Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

9 november Korenaren uit de volle oogst

Begenadigd in de Geliefde.
Efeze 1:6

Wij zoeken altijd iets in onszelf om ons aangenaam te maken voor God. En vaak zijn wij terneergeslagen en ontmoedigd wanneer wij die heiligheid niet kunnen vinden, die gehoorzaamheid, die kalme onderwerping aan de wil van God, die opgewektheid van ziel, die vroomheid en hemelsgezindheid die wij in Zijn oog aangenaam achten. Onze verkeerde gemoedsgesteldheid, ons knorrige en ontevreden gemoed, onze opstandige gedachten, onze koelheid, onze dorheid en onze sterke neiging tot het kwade, met daarbij het dagelijkse besef dat wij niet beter maar eerder slechter worden: dat alles doet ons denken dat God ons ziet zoals wij onszelf zien.

Dit brengt grote verduistering van het verstand en slaafsheid van de geest teweeg, totdat wij onze aanneming in Christus uit het oog lijken te verliezen. Dan verzinken wij in de ellendige droesem van het eigen ik en zijn wij bijna bereid met God te twisten, omdat wij zo ver achterblijven en eerder slechter dan beter worden. Hoe meer wij in de droesem van eigengerechtigheid verzinken, en hoe meer wij staren op de treurige taferelen van achteruitgang en verderf die ons hart dagelijks laat zien, hoe verder wij ons verwijderen van de genade van het Evangelie. En hoe meer verliezen wij dan de enige grond van onze aanneming bij God uit het oog.

Het is „in de Geliefde” dat wij zijn aangenomen, en niet om goede woorden of goede werken, goede gedachten, een goed hart of goede bedoelingen van onszelf. Een zaligende kennis van onze aanneming „in de Geliefde”, los van alles wat in ons is, goed of kwaad, is een vaste grond voor ons geloof en onze hoop, en zal ons ervoor bewaren in wanhoop te vervallen.

Welzalig elk, die ’t recht betracht,
die t’ alle tijd’ Zijn wetten acht.
O Heer, laat mij naar ’t welbehagen,
dat G’ in Uw volk steeds hebt getoond,
ook roem op Uw bescherming dragen,
en met Uw zegen zijn bekroond.

Ps. 106:2

Aan de lezer…

Wat een woord: „Begenadigd in de Geliefde.” Zoekt u ook altijd iets in uzelf om u aangenaam te maken voor God? En vindt u in plaats van heiligheid en hemelsgezindheid alleen koelheid, dorheid, opstandige gedachten en het dagelijkse besef dat u eerder slechter dan beter wordt? Dan denkt u al snel dat God u zo ziet als u uzelf ziet, en raakt u verzonken in de droesem van het eigen ik.

Kijk toch weg van die treurige taferelen in uw hart. Niemand wordt aangenomen om zijn goede woorden, werken, gedachten of bedoelingen, maar alleen „in de Geliefde”. Daar ligt de enige grond, en die grond verandert niet met uw gestalte. Moge de Heere u een zaligende kennis geven van die aanneming in Christus, los van alles wat in u is, goed of kwaad; zij zal u voor wanhoop bewaren.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

9 november 365 dagen met Philpot

Een hoog vertrek

En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11

„Degenen, die U zoeken.” Daartoe behoren de armen, de lammen, de kreupelen: de kleinen in Gods gezin, die niet tot grote hoogten kunnen opklimmen en ook niet diep in zielsmoeiten zijn weggezonken. Niemand uit Gods gezin wordt uitgesloten, want niet een klauw van Israël zal achterblijven. Zij zoeken dus God. Maar voordat we God kunnen zoeken, moeten er door goddelijke kracht twee dingen in onze ziel worden gewerkt. Ten eerste moeten we verlangen iets te vinden, en vervolgens moeten we iets kennen van die God bij Wie we wensen te vinden wat we zoeken.

Als ik iets kwijtraak, ga ik het zoeken. Het is kinderspel om overal te gaan zoeken als ik niets kwijt ben en niets wil vinden. Daarom: als er niet diep in ons hart een geestelijk verlangen is om Jezus te vinden als de verlossing van onze ziel, als onze hoop, ons deel, onze schat, ons alles, dan is ons zoeken een droom. Dan is het zoeken slechts geveinsd; we misleiden God; we gaan lichtvaardig met onze ziel om; we spelen slechts de rol van een huichelaar.

Maar is er een roepen in uw ziel naar Hem, een verlangen in uw hart om Hem genadig te vinden, een zucht van uw geest tot Zijn oren en Zijn hart? Dit is misschien het kleinste kenmerk van een levende ziel, en God heeft dat kenmerk in Zijn barmhartigheid gegeven om de harten van Zijn vermoeide kinderen te bemoedigen. Dan bent u een kind van God. Als dit zoeken van uw hart werkelijk een geestelijke zucht van uw ziel in Zijn boezem is, zal God u niet verlaten. Hij zal het werk dat Hij aan het verrichten is niet onafgemaakt laten. Hij zal de zonde, de wereld, de satan en het eigen ik niet de heerschappij laten krijgen. Hij heeft hen die Hem oprecht zoeken nooit verlaten en zal hen ook nooit verlaten.

Lezen: Psalm 69:18-37

Aan de lezer…

U die uzelf rekent tot de armen, de lammen en de kreupelen in Gods gezin, die niet tot grote hoogten kunnen opklimmen: dit woord is ook voor u. Niet een klauw van Israël zal achterblijven. Zoekt u Jezus als de verlossing van uw ziel, als uw hoop, uw deel en uw schat, omdat u iets kwijt bent wat u zonder Hem niet terugvindt? Dan is uw zoeken geen kinderspel en geen huichelarij.

Misschien vindt u die zucht in uw hart zo klein dat u er niets op durft te bouwen. Maar ook het kleinste kenmerk van een levende ziel heeft God in Zijn barmhartigheid gegeven om Zijn vermoeide kinderen te bemoedigen. Is er in u een roepen naar Hem, een verlangen om Hem genadig te vinden? Dan zal Hij het werk dat Hij begonnen is niet onafgemaakt laten. Wie Hem oprecht zoeken, heeft Hij nooit verlaten.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

9 november Door Baca’s vallei

Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.
Genesis 32:26

Wat een vreemde vermenging is er in een gelovig hart! Er is van alles om neer te werpen, en ook van alles om te bemoedigen. Aan de ene kant is er van alles om de ziel in verlegenheid te brengen, te verwarren en in de war te maken, en haar tot het uiterste of ten einde raad te brengen. Aan de andere kant is er weer van alles om haar het hoofd boven water te houden, haar geloof te sterken, haar hoop te ondersteunen en haar te bemoedigen om vast te houden tot de laatste snik! Dit is nu de eigenlijke beproeving van het geloof, die kostbaarder is dan goud dat vergaat. Want het geloof is geen dode, trage genade, en het is nooit werkzamer dan wanneer het als door vuur beproefd wordt.

U kunt niet loslaten wat u gevoeld en ervaren hebt, want dat is het voortreffelijke bewijs, de overtuiging, dat u het leven van God in uw ziel hebt. Al het andere lijkt daartegenover in uw ogen waardeloos, en als u uw bevinding zou opgeven, zou u daarom al uw hoop verliezen. Hier ligt dan de grote verborgenheid: blijven aanhangen, aanhouden en volhouden, en niet één van uw bevindingen wegwerpen. Hoe meer de Heere ons lijkt af te wijzen, hoe meer wij Hem aankleven.

Was dit niet het geloof van de Syro-Fenicische vrouw, die zich als het ware niet tevreden kon stellen met een afwijzend antwoord? Of het geloof van Ruth: „Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten”, of het geloof van Hanna, toen zij bitter bedroefd haar ziel uitstortte voor het aangezicht van de Heere en zeer weende? Doet dit geloof niet denken aan Heman, toen hij uitriep: „Zult Gij wonderen doen aan de doden? Zullen de overledenen opstaan? Zullen zij U loven?” En aan dat van Asaf, toen zijn voeten bijna waren uitgeweken en zijn treden bijna waren uitgegleden?

Dus hoe meer de Heere ons lijkt af te wijzen, hoe meer wij Hem achternagaan en aankleven. Hoe ellendiger wij zijn, hoe meer wij Zijn genade nodig hebben. De grootte van onze zondeschuld doet ons des te meer uitzien naar Zijn verzoenend bloed, en des te vaster vasthouden aan Zijn Woord en belofte, omdat die zo goed bij ons geval passen. Ook zal niets ons ervan weerhouden onze hoop vast te houden, of ons doen ophouden op Zijn genade te vertrouwen.

Aan de lezer…

Als u in uw hart die vreemde vermenging vindt, zoveel wat u neerwerpt en toch iets wat u niet laat loslaten, bent u dan soms ten einde raad, en kunt u toch niet loslaten wat u ooit van de Heere gevoeld en ervaren hebt? Dat is de beproeving van het geloof, kostbaarder dan goud. Het geloof is nooit werkzamer dan wanneer het door het vuur gaat.

Lijkt de Heere u af te wijzen, laat dat u dan niet wegdrijven, maar u des te vaster doen aankleven. Zo deed de Syro-Fenicische vrouw, zo weende Hanna voor Zijn aangezicht. Hoe ellendiger u bent, hoe meer u Zijn genade nodig hebt; hoe groter uw schuld, hoe meer u mag uitzien naar Zijn verzoenend bloed. Houd dan aan met dat oude worstelgebed: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.”

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina