6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Begenadigd in de Geliefde.
Efeze 1:6
Wij zoeken altijd iets in onszelf om ons aannemelijk voor God te maken, en worden dikwijls terneergeslagen en ontmoedigd, wanneer wij die heiligheid, die gehoorzaamheid, die kalme onderwerping aan de wil van God, die opgewektheid van ziel, die vroomheid en hemelsgezindheid, die wij aannemelijk achten in Zijn oog, niet kunnen vinden. Onze verkeerde gemoedsgesteldheid; ons gemelijk en ontevreden gemoed; onze oproerige gedachten; onze koelheid; onze dorheid en onze sterke neiging tot het kwade, met het dagelijks gevoel dat wij niet beter, maar eerder slechter worden, doen ons denken, dat God ons beschouwt, zoals wij onszelf beschouwen.
En dit veroorzaakt grote verduistering des verstands en slaafsheid des geestes, tot wij onze aanneming in Christus uit het gezicht schijnen te verliezen en verzinken in de ellendige droesem van het eigen ik, bijna gereed om met God te twisten, omdat wij zo ver achterlijk zijn, en eerder slechter dan beter worden. Hoe meer wij nu in de droesem van eigengerechtigheid verzinken, en hoe meer wij staren op die treurige tonelen van achteruitgang en verderf, die ons hart dagelijks vertoont, des te meer verwijderen wij ons van de genade van het Evangelie, en des te meer verliezen wij de enige grond onzer aanneming bij God uit het oog.
Het is „in de Geliefde” dat wij zijn aangenomen, en niet om enige goede woorden, of goede werken, goede gedachten, goede harten, of goede bedoelingen van onszelf. En een zaligende kennis van onze aanneming „in de Geliefde”, onafhankelijk van alles wat in ons is, goed of kwaad, is een vaste grond van ons geloof en onze hoop, en zal ons behoeden tot wanhoop te vervallen.
Welzalig elk, die ’t recht betracht,
die t’ alle tijd’ Zijn wetten acht.
O Heer, laat mij naar ’t welbehagen,
dat G’ in Uw volk steeds hebt getoond,
ook roem op Uw bescherming dragen,
en met Uw zegen zijn bekroond.
Ps. 106:2
Aan de lezer…
Wat een woord: „Begenadigd in de Geliefde.” Zoekt u ook altijd iets in uzelf om u aannemelijk te maken voor God? En vindt u in plaats van heiligheid en hemelsgezindheid slechts koelheid, dorheid, oproerige gedachten en het dagelijks gevoel dat u eerder slechter dan beter wordt? Dan denkt u licht dat God u zo beschouwt als u uzelf beschouwt, en raakt u verzonken in de droesem van het eigen ik.
Zie toch af van die treurige tonelen in uw hart. Het is niet om uw goede woorden, werken, gedachten of bedoelingen dat iemand aangenomen wordt, maar alleen „in de Geliefde”. Daar ligt de enige grond, en die grond verandert niet met uw gestalte. Moge de Heere u een zaligende kennis geven van die aanneming in Christus, onafhankelijk van alles wat in u is, goed of kwaad; zij zal u voor wanhoop behoeden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Begenadigd in de Geliefde.
Efeze 1:6
Wij zoeken altijd iets in onszelf om ons aangenaam te maken voor God. En vaak zijn wij terneergeslagen en ontmoedigd wanneer wij die heiligheid niet kunnen vinden, die gehoorzaamheid, die kalme onderwerping aan de wil van God, die opgewektheid van ziel, die vroomheid en hemelsgezindheid die wij in Zijn oog aangenaam achten. Onze verkeerde gemoedsgesteldheid, ons knorrige en ontevreden gemoed, onze opstandige gedachten, onze koelheid, onze dorheid en onze sterke neiging tot het kwade, met daarbij het dagelijkse besef dat wij niet beter maar eerder slechter worden: dat alles doet ons denken dat God ons ziet zoals wij onszelf zien.
Dit brengt grote verduistering van het verstand en slaafsheid van de geest teweeg, totdat wij onze aanneming in Christus uit het oog lijken te verliezen. Dan verzinken wij in de ellendige droesem van het eigen ik en zijn wij bijna bereid met God te twisten, omdat wij zo ver achterblijven en eerder slechter dan beter worden. Hoe meer wij in de droesem van eigengerechtigheid verzinken, en hoe meer wij staren op de treurige taferelen van achteruitgang en verderf die ons hart dagelijks laat zien, hoe verder wij ons verwijderen van de genade van het Evangelie. En hoe meer verliezen wij dan de enige grond van onze aanneming bij God uit het oog.
Het is „in de Geliefde” dat wij zijn aangenomen, en niet om goede woorden of goede werken, goede gedachten, een goed hart of goede bedoelingen van onszelf. Een zaligende kennis van onze aanneming „in de Geliefde”, los van alles wat in ons is, goed of kwaad, is een vaste grond voor ons geloof en onze hoop, en zal ons ervoor bewaren in wanhoop te vervallen.
Welzalig elk, die ’t recht betracht,
die t’ alle tijd’ Zijn wetten acht.
O Heer, laat mij naar ’t welbehagen,
dat G’ in Uw volk steeds hebt getoond,
ook roem op Uw bescherming dragen,
en met Uw zegen zijn bekroond.
Ps. 106:2
Aan de lezer…
Wat een woord: „Begenadigd in de Geliefde.” Zoekt u ook altijd iets in uzelf om u aangenaam te maken voor God? En vindt u in plaats van heiligheid en hemelsgezindheid alleen koelheid, dorheid, opstandige gedachten en het dagelijkse besef dat u eerder slechter dan beter wordt? Dan denkt u al snel dat God u zo ziet als u uzelf ziet, en raakt u verzonken in de droesem van het eigen ik.
Kijk toch weg van die treurige taferelen in uw hart. Niemand wordt aangenomen om zijn goede woorden, werken, gedachten of bedoelingen, maar alleen „in de Geliefde”. Daar ligt de enige grond, en die grond verandert niet met uw gestalte. Moge de Heere u een zaligende kennis geven van die aanneming in Christus, los van alles wat in u is, goed of kwaad; zij zal u voor wanhoop bewaren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Accepted in the Beloved.
Ephesians 1:6
We are ever looking for something in SELF to make ourselves acceptable to God, and are often sadly cast down and discouraged when we cannot find that holiness, that obedience, that calm submission to the will of God, that serenity of soul, that spirituality and heavenly-mindedness which we believe to be acceptable in His sight. Our crooked tempers, fretful peevish minds, rebellious thoughts, coldness, barrenness and death, our alienation from good, and headlong proneness to evil, with the daily feeling that we get no better but rather worse, make us think that God views us just as we view ourselves. And this brings on great darkness of mind and bondage of spirit, until we seem to lose sight of our acceptance in Christ, and get into the miserable dregs of SELF, almost ready to quarrel with God because we are so vile, and only get worse as we get older.
Now the more we get into these dregs of SELF, and the more we keep looking at the dreadful scenes of wreck and ruin which our heart presents to daily view, the farther do we get from the grace of the gospel, and the more do we lose sight of the only ground of our acceptance with God. It is “in the Beloved” alone, that we are accepted, and not for any good words, or good works, good thoughts, good hearts, or good intentions of our own.
And a saving knowledge of our acceptance “in the Beloved,” independent of everything in us either good or bad, is a firm foundation for our faith and hope, and will keep us from sinking altogether into despair.
To the reader…
What a word: “Accepted in the Beloved.” Are you, too, always looking for something in yourself to make you acceptable to God? And instead of holiness and heavenly-mindedness, do you find only coldness, barrenness, rebellious thoughts and the daily feeling that you are getting worse rather than better? Then you soon think that God sees you just as you see yourself, and you sink into the dregs of self.
Look away, then, from those sad scenes in your heart. No one is accepted for his good words, works, thoughts or intentions, but only “in the Beloved.” There lies the only ground, and that ground does not change with your frame of mind. May the Lord give you a saving knowledge of that acceptance in Christ, apart from everything in you, good or bad; it will keep you from despair.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Aceptos en el Amado.
Efesios 1:6
Siempre estamos buscando algo en el YO que nos haga aceptables a Dios, y a menudo quedamos tristemente abatidos y desanimados cuando no podemos hallar aquella santidad, aquella obediencia, aquella sumisión tranquila a la voluntad de Dios, aquella serenidad del alma, aquella espiritualidad y mente celestial que creemos aceptables a Sus ojos. Nuestro carácter torcido, nuestra mente inquieta y malhumorada, nuestros pensamientos rebeldes, la frialdad, la esterilidad y la muerte, nuestro alejamiento del bien y nuestra precipitada inclinación al mal, junto con el sentimiento diario de que no mejoramos sino que más bien empeoramos, nos hacen pensar que Dios nos ve exactamente como nosotros nos vemos. Y esto trae gran oscuridad de mente y esclavitud de espíritu, hasta que parecemos perder de vista nuestra aceptación en Cristo y caemos en las miserables heces del YO, casi dispuestos a contender con Dios porque somos tan viles, y solo empeoramos a medida que envejecemos.
Ahora bien, cuanto más nos metemos en estas heces del YO, y cuanto más seguimos mirando las terribles escenas de naufragio y ruina que nuestro corazón presenta a la vista cada día, tanto más nos alejamos de la gracia del evangelio, y tanto más perdemos de vista el único fundamento de nuestra aceptación delante de Dios. Solo “en el Amado” somos aceptos, y no por ninguna buena palabra, ni buena obra, buen pensamiento, buen corazón o buena intención nuestra.
Y un conocimiento salvador de nuestra aceptación “en el Amado”, independiente de todo lo que hay en nosotros, bueno o malo, es un fundamento firme para nuestra fe y esperanza, y nos guardará de hundirnos del todo en la desesperación.
Al lector…
¡Qué palabra: “Aceptos en el Amado”! ¿Busca usted también siempre algo en sí mismo que le haga aceptable a Dios? ¿Y en lugar de santidad y mente celestial halla solo frialdad, esterilidad, pensamientos rebeldes y el sentimiento diario de que empeora en vez de mejorar? Entonces pronto piensa que Dios le ve exactamente como usted se ve, y se hunde en las heces del yo.
Aparte, pues, la mirada de esas tristes escenas de su corazón. Nadie es acepto por sus buenas palabras, obras, pensamientos o intenciones, sino solo “en el Amado”. Allí está el único fundamento, y ese fundamento no cambia con su estado de ánimo. Que el Señor le dé un conocimiento salvador de esa aceptación en Cristo, aparte de todo lo que hay en usted, bueno o malo; le guardará de la desesperación.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een hoog vertrek
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
„Degenen, die U zoeken.” Hiertoe behoren de armen, de lammen, de kreupelen – de kleintjes in Gods gezin die niet tot grote hoogten kunnen opklimmen, en ook niet diep zijn gezonken in zielsmoeilijkheden. Niemand uit Gods gezin wordt uitgesloten, want niet een klauw van Israël zal achterblijven. Men is dus op zoek naar God. Maar voordat we God kunnen zoeken, moeten er twee dingen door goddelijke kracht in onze ziel worden teweeggebracht. Ten eerste moeten we het verlangen hebben iets te vinden, en vervolgens moeten we iets weten van die God bij Wie we datgene wat we zoeken wensen te vinden.
Als ik iets kwijtraak, ga ik het zoeken. Het is een kinderspelletje om overal te gaan zoeken als ik niets ben kwijtgeraakt en niets wil vinden. Dus als er zich niet diep in ons hart een geestelijk verlangen bevindt om Jezus te vinden als verlossing van onze ziel, als onze hoop, ons deel, onze schat, ons alles, is ons zoeken een droom; is het zoeken slechts gehuicheld; we misleiden God; het is lichtvaardig met onze ziel omgaan; het is slechts de rol spelen van een huichelaar.
Maar is er een uitroep in uw ziel naar Hem, een verlangen in uw hart om Hem genadig te vinden, een zucht van uw geest tot Zijn oren en Zijn hart? Dit is wellicht het minste kenmerk van een levende ziel; en God heeft in Zijn barmhartigheid dat kenmerk gegeven om de harten van Zijn afgematte kinderen te bemoedigen. Dan bent u een kind van God. Als deze zoektocht van uw hart eigenlijk een geestelijke zucht van uw ziel in Zijn borst is, zal God u niet verlaten; Hij zal het werk dat Hij bezig is te verrichten niet onafgemaakt laten; Hij zal de zonde, de wereld, de satan en het eigen ik niet toelaten de heerschappij te krijgen; Hij heeft degenen die Hem oprecht zoeken nooit verlaten en zal hen ook nooit verlaten.
Lezen: Psalm 69:18-37
Aan de lezer…
U die uzelf rekent tot de armen, de lammen en de kreupelen in Gods gezin, die niet tot grote hoogten kunnen opklimmen: dit woord is ook voor u. Niet een klauw van Israël zal achterblijven. Zoekt u Jezus als de verlossing van uw ziel, als uw hoop, uw deel en uw schat, omdat u iets kwijt bent wat u zonder Hem niet terugvindt? Dan is uw zoeken geen kinderspel en geen huichelarij.
Misschien acht u die zucht in uw hart zo klein dat u er niets op durft te bouwen. Maar ook het minste kenmerk van een levende ziel heeft God in Zijn barmhartigheid gegeven om Zijn afgematte kinderen te bemoedigen. Is er een uitroep in u naar Hem, een verlangen om Hem genadig te vinden, Hij zal het werk dat Hij begonnen is niet onafgemaakt laten. Wie Hem oprecht zoeken, heeft Hij nooit verlaten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
„Degenen, die U zoeken.” Daartoe behoren de armen, de lammen, de kreupelen: de kleinen in Gods gezin, die niet tot grote hoogten kunnen opklimmen en ook niet diep in zielsmoeiten zijn weggezonken. Niemand uit Gods gezin wordt uitgesloten, want niet een klauw van Israël zal achterblijven. Zij zoeken dus God. Maar voordat we God kunnen zoeken, moeten er door goddelijke kracht twee dingen in onze ziel worden gewerkt. Ten eerste moeten we verlangen iets te vinden, en vervolgens moeten we iets kennen van die God bij Wie we wensen te vinden wat we zoeken.
Als ik iets kwijtraak, ga ik het zoeken. Het is kinderspel om overal te gaan zoeken als ik niets kwijt ben en niets wil vinden. Daarom: als er niet diep in ons hart een geestelijk verlangen is om Jezus te vinden als de verlossing van onze ziel, als onze hoop, ons deel, onze schat, ons alles, dan is ons zoeken een droom. Dan is het zoeken slechts geveinsd; we misleiden God; we gaan lichtvaardig met onze ziel om; we spelen slechts de rol van een huichelaar.
Maar is er een roepen in uw ziel naar Hem, een verlangen in uw hart om Hem genadig te vinden, een zucht van uw geest tot Zijn oren en Zijn hart? Dit is misschien het kleinste kenmerk van een levende ziel, en God heeft dat kenmerk in Zijn barmhartigheid gegeven om de harten van Zijn vermoeide kinderen te bemoedigen. Dan bent u een kind van God. Als dit zoeken van uw hart werkelijk een geestelijke zucht van uw ziel in Zijn boezem is, zal God u niet verlaten. Hij zal het werk dat Hij aan het verrichten is niet onafgemaakt laten. Hij zal de zonde, de wereld, de satan en het eigen ik niet de heerschappij laten krijgen. Hij heeft hen die Hem oprecht zoeken nooit verlaten en zal hen ook nooit verlaten.
Lezen: Psalm 69:18-37
Aan de lezer…
U die uzelf rekent tot de armen, de lammen en de kreupelen in Gods gezin, die niet tot grote hoogten kunnen opklimmen: dit woord is ook voor u. Niet een klauw van Israël zal achterblijven. Zoekt u Jezus als de verlossing van uw ziel, als uw hoop, uw deel en uw schat, omdat u iets kwijt bent wat u zonder Hem niet terugvindt? Dan is uw zoeken geen kinderspel en geen huichelarij.
Misschien vindt u die zucht in uw hart zo klein dat u er niets op durft te bouwen. Maar ook het kleinste kenmerk van een levende ziel heeft God in Zijn barmhartigheid gegeven om Zijn vermoeide kinderen te bemoedigen. Is er in u een roepen naar Hem, een verlangen om Hem genadig te vinden? Dan zal Hij het werk dat Hij begonnen is niet onafgemaakt laten. Wie Hem oprecht zoeken, heeft Hij nooit verlaten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD also will be a refuge for the oppressed, a refuge in times of trouble. And they that know Thy Name will put their trust in Thee: for Thou, LORD, hast not forsaken them that seek Thee.
Psalm 9:9-10
“Them that seek Thee.” Among these are the poor, the lame, the halt: the little ones in God’s family, who cannot climb to great heights and have not sunk deep into soul trouble either. None of God’s family is shut out, for not a hoof of Israel shall be left behind. They, then, seek God. But before we can seek God, two things must be wrought in our soul by divine power. First, we must desire to find something, and then we must know something of that God in Whom we wish to find what we seek.
If I lose something, I go and look for it. It is child’s play to go searching everywhere if I have lost nothing and want to find nothing. Therefore, if there is not deep in our hearts a spiritual desire to find Jesus as the salvation of our soul, as our hope, our portion, our treasure, our all, then our seeking is a dream. Then the seeking is merely feigned; we are mocking God; we are trifling with our souls; we are only playing the part of a hypocrite.
But is there a crying in your soul after Him, a longing in your heart to find Him gracious, a sigh of your spirit into His ears and His heart? This is perhaps the smallest mark of a living soul, and God in His mercy has given that mark to encourage the hearts of His weary children. Then you are a child of God. If this seeking of your heart is really a spiritual sigh of your soul into His bosom, God will not forsake you.
He will not leave unfinished the work He is carrying on. He will not let sin, the world, Satan and self gain the dominion. He has never forsaken those who sincerely seek Him, and He never will forsake them.
Reading: Psalm 69:18-37
To the reader…
You who count yourself among the poor, the lame and the halt in God’s family, who cannot climb to great heights: this word is for you too. Not a hoof of Israel shall be left behind. Do you seek Jesus as the salvation of your soul, as your hope, your portion and your treasure, because you have lost something you cannot find again without Him? Then your seeking is no child’s play and no hypocrisy.
Perhaps you find that sigh in your heart so small that you dare not build anything upon it. But even the smallest mark of a living soul God has given in His mercy to encourage His weary children. Is there in you a crying after Him, a longing to find Him gracious? Then He will not leave unfinished the work He has begun. Those who sincerely seek Him He has never forsaken.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y será Jehová refugio al pobre, refugio para el tiempo de angustia. Y en Ti confiarán los que conocen Tu Nombre; por cuanto Tú, oh Jehová, no desamparaste a los que Te buscaron.
Salmo 9:9-10
“A los que Te buscaron.” Entre ellos están los pobres, los cojos, los lisiados: los pequeños de la familia de Dios, que no pueden subir a grandes alturas y que tampoco se han hundido hondo en la angustia del alma. Nadie de la familia de Dios queda excluido, porque no quedará de Israel ni una uña. Ellos, pues, buscan a Dios. Pero antes de que podamos buscar a Dios, dos cosas deben ser obradas en nuestra alma por poder divino. Primero, debemos desear hallar algo, y luego debemos conocer algo de ese Dios en Quien deseamos hallar lo que buscamos.
Si pierdo algo, voy a buscarlo. Es un juego de niños ponerse a buscar por todas partes si no he perdido nada y no quiero hallar nada. Por tanto, si no hay en lo hondo de nuestro corazón un deseo espiritual de hallar a Jesús como la salvación de nuestra alma, como nuestra esperanza, nuestra porción, nuestro tesoro, nuestro todo, entonces nuestro buscar es un sueño. Entonces el buscar es solo fingido; nos burlamos de Dios; jugamos con nuestras almas; no hacemos más que representar el papel de un hipócrita.
Pero ¿hay en su alma un clamor por Él, un anhelo en su corazón de hallarle misericordioso, un suspiro de su espíritu en Sus oídos y en Su corazón? Esta es quizá la señal más pequeña de un alma viviente, y Dios en Su misericordia ha dado esa señal para animar el corazón de Sus hijos cansados. Entonces usted es un hijo de Dios. Si este buscar de su corazón es de veras un suspiro espiritual de su alma en Su seno, Dios no le desamparará.
Él no dejará sin terminar la obra que está llevando adelante. No dejará que el pecado, el mundo, Satanás y el yo obtengan el dominio. Nunca ha desamparado a los que le buscan sinceramente, y nunca los desamparará.
Lectura: Salmo 69:18-37
Al lector…
Usted que se cuenta entre los pobres, los cojos y los lisiados de la familia de Dios, que no puede subir a grandes alturas: esta palabra es también para usted. No quedará de Israel ni una uña. ¿Busca a Jesús como la salvación de su alma, como su esperanza, su porción y su tesoro, porque ha perdido algo que sin Él no puede volver a hallar? Entonces su buscar no es un juego de niños ni una hipocresía.
Quizá halle ese suspiro en su corazón tan pequeño que no se atreve a edificar nada sobre él. Pero aun la señal más pequeña de un alma viviente la ha dado Dios en Su misericordia para animar a Sus hijos cansados. ¿Hay en usted un clamor por Él, un anhelo de hallarle misericordioso? Entonces no dejará sin terminar la obra que ha comenzado. A los que le buscan sinceramente nunca los ha desamparado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.
Genesis 32:26
Wat een vreemde vermenging is er in een gelovig hart. Van alles om neder te werpen, en ook van alles om te bemoedigen. Aan de ene zijde is er van alles om in verlegenheid te brengen, om te verwarren en confuus te maken en om de ziel op haar uiterste of ten einde raad te brengen; en aan de andere zijde is er weer alles om haar het hoofd omhoog te houden, haar geloof te sterken, haar hoop te ondersteunen en haar te bemoedigen om vast te houden tot de laatste snik toe! Nu, dit is de eigenlijke beproeving des geloofs, die kostelijker is dan goud, dat verderft; want het geloof is geen dodige, trage genade, en het is nooit werkzamer dan wanneer het beproefd wordt als door vuur.
Gij kunt niet afstaan van hetgeen gij hebt gevoeld en ondervonden, want dat is het voortreffelijke bewijs, de overreding, dat gij het leven Gods in uw ziel hebt. Alle andere dingen schijnen daartegenover in uw ogen waardeloos te zijn, en zoudt gij derhalve uw bevinding opgeven, dan zoudt gij al uw hoop verliezen. Hier ligt dan de grote verborgenheid: te blijven aanhangen, aanhouden en uithouden, en niet één van uw bevindingen weg te werpen, maar hoe meer de Heere ons schijnt af te wijzen, hoe meer wij Hem aankleven.
Was dit niet het geloof van de Syro-Fenicische vrouw, die, om zo te spreken, zich niet kon bevredigd vinden met een afwijzend antwoord, of als het geloof van Ruth: „Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten”, of als het geloof van Hanna, toen zij bitterlijk bedroefd haar ziel uitgoot voor het aangezicht des Heeren en zeer weende? Herinnert dit geloof niet aan Heman, toen hij uitriep: „Zult Gij wonderen doen aan de doden? Zullen de overledenen opstaan? Zullen zij U loven?” En aan dat van Asaf, toen zijn voeten bijna waren uitgeweken en zijn treden bijkans waren uitgeschoten?
Dus hoe meer de Heere ons schijnt af te wijzen, hoe meer wij Hem achteraan kleven. Hoe ellendiger wij zijn, hoe meer wij Zijn genade behoeven. De grootte van onze zondenschuld doet ons des te meer uitzien naar Zijn verzoenend bloed, en des te vaster kleven aan Zijn Woord en belofte, als zeer gepast voor ons geval. Ook zal niets ons afhouden van onze hoop vast te houden of ons te doen afstaan van op Zijn genade te vertrouwen.
Aan de lezer…
Als u in uw hart die vreemde vermenging vindt, zoveel wat u nederwerpt en toch iets wat u niet laat loslaten, bent u dan soms ten einde raad, en kunt u toch niet afstaan van wat u eens van de Heere gevoeld en ondervonden hebt? Dat is de beproeving des geloofs, kostelijker dan goud. Het geloof is nooit werkzamer dan wanneer het door het vuur gaat.
Schijnt de Heere u af te wijzen, laat dat u dan niet wegdrijven, maar des te vaster doen aankleven. Zo deed de Syro-Fenicische vrouw, zo weende Hanna voor Zijn aangezicht. Hoe ellendiger u bent, hoe meer u Zijn genade behoeft; hoe groter uw schuld, hoe meer u mag uitzien naar Zijn verzoenend bloed. Houd dan aan met dat oude worstelgebed: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.
Genesis 32:26
Wat een vreemde vermenging is er in een gelovig hart! Er is van alles om neer te werpen, en ook van alles om te bemoedigen. Aan de ene kant is er van alles om de ziel in verlegenheid te brengen, te verwarren en in de war te maken, en haar tot het uiterste of ten einde raad te brengen. Aan de andere kant is er weer van alles om haar het hoofd boven water te houden, haar geloof te sterken, haar hoop te ondersteunen en haar te bemoedigen om vast te houden tot de laatste snik! Dit is nu de eigenlijke beproeving van het geloof, die kostbaarder is dan goud dat vergaat. Want het geloof is geen dode, trage genade, en het is nooit werkzamer dan wanneer het als door vuur beproefd wordt.
U kunt niet loslaten wat u gevoeld en ervaren hebt, want dat is het voortreffelijke bewijs, de overtuiging, dat u het leven van God in uw ziel hebt. Al het andere lijkt daartegenover in uw ogen waardeloos, en als u uw bevinding zou opgeven, zou u daarom al uw hoop verliezen. Hier ligt dan de grote verborgenheid: blijven aanhangen, aanhouden en volhouden, en niet één van uw bevindingen wegwerpen. Hoe meer de Heere ons lijkt af te wijzen, hoe meer wij Hem aankleven.
Was dit niet het geloof van de Syro-Fenicische vrouw, die zich als het ware niet tevreden kon stellen met een afwijzend antwoord? Of het geloof van Ruth: „Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten”, of het geloof van Hanna, toen zij bitter bedroefd haar ziel uitstortte voor het aangezicht van de Heere en zeer weende? Doet dit geloof niet denken aan Heman, toen hij uitriep: „Zult Gij wonderen doen aan de doden? Zullen de overledenen opstaan? Zullen zij U loven?” En aan dat van Asaf, toen zijn voeten bijna waren uitgeweken en zijn treden bijna waren uitgegleden?
Dus hoe meer de Heere ons lijkt af te wijzen, hoe meer wij Hem achternagaan en aankleven. Hoe ellendiger wij zijn, hoe meer wij Zijn genade nodig hebben. De grootte van onze zondeschuld doet ons des te meer uitzien naar Zijn verzoenend bloed, en des te vaster vasthouden aan Zijn Woord en belofte, omdat die zo goed bij ons geval passen. Ook zal niets ons ervan weerhouden onze hoop vast te houden, of ons doen ophouden op Zijn genade te vertrouwen.
Aan de lezer…
Als u in uw hart die vreemde vermenging vindt, zoveel wat u neerwerpt en toch iets wat u niet laat loslaten, bent u dan soms ten einde raad, en kunt u toch niet loslaten wat u ooit van de Heere gevoeld en ervaren hebt? Dat is de beproeving van het geloof, kostbaarder dan goud. Het geloof is nooit werkzamer dan wanneer het door het vuur gaat.
Lijkt de Heere u af te wijzen, laat dat u dan niet wegdrijven, maar u des te vaster doen aankleven. Zo deed de Syro-Fenicische vrouw, zo weende Hanna voor Zijn aangezicht. Hoe ellendiger u bent, hoe meer u Zijn genade nodig hebt; hoe groter uw schuld, hoe meer u mag uitzien naar Zijn verzoenend bloed. Houd dan aan met dat oude worstelgebed: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And he said, I will not let thee go, except thou bless me.”
Genesis 32:26
What a strange intermixture there is in a believing heart of everything to cast down and yet of everything to encourage! How there is everything on the one side to perplex, to confuse, and put the soul to its wits’ end, and yet how on the other there is everything to hold up its head, strengthen its faith, support its hope, and encourage it to hold on to the last gasp! Now this is that very trial of faith which is more precious than of gold that perishes, for faith is not a dead, sluggish grace, and is never more active than when it is being tried as with fire. You cannot give up from what you have felt and experienced, for that is the grand evidence, the persuasion that you have the life of God in your soul, and compared with that how worthless and valueless all other things seem to be in your eyes, because to give that up is to give up all your hope.
Here, then, is the grand mystery, to hang and hold on, to hold out, and not allow oneself to be cast away, but the more the Lord would seem to put us away, the more to cling to Him. Was not this the faith of the Syro-Phoenician woman, who, so to speak, would not take “No” for an answer? or, like the faith of Ruth, “Entreat me not to leave you?” or, like the faith of Hannah, when “she was in bitterness of soul, and prayed unto the Lord and wept sore?” Does not this faith resemble that of Heman’s, when he cried out, “Will You show wonders to the dead? Shall the dead arise and praise You?” and that of Asaph, when his feet were almost gone, and his steps had well-near slipped?
Thus the more the Lord seems to put us away, the more we cling to Him. The viler we are, the more we need His grace; and the very magnitude of our sins only makes us hang more upon His atoning blood and cling more closely to His word and promises as suitable to our case. Nor will anything induce us to give up our hope or relinquish our hold of His mercy.
To the reader…
If you find in your heart that strange intermixture, so much that casts you down and yet something that will not let you let go, are you sometimes at your wits’ end, and yet unable to give up what you once felt and experienced of the Lord? That is the trial of faith, more precious than gold. Faith is never more active than when it passes through the fire.
If the Lord seems to put you away, do not let that drive you off, but make you cling to Him all the more. So did the Syro-Phoenician woman, so Hannah wept before His face. The more wretched you are, the more you need His grace; the greater your guilt, the more you may look to His atoning blood. Hold on, then, with that old wrestling prayer: “I will not let Thee go, except Thou bless me.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y él dijo: No te dejaré, si no me bendices.
Génesis 32:26
¡Qué extraña mezcla hay en un corazón creyente de todo lo que abate y, a la vez, de todo lo que alienta! ¡Cómo hay, por un lado, todo lo que puede dejar perpleja y confusa al alma y llevarla al límite de sus fuerzas, y cómo, por otro, hay todo lo que puede hacerle levantar la cabeza, fortalecer su fe, sostener su esperanza y animarla a perseverar hasta el último aliento! Ahora bien, esta es precisamente aquella prueba de la fe, mucho más preciosa que el oro, el cual perece; porque la fe no es una gracia muerta y perezosa, y nunca está más activa que cuando es probada como por fuego. Usted no puede renunciar a lo que ha sentido y experimentado, porque esa es la gran evidencia, la persuasión de que tiene la vida de Dios en su alma; y comparadas con ello, ¡cuán sin valor y sin precio le parecen a sus ojos todas las demás cosas!, porque renunciar a eso es renunciar a toda su esperanza.
He aquí, pues, el gran misterio: asirse y aferrarse, resistir, y no dejarse desechar, sino que cuanto más parezca el Señor apartarnos, tanto más asirnos a Él. ¿No fue esta la fe de la mujer sirofenicia, que, por así decirlo, no quiso aceptar un “no” por respuesta? ¿O como la fe de Rut: “No me ruegues que te deje”? ¿O como la fe de Ana, cuando “con amargura de alma oró a Jehová, y lloró abundantemente”? ¿No se parece esta fe a la de Hemán, cuando clamó: “¿Harás Tú milagro a los muertos? ¿Se levantarán los muertos para alabarte?”, y a la de Asaf, cuando casi se deslizaron sus pies, y por poco resbalaron sus pasos?
Así, cuanto más parece el Señor apartarnos, tanto más nos asimos a Él. Cuanto más viles somos, tanto más necesitamos Su gracia; y la misma magnitud de nuestros pecados solo nos hace depender más de Su sangre expiatoria y asirnos más estrechamente a Su Palabra y Sus promesas, como apropiadas a nuestro caso. Ni nada nos inducirá a renunciar a nuestra esperanza ni a soltar nuestro asimiento de Su misericordia.
Al lector…
Si halla usted en su corazón esa extraña mezcla, tanto que le abate y, sin embargo, algo que no le deja soltar, ¿se ve a veces al límite de sus fuerzas y, aun así, incapaz de renunciar a lo que una vez sintió y experimentó del Señor? Esa es la prueba de la fe, más preciosa que el oro. La fe nunca está más activa que cuando pasa por el fuego.
Si el Señor parece apartarle, no deje que eso le aleje, sino que le haga asirse a Él tanto más. Así lo hizo la mujer sirofenicia; así lloró Ana delante de Su rostro. Cuanto más miserable sea usted, tanto más necesita Su gracia; cuanto mayor sea su culpa, tanto más puede mirar a Su sangre expiatoria. Persevere, pues, con aquella antigua oración de lucha: “No te dejaré, si no me bendices.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl