9 de octubre
Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja dodelijk is het, wie zal het kennen?
Jeremia 17:9
De zonde van onze gevallen natuur is een zeer verborgen iets. Wij lezen zowel van de verborgenheid der ongerechtigheid als van de verborgenheid der godzaligheid; en de ene heeft haar lengte, breedte en hoogte zowel als de andere: diepten die niemand met peillood peilen kan, en lengten die met geen menselijke maatstok ooit bepaald kunnen worden. Wij moeten door bittere ondervinding de weg leren in wélke de zonde somtijds schijnt te slapen, en hoe zij op andere tijden met vernieuwde kracht ontwaakt. Wij moeten leren kennen haar werkzame, prikkelende, ongeduldige, rusteloze natuur, de vele vormen en gedaanten die zij aanneemt, de vuile holen en poelen waar zij in kruipt, de bedriegelijkheid, de huichelarij, haar kunstgrepen en voorkomendheid, haar eigenliefde en zorgeloosheid, haar wanhopige dwaasheid, haar onverzadelijke gulzigheid; deze alle tezamen zijn verborgenheden, smartelijke verborgenheden, die wij door pijnlijke ervaring moeten leren kennen.
In de geestelijke kennis van deze twee verborgenheden, de verborgenheid der zonde en de verborgenheid der godzaligheid, bestaat de ware godsdienst. Wij worden in de school der bevinding gehouden en leren en vergeten dra deze twee lessen, en ten slotte komen wij nooit zo ver om ze te verstaan, en zijn toch niet bevredigd tenzij wij ze kennen. Wij vervolgen te kennen, maar bevinden dat die kennis zich steeds verder van ons verwijdert, naarmate wij ze najagen. Zo bevinden wij in onze eigen ziel deze hemelse tegenstrijdigheden, deze Goddelijke verborgenheden: dat hoe wijzer wij worden, hoe dwazer wij zijn in eigen oog (1 Cor. 3:18); hoe sterker wij groeien, hoe zwakker wij zijn (2 Cor. 12:9, 10); hoe meer wij bezitten, hoe minder wij hebben (2 Cor. 6:10); hoe groter ons bankroet wordt, hoe meer ons vergeven wordt (Lukas 7:42); hoe meer volkomen verloren, hoe groter de redding wordt; en wanneer wij de gestalte van een kindeke hebben, hoe groter wij zijn in het Koninkrijk der hemelen (Matth. 18:4).
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u verbaasd staat over de diepten van uw eigen hart. Meende u dat de zonde in u sliep, en bent u geschrokken toen zij met vernieuwde kracht ontwaakte? Het hart is arglistig, meer dan enig ding, en wie zal het kennen? U bent niet de enige die dat door bittere ondervinding moet leren; zo worden al Gods kinderen in de school der bevinding gehouden.
Maar laat deze smartelijke les u niet doen wanhopen. Want naast de verborgenheid der ongerechtigheid staat de verborgenheid der godzaligheid. Hoe dwazer u wordt in eigen oog, hoe zwakker, hoe armer, hoe meer bankroet, des te groter wordt de vergeving en de redding. Wie zich met de gestalte van een kindeke aan de Heere overgeeft, is groot in het Koninkrijk der hemelen. Vlucht dan met uw arglistig hart tot Hem Die het kent en het vergeven wil.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja dodelijk is het, wie zal het kennen?
Jeremia 17:9
De zonde van onze gevallen natuur is iets zeer verborgens. Wij lezen zowel van de verborgenheid der ongerechtigheid als van de verborgenheid der godzaligheid. De ene heeft net zo goed haar lengte, breedte en hoogte als de andere: diepten die niemand met een peillood kan peilen, en lengten die met geen menselijke maatstok ooit te bepalen zijn. Wij moeten door bittere ervaring leren hoe de zonde soms lijkt te slapen en hoe zij op andere tijden met vernieuwde kracht ontwaakt. Wij moeten haar werkzame, prikkelende, ongeduldige, rusteloze natuur leren kennen: de vele vormen en gedaanten die zij aanneemt, de vuile holen en poelen waarin zij kruipt, de bedrieglijkheid, de huichelarij, haar kunstgrepen en schijnbare vriendelijkheid, haar eigenliefde en zorgeloosheid, haar wanhopige dwaasheid, haar onverzadigbare gulzigheid. Dit alles samen zijn verborgenheden, smartelijke verborgenheden, die wij door pijnlijke ervaring moeten leren kennen.
In de geestelijke kennis van deze twee verborgenheden, de verborgenheid van de zonde en de verborgenheid der godzaligheid, bestaat de ware godsdienst. Wij worden in de school van de bevinding gehouden en leren deze twee lessen, en vergeten ze al snel weer. Uiteindelijk komen wij nooit zo ver dat wij ze verstaan, en toch zijn wij niet tevreden tenzij wij ze kennen. Wij jagen ernaar te kennen, maar merken dat die kennis steeds verder van ons af gaat naarmate wij haar najagen. Zo ervaren wij in onze eigen ziel deze hemelse tegenstrijdigheden, deze Goddelijke verborgenheden: hoe wijzer wij worden, hoe dwazer wij zijn in eigen oog (1 Cor. 3:18); hoe sterker wij groeien, hoe zwakker wij zijn (2 Cor. 12:9, 10); hoe meer wij bezitten, hoe minder wij hebben (2 Cor. 6:10); hoe groter ons bankroet wordt, hoe meer ons vergeven wordt (Lukas 7:42); hoe volkomener verloren, hoe groter de redding wordt; en hoe meer wij de gestalte van een kind hebben, hoe groter wij zijn in het Koninkrijk der hemelen (Matth. 18:4).
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u verbaasd staat over de diepten van uw eigen hart. Meende u dat de zonde in u sliep, en bent u geschrokken toen zij met vernieuwde kracht ontwaakte? Het hart is arglistig, meer dan enig ding, en wie zal het kennen? U bent niet de enige die dat door bittere ervaring moet leren; zo worden al Gods kinderen in de school van de bevinding gehouden.
Maar laat deze smartelijke les u niet tot wanhoop brengen. Want naast de verborgenheid der ongerechtigheid staat de verborgenheid der godzaligheid. Hoe dwazer u wordt in eigen oog, hoe zwakker, hoe armer, hoe meer bankroet, des te groter worden de vergeving en de redding. Wie zich met de gestalte van een kind aan de Heere overgeeft, is groot in het Koninkrijk der hemelen. Vlucht dan met uw arglistig hart naar Hem Die het kent en het wil vergeven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The heart is deceitful above all things, and desperately wicked: who can know it?
Jeremiah 17:9
The sin of our fallen nature is a very mysterious thing. We read of the mystery of iniquity as well as of the mystery of godliness; and the former has lengths, depths, and breadths as well as the latter; depths which no human plumb-line ever fathomed, and lengths which no mortal measuring line ever yet measured out. Thus the way in which sin sometimes seems to sleep, and at other times to awake up with renewed strength, its active, irritable, impatient, restless nature, the many shapes and colors it wears, the filthy holes and puddles in which it grovels, the corners into which it creeps, its deceitfulness, hypocrisy, craftiness, persuasiveness, intense selfishness, utter recklessness, desperate madness, and insatiable greediness are secrets, painful secrets, only learned by bitter experience.
In the spiritual knowledge of these two mysteries, the mystery of sin and the mystery of salvation, all true religion consists. In the school of experience we are kept, day after day, learning and forgetting these two lessons, being never able to understand them, and yet not satisfied unless we know them, pursuing after an acquaintance with them, and finding that they still, like a rainbow, recede from us as fast as we pursue. Thus we find realized in our own souls those heavenly contradictions, those divine paradoxes, that the wiser we get, the greater fools we become (1 Cor. 3:18); the stronger we grow, the weaker we are (2 Cor. 12:9, 10); the more we possess, the less we have (2 Cor. 6:10); the more completely bankrupt, the more frankly forgiven (Luke 7:42); the more utterly lost, the more perfectly saved; and when most like a little child, the greatest in the kingdom of heaven (Matt. 18:4).
To the reader…
There are days when you stand amazed at the depths of your own heart. Did you think that sin was asleep in you, and were you startled when it awoke with renewed strength? The heart is deceitful above all things, and who can know it? You are not the only one who has to learn this by bitter experience; so all God’s children are kept in the school of experience.
But do not let this painful lesson bring you to despair. For beside the mystery of iniquity stands the mystery of godliness. The more foolish you become in your own eyes, the weaker, the poorer, the more bankrupt, the greater the forgiveness and the salvation become. Whoever gives himself to the Lord as a little child is great in the kingdom of heaven. Flee, then, with your deceitful heart to Him Who knows it and is willing to forgive it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Engañoso es el corazón más que todas las cosas, y perverso; ¿quién lo conocerá?
Jeremías 17:9
El pecado de nuestra naturaleza caída es algo muy misterioso. Leemos del misterio de iniquidad tanto como del misterio de la piedad; y el primero tiene longitudes, profundidades y anchuras lo mismo que el segundo: profundidades que ninguna sonda humana ha sondeado jamás, y longitudes que ningún cordel mortal ha medido todavía. Así, la manera en que el pecado a veces parece dormir y otras veces despierta con renovada fuerza; su naturaleza activa, irritable, impaciente e inquieta; las muchas formas y colores que adopta; los agujeros y charcos inmundos en que se revuelca; los rincones en que se insinúa; su engaño, hipocresía, astucia, poder de persuasión, intenso egoísmo, total temeridad, locura desesperada y codicia insaciable: todo esto son secretos, secretos dolorosos, que solo se aprenden por amarga experiencia.
En el conocimiento espiritual de estos dos misterios, el misterio del pecado y el misterio de la salvación, consiste toda la verdadera religión. En la escuela de la experiencia se nos mantiene, día tras día, aprendiendo y olvidando estas dos lecciones, sin poder nunca comprenderlas, y sin embargo sin quedar satisfechos a menos que las conozcamos; procurando familiarizarnos con ellas, y hallando que aún, como un arco iris, se alejan de nosotros tan rápido como las perseguimos. Así vemos realizadas en nuestras propias almas esas contradicciones celestiales, esas paradojas divinas: que cuanto más sabios nos volvemos, más necios llegamos a ser (1 Cor. 3:18); cuanto más fuertes crecemos, más débiles somos (2 Cor. 12:9, 10); cuanto más poseemos, menos tenemos (2 Cor. 6:10); cuanto más completamente en bancarrota, más libremente perdonados (Lucas 7:42); cuanto más totalmente perdidos, más perfectamente salvados; y cuando más semejantes a un niño, los mayores en el reino de los cielos (Mat. 18:4).
Al lector…
Hay días en que usted se queda asombrado ante las profundidades de su propio corazón. ¿Pensaba que el pecado dormía en usted, y se sobresaltó cuando despertó con renovada fuerza? Engañoso es el corazón más que todas las cosas, y ¿quién lo conocerá? Usted no es el único que tiene que aprender esto por amarga experiencia; así son guardados todos los hijos de Dios en la escuela de la experiencia.
Pero no deje que esta dolorosa lección le lleve a la desesperación. Porque junto al misterio de iniquidad está el misterio de la piedad. Cuanto más necio se vuelve a sus propios ojos, más débil, más pobre, más en bancarrota, tanto mayores llegan a ser el perdón y la salvación. Quien se entrega al Señor como un niño es grande en el reino de los cielos. Huya, pues, con su corazón engañoso a Aquel que lo conoce y está dispuesto a perdonarlo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl