gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.
Hebreeën 12:2
Niemand kan de loopbaan die voor hem ligt ten einde lopen zonder op Jezus te zien. Hij staat aan het begin van de loopbaan; Hij staat aan de eindpaal, met de kroon der overwinning in Zijn hand, die Hij plaatst op het hoofd van de overwinnaar. En wij kunnen allen voortlopen, als wij het oog des geloofs gevestigd hebben op de Heere Jezus aan de rechterhand des Vaders, Die Zijn gezegende armen uitgestrekt houdt om ons aan het einde der baan aan Zijn boezem te ontvangen.
Ook kan niemand in waarheid op Hem zien dan door de bijzondere gave en de genade Gods. Hij moet door de macht van God aan de ziel geopenbaard worden; wij moeten Zijn verheerlijkte Godheid en Zijn lijdende mensheid zien door het oog des geloofs, en wij moeten Hem zien als de mensgeworden God, de enige Middelaar tussen God en de mens. Wij moeten de kracht zien van Zijn zoenbloed om een schuldig geweten te reinigen; de gelukzaligheid Zijner gehoorzaamheid om een hulpbehoevende, naakte ziel te rechtvaardigen; de lieflijkheid Zijner stervende liefde als een inwendige balsem en een versterking tegen de duizenden kwalen en rampen des levens.
Wij moeten Zijn heerlijkheid zien, een heerlijkheid „als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid”; Zijn geschiktheid voor alle nood en ellende; Zijn oneindig medelijden met de snoodste en slechtste der zondaren; Zijn wonderlijke en geduldige verdraagzaamheid met onze zonden en afwijkingen; Zijn onveranderlijke liefde, sterker dan de dood zelf; Zijn bereidwilligheid om te horen; Zijn gewilligheid om te zegenen; en Zijn macht om „volkomen zalig te maken degenen, die door Hem tot God gaan”.
Zo ziet de hemelse wedloper niet op de lengte van de weg, noch op de oneffenheid van de grond, noch op zijn eigen herhaalde inspanning, noch op zijn eigen kracht, hetzij veel of weinig; noch op toejuichende vrienden of veroordelende vijanden, maar enkel en alleen op de vleesgeworden Zoon van God. De Heere Jezus trekt hem voort met Zijn onoverwinnelijke genade. Elke blik van Zijn schoon gelaat vernieuwt de vlam van heilige liefde; elke blik op Zijn bloed en Zijn gerechtigheid ontvlamt het verlangen om meer van hun kracht en godzaligheid te ondervinden, en elke aanraking van Zijn heilige vinger doet het hart smelten, totdat het gelijkvormig wordt aan Zijn lijdend beeld. Dat is het leven van een christen op de baan naar de eeuwigheid. Dag aan dag loopt hij die loopbaan; en terwijl hij naar het hemelse doel voortsnelt, toont hij zijn oprechtheid en ernst doordat hij gedurig de verlangens zijner ziel naar de Goddelijke zaken uitademt, en meer en meer voortdringt naar de Heere Jezus Christus, Die hem een hemelse kroon zal geven wanneer hij zijn loop met blijdschap volbracht heeft.
Uw heerschappij verduurt zelfs d’ eeuwigheid,
uw koninkrijk is eind’loos uitgebreid.
Gij ondersteunt hem, die voor ’t onheil zwicht:
wie nederstort, wordt door U opgericht.
’t Ziet al op U, ’t blijft alles op U wachten.
Ps. 145:5
Aan de lezer…
Hoe dikwijls ziet u op de lengte van de weg die nog voor u ligt, of op de oneffenheid van de grond! Telt u uw eigen inspanningen en meet u uw eigen kracht, en wordt u moedeloos omdat u zo weinig vordert? Zo zal niemand de loopbaan ten einde lopen. Er is maar één blik die kracht geeft: de blik op Jezus, de overste Leidsman en Voleinder des geloofs.
Hij staat aan het begin en aan de eindpaal, met de kroon in Zijn hand en Zijn armen uitgestrekt. Kunt u zelf niet op Hem zien, vraag dan dat Hij Zich aan uw ziel openbaart; want dat is een gave Zijner genade. Zie op de kracht van Zijn zoenbloed voor uw schuldig geweten, en op Zijn gerechtigheid voor uw naakte ziel. Elke blik op Hem vernieuwt de vlam der liefde, en Hij Zelf trekt u voort tot het einde der baan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.
Hebreeën 12:2
Niemand kan de loopbaan die voor hem ligt tot het einde lopen zonder op Jezus te zien. Hij staat aan het begin van de loopbaan; Hij staat bij de eindpaal, met de kroon van de overwinning in Zijn hand, die Hij op het hoofd van de overwinnaar zet. En wij kunnen allen verder lopen als wij het oog van het geloof gericht houden op de Heere Jezus aan de rechterhand van de Vader. Hij houdt Zijn gezegende armen uitgestrekt om ons aan het einde van de baan aan Zijn boezem te ontvangen.
Ook kan niemand werkelijk op Hem zien dan door de bijzondere gave en de genade van God. Hij moet door de kracht van God aan de ziel geopenbaard worden. Wij moeten Zijn verheerlijkte Godheid en Zijn lijdende mensheid zien met het oog van het geloof, en wij moeten Hem zien als de mensgeworden God, de enige Middelaar tussen God en de mens. Wij moeten de kracht zien van Zijn zoenbloed om een schuldig geweten te reinigen, de zaligheid van Zijn gehoorzaamheid om een hulpbehoevende, naakte ziel te rechtvaardigen, en de lieflijkheid van Zijn stervende liefde als een inwendige balsem en een versterking tegen de duizenden kwalen en rampen van het leven.
Wij moeten Zijn heerlijkheid zien, een heerlijkheid „als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid”. Wij moeten zien hoe Hij past bij elke nood en elke ellende; hoe oneindig Zijn medelijden is met de ergste en slechtste zondaars; hoe wonderlijk geduldig Hij onze zonden en afdwalingen verdraagt; hoe onveranderlijk Zijn liefde is, sterker dan de dood zelf; hoe bereid Hij is om te horen en hoe gewillig om te zegenen; en hoe machtig Hij is om „volkomen zalig te maken degenen, die door Hem tot God gaan”.
Zo ziet de hemelse hardloper niet op de lengte van de weg, niet op de oneffenheid van de grond, niet op zijn eigen herhaalde inspanning en niet op zijn eigen kracht, of die nu groot is of klein, en niet op vrienden die hem toejuichen of vijanden die hem veroordelen, maar enkel en alleen op de vleesgeworden Zoon van God. De Heere Jezus trekt hem voort met Zijn onoverwinnelijke genade. Elke blik op Zijn schoon gelaat vernieuwt de vlam van heilige liefde. Elke blik op Zijn bloed en Zijn gerechtigheid doet het verlangen ontbranden om meer van hun kracht en zaligheid te ervaren, en elke aanraking van Zijn heilige vinger doet het hart smelten, totdat het gelijkvormig wordt aan Zijn lijdend beeld. Dat is het leven van een christen op de baan naar de eeuwigheid. Dag aan dag loopt hij die loopbaan. Terwijl hij naar het hemelse doel voortsnelt, toont hij zijn oprechtheid en ernst doordat hij voortdurend de verlangens van zijn ziel naar de Goddelijke werkelijkheden uitademt, en doordat hij steeds verder voortdringt naar de Heere Jezus Christus, Die hem een hemelse kroon zal geven wanneer hij zijn loop met blijdschap volbracht heeft.
Uw heerschappij verduurt zelfs d’ eeuwigheid,
uw koninkrijk is eind’loos uitgebreid.
Gij ondersteunt hem, die voor ’t onheil zwicht:
wie nederstort, wordt door U opgericht.
’t Ziet al op U, ’t blijft alles op U wachten.
Ps. 145:5
Aan de lezer…
Hoe vaak ziet u op de lengte van de weg die nog voor u ligt, of op de oneffenheid van de grond! Telt u uw eigen inspanningen en meet u uw eigen kracht, en wordt u moedeloos omdat u zo weinig vordert? Zo zal niemand de loopbaan tot het einde lopen. Er is maar één blik die kracht geeft: de blik op Jezus, de overste Leidsman en Voleinder des geloofs.
Hij staat aan het begin en bij de eindpaal, met de kroon in Zijn hand en Zijn armen uitgestrekt. Kunt u zelf niet op Hem zien, vraag Hem dan of Hij Zich aan uw ziel wil openbaren, want dat is een gave van Zijn genade. Zie op de kracht van Zijn zoenbloed voor uw schuldig geweten, en op Zijn gerechtigheid voor uw naakte ziel. Elke blik op Hem vernieuwt de vlam van de liefde, en Hij Zelf trekt u voort tot het einde van de baan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Looking unto Jesus the Author and Finisher of our faith.
Hebrews 12:2
No one can ever run the race set before him, except by looking unto Jesus. He is at the head of the race; He stands at the goal; holding the crown of victory in His hand, which He puts upon the head of the successful runner. And we can only run on as we view Jesus by the eye of faith at the right hand of the Father opening His blessed arms to receive us into His own bosom at the end of the race.
Nor indeed can any one really look to Him but by the special gift and grace of God. He must be revealed to the soul by the power of God; we must behold His glorious Godhead and His suffering manhood by the eye of faith; and we must view Him as the incarnate God; the only Mediator between God and man. We must see the efficacy of His atoning blood to purge a guilty conscience; the blessedness of His obedience to justify a needy, naked soul; the sweetness of His dying love as an inward balm and cordial against all the thousand ills and sorrows of life.
We must see His glory, as the only begotten of the Father, full of grace and truth; His suitability to every need and woe; His infinite compassion to the vilest and worst of sinners; His wondrous patient forbearance of our sins and backslidings; His unchanging love, stronger than death itself; His readiness to hear; His willingness to bless; and His ability to save to the uttermost all who come unto God by Him.
Thus the heavenly runner looks not to the course however long, nor to the ground however rough, not to his own exertions however multiplied, nor to his own strength whether much or little; nor to applauding friends nor condemning foes; but wholly and solely to the incarnate Son of God. Jesus draws him onward with His invincible grace. Every glance of His beauteous Person renews the flame of holy love; every sight of His blood and righteousness kindles desires to experience more of their efficacy and blessedness; and every touch of His sacred finger melts the heart into conformity to His suffering image.
This is the life of a Christian—day by day, to be running a race for eternity; and as speeding onward to a heavenly goal, to manifest his sincerity and earnestness by continually breathing forth the yearnings of his soul after divine realities, and to be pressing forward more and more toward the Lord Jesus Christ, as giving him a heavenly crown when he has finished his course with joy.
To the reader…
How often you look at the length of the course still before you, or at the roughness of the ground! Do you count your own exertions and measure your own strength, and lose heart because you make so little progress? In that way no one will run the race to the end. There is only one look that gives strength: the look unto Jesus, the Author and Finisher of our faith.
He stands at the start and at the goal, with the crown in His hand and His arms outstretched. If you cannot look to Him yourself, ask Him to reveal Himself to your soul, for that is a gift of His grace. Look to the power of His atoning blood for your guilty conscience, and to His righteousness for your naked soul. Every glance at Him renews the flame of love, and He Himself draws you onward to the end of the course.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Puestos los ojos en el autor y consumador de la fe, en Jesús.
Hebreos 12:2
Nadie puede jamás correr la carrera que le es propuesta sino poniendo los ojos en Jesús. Él está a la cabeza de la carrera; está en la meta, sosteniendo en Su mano la corona de la victoria, que pone sobre la cabeza del corredor que la alcanza. Y solo podemos seguir corriendo cuando contemplamos a Jesús con el ojo de la fe a la diestra del Padre, abriendo Sus benditos brazos para recibirnos en Su propio seno al final de la carrera.
Ni puede nadie, en verdad, mirarle de veras sino por el don y la gracia especiales de Dios. Él tiene que ser revelado al alma por el poder de Dios; tenemos que contemplar con el ojo de la fe Su gloriosa Deidad y Su humanidad sufriente; y tenemos que verle como el Dios encarnado, el único Mediador entre Dios y los hombres. Tenemos que ver la eficacia de Su sangre expiatoria para purificar una conciencia culpable; la bienaventuranza de Su obediencia para justificar un alma necesitada y desnuda; la dulzura de Su amor que murió como bálsamo y cordial interior contra todos los mil males y tristezas de la vida.
Tenemos que ver Su gloria, como del unigénito del Padre, lleno de gracia y de verdad; Su idoneidad para toda necesidad y aflicción; Su compasión infinita hacia los más viles y peores de los pecadores; Su admirable y paciente tolerancia de nuestros pecados y rebeliones; Su amor inmutable, más fuerte que la muerte misma; Su prontitud para oír; Su buena voluntad para bendecir; y Su poder para salvar eternamente a todos los que por Él se allegan a Dios.
Así el corredor celestial no mira a la carrera, por larga que sea, ni al terreno, por áspero que sea, ni a sus propios esfuerzos, por multiplicados que sean, ni a su propia fuerza, sea mucha o poca; ni a los amigos que aplauden ni a los enemigos que condenan; sino total y únicamente al Hijo de Dios encarnado. Jesús le atrae hacia adelante con Su gracia invencible. Cada mirada a Su hermosa Persona renueva la llama del santo amor; cada visión de Su sangre y justicia enciende deseos de experimentar más de su eficacia y bienaventuranza; y cada toque de Su sagrado dedo derrite el corazón para conformarlo a Su imagen sufriente.
Esta es la vida de un cristiano: correr día tras día una carrera para la eternidad; y, apresurándose hacia una meta celestial, manifestar su sinceridad y su fervor exhalando continuamente los anhelos de su alma por las realidades divinas, y avanzar más y más hacia el Señor Jesucristo, como Aquel que le dará una corona celestial cuando haya acabado su carrera con gozo.
Al lector…
¡Cuántas veces mira usted lo larga que es la carrera que aún tiene por delante, o lo áspero que es el terreno! ¿Cuenta sus propios esfuerzos y mide su propia fuerza, y se desanima porque avanza tan poco? Así nadie correrá la carrera hasta el fin. Solo hay una mirada que da fuerza: la mirada puesta en Jesús, el autor y consumador de la fe.
Él está en la salida y en la meta, con la corona en Su mano y Sus brazos extendidos. Si usted no puede mirarle por sí mismo, pídale que se revele a su alma, porque eso es un don de Su gracia. Mire el poder de Su sangre expiatoria para su conciencia culpable, y Su justicia para su alma desnuda. Cada mirada a Él renueva la llama del amor, y Él mismo le atrae hacia adelante hasta el final de la carrera.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Evangelische voorschriften
Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.
Psalm 119:32
David was geen wetsverheerlijker; hij was geen arminiaans perfectionist; hij putte niet uit de kracht en de wijsheid van het schepsel, maar hij wendde zich tot de Heere om een bepaald werk aan zijn ziel te verrichten. Toen dat werk bij hem tot stand was gebracht, toen, en niet eerder, zou hij, of kon hij, het voorschrift uitvoeren. Hoe vaak heeft u het voorschrift niet behandeld zien worden zoals volgens de Heere de Farizeeërs en schriftgeleerden vanouds doen! „Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren” (Matth. 23:4).
Niets is makkelijker dan een bundel voorschriften naar de kansel te dragen, en ze als een ijzeren kraag rond de hals van Gods kinderen te binden. Maar hoeveel ervan brengt de predikant in praktijk? Elk kind en dienaar van God die is onderwezen door de Geest, weet dat hij geen enkel voorschrift in praktijk kan brengen behalve als de Heere zijn hart verruimt. Dit diepe besef van onze hulpeloosheid kweekt geen luiheid en leidt niet tot wellustigheid, want men voelt aan dat schuld en verdoemenis voortkomen uit het niet-uitvoeren van de bevelen; en we verlangen en bidden, als we bij ons volle verstand zijn, dat de Heere ons hart verruimt, want we verlangen ernaar de weg van Zijn geboden te lopen.
Lezen: Psalm 119:17-32
Aan de lezer…
Misschien hebt u de voorschriften weleens als een ijzeren kraag om uw hals gevoeld. Hebt u geprobeerd ze uit eigen kracht en wijsheid te volbrengen, en bevonden dat u geen enkel ervan in praktijk kunt brengen? Wees daarover niet wanhopig. Dat diepe besef van uw hulpeloosheid is geen vrijbrief voor luiheid, maar juist de plaats waar de Heere Zijn werk aan de ziel begint.
Doe dan als David: put niet uit de kracht van het schepsel, maar wend u tot de Heere en vraag Hem uw hart te verwijden. Want als Hij het hart verruimt, dan wordt de weg van Zijn geboden geen last meer, maar een pad dat u met verlangen gaat. Bid daarom met de psalmdichter: „Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.
Psalm 119:32
David was geen wetsverheerlijker en geen arminiaans perfectionist. Hij putte niet uit de kracht en de wijsheid van het schepsel, maar wendde zich tot de Heere om een bepaald werk aan zijn ziel te verrichten. Pas toen dat werk in hem tot stand was gebracht, en niet eerder, wilde of kon hij het voorschrift uitvoeren. Hoe vaak hebt u niet gezien dat het voorschrift zo behandeld wordt als de Heere het zegt van de Farizeeërs en schriftgeleerden van vroeger! „Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren” (Matth. 23:4).
Niets is gemakkelijker dan een bundel voorschriften mee de kansel op te nemen en ze als een ijzeren kraag om de hals van Gods kinderen te binden. Maar hoeveel ervan brengt de predikant zelf in praktijk? Elk kind en elke dienaar van God die door de Geest onderwezen is, weet dat hij geen enkel voorschrift in praktijk kan brengen, tenzij de Heere zijn hart verruimt. Dit diepe besef van onze hulpeloosheid kweekt geen luiheid en leidt niet tot wellustigheid. Want wij voelen dat schuld en verdoemenis voortkomen uit het niet-uitvoeren van de bevelen. En als wij bij ons volle verstand zijn, verlangen en bidden wij dat de Heere ons hart verruimt, omdat wij ernaar verlangen de weg van Zijn geboden te lopen.
Lezen: Psalm 119:17-32
Aan de lezer…
Misschien hebt u de voorschriften weleens als een ijzeren kraag om uw hals gevoeld. Hebt u geprobeerd ze uit eigen kracht en wijsheid te volbrengen, en gemerkt dat u er geen enkel van in praktijk kunt brengen? Wanhoop daar dan niet over. Dat diepe besef van uw hulpeloosheid is geen vrijbrief voor luiheid, maar juist de plaats waar de Heere Zijn werk aan de ziel begint.
Doe dan zoals David: put niet uit de kracht van het schepsel, maar wend u tot de Heere en vraag Hem uw hart te verwijden. Want wanneer Hij het hart verruimt, wordt de weg van Zijn geboden geen last meer, maar een pad dat u met verlangen gaat. Bid daarom met de psalmdichter: „Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will run the way of Thy commandments, when Thou shalt enlarge my heart.
Psalm 119:32
David was no exalter of the law and no Arminian perfectionist. He did not draw upon the strength and wisdom of the creature, but turned to the Lord to work a certain work upon his soul. Only when that work had been wrought in him, and not before, would he or could he perform the precept. How often have you seen the precept handled just as the Lord says of the Pharisees and scribes of old! “For they bind heavy burdens and grievous to be borne, and lay them on men’s shoulders; but they themselves will not move them with one of their fingers” (Matt. 23:4).
Nothing is easier than to take a bundle of precepts into the pulpit and bind them like an iron collar round the necks of God’s children. But how many of them does the minister himself put into practice? Every child and every servant of God taught by the Spirit knows that he cannot put a single precept into practice unless the Lord enlarges his heart. This deep sense of our helplessness does not breed idleness, nor does it lead to licentiousness. For we feel that guilt and condemnation spring from not performing the commands. And when we are in our right mind, we long and pray that the Lord would enlarge our heart, because we desire to run the way of His commandments.
Reading: Psalm 119:17-32
To the reader…
Perhaps you have sometimes felt the precepts like an iron collar round your neck. Have you tried to fulfil them in your own strength and wisdom, and found that you cannot put a single one into practice? Do not despair over that. That deep sense of your helplessness is no licence for idleness, but the very place where the Lord begins His work upon the soul.
Do as David did, then: do not draw upon the strength of the creature, but turn to the Lord and ask Him to enlarge your heart. For when He enlarges the heart, the way of His commandments is no longer a burden, but a path you walk with longing. Pray, therefore, with the psalmist: “I will run the way of Thy commandments, when Thou shalt enlarge my heart.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por el camino de Tus mandamientos correré, cuando ensanchares mi corazón.
Salmo 119:32
David no era un exaltador de la ley ni un perfeccionista arminiano. No recurría a la fuerza y la sabiduría de la criatura, sino que se volvía al Señor para que obrara cierta obra en su alma. Solo cuando esa obra hubiera sido hecha en él, y no antes, querría o podría cumplir el precepto. ¡Cuántas veces ha visto usted tratar el precepto tal como el Señor dice de los fariseos y escribas de antaño! “Porque atan cargas pesadas y difíciles de llevar, y las ponen sobre los hombros de los hombres; mas ni aun con su dedo las quieren mover” (Mateo 23:4).
Nada es más fácil que llevar al púlpito un manojo de preceptos y atarlos como un collar de hierro al cuello de los hijos de Dios. Pero ¿cuántos de ellos pone en práctica el ministro mismo? Todo hijo y todo siervo de Dios enseñado por el Espíritu sabe que no puede poner en práctica un solo precepto a menos que el Señor ensanche su corazón. Este hondo sentir de nuestra impotencia no engendra ociosidad, ni lleva al libertinaje. Porque sentimos que la culpa y la condenación brotan de no cumplir los mandamientos. Y cuando estamos en nuestro sano juicio, anhelamos y oramos que el Señor ensanche nuestro corazón, porque deseamos correr por el camino de Sus mandamientos.
Lectura: Salmo 119:17-32
Al lector…
Quizá a veces ha sentido los preceptos como un collar de hierro al cuello. ¿Ha intentado cumplirlos con su propia fuerza y sabiduría, y ha hallado que no puede poner en práctica ni uno solo? No se desespere por ello. Ese hondo sentir de su impotencia no es licencia para la ociosidad, sino precisamente el lugar donde el Señor comienza Su obra en el alma.
Haga, pues, como David: no recurra a la fuerza de la criatura, sino vuélvase al Señor y pídale que ensanche su corazón. Porque cuando Él ensancha el corazón, el camino de Sus mandamientos ya no es una carga, sino una senda por la que anda con anhelo. Ore, por tanto, con el salmista: “Por el camino de Tus mandamientos correré, cuando ensanchares mi corazón.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja dodelijk is het, wie zal het kennen?
Jeremia 17:9
De zonde van onze gevallen natuur is een zeer verborgen iets. Wij lezen zowel van de verborgenheid der ongerechtigheid als van de verborgenheid der godzaligheid; en de ene heeft haar lengte, breedte en hoogte zowel als de andere: diepten die niemand met peillood peilen kan, en lengten die met geen menselijke maatstok ooit bepaald kunnen worden. Wij moeten door bittere ondervinding de weg leren in wélke de zonde somtijds schijnt te slapen, en hoe zij op andere tijden met vernieuwde kracht ontwaakt. Wij moeten leren kennen haar werkzame, prikkelende, ongeduldige, rusteloze natuur, de vele vormen en gedaanten die zij aanneemt, de vuile holen en poelen waar zij in kruipt, de bedriegelijkheid, de huichelarij, haar kunstgrepen en voorkomendheid, haar eigenliefde en zorgeloosheid, haar wanhopige dwaasheid, haar onverzadelijke gulzigheid; deze alle tezamen zijn verborgenheden, smartelijke verborgenheden, die wij door pijnlijke ervaring moeten leren kennen.
In de geestelijke kennis van deze twee verborgenheden, de verborgenheid der zonde en de verborgenheid der godzaligheid, bestaat de ware godsdienst. Wij worden in de school der bevinding gehouden en leren en vergeten dra deze twee lessen, en ten slotte komen wij nooit zo ver om ze te verstaan, en zijn toch niet bevredigd tenzij wij ze kennen. Wij vervolgen te kennen, maar bevinden dat die kennis zich steeds verder van ons verwijdert, naarmate wij ze najagen. Zo bevinden wij in onze eigen ziel deze hemelse tegenstrijdigheden, deze Goddelijke verborgenheden: dat hoe wijzer wij worden, hoe dwazer wij zijn in eigen oog (1 Cor. 3:18); hoe sterker wij groeien, hoe zwakker wij zijn (2 Cor. 12:9, 10); hoe meer wij bezitten, hoe minder wij hebben (2 Cor. 6:10); hoe groter ons bankroet wordt, hoe meer ons vergeven wordt (Lukas 7:42); hoe meer volkomen verloren, hoe groter de redding wordt; en wanneer wij de gestalte van een kindeke hebben, hoe groter wij zijn in het Koninkrijk der hemelen (Matth. 18:4).
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u verbaasd staat over de diepten van uw eigen hart. Meende u dat de zonde in u sliep, en bent u geschrokken toen zij met vernieuwde kracht ontwaakte? Het hart is arglistig, meer dan enig ding, en wie zal het kennen? U bent niet de enige die dat door bittere ondervinding moet leren; zo worden al Gods kinderen in de school der bevinding gehouden.
Maar laat deze smartelijke les u niet doen wanhopen. Want naast de verborgenheid der ongerechtigheid staat de verborgenheid der godzaligheid. Hoe dwazer u wordt in eigen oog, hoe zwakker, hoe armer, hoe meer bankroet, des te groter wordt de vergeving en de redding. Wie zich met de gestalte van een kindeke aan de Heere overgeeft, is groot in het Koninkrijk der hemelen. Vlucht dan met uw arglistig hart tot Hem Die het kent en het vergeven wil.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja dodelijk is het, wie zal het kennen?
Jeremia 17:9
De zonde van onze gevallen natuur is iets zeer verborgens. Wij lezen zowel van de verborgenheid der ongerechtigheid als van de verborgenheid der godzaligheid. De ene heeft net zo goed haar lengte, breedte en hoogte als de andere: diepten die niemand met een peillood kan peilen, en lengten die met geen menselijke maatstok ooit te bepalen zijn. Wij moeten door bittere ervaring leren hoe de zonde soms lijkt te slapen en hoe zij op andere tijden met vernieuwde kracht ontwaakt. Wij moeten haar werkzame, prikkelende, ongeduldige, rusteloze natuur leren kennen: de vele vormen en gedaanten die zij aanneemt, de vuile holen en poelen waarin zij kruipt, de bedrieglijkheid, de huichelarij, haar kunstgrepen en schijnbare vriendelijkheid, haar eigenliefde en zorgeloosheid, haar wanhopige dwaasheid, haar onverzadigbare gulzigheid. Dit alles samen zijn verborgenheden, smartelijke verborgenheden, die wij door pijnlijke ervaring moeten leren kennen.
In de geestelijke kennis van deze twee verborgenheden, de verborgenheid van de zonde en de verborgenheid der godzaligheid, bestaat de ware godsdienst. Wij worden in de school van de bevinding gehouden en leren deze twee lessen, en vergeten ze al snel weer. Uiteindelijk komen wij nooit zo ver dat wij ze verstaan, en toch zijn wij niet tevreden tenzij wij ze kennen. Wij jagen ernaar te kennen, maar merken dat die kennis steeds verder van ons af gaat naarmate wij haar najagen. Zo ervaren wij in onze eigen ziel deze hemelse tegenstrijdigheden, deze Goddelijke verborgenheden: hoe wijzer wij worden, hoe dwazer wij zijn in eigen oog (1 Cor. 3:18); hoe sterker wij groeien, hoe zwakker wij zijn (2 Cor. 12:9, 10); hoe meer wij bezitten, hoe minder wij hebben (2 Cor. 6:10); hoe groter ons bankroet wordt, hoe meer ons vergeven wordt (Lukas 7:42); hoe volkomener verloren, hoe groter de redding wordt; en hoe meer wij de gestalte van een kind hebben, hoe groter wij zijn in het Koninkrijk der hemelen (Matth. 18:4).
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u verbaasd staat over de diepten van uw eigen hart. Meende u dat de zonde in u sliep, en bent u geschrokken toen zij met vernieuwde kracht ontwaakte? Het hart is arglistig, meer dan enig ding, en wie zal het kennen? U bent niet de enige die dat door bittere ervaring moet leren; zo worden al Gods kinderen in de school van de bevinding gehouden.
Maar laat deze smartelijke les u niet tot wanhoop brengen. Want naast de verborgenheid der ongerechtigheid staat de verborgenheid der godzaligheid. Hoe dwazer u wordt in eigen oog, hoe zwakker, hoe armer, hoe meer bankroet, des te groter worden de vergeving en de redding. Wie zich met de gestalte van een kind aan de Heere overgeeft, is groot in het Koninkrijk der hemelen. Vlucht dan met uw arglistig hart naar Hem Die het kent en het wil vergeven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The heart is deceitful above all things, and desperately wicked: who can know it?
Jeremiah 17:9
The sin of our fallen nature is a very mysterious thing. We read of the mystery of iniquity as well as of the mystery of godliness; and the former has lengths, depths, and breadths as well as the latter; depths which no human plumb-line ever fathomed, and lengths which no mortal measuring line ever yet measured out. Thus the way in which sin sometimes seems to sleep, and at other times to awake up with renewed strength, its active, irritable, impatient, restless nature, the many shapes and colors it wears, the filthy holes and puddles in which it grovels, the corners into which it creeps, its deceitfulness, hypocrisy, craftiness, persuasiveness, intense selfishness, utter recklessness, desperate madness, and insatiable greediness are secrets, painful secrets, only learned by bitter experience.
In the spiritual knowledge of these two mysteries, the mystery of sin and the mystery of salvation, all true religion consists. In the school of experience we are kept, day after day, learning and forgetting these two lessons, being never able to understand them, and yet not satisfied unless we know them, pursuing after an acquaintance with them, and finding that they still, like a rainbow, recede from us as fast as we pursue. Thus we find realized in our own souls those heavenly contradictions, those divine paradoxes, that the wiser we get, the greater fools we become (1 Cor. 3:18); the stronger we grow, the weaker we are (2 Cor. 12:9, 10); the more we possess, the less we have (2 Cor. 6:10); the more completely bankrupt, the more frankly forgiven (Luke 7:42); the more utterly lost, the more perfectly saved; and when most like a little child, the greatest in the kingdom of heaven (Matt. 18:4).
To the reader…
There are days when you stand amazed at the depths of your own heart. Did you think that sin was asleep in you, and were you startled when it awoke with renewed strength? The heart is deceitful above all things, and who can know it? You are not the only one who has to learn this by bitter experience; so all God’s children are kept in the school of experience.
But do not let this painful lesson bring you to despair. For beside the mystery of iniquity stands the mystery of godliness. The more foolish you become in your own eyes, the weaker, the poorer, the more bankrupt, the greater the forgiveness and the salvation become. Whoever gives himself to the Lord as a little child is great in the kingdom of heaven. Flee, then, with your deceitful heart to Him Who knows it and is willing to forgive it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Engañoso es el corazón más que todas las cosas, y perverso; ¿quién lo conocerá?
Jeremías 17:9
El pecado de nuestra naturaleza caída es algo muy misterioso. Leemos del misterio de iniquidad tanto como del misterio de la piedad; y el primero tiene longitudes, profundidades y anchuras lo mismo que el segundo: profundidades que ninguna sonda humana ha sondeado jamás, y longitudes que ningún cordel mortal ha medido todavía. Así, la manera en que el pecado a veces parece dormir y otras veces despierta con renovada fuerza; su naturaleza activa, irritable, impaciente e inquieta; las muchas formas y colores que adopta; los agujeros y charcos inmundos en que se revuelca; los rincones en que se insinúa; su engaño, hipocresía, astucia, poder de persuasión, intenso egoísmo, total temeridad, locura desesperada y codicia insaciable: todo esto son secretos, secretos dolorosos, que solo se aprenden por amarga experiencia.
En el conocimiento espiritual de estos dos misterios, el misterio del pecado y el misterio de la salvación, consiste toda la verdadera religión. En la escuela de la experiencia se nos mantiene, día tras día, aprendiendo y olvidando estas dos lecciones, sin poder nunca comprenderlas, y sin embargo sin quedar satisfechos a menos que las conozcamos; procurando familiarizarnos con ellas, y hallando que aún, como un arco iris, se alejan de nosotros tan rápido como las perseguimos. Así vemos realizadas en nuestras propias almas esas contradicciones celestiales, esas paradojas divinas: que cuanto más sabios nos volvemos, más necios llegamos a ser (1 Cor. 3:18); cuanto más fuertes crecemos, más débiles somos (2 Cor. 12:9, 10); cuanto más poseemos, menos tenemos (2 Cor. 6:10); cuanto más completamente en bancarrota, más libremente perdonados (Lucas 7:42); cuanto más totalmente perdidos, más perfectamente salvados; y cuando más semejantes a un niño, los mayores en el reino de los cielos (Mat. 18:4).
Al lector…
Hay días en que usted se queda asombrado ante las profundidades de su propio corazón. ¿Pensaba que el pecado dormía en usted, y se sobresaltó cuando despertó con renovada fuerza? Engañoso es el corazón más que todas las cosas, y ¿quién lo conocerá? Usted no es el único que tiene que aprender esto por amarga experiencia; así son guardados todos los hijos de Dios en la escuela de la experiencia.
Pero no deje que esta dolorosa lección le lleve a la desesperación. Porque junto al misterio de iniquidad está el misterio de la piedad. Cuanto más necio se vuelve a sus propios ojos, más débil, más pobre, más en bancarrota, tanto mayores llegan a ser el perdón y la salvación. Quien se entrega al Señor como un niño es grande en el reino de los cielos. Huya, pues, con su corazón engañoso a Aquel que lo conoce y está dispuesto a perdonarlo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl