6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht des leugens wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaatsen overlopen.
Jesaja 28:17
Waar God de Heilige Geest een werk van genade in het hart begint en voortzet, zal Hij van tijd tot tijd eens mensen godsvrucht wegen en elke duim van de weg onderzoeken, of hij recht en waterpas ligt met het Woord en de wil van God. Rekent erop, de Heere, Die „de geesten weegt” (Spreuken 16:2) en door Wie „daden gewogen worden” (1 Sam. 2:3), zal in Zijn rechtvaardige en zuivere weegschalen beide natuur en genade, menselijke en Goddelijke lering leggen, en ons doen weten wat het volle gewicht heeft voor de rechtbank des hemels.
De godsvrucht van de tegenwoordige tijd strekt daarheen, dat zij alles wat bevinding aangaat, verwart en het werk der genade in het hart bedekt en verduistert. Maar er kan geen sprake van zijn, dat God onze godsvrucht nooit zal dulden, zo Hij inderdaad ons genadiglijk heeft toegelaten, dat wij ons in die verwarde weg hebben vermengd; maar Hij zal alles met Zijn maat meten en in de smeltkroes louteren. Op deze wijze leren wij de waarheid en de echtheid van Zijn werk kennen. Zo Hij dus het geloof geeft, zal Hij dat geloof op de toetssteen brengen, en het ernstig beproeven.
Het is in de genade zoals in de natuur. Wanneer wij het nauwkeurig gewicht van iets willen bepalen, leggen wij het in één schaal en geijkt gewicht in de andere, tot de schalen gelijk zijn. Zo ook wanneer de Heere het geloof in de ene schaal legt, legt Hij een last in de andere, om te beproeven of het het geijkt gewicht is. En hoe groter het geloof, des te zwaarder de proef. De vader der gelovigen moest zijn eigen zoon slachten. Zo Hij een zekere mate van hoop doet zien, zullen er vele dingen zijn, die wanhoop in de tegenoverhangende schaal doen brengen, opdat wanhoop en hoop goed tegenover elkander gewogen worden. Wordt de liefde Gods in de ziel uitgestort, dan zullen er beproevingen en verzoekingen zijn om haar te beproeven. Zo leert het kind van God de betekenis der woorden: „het werk uws geloofs, en den arbeid uwer liefde, en de lijdzaamheid uwer hoop” (1 Thess. 1:3).
Elk teken ten goede, elke teug der barmhartigheid, elke openbaring der liefde wordt onderzocht en doorzocht, gewogen en overwogen in de vierschaar der consciëntie, om te weten of het vol gewicht heeft of niet. En in dit fijne en nauwkeurige onderzoek wordt niet alleen de godsvrucht gewogen, maar ook hetgeen geen godsvrucht is. Zonden, openbare en verborgene, afwijkingen, afgodische genegenheden, gierige begeerten, vermetele vertrouwens, verrotte hopen en ijdele steunsels: alles wordt gewogen in de weegschalen des heiligdoms.
En daar alles wat van God ontvangen was, in de weegschaal gelegd, zuiver en echt zal bevonden worden, zo ook zal alles wat niet van God kwam, alles wat afkomstig was van de natuur en het vlees, alle ijdel zelfvertrouwen, stoute eisen en vermetele denkbeelden, in de weegschaal gelegd, gestempeld worden met het tekel: „In weegschalen gewogen en te licht bevonden.”
Ps. 101:6
Aan de lezer…
Soms vraagt u zich af waarom uw geloof zo zwaar beproefd wordt, en waarom tegenover elke hoop zoveel wanhoop in de andere schaal komt te liggen. Weet dan dat de Heere, Die de geesten weegt, geen gewicht ongetoetst laat. Gelijk men een ding tegen geijkt gewicht weegt, zo legt Hij een last tegenover het geloof dat Hij gegeven heeft, om te tonen dat het echt is. Hoe groter het geloof, des te zwaarder de proef.
Dat is een ernstig woord, want alle ijdel zelfvertrouwen en alle vermetelheid zal eens te licht bevonden worden. Maar het is ook een troostrijk woord voor de beproefde ziel: alles wat van God ontvangen is, zal in Zijn weegschaal zuiver en echt bevonden worden. Vrees dan de smeltkroes niet te zeer. Wat Hij in u gewerkt heeft, kan de toets doorstaan, omdat het Zijn eigen werk is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht des leugens wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaatsen overlopen.
Jesaja 28:17
Waar God de Heilige Geest een werk van genade in het hart begint en voortzet, zal Hij van tijd tot tijd iemands godsvrucht wegen. Hij zal elke duim van de weg onderzoeken, of die recht en waterpas ligt met het Woord en de wil van God. Reken erop: de Heere, Die „de geesten weegt” (Spreuken 16:2) en door Wie „daden gewogen worden” (1 Sam. 2:3), zal zowel natuur als genade, zowel menselijk als Goddelijk onderwijs in Zijn rechtvaardige en zuivere weegschaal leggen. En Hij zal ons laten weten wat het volle gewicht heeft voor de rechtbank van de hemel.
De godsvrucht van deze tijd neigt ertoe alles wat met bevinding te maken heeft te verwarren, en het werk van de genade in het hart te bedekken en te verduisteren. Maar als Hij ons inderdaad genadig heeft toegelaten dat wij ons op die verwarde weg hebben begeven, kan er geen sprake van zijn dat God onze godsvrucht nooit zal dulden. Hij zal alles met Zijn maat meten en in de smeltkroes louteren. Op deze manier leren wij de waarheid en de echtheid van Zijn werk kennen. Als Hij dus geloof geeft, zal Hij dat geloof op de toetssteen brengen en het ernstig beproeven.
Het is in de genade zoals in de natuur. Wanneer wij het nauwkeurige gewicht van iets willen bepalen, leggen wij het in de ene schaal en geijkt gewicht in de andere, totdat de schalen in evenwicht zijn. Zo legt de Heere, wanneer Hij het geloof in de ene schaal legt, een last in de andere, om te beproeven of het het geijkte gewicht heeft. En hoe groter het geloof, hoe zwaarder de beproeving. De vader der gelovigen moest zijn eigen zoon slachten. Als Hij een zekere mate van hoop laat zien, zullen er veel dingen zijn die wanhoop in de tegenoverliggende schaal brengen, zodat wanhoop en hoop goed tegen elkaar worden afgewogen. Wordt de liefde van God in de ziel uitgestort, dan zullen er beproevingen en verzoekingen komen om die liefde te beproeven. Zo leert het kind van God de betekenis van de woorden: „het werk uws geloofs, en den arbeid uwer liefde, en de lijdzaamheid uwer hoop” (1 Thess. 1:3).
Elk teken ten goede, elke teug van barmhartigheid, elke openbaring van liefde wordt onderzocht en doorzocht, gewogen en afgewogen in de rechtbank van het geweten, om te weten of het het volle gewicht heeft of niet. En bij dit fijne en nauwkeurige onderzoek wordt niet alleen de godsvrucht gewogen, maar ook wat geen godsvrucht is. Zonden, openbare en verborgen, afwijkingen, afgodische genegenheden, hebzuchtige begeerten, vermetel vertrouwen, verrotte verwachtingen en ijdele steunsels: alles wordt gewogen in de weegschaal van het heiligdom.
En zoals alles wat van God ontvangen is, in de weegschaal gelegd, zuiver en echt zal worden bevonden, zo zal ook alles wat niet van God kwam — alles wat voortkwam uit de natuur en het vlees, alle ijdel zelfvertrouwen, stoutmoedige aanspraken en vermetele denkbeelden — in de weegschaal gelegd, gestempeld worden met het tekel: „In weegschalen gewogen en te licht bevonden.”
Ps. 101:6
Aan de lezer…
Soms vraagt u zich af waarom uw geloof zo zwaar beproefd wordt, en waarom tegenover elke hoop zoveel wanhoop in de andere schaal komt te liggen. Weet dan dat de Heere, Die de geesten weegt, geen gewicht ongetoetst laat. Zoals men iets tegen geijkt gewicht weegt, zo legt Hij een last tegenover het geloof dat Hij gegeven heeft, om te laten zien dat het echt is. Hoe groter het geloof, hoe zwaarder de beproeving.
Dat is een ernstig woord, want alle ijdel zelfvertrouwen en alle vermetelheid zal eens te licht bevonden worden. Maar het is ook een troostrijk woord voor de beproefde ziel: alles wat van God ontvangen is, zal in Zijn weegschaal zuiver en echt bevonden worden. Wees dan niet te bang voor de smeltkroes. Wat Hij in u gewerkt heeft, kan de toets doorstaan, omdat het Zijn eigen werk is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Judgment also will I lay to the line, and righteousness to the plummet: and the hail shall sweep away the refuge of lies, and the waters shall overflow the hiding place.
Isaiah 28:17
Wherever God the Holy Spirit begins and carries on a work of grace in the heart, He will weigh up, and mete out, from time to time, all a man’s religion and test every inch of the way whether it lies straight and level with the Word and will of God. Depend upon it the Lord Who “weighs the spirits” (Prov. 16:2), and by Whom “actions are weighed” (1 Sam. 2:3), will put into His righteous and unerring scales both nature and grace, both human and divine teaching, and make us know which is full weight in heaven’s court. The religion of the present day is too much to confuse everything of an experimental nature; to cover and obscure the work of grace in the heart.
But there can be no question that God will never allow our religion, if, indeed, He has mercifully taken us in hand, to be huddled up in this confused way; but He will measure it all by His standard, and refine it in His crucible. It is in this way that we learn the reality and genuineness of His work. Thus, if He gives faith, He will bring that faith to the touchstone, and prove it with heavy trials. It is in grace as in nature. When we would ascertain the exact weight of a thing, we put it into one scale, and a standard weight into the other, until the scales are even. So when the Lord puts faith in one scale, He puts a burden in the other to try whether it is standard weight.
And the greater the faith the heavier the trial. The father of the faithful had to slay his own son. If God communicates a measure of hope, there will be many things that cause despondency to be put into the opposite scale, that despondency and hope may be well balanced. If the love of God be shed abroad in the soul, there will be trials and temptations to prove it. Thus the child of God learns the meaning of the words—“The work of faith, and labor of love, and patience of hope” (1 Thess. 1:3).
Every token for good, every sip of mercy, every manifestation of love is examined and searched into, weighed up and balanced in the court of conscience, to know whether it is full weight or not. And in this delicate and accurate scrutiny not only is religion weighed up, but also that which is not religion. Sins, open and secret, backslidings, idolatrous affections, covetous desires, presumptuous confidences, rotten hopes, and vain props—all are weighed up in the balances of the sanctuary. And as that which is received from God, when put into the balances, will be found sterling and genuine; so all that did not come from God, all that sprang from nature and the flesh, all vain confidence, bold claims, and presumptuous notions, when put into the scales, will have tekel stamped upon them—“Weighed in the balances, and found lacking.”
To the reader…
Sometimes you wonder why your faith is so heavily tried, and why against every hope so much despondency is laid in the other scale. Know then that the Lord, Who weighs the spirits, leaves no weight untested. Just as one weighs a thing against a standard weight, so He lays a burden over against the faith He has given, to show that it is genuine. The greater the faith, the heavier the trial.
That is a solemn word, for all vain self-confidence and all presumption will one day be found lacking. But it is also a comforting word for the tried soul: everything that has been received from God will be found sterling and genuine in His balances. Do not be too afraid of the crucible, then. What He has wrought in you can stand the test, because it is His own work.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ajustaré el juicio a cordel, y a nivel la justicia; y granizo barrerá la acogida de la mentira, y aguas arrollarán el escondrijo.
Isaías 28:17
Dondequiera que Dios el Espíritu Santo comienza y lleva adelante una obra de gracia en el corazón, pesará y medirá, de tiempo en tiempo, toda la religión de un hombre, y probará cada palmo del camino para ver si va recto y a nivel con la Palabra y la voluntad de Dios. Tenga por cierto que el Señor, que “pesa los espíritus” (Proverbios 16:2) y a Quien “toca el pesar las acciones” (1 Samuel 2:3), pondrá en Su balanza justa e infalible tanto la naturaleza como la gracia, tanto la enseñanza humana como la divina, y nos hará saber cuál tiene el peso cabal en el tribunal del cielo. La religión de nuestros días tiende demasiado a confundir todo lo que es de naturaleza experimental; a cubrir y oscurecer la obra de la gracia en el corazón.
Pero no cabe duda de que Dios nunca permitirá que nuestra religión, si en verdad Él nos ha tomado misericordiosamente en Sus manos, quede amontonada de esta manera confusa; sino que la medirá toda con Su norma y la refinará en Su crisol. De este modo aprendemos la realidad y la autenticidad de Su obra. Así, si Él da fe, llevará esa fe a la piedra de toque y la probará con pruebas pesadas. Sucede en la gracia como en la naturaleza. Cuando queremos averiguar el peso exacto de una cosa, la ponemos en un platillo de la balanza, y una pesa patrón en el otro, hasta que los platillos quedan iguales. Así, cuando el Señor pone fe en un platillo, pone una carga en el otro para probar si tiene el peso debido.
Y cuanto mayor es la fe, más pesada es la prueba. El padre de los creyentes tuvo que sacrificar a su propio hijo. Si Dios comunica una medida de esperanza, habrá muchas cosas que causen desaliento puestas en el platillo opuesto, para que el desaliento y la esperanza queden bien equilibrados. Si el amor de Dios es derramado en el alma, habrá pruebas y tentaciones para probarlo. Así el hijo de Dios aprende el sentido de las palabras: “La obra de vuestra fe, y del trabajo de amor, y de la tolerancia de la esperanza” (1 Tesalonicenses 1:3).
Toda señal para bien, todo sorbo de misericordia, toda manifestación de amor es examinada e investigada, pesada y equilibrada en el tribunal de la conciencia, para saber si tiene el peso cabal o no. Y en este escrutinio delicado y preciso no solo se pesa la religión, sino también lo que no es religión. Los pecados, manifiestos y secretos, las rebeldías, los afectos idólatras, los deseos codiciosos, las confianzas presuntuosas, las esperanzas podridas y los apoyos vanos: todo es pesado en las balanzas del santuario. Y así como lo que se ha recibido de Dios, puesto en la balanza, se hallará de buena ley y genuino; así todo lo que no vino de Dios, todo lo que brotó de la naturaleza y de la carne, toda confianza vana, toda pretensión atrevida y toda noción presuntuosa, puesto en la balanza, llevará estampado tekel: “Pesado has sido en balanza, y fuiste hallado falto”.
Al lector…
A veces usted se pregunta por qué su fe es probada tan duramente, y por qué frente a cada esperanza se pone tanto desaliento en el otro platillo. Sepa entonces que el Señor, que pesa los espíritus, no deja ningún peso sin probar. Así como se pesa una cosa contra una pesa patrón, así Él pone una carga frente a la fe que ha dado, para mostrar que es genuina. Cuanto mayor es la fe, más pesada es la prueba.
Esa es una palabra solemne, porque toda vana confianza en uno mismo y toda presunción serán halladas faltas un día. Pero es también una palabra consoladora para el alma probada: todo lo que se ha recibido de Dios se hallará de buena ley y genuino en Sus balanzas. No tema demasiado, pues, el crisol. Lo que Él ha obrado en usted puede resistir la prueba, porque es Su propia obra.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een hoog vertrek
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
Er wordt gezegd ter vertroosting van degenen die de Heere zoeken – degenen die echt hun hart voor Hem uitstorten, die Hem op hun bed zoeken, die Hem op de verschillende uren van de dag zoeken, die Hem met een eerlijk hart zoeken, die echt naar Hem hongeren en dorsten om wie Hij in Zichzelf is – dit wordt u ter vertroosting gezegd: „Gij, HEERE” – David doet een plechtig beroep op God Zelf – „Gij, HEERE, hebt niet verlaten degenen, die U zoeken.” Ze vrezen vaak dat U hen hebt verlaten. Ze twijfelen en beven vaak of U ooit zult verschijnen. Maar Gij, HEERE, hebt hen niet verlaten.
Ervaart u dit vaak zo? Wordt u soms niet een beetje aangemoedigd? Hoort u soms niet uw ervaring in het Woord beschreven? Wordt u niet soms enigszins verruimd in gebed? Komt er niet soms een tekst in uw hart die uw ziel als het ware onthaalt op honing en honingzeem? Wordt er geen zoet gevoel in uw hart opgewekt, waardoor u gelooft dat God echt in uw ziel werkt?
Welnu, de Heere verlaat Zijn kinderen nooit. Hij zegt: „Ik, de HEERE, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag” (Jes. 27:3). O, die verborgen bevochtigingen van God aan de ziel! O, die heerlijke leiding van de gezegende Geest in het hart! Hoe wekt Hij de ziel tot leven als zij dood is! Hoe gaat zij open als zij gesloten was! Hoe verruimt Hij haar als zij was vernauwd! Hoe trekt Hij haar aan met de koorden van liefde! Hoe legt Hij af en toe de eeuwige armen onder de verzwakte, wankelende geest! Hij „heeft niet verlaten degenen, die Hem zoeken”.
Er kunnen lange perioden van duisternis voorkomen. We bidden en krijgen geen antwoord. We roepen uit, maar de Heere geeft geen teken. We vrezen dat Hij ons misschien nooit zal horen. Maar toch zullen we er ten slotte achter komen dat de Heere degenen die Hem zoeken, niet heeft verlaten. Nee, geen enkel ogenblik! Er verschijnt iets aan ons, maar we kunnen het niet duidelijk onderscheiden; we ontvangen steun, maar voelen het wellicht niet goed; het geweten wordt onderzocht, maar we zijn ons er niet volledig van bewust; onze voeten worden heimelijk geleid, maar we merken het misschien niet duidelijk.
Lezen: Psalm 71:12-24
Aan de lezer…
Zoekende ziel, vreest u dat de Heere u verlaten heeft? Bidt u en krijgt u geen antwoord, roept u en geeft Hij geen teken, zodat u beeft of Hij ooit zal verschijnen? Zo ging het hun die Hem op hun bed en op alle uren van de dag zochten, en toch luidt het plechtige woord: „Gij, HEERE, hebt niet verlaten degenen, die U zoeken.”
Zie dan eens eerlijk terug. Was er niet soms een tekst die uw ziel onthaalde als op honing, een kleine verruiming in het gebed, een zoet gevoel dat God toch in u werkt? Dat waren Zijn verborgen bevochtigingen. Ook in lange perioden van duisternis legt Hij de eeuwige armen onder de wankelende geest, al merkt u het niet duidelijk. Zoek Hem dan verder; u zult er ten slotte achter komen dat Hij u geen enkel ogenblik verlaten heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
Dit wordt gezegd tot troost van hen die de Heere zoeken: zij die echt hun hart voor Hem uitstorten, die Hem op hun bed zoeken, die Hem op verschillende uren van de dag zoeken, die Hem met een eerlijk hart zoeken, die echt naar Hem hongeren en dorsten om wie Hij in Zichzelf is. Tot uw troost wordt gezegd: „Gij, HEERE” – David doet een plechtig beroep op God Zelf – „Gij, HEERE, hebt niet verlaten degenen, die U zoeken.” Zij vrezen vaak dat U hen hebt verlaten. Zij twijfelen en beven vaak of U ooit zult verschijnen. Maar U, HEERE, hebt hen niet verlaten.
Ervaart u dat vaak zo? Wordt u soms niet een beetje bemoedigd? Hoort u soms niet uw eigen ervaring in het Woord beschreven? Wordt u niet soms enigszins verruimd in het gebed? Komt er niet soms een tekst in uw hart die uw ziel als het ware onthaalt op honing en honingzeem? Wordt er geen zoet gevoel in uw hart gewekt, waardoor u gelooft dat God echt in uw ziel werkt?
Welnu, de Heere verlaat Zijn kinderen nooit. Hij zegt: „Ik, de HEERE, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag” (Jes. 27:3). O, die verborgen bevochtigingen van God in de ziel! O, die heerlijke leiding van de gezegende Geest in het hart! Hoe wekt Hij de ziel tot leven als zij dood is! Hoe opent Hij haar als zij gesloten was! Hoe verruimt Hij haar als zij benauwd was! Hoe trekt Hij haar met de koorden van de liefde! Hoe legt Hij af en toe de eeuwige armen onder de verzwakte, wankelende geest! Hij „heeft niet verlaten degenen, die Hem zoeken”.
Er kunnen lange tijden van duisternis komen. We bidden en krijgen geen antwoord. We roepen, maar de Heere geeft geen teken. We vrezen dat Hij ons misschien nooit zal horen. Toch zullen we ten slotte ontdekken dat de Heere hen die Hem zoeken, niet heeft verlaten. Nee, geen enkel ogenblik! Er verschijnt iets aan ons, maar we kunnen het niet duidelijk onderscheiden. We ontvangen steun, maar voelen het misschien niet goed. Het geweten wordt onderzocht, maar we zijn ons daar niet volledig van bewust. Onze voeten worden in het verborgen geleid, maar we merken het misschien niet duidelijk.
Lezen: Psalm 71:12-24
Aan de lezer…
Zoekende ziel, vreest u dat de Heere u verlaten heeft? Bidt u en krijgt u geen antwoord, roept u en geeft Hij geen teken, zodat u beeft of Hij ooit zal verschijnen? Zo ging het ook hen die Hem op hun bed en op alle uren van de dag zochten. En toch klinkt het plechtige woord: „Gij, HEERE, hebt niet verlaten degenen, die U zoeken.”
Kijk dan eens eerlijk terug. Was er niet soms een tekst die uw ziel onthaalde als op honing, een kleine verruiming in het gebed, een zoet gevoel dat God toch in u werkt? Dat waren Zijn verborgen bevochtigingen. Ook in lange tijden van duisternis legt Hij de eeuwige armen onder de wankelende geest, al merkt u het niet duidelijk. Blijf Hem dan zoeken; u zult ten slotte ontdekken dat Hij u geen enkel ogenblik verlaten heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD also will be a refuge for the oppressed, a refuge in times of trouble. And they that know Thy Name will put their trust in Thee: for Thou, LORD, hast not forsaken them that seek Thee.
Psalm 9:9-10
This is spoken for the comfort of those who seek the Lord: those who really pour out their hearts before Him, who seek Him upon their beds, who seek Him at various hours of the day, who seek Him with an honest heart, who really hunger and thirst after Him for what He is in Himself. For your comfort it is said, “Thou, LORD”—David makes a solemn appeal to God Himself—“Thou, LORD, hast not forsaken them that seek Thee.” They often fear that Thou hast forsaken them. They often doubt and tremble whether Thou wilt ever appear. But Thou, LORD, hast not forsaken them.
Do you often find it so? Are you not sometimes a little encouraged? Do you not sometimes hear your own experience described in the Word? Are you not sometimes somewhat enlarged in prayer? Does not a text sometimes come into your heart which, as it were, feasts your soul on honey and the honeycomb? Is not a sweet feeling raised up in your heart, by which you believe that God is really at work in your soul?
Well, the Lord never forsakes His children. He says, “I the LORD do keep it; I will water it every moment: lest any hurt it, I will keep it night and day” (Isaiah 27:3). O those secret waterings of God in the soul! O that blessed leading of the blessed Spirit in the heart! How He quickens the soul when it is dead! How He opens it when it was shut up! How He enlarges it when it was straitened!
How He draws it with the cords of love! How He now and then puts the everlasting arms underneath the fainting, tottering spirit! He “hath not forsaken them that seek Him.”
There may come long seasons of darkness. We pray and get no answer. We cry, but the Lord gives no token. We fear that perhaps He will never hear us. Yet we shall at last find that the Lord has not forsaken them that seek Him. No, not for a single moment! Something appears to us, but we cannot clearly discern it. We receive support, but perhaps do not properly feel it. The conscience is searched, but we are not fully aware of it. Our feet are secretly guided, but perhaps we do not clearly perceive it.
Reading: Psalm 71:12-24
To the reader…
Seeking soul, do you fear that the Lord has forsaken you? Do you pray and get no answer, do you cry and He gives no token, so that you tremble whether He will ever appear? So it went also with those who sought Him upon their beds and at every hour of the day. And yet the solemn word sounds out: “Thou, LORD, hast not forsaken them that seek Thee.”
Look back, then, honestly. Was there not sometimes a text that feasted your soul as on honey, a little enlargement in prayer, a sweet feeling that God is at work in you after all? Those were His secret waterings. Even in long seasons of darkness He puts the everlasting arms beneath the tottering spirit, though you do not clearly perceive it. Keep on seeking Him, then; you will at last find that He has not forsaken you for a single moment.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y será Jehová refugio al pobre, refugio para el tiempo de angustia. Y en Ti confiarán los que conocen Tu Nombre; por cuanto Tú, oh Jehová, no desamparaste a los que Te buscaron.
Salmo 9:9-10
Esto se dice para consuelo de los que buscan al Señor: los que de veras derraman su corazón delante de Él, los que le buscan en sus lechos, los que le buscan a diversas horas del día, los que le buscan con un corazón sincero, los que de veras tienen hambre y sed de Él por lo que Él es en Sí mismo. Para su consuelo se dice: “Tú, oh Jehová” —David apela solemnemente a Dios mismo—, “Tú, oh Jehová, no desamparaste a los que Te buscaron.” A menudo temen que Tú los hayas desamparado. A menudo dudan y tiemblan sobre si alguna vez aparecerás. Pero Tú, oh Jehová, no los has desamparado.
¿Lo halla usted así a menudo? ¿No es a veces un poco animado? ¿No oye a veces su propia experiencia descrita en la Palabra? ¿No se siente a veces algo ensanchado en la oración? ¿No viene a veces a su corazón un texto que, por así decirlo, regala su alma con miel y panal? ¿No se despierta en su corazón un dulce sentir por el cual cree que Dios está realmente obrando en su alma?
Pues bien, el Señor nunca desampara a Sus hijos. Él dice: “Yo Jehová la guardo, cada momento la regaré; la guardaré de noche y de día, para que nadie la dañe” (Isaías 27:3). ¡Oh, esos riegos secretos de Dios en el alma! ¡Oh, esa bendita guía del bendito Espíritu en el corazón! ¡Cómo vivifica el alma cuando está muerta! ¡Cómo la abre cuando estaba cerrada! ¡Cómo la ensancha cuando estaba angustiada!
¡Cómo la atrae con cuerdas de amor! ¡Cómo pone de vez en cuando los brazos eternos debajo del espíritu desfallecido y vacilante! Él “no desamparó a los que Le buscaron”.
Pueden venir largas temporadas de oscuridad. Oramos y no recibimos respuesta. Clamamos, pero el Señor no da ninguna señal. Tememos que quizá nunca nos oiga. Sin embargo, al fin hallaremos que el Señor no ha desamparado a los que Le buscan. ¡No, ni por un solo momento! Algo se nos aparece, pero no podemos discernirlo claramente. Recibimos sostén, pero quizá no lo sentimos debidamente. La conciencia es escudriñada, pero no nos damos plena cuenta de ello. Nuestros pies son guiados secretamente, pero quizá no lo percibimos con claridad.
Lectura: Salmo 71:12-24
Al lector…
Alma que busca, ¿teme que el Señor le haya desamparado? ¿Ora y no recibe respuesta, clama y Él no da ninguna señal, de modo que tiembla sobre si alguna vez aparecerá? Así les fue también a los que le buscaban en sus lechos y a todas las horas del día. Y sin embargo resuena la solemne palabra: “Tú, oh Jehová, no desamparaste a los que Te buscaron.”
Mire, pues, atrás con sinceridad. ¿No hubo a veces un texto que regaló su alma como con miel, un pequeño ensanchamiento en la oración, un dulce sentir de que Dios, después de todo, obra en usted? Esos fueron Sus riegos secretos. Aun en largas temporadas de oscuridad pone los brazos eternos debajo del espíritu vacilante, aunque usted no lo perciba con claridad. Siga, pues, buscándole; al fin hallará que no le ha desamparado ni por un solo momento.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar wij hebben deze schat in aarden vaten.
2 Corinthe 4:7
De kostelijke metalen, goud en zilver, nemen geen vlek of verderf over van het vat, waarin ze zich bevinden. Laat ze in de vochtige aarde begraven worden, zij blijven van vlekken en roest vrij. Zo is het geestelijkerwijs met de genade Gods in het hart. Laat ze omringd zijn van het verderf of de verdorvenheden, zij wordt niet aangetast; de hemelse schat wordt niet besmet, ofschoon ze huist in een aarden vat. Christus in het hart wordt niet bevlekt door de inwendige werkingen der verdorvenheid en door de ijdele gedachten, die voortdurend strijden tegen de genade; evenmin als het goud in de Bank van Engeland wordt aangetast door de donkere en vochtige kelders, waarin het is opgelegd.
En welk een grote genade is het, dat onze verdorvenheden de genade Gods niet kunnen aantasten, dat ons ongeloof zich daarmede niet vermengen kan en het geloof van de uitverkorenen Gods niet vervalsen kan; dat onze moedeloosheid een evangelische hoop niet kan tenietmaken; dat onze dodigheid, donkerheid, koudheid en opstandigheid zich niet kunnen vermengen met en besmetten de liefde Gods in de ziel! Deze hemelse schat blijft onverminderd dezelfde en reine schat, als toen God ze voor het eerst in het hart legde; want het is een deel van de Goddelijke natuur, het blijft onaangetast van het vuil en verderf, dat haar omringt.
Is dit niet een genade voor Gods beproefde volk, dat geestelijke kennis, levend geloof, evangelische hoop, hemelse liefde, en de vruchten en genaden van Gods Geest in de ziel, nooit kunnen besmet of verdorven worden, maar dat ze zijn gelijk de stromen uit een fontein, die altijd zuiver water uitgeeft? Welk een zegen is het, dat de zuivere genade Gods in des mensen hart niet kan worden bevuild door de vuile stromen, die uit een vuile natuur daartegenaan geworpen worden. Of gelijk de waterstromen, die door een brandspuit tegen een brandend huis worden aangewend, maar dat zij even zuiver blijft als toen de Geest des Heeren ze allereerst in de ziel formeerde.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u zoveel dodigheid, koudheid, ongeloof en opstandigheid in uzelf ziet, dat u vreest dat er geen genade meer in u kan zijn. Ziet u uw hart als een donkere, vochtige kelder? Bedenk dan dat het goud niet roest omdat de kelder vochtig is. De hemelse schat ligt wel in een aarden vat, maar het vat besmet de schat niet.
Wat God Zelf in uw hart gelegd heeft, aan levend geloof, aan evangelische hoop, aan liefde tot Hem, blijft even rein als toen Hij het daar voor het eerst neerlegde. Uw verdorvenheden kunnen het niet vervalsen en uw moedeloosheid kan het niet tenietmaken. Treur dan over de vuile stromen uit uw natuur, maar wanhoop niet; want de genade Gods is als een fontein die altijd zuiver water geeft, en Christus in het hart wordt door uw zonde niet bevlekt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar wij hebben deze schat in aarden vaten.
2 Corinthe 4:7
De kostbare metalen, goud en zilver, nemen geen vlek of bederf over van het vat waarin ze liggen. Laat ze in de vochtige aarde begraven worden: zij blijven vrij van vlekken en roest. Zo is het geestelijk ook met de genade van God in het hart. Laat haar omringd zijn door bederf en verdorvenheden, zij wordt niet aangetast; de hemelse schat wordt niet besmet, ook al woont hij in een aarden vat. Christus in het hart wordt niet bevlekt door de inwendige werkingen van de verdorvenheid en door de ijdele gedachten die voortdurend tegen de genade strijden, net zomin als het goud in de Bank van Engeland wordt aangetast door de donkere en vochtige kelders waarin het ligt opgeslagen.
En wat een grote genade is het dat onze verdorvenheden de genade van God niet kunnen aantasten! Dat ons ongeloof zich er niet mee kan vermengen en het geloof van Gods uitverkorenen niet kan vervalsen; dat onze moedeloosheid een evangelische hoop niet kan tenietdoen; dat onze dodigheid, duisternis, koudheid en opstandigheid zich niet kunnen vermengen met de liefde van God in de ziel en haar niet kunnen besmetten! Deze hemelse schat blijft onverminderd dezelfde, reine schat als toen God hem voor het eerst in het hart legde. Want het is een deel van de goddelijke natuur, en het blijft onaangetast door het vuil en bederf dat haar omringt.
Is het geen genade voor Gods beproefde volk dat geestelijke kennis, levend geloof, evangelische hoop, hemelse liefde en de vruchten en genaden van Gods Geest in de ziel nooit kunnen worden besmet of bedorven? Dat ze zijn als de stromen uit een fontein die altijd zuiver water geeft? Wat een zegen is het dat de zuivere genade van God in het hart van een mens niet kan worden bevuild door de vuile stromen die uit een vuile natuur ertegenaan worden geworpen, als de waterstralen die een brandspuit op een brandend huis richt. Zij blijft even zuiver als toen de Geest van de Heere haar voor het eerst in de ziel vormde.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u zoveel dodigheid, koudheid, ongeloof en opstandigheid in uzelf ziet, dat u vreest dat er geen genade meer in u kan zijn. Ziet u uw hart als een donkere, vochtige kelder? Bedenk dan dat het goud niet roest omdat de kelder vochtig is. De hemelse schat ligt wel in een aarden vat, maar het vat besmet de schat niet.
Wat God Zelf in uw hart gelegd heeft, aan levend geloof, aan evangelische hoop, aan liefde tot Hem, blijft even rein als toen Hij het daar voor het eerst neerlegde. Uw verdorvenheden kunnen het niet vervalsen en uw moedeloosheid kan het niet tenietdoen. Treur dan over de vuile stromen uit uw natuur, maar wanhoop niet; want de genade van God is als een fontein die altijd zuiver water geeft, en Christus in het hart wordt door uw zonde niet bevlekt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But we have this treasure in earthen vessels.”
2 Corinthians 4:7
Gold and silver, those precious metals, take no injury, receive no spot of corruption from the vessel in which they are contained; let them be buried in the damp earth, no tarnish or rust forms upon them.
So spiritually, the grace of God in the heart, surrounded as it is with corruption, is not tarnished by it, the heavenly treasure is not contaminated, though lodged in an earthen vessel. Christ in the heart is not defiled by the inward workings of depravity, and by the base thoughts that strive perpetually against His grace, any more than the gold of the Bank of England is defiled by the dark and damp cellars in which it is stowed.
And what a mercy it is, that our corruptions cannot tarnish the grace of God; that our unbelief cannot mix with, and adulterate the faith of God’s elect; that our despondency cannot spoil and ruin a gospel hope; that our deadness, darkness, coldness, and rebellion cannot mingle with and defile the love of God in the soul! This heavenly treasure remains still as unpolluted and pure as when God first put it there; being a part of “the divine nature,” it remains uncontaminated by the filth and corruption that surround it.
Is not this a mercy for God’s tried people, that spiritual knowledge, living faith, gospel hope, heavenly love, and the fruits and graces of God’s Spirit in the soul can never be defiled; but, like the streams of a fountain, are ever gushing forth in pure water? What a blessing it is, that the pure grace of God in a man’s heart cannot be contaminated by the filthy streams that are dashing from a vile nature against it, like the torrents of water from a fire-engine against a burning house, but remains as pure as when God the Spirit first breathed it into the soul.
To the reader…
It may be that you see so much deadness, coldness, unbelief and rebellion in yourself that you fear there can be no grace left in you. Do you see your heart as a dark, damp cellar? Then remember that the gold does not rust because the cellar is damp. The heavenly treasure lies in an earthen vessel indeed, but the vessel does not defile the treasure.
What God Himself has laid in your heart, of living faith, of gospel hope, of love to Him, remains as pure as when He first put it there. Your corruptions cannot adulterate it and your despondency cannot destroy it. Mourn, then, over the filthy streams from your nature, but do not despair; for the grace of God is like a fountain that always gives pure water, and Christ in the heart is not defiled by your sin.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Tenemos empero este tesoro en vasos de barro.
2 Corintios 4:7
El oro y la plata, esos metales preciosos, no sufren daño ni reciben mancha de corrupción del vaso en que están contenidos; aunque se entierren en la tierra húmeda, no se forma sobre ellos ni deslustre ni herrumbre.
Así, espiritualmente, la gracia de Dios en el corazón, rodeada como está de corrupción, no se deslustra por ella; el tesoro celestial no se contamina, aunque esté alojado en un vaso de barro. Cristo en el corazón no es manchado por las operaciones interiores de la depravación ni por los bajos pensamientos que luchan perpetuamente contra Su gracia, como tampoco el oro del Banco de Inglaterra es manchado por los sótanos oscuros y húmedos en que está guardado.
¡Y qué misericordia es que nuestras corrupciones no puedan deslustrar la gracia de Dios; que nuestra incredulidad no pueda mezclarse con la fe de los escogidos de Dios ni adulterarla; que nuestro abatimiento no pueda estropear ni arruinar una esperanza evangélica; que nuestra muerte espiritual, tinieblas, frialdad y rebelión no puedan mezclarse con el amor de Dios en el alma ni contaminarlo! Este tesoro celestial permanece aún tan incontaminado y puro como cuando Dios lo puso allí por primera vez; siendo parte de “la naturaleza divina”, permanece sin contaminarse por la inmundicia y la corrupción que lo rodean.
¿No es esto una misericordia para el pueblo probado de Dios: que el conocimiento espiritual, la fe viva, la esperanza evangélica, el amor celestial y los frutos y gracias del Espíritu de Dios en el alma nunca puedan ser contaminados, sino que, como las corrientes de una fuente, estén siempre brotando en agua pura? ¡Qué bendición es que la gracia pura de Dios en el corazón de un hombre no pueda ser contaminada por las corrientes inmundas que se lanzan contra ella desde una naturaleza vil, como los chorros de agua de una bomba de incendios contra una casa en llamas, sino que permanezca tan pura como cuando Dios el Espíritu la sopló por primera vez en el alma!
Al lector…
Puede ser que usted vea en sí mismo tanta muerte espiritual, frialdad, incredulidad y rebelión que teme que no pueda quedar en usted gracia alguna. ¿Ve su corazón como un sótano oscuro y húmedo? Entonces recuerde que el oro no se oxida porque el sótano sea húmedo. El tesoro celestial está, en verdad, en un vaso de barro, pero el vaso no contamina el tesoro.
Lo que Dios mismo ha puesto en su corazón, de fe viva, de esperanza evangélica, de amor a Él, permanece tan puro como cuando Él lo puso allí por primera vez. Sus corrupciones no pueden adulterarlo, y su abatimiento no puede destruirlo. Lamente, pues, las corrientes inmundas de su naturaleza, pero no desespere; porque la gracia de Dios es como una fuente que siempre da agua pura, y Cristo en el corazón no es manchado por su pecado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl