Núm. 6:23).
Ahora bien, en estos tres puntos el sumo sacerdote bajo la ley se parecía hermosamente al “Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios”. ¡Pero oh, cuán débil la semejanza! ¡Cuán borrosa la imagen! ¡Cuán sombrío el tipo! El sumo sacerdote bajo la ley solo podía ofrecer la sangre de toros y de machos cabríos, que nunca puede quitar el pecado. El “Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios” se ofreció a Sí mismo —Su propio cuerpo y Su propia alma—, aquella preciosa, preciosa sangre que “nos limpia de todo pecado”. El sumo sacerdote bajo la ley solo podía ofrecer incienso sobre las brasas del altar; el “Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios” presenta diariamente ante Dios la virtud de Su sacrificio, “intercediendo por nosotros”.
El sumo sacerdote bajo la ley solo podía pronunciar la bendición con ciertas palabras; no podía dar esa bendición ni hacerla llegar al alma. El “Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios” bendice el alma con las dulces manifestaciones de Su misericordia y Su tierna compasión.
Lectura: Levítico 16:1-19
Al lector…
Compare por un momento al sumo sacerdote bajo la ley con el Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios. ¡Cuán débil era la imagen y cuán sombrío el tipo! El sumo sacerdote de aquellos días solo podía ofrecer la sangre de animales, que nunca quitó el pecado. Podía poner incienso sobre las brasas y pronunciar una bendición con palabras, pero no podía hacer llegar esa bendición al alma.
El Señor Jesús se ofreció a Sí mismo, Su propio cuerpo y alma, y Su preciosa sangre limpia de todo pecado. Él intercede diariamente por los Suyos en la virtud de ese sacrificio. Y no bendice solo con palabras, sino con las dulces manifestaciones de Su misericordia y Su tierna compasión. ¿Busca usted una bendición que verdaderamente le alcance? Entonces no vaya a la sombra, sino a Aquel que da lo que promete.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust.
Hebreeën 4:3
Rusten is op iets leunen, nietwaar? Zo is het ook op geestelijk terrein. Wij hebben nodig op iets te leunen. De Heere Zelf heeft ons dit zinnebeeld gegeven: „Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste?” Het zinnebeeld van een rots waarop de kerk gebouwd is, het fundament dat God in Sion gelegd heeft, wijst ook daarhenen, dat wil zeggen, het ziet op leunen, ofwel op afhankelijkheid. Welnu, wanneer de ziel komt te leunen op Jezus en geheel en alleen van Hem afhangt, treedt zij in de liefelijkheid van de uitnodiging die Hij tot haar richt.
Hebben wij niet geleund op duizend andere dingen? En wat hebben zij bewezen te zijn? Gebroken rietstaven, die onze handen doorboren. Onze eigen sterkte en onze eigen voornemens, de wereld en de kerk, zondaren en heiligen, vrienden en vijanden — hebben deze allen niet meer of minder bewezen dat zij gebroken rietstaven zijn? Hoe meer wij daarop hebben geleund, hoe meer onze ziel, evenals een man die op zijn zwaard leunt, daarmede doorstoken geworden is. De Heere Zelf moet ons spenen van de wereld, van vrienden, van vijanden, van onszelf, teneinde wij zouden leunen op Hem; en elk steunsel zal Hij vroeger of later wegnemen, opdat wij geheel en alleen zouden leunen op Zijn Persoon, op Zijn liefde, bloed en gerechtigheid.
Maar er is een ander begrip van rust, namelijk „einde”. Wanneer wij wandelen, lopen of ons van het één naar het ander begeven, dan gaan wij steeds voorwaarts; wij hebben het einde van onze reis nog niet bereikt; doch zijn wij eenmaal aan het eind gekomen, dan rusten wij. Zo is het ook op geestelijk terrein. Zolang wij ons bezighouden met onze eigen gerechtigheid op te richten, zolang wij arbeiden onder de wet, is er geen eind aan onze arbeid. Maar komen wij tot de heerlijke Persoon van de Zoon van God, verlaten wij ons op Zijn verzoenend bloed, Zijn stervende liefde en heerlijke gerechtigheid, en bevinden wij deze zoet, dierbaar en gepast, dan genieten wij daar de rust.
„Wij, die geloofd hebben, gaan in de rust,” zegt de apostel. Zijn wettische werken zijn alle bepaald. Zijn hoop en verwachting bepalen zich op Jezus als het middelpunt; zij eindigen in Hem, gelijk een rivier die zich in de onbegrensde oceaan ontlast.
Aan de lezer…
Waarop leunt u, vermoeide lezer? Hebt u ook geleund op duizend dingen die gebroken rietstaven bleken: uw eigen sterkte, uw goede voornemens, vrienden, ja zelfs de kerk? En hebben zij uw handen doorboord, zodat u nu met lege handen staat? Wees dan niet al te bedroefd dat de Heere uw steunsels wegneemt. Hij doet het niet uit hardheid, maar opdat u geheel en alleen op Hem zou leunen, op Zijn Persoon, Zijn liefde, bloed en gerechtigheid.
En misschien bent u moe van het arbeiden, van een eigen gerechtigheid die nooit af komt. Daar is geen einde aan zolang u onder de wet zwoegt. Maar het einde ligt in Hem. Wie zich verlaat op Zijn verzoenend bloed, komt tot rust, zoals een rivier zich in de oceaan ontlast. Leun dan maar, zwak als u bent. „Wij, die geloofd hebben, gaan in de rust.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust.
Hebreeën 4:3
Rusten is op iets leunen, nietwaar? Zo is het ook op geestelijk gebied. Wij hebben iets nodig om op te leunen. De Heere Zelf heeft ons dit beeld gegeven: „Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste?” Ook het beeld van de rots waarop de kerk gebouwd is, het fundament dat God in Sion gelegd heeft, wijst daarop; het spreekt van leunen, dat wil zeggen van afhankelijkheid. Wanneer de ziel nu op Jezus gaat leunen en geheel en alleen van Hem afhangt, komt zij in de lieflijkheid van de uitnodiging die Hij tot haar richt.
Hebben wij niet op duizend andere dingen geleund? En wat bleken die te zijn? Gebroken rietstaven, die onze handen doorboren. Onze eigen kracht en onze eigen voornemens, de wereld en de kerk, zondaars en heiligen, vrienden en vijanden: zijn zij niet allemaal in meerdere of mindere mate gebroken rietstaven gebleken? Hoe meer wij erop leunden, hoe meer onze ziel erdoor doorstoken werd, zoals een man die op zijn zwaard leunt. De Heere Zelf moet ons spenen van de wereld, van vrienden, van vijanden, van onszelf, zodat wij op Hem zouden leunen. Elke steun zal Hij vroeg of laat wegnemen, zodat wij geheel en alleen zouden leunen op Zijn Persoon, op Zijn liefde, bloed en gerechtigheid.
Maar er is nog een andere betekenis van rust, namelijk „einde”. Wanneer wij wandelen, lopen of van de ene plaats naar de andere gaan, gaan wij steeds verder; wij hebben het einde van onze reis nog niet bereikt. Maar zijn wij eenmaal aan het einde gekomen, dan rusten wij. Zo is het ook op geestelijk gebied. Zolang wij bezig zijn onze eigen gerechtigheid op te richten, zolang wij onder de wet arbeiden, komt er geen einde aan onze arbeid. Maar komen wij tot de heerlijke Persoon van de Zoon van God, verlaten wij ons op Zijn verzoenend bloed, Zijn stervende liefde en heerlijke gerechtigheid, en ervaren wij die als zoet, dierbaar en passend, dan genieten wij daar de rust.
„Wij, die geloofd hebben, gaan in de rust,” zegt de apostel. Aan al zijn wettische werken is een einde gekomen. Zijn hoop en verwachting richten zich op Jezus als het middelpunt; zij eindigen in Hem, zoals een rivier uitmondt in de onbegrensde oceaan.
Aan de lezer…
Waarop leunt u, vermoeide lezer? Hebt u ook geleund op duizend dingen die gebroken rietstaven bleken: uw eigen kracht, uw goede voornemens, vrienden, ja zelfs de kerk? En hebben zij uw handen doorboord, zodat u nu met lege handen staat? Wees dan niet al te bedroefd dat de Heere uw steunpunten wegneemt. Hij doet het niet uit hardheid, maar zodat u geheel en alleen op Hem zou leunen, op Zijn Persoon, Zijn liefde, bloed en gerechtigheid.
En misschien bent u moe van het arbeiden, van een eigen gerechtigheid die nooit af komt. Daar komt geen einde aan zolang u onder de wet zwoegt. Maar het einde ligt in Hem. Wie zich verlaat op Zijn verzoenend bloed, komt tot rust, zoals een rivier uitmondt in de oceaan. Leun dan maar op Hem, zwak als u bent. „Wij, die geloofd hebben, gaan in de rust.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For we which have believed do enter into rest.
Hebrews 4:3
To rest is to ‘lean’ upon something. Is it not? So spiritually. We need to lean upon something. The Lord Himself has given us this figure. “Who is this that comes up from the wilderness, leaning upon her Beloved?” The figure of “a rock” on which the Church is built, “the foundation” which God has laid in Zion, points to the same idea, that of leaning or dependence. Now when the soul comes to lean upon Jesus, and depend wholly and solely on Him, it enters into the sweetness of the invitation.
Have we not leaned upon a thousand things? And what have they proved? Broken reeds that have run into our hands, and pierced us. Our own strength and resolutions, the world and the church, sinners and saints, friends and enemies, have they not all proved, more or less, broken reeds? The more we have leaned upon them, like a man leaning upon a sword, the more have they pierced our souls. The Lord Himself has to wean us from the world, from friends, from enemies, from self, in order to bring us to lean upon Himself; and every prop He will remove, sooner or later, that we may lean wholly and solely upon His Person, love, blood, and righteousness.
But there is another idea in the word “rest”—termination. When we are walking, running, or in any way moving, we are still going onwards; we have not got to the termination of our journey. But when we come to the termination of that we have been doing, we rest. So spiritually. As long as we are engaged in setting up our own righteousness, in laboring under the law, there is no termination of our labors.
But when we come to the glorious Person of the Son of God, when we hang upon His atoning blood, dying love, and glorious righteousness, and feel them sweet, precious, and suitable, then there is rest. “We who have believed enter into rest,” says the Apostle. His legal labors are all terminated. His hopes and expectations flow unto, and center in Jesus—there they end, there they terminate; such a termination as a river finds in the boundless ocean.
To the reader…
On what are you leaning, weary reader? Have you too leaned on a thousand things that proved to be broken reeds: your own strength, your good resolutions, friends, even the church? And have they pierced your hands, so that you now stand with empty hands? Then do not be too downcast that the Lord is taking away your props. He does not do it out of harshness, but so that you would lean wholly and solely on Him, on His Person, His love, blood and righteousness.
And perhaps you are tired of labouring, of a righteousness of your own that is never finished. There is no end to it as long as you toil under the law. But the end lies in Him. Whoever relies on His atoning blood comes to rest, as a river flows out into the ocean. So lean on Him, weak as you are. “For we which have believed do enter into rest.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Empero entramos en el reposo los que hemos creído.
Hebreos 4:3
Reposar es ‘apoyarse’ en algo. ¿No es así? Así también espiritualmente. Necesitamos apoyarnos en algo. El Señor mismo nos ha dado esta figura: “¿Quién es ésta que sube del desierto, recostada sobre su amado?” La figura de “una roca” sobre la cual está edificada la Iglesia, del “fundamento” que Dios ha puesto en Sion, apunta a la misma idea, la de apoyarse o depender. Ahora bien, cuando el alma llega a apoyarse en Jesús, y a depender entera y únicamente de Él, entra en la dulzura de la invitación.
¿No nos hemos apoyado en mil cosas? ¿Y qué han resultado ser? Cañas cascadas que se nos han clavado en la mano y nos han traspasado. Nuestra propia fuerza y nuestros propósitos, el mundo y la iglesia, pecadores y santos, amigos y enemigos, ¿no han resultado todos, más o menos, cañas cascadas? Cuanto más nos hemos apoyado en ellos, como un hombre que se apoya en una espada, tanto más han traspasado nuestras almas. El Señor mismo tiene que destetarnos del mundo, de los amigos, de los enemigos, del yo, para llevarnos a apoyarnos en Él mismo; y quitará todo apoyo, tarde o temprano, para que nos apoyemos entera y únicamente en Su Persona, Su amor, Su sangre y Su justicia.
Pero hay otra idea en la palabra “reposo”: la de término. Cuando caminamos, corremos o nos movemos de cualquier modo, todavía vamos avanzando; no hemos llegado al término de nuestro viaje. Pero cuando llegamos al término de lo que hemos estado haciendo, reposamos. Así también espiritualmente. Mientras estamos ocupados en establecer nuestra propia justicia, trabajando bajo la ley, nuestros trabajos no tienen término.
Pero cuando llegamos a la gloriosa Persona del Hijo de Dios, cuando nos aferramos a Su sangre expiatoria, Su amor agonizante y Su gloriosa justicia, y los sentimos dulces, preciosos y adecuados, entonces hay reposo. “Entramos en el reposo los que hemos creído”, dice el apóstol. Sus trabajos legales han terminado todos. Sus esperanzas y expectativas fluyen hacia Jesús y se centran en Él; allí acaban, allí tienen su término; un término como el que un río encuentra en el océano sin límites.
Al lector…
¿En qué se apoya usted, lector cansado? ¿También usted se ha apoyado en mil cosas que resultaron ser cañas cascadas: su propia fuerza, sus buenos propósitos, amigos, aun la iglesia? ¿Y le han traspasado las manos, de modo que ahora se encuentra con las manos vacías? Entonces no se abata demasiado porque el Señor le quite sus apoyos. No lo hace por dureza, sino para que usted se apoye entera y únicamente en Él, en Su Persona, Su amor, Su sangre y Su justicia.
Y quizás está cansado de trabajar, de una justicia propia que nunca se termina. No tiene fin mientras usted se afane bajo la ley. Pero el término está en Él. Quien descansa en Su sangre expiatoria llega al reposo, como un río desemboca en el océano. Apóyese, pues, en Él, débil como es. “Empero entramos en el reposo los que hemos creído”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl