2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal al Uwe getuigenissen onderhouden.
Psalm 119:146
Indien gij u de boosheid van uw hart bewust zijt en ze bij ervaring kent, alsook de macht der zonde, de kracht der verzoeking, de list van uw onvermoeide vijand en die dagelijkse strijd tussen natuur en genade, het vlees en de geest, welke het eigenaardig kenmerk is van de levende familie des hemels, dan zult gij uw behoefte aan verlossing als een dagelijkse werkelijkheid ondervinden en gevoelen. Meen niet dat de enige verlossing die gevoeld en gekend wordt, de vroegere verlossing is — de verlossing aangebracht door de bloedstorting van de Zoon van God. Er is een tegenwoordige verlossing — een innerlijk gevoelde en voortdurende verlossing, geschonken uit de volheid van Christus, als een verrezen Middelaar.
Moet gij niet elke dag en bijna elk uur verlost worden? Maar waarvan? Wel, van alles dat in u strijd voert tegen de wil en het Woord van God. De zonde is in u nog niet dood. Indien gij met God verzoend en tot Zijn nabijheid gebracht zijt; indien gij belang hebt bij het kostelijk bloed van Christus; indien uw naam geschreven staat in het boek des levens des Lams, en de hemel uw eeuwige woonstede is, zo bevrijdt u dat alles nog niet van de inwoning der zonde, ook niet van de macht der zonde, tenzij de genade u er nu van verlost. De zonde werkt nog in uw vleselijk hart, en zal erin werken tot aan uw stervensuur. Waar gij dan van moet verlost worden, is de schuld, de onreinheid, de macht van, de liefde tot en het doen van de inwonende zonde.
Wend, Heer, mijn oog van d’ijdelheden af.
Verlevendig mijn hart door Uwe wegen,
dat mij ’t begaan dier paden vreugd verschaf.
Bevestig Gij toch aan Uw knecht de zegen,
waartoe Uw woord hem blijde hope gaf:
hij is oprecht tot Uwe vrees genegen.
Ps. 119:19
Aan de lezer…
Ontmoedigt het u dat de zonde nog altijd in u werkt? Meendet u dat het, als u eenmaal genade ontvangen had, voortaan anders zou zijn, en ontdekt u nu dagelijks de boosheid van uw hart, de kracht der verzoeking en de strijd tussen vlees en geest? Dan bent u niet alleen. Dit is juist het kenmerk van de levende familie des hemels. Wie geen strijd kent, roept ook niet om verlossing; maar u roept, en dat is geen slecht teken.
Er is niet alleen een verlossing die eens aan het kruis is aangebracht, maar ook een tegenwoordige verlossing, die elke dag en bijna elk uur geschonken wordt uit de volheid van Christus, de verrezen Middelaar. Hij blijft niet ver weg van uw strijd. Roep dan met de psalmist: „Ik heb U aangeroepen, verlos mij.” Breng uw schuld, uw onreinheid en de macht van uw zonde telkens opnieuw bij Hem. Hij wordt het niet moe u te verlossen, ook niet wanneer u het uzelf al lang moe bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal al Uwe getuigenissen onderhouden.
Psalm 119:146
Misschien bent u zich bewust van de boosheid van uw hart en kent u die uit ervaring. Misschien kent u ook de macht van de zonde, de kracht van de verzoeking, de list van uw onvermoeide vijand en die dagelijkse strijd tussen natuur en genade, tussen vlees en geest, die het bijzondere kenmerk is van de levende familie van de hemel. Dan zult u uw behoefte aan verlossing als een dagelijkse werkelijkheid ondervinden en voelen. Denk niet dat de enige verlossing die gevoeld en gekend wordt, de verlossing uit het verleden is: de verlossing die is aangebracht door het bloedvergieten van de Zoon van God. Er is ook een verlossing in het heden: een innerlijk gevoelde en voortdurende verlossing, geschonken uit de volheid van Christus als de opgestane Middelaar.
Moet u niet elke dag, en bijna elk uur, verlost worden? Maar waarvan? Wel, van alles in u wat strijdt tegen de wil en het Woord van God. De zonde is in u nog niet dood. Misschien bent u met God verzoend en in Zijn nabijheid gebracht. Misschien hebt u deel aan het kostbare bloed van Christus, staat uw naam geschreven in het boek des levens des Lams, en is de hemel uw eeuwige woonplaats. Toch bevrijdt dat alles u nog niet van de inwoning van de zonde, en ook niet van de macht van de zonde, tenzij de genade u er nu van verlost. De zonde werkt nog in uw vleselijk hart en zal daarin werken tot aan uw stervensuur. Waarvan u dus verlost moet worden, is de schuld, de onreinheid, de macht van, de liefde tot en het doen van de inwonende zonde.
Wend, Heer, mijn oog van d’ijdelheden af.
Verlevendig mijn hart door Uwe wegen,
dat mij ’t begaan dier paden vreugd verschaf.
Bevestig Gij toch aan Uw knecht de zegen,
waartoe Uw woord hem blijde hope gaf:
hij is oprecht tot Uwe vrees genegen.
Ps. 119:19
Aan de lezer…
Ontmoedigt het u dat de zonde nog altijd in u werkt? Dacht u dat het voortaan anders zou zijn als u eenmaal genade ontvangen had, en ontdekt u nu dagelijks de boosheid van uw hart, de kracht van de verzoeking en de strijd tussen vlees en geest? Dan bent u niet alleen. Dit is juist het kenmerk van de levende familie van de hemel. Wie geen strijd kent, roept ook niet om verlossing; maar u roept, en dat is geen slecht teken.
Er is niet alleen een verlossing die eens aan het kruis is aangebracht, maar ook een verlossing in het heden, die elke dag en bijna elk uur geschonken wordt uit de volheid van Christus, de opgestane Middelaar. Hij blijft niet ver weg van uw strijd. Roep dan met de psalmist: „Ik heb U aangeroepen, verlos mij.” Breng uw schuld, uw onreinheid en de macht van uw zonde telkens opnieuw bij Hem. Hij wordt het niet moe u te verlossen, ook niet wanneer u het uzelf allang moe bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I cried unto Thee; save me, and I shall keep Thy testimonies.
Psalm 119:146
If you know anything for yourself inwardly and experimentally of the evils of your heart, the power of sin, the strength of temptation, the subtlety of your unwearied foe, and that daily conflict between nature and grace, the flesh and the spirit, which is the peculiar mark of the living family of heaven, you will find and feel your need of salvation as a daily reality. Do not think that the only salvation to be felt and known is salvation past—salvation accomplished by the blood shedding and death of the Son of God.
There is present salvation—an inward, experimental, and continual salvation communicated out of the fullness of Christ as a risen Mediator. Don’t you need to be daily and almost hourly saved? But from what? Why, from everything in you that fights against the will and Word of God. Sin is not dead in you.
If you are reconciled and brought near to God; if you have an interest in the precious blood of Christ; if your name is written in the Lamb’s book of life, and heaven is your eternal home, that does not deliver you from the indwelling of sin, nor from the power of sin either, except as grace gives you present deliverance from it. Sin still works in your carnal mind, and will work in it until your dying hour. What then you need to be saved from is the guilt, filth, power, love, and practice of indwelling sin.
To the reader…
Are you discouraged that sin is still at work in you? Did you think that things would be different from now on once you had received grace, and do you now discover daily the wickedness of your heart, the power of temptation and the conflict between flesh and spirit? Then you are not alone. This is precisely the mark of the living family of heaven. Whoever knows no conflict does not cry for deliverance either; but you are crying, and that is no bad sign.
There is not only a salvation once accomplished at the cross, but also a present salvation, given every day and almost every hour out of the fullness of Christ, the risen Mediator. He does not stay far off from your conflict. Cry, then, with the psalmist: “I cried unto Thee; save me.” Bring your guilt, your uncleanness and the power of your sin to Him again and again. He does not grow weary of saving you, not even when you have long grown weary of yourself.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A Ti clamé; sálvame, y guardaré Tus testimonios.
Salmo 119:146
Si usted sabe algo por sí mismo, interior y experimentalmente, de los males de su corazón, del poder del pecado, de la fuerza de la tentación, de la astucia de su incansable enemigo, y de aquel conflicto diario entre la naturaleza y la gracia, entre la carne y el espíritu, que es la señal particular de la familia viviente del cielo, hallará y sentirá su necesidad de salvación como una realidad diaria. No piense que la única salvación que se puede sentir y conocer es la salvación pasada, la salvación consumada por el derramamiento de la sangre y la muerte del Hijo de Dios.
Hay una salvación presente: una salvación interior, experimental y continua, comunicada de la plenitud de Cristo como Mediador resucitado. ¿No necesita usted ser salvado cada día y casi cada hora? Pero ¿de qué? Pues de todo lo que en usted lucha contra la voluntad y la Palabra de Dios. El pecado no está muerto en usted.
Si usted ha sido reconciliado y acercado a Dios; si tiene parte en la preciosa sangre de Cristo; si su nombre está escrito en el libro de la vida del Cordero, y el cielo es su hogar eterno, eso no le libra de que el pecado more en usted, ni tampoco del poder del pecado, salvo en cuanto la gracia le da una liberación presente de él. El pecado sigue obrando en su mente carnal, y obrará en ella hasta la hora de su muerte. Aquello de lo que usted necesita ser salvado, pues, es la culpa, la inmundicia, el poder, el amor y la práctica del pecado que mora en usted.
Al lector…
¿Está usted desanimado porque el pecado sigue obrando en usted? ¿Pensaba que las cosas serían distintas desde que recibió la gracia, y ahora descubre cada día la maldad de su corazón, el poder de la tentación y el conflicto entre la carne y el espíritu? Entonces no está solo. Esta es precisamente la señal de la familia viviente del cielo. Quien no conoce conflicto tampoco clama por liberación; pero usted clama, y eso no es mala señal.
No hay solamente una salvación consumada una vez en la cruz, sino también una salvación presente, dada cada día y casi cada hora de la plenitud de Cristo, el Mediador resucitado. Él no se queda lejos de su lucha. Clame, pues, con el salmista: “A Ti clamé; sálvame”. Lleve su culpa, su inmundicia y el poder de su pecado a Él una y otra vez. Él no se cansa de salvarle, ni aun cuando usted ya hace tiempo que se ha cansado de sí mismo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Leer mij Uw paden
Want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik de ganse dag.
Psalm 25:5
Zolang we niet geloven, of twijfelen en vrezen of de Heere genadige bedoelingen met ons heeft, blijft onze mond gesloten, kunnen we niet vrij met Zijn goedgunstige Majesteit omgaan, bezitten we niet de kracht Hem om enige zegening te vragen. Maar als het Hem daarentegen belieft in de ziel een getuigenis van ons deel in Zijn verlossing op te wekken, wordt zij erdoor aangespoord Hem andere zegeningen te vragen, en in godvruchtige zin vrij gebruik te maken van Zijn goddelijke Majesteit. Ja, hoe meer Hij geeft, des te meer wordt de ziel aangemoedigd nog meer te vragen. Zegt Hij niet Zelf: „Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen” (Ps. 81:11)? Dus hoe meer bewijs de ziel heeft van het deel in Gods grote verlossing, des te meer kan zij de Heere om zegening op zegening vragen, want zij voelt een heilige vrijheid om Hem te vragen ze bekend te maken.
Dit kan in de ogen van sommigen aanmatigend lijken, maar de Heere wordt niet toornig als er in een kinderlijke geest van heilige vrijheid gebruik wordt gemaakt. Hij is niet beledigd, maar eerder verheugd te zien dat Zijn kind naar Hem toe komt en Hem om die gunsten smeekt die Hij zo graag bereid is te verlenen.
Als u een ouder bent, ziet u niet graag dat uw kleintjes hun handen voor hun gezicht doen zodat u hen niet ziet, of dat ze zich verstoppen als u binnenkomt. Dit zou betekenen dat er iets verkeerd was met u of met hen. Maar als de kinderen met een gezicht vol vreugde en met van genegenheid stralende ogen naar hun ouders toekomen, betekent dit dan niet dat de ouders van de kinderen houden en de kinderen van de ouders? Menig hardwerkend man voelt, als hij moe thuiskomt, het eerste straaltje vreugde van de dag als zijn kinderen op zijn knie gaan zitten, of als zijn vrouw hem met een liefdevolle glimlach begroet. Zo wordt genegenheid wederzijds getoond. Net zo is het in de genade: als we liefde voor de Heere voelen, kunnen we naar Hem toegaan en Hem onze behoeften kenbaar maken, zogezegd op Zijn knie gaan zitten en ons hoofd op Zijn borst leggen. Als de ziel dit voorrecht heeft gekregen, gaat het hart open, waardoor het kan zeggen: „Gij zijt de God mijns heils” (Ps. 25:5).
Lezen: Psalm 8:1
Aan de lezer…
Komt u, lezer, met de handen voor uw gezicht tot de Heere, als een kind dat zich verstopt wanneer zijn vader binnenkomt? Zolang wij twijfelen of Hij genadige bedoelingen met ons heeft, blijft onze mond gesloten en durven wij Hem weinig te vragen. Dat is een droeve toestand, en toch kennen velen van Gods kinderen haar maar al te goed.
Maar zie hoe het anders wordt wanneer Hij in de ziel een getuigenis wekt van een deel in Zijn verlossing. Dan gaat het hart open en mag het zeggen: „Gij zijt de God mijns heils.” Dan is het geen aanmatiging, maar kinderlijke vrijheid om Hem zegen op zegen te vragen; Hij zegt immers Zelf: „Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.” De Heere wordt daarover niet toornig, maar verheugd. Vraag Hem dan om dat getuigenis, opdat u als een kind uw hoofd aan Zijn borst mag leggen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik de ganse dag.
Psalm 25:5
Zolang we niet geloven, of twijfelen en vrezen of de Heere genadige bedoelingen met ons heeft, blijft onze mond gesloten. Dan kunnen we niet vrijmoedig met Zijn goedgunstige Majesteit omgaan en hebben we niet de kracht Hem om enige zegen te vragen. Maar wanneer het Hem behaagt in de ziel een getuigenis te wekken dat wij deel hebben aan Zijn verlossing, wordt zij daardoor aangespoord Hem om andere zegeningen te vragen, en op een godvruchtige manier vrijmoedig gebruik te maken van Zijn goddelijke Majesteit. Ja, hoe meer Hij geeft, hoe meer de ziel wordt aangemoedigd nog meer te vragen. Zegt Hij niet Zelf: „Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen” (Ps. 81:11)? Hoe meer bewijs de ziel dus heeft van haar deel aan Gods grote verlossing, hoe meer zij de Heere om zegen op zegen kan vragen, want zij voelt een heilige vrijheid om Hem te vragen ze bekend te maken.
Dit kan in de ogen van sommigen aanmatigend lijken, maar de Heere wordt niet toornig wanneer er in een kinderlijke geest gebruik wordt gemaakt van heilige vrijheid. Hij is niet beledigd, maar eerder verheugd wanneer Hij ziet dat Zijn kind naar Hem toe komt en Hem smeekt om die gunsten die Hij zo graag wil verlenen.
Als u ouder bent, ziet u niet graag dat uw kleintjes hun handen voor hun gezicht doen zodat u hen niet ziet, of dat ze zich verstoppen als u binnenkomt. Dat zou betekenen dat er iets mis was met u of met hen. Maar wanneer de kinderen met een gezicht vol vreugde en met ogen die stralen van genegenheid naar hun ouders toe komen, betekent dat dan niet dat de ouders van de kinderen houden en de kinderen van de ouders? Menig hardwerkend man voelt, wanneer hij moe thuiskomt, het eerste straaltje vreugde van de dag als zijn kinderen op zijn knie gaan zitten, of als zijn vrouw hem met een liefdevolle glimlach begroet. Zo wordt genegenheid over en weer getoond.
Zo is het ook in de genade. Wanneer we liefde voor de Heere voelen, kunnen we naar Hem toe gaan en Hem onze behoeften bekendmaken, om zo te zeggen op Zijn knie gaan zitten en ons hoofd aan Zijn borst leggen. Wanneer de ziel dit voorrecht heeft gekregen, gaat het hart open, zodat het kan zeggen: „Gij zijt de God mijns heils” (Ps. 25:5).
Lezen: Psalm 8:1
Aan de lezer…
Komt u, lezer, met de handen voor uw gezicht tot de Heere, als een kind dat zich verstopt wanneer zijn vader binnenkomt? Zolang wij twijfelen of Hij genadige bedoelingen met ons heeft, blijft onze mond gesloten en durven wij Hem weinig te vragen. Dat is een droeve toestand, en toch kennen velen van Gods kinderen haar maar al te goed.
Maar zie hoe het anders wordt wanneer Hij in de ziel een getuigenis wekt dat u deel hebt aan Zijn verlossing. Dan gaat het hart open en mag het zeggen: „Gij zijt de God mijns heils.” Dan is het geen aanmatiging, maar kinderlijke vrijheid om Hem zegen op zegen te vragen; Hij zegt immers Zelf: „Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.” De Heere wordt daarover niet toornig, maar verheugd. Vraag Hem dan om dat getuigenis, zodat u als een kind uw hoofd aan Zijn borst mag leggen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For Thou art the God of my salvation; on Thee do I wait all the day.
Psalm 25:5
As long as we do not believe, or doubt and fear whether the Lord has gracious purposes towards us, our mouth remains shut. Then we cannot deal freely with His gracious Majesty and have no strength to ask Him for any blessing. But when it pleases Him to raise up in the soul a testimony that we have a part in His salvation, she is thereby encouraged to ask Him for other blessings, and in a godly way to make free with His Divine Majesty. Yes, the more He gives, the more the soul is encouraged to ask still more. Does He not Himself say, “Open thy mouth wide, and I will fill it” (Ps. 81:10)? The more evidence the soul has, then, of her interest in God’s great salvation, the more she can ask the Lord for blessing upon blessing, for she feels a holy liberty to ask Him to make them known.
This may seem presumptuous in the eyes of some, but the Lord is not angry when holy liberty is used in a childlike spirit. He is not offended, but rather pleased, when He sees His child coming to Him and entreating Him for those favours which He so delights to bestow.
If you are a parent, you do not like to see your little ones put their hands before their faces so that you cannot see them, or hide themselves when you come in. That would mean that something was wrong with you or with them. But when the children come to their parents with faces full of joy and eyes beaming with affection, does that not mean that the parents love the children and the children the parents? Many a hard-working man, when he comes home weary, feels the first ray of joy of the day when his children climb upon his knee, or when his wife greets him with a loving smile. So affection is shown on both sides.
So it is also in grace. When we feel love to the Lord, we can go to Him and make our wants known to Him, sit, so to speak, upon His knee and lay our head upon His bosom. When the soul has been given this privilege, the heart opens, so that it can say, “Thou art the God of my salvation” (Ps. 25:5).
Reading: Psalm 8:1
To the reader…
Do you, dear reader, come to the Lord with your hands before your face, like a child who hides when his father comes in? As long as we doubt whether He has gracious purposes towards us, our mouth stays shut and we dare ask Him little. That is a sad condition, and yet many of God’s children know it only too well.
But see how it changes when He raises up in the soul a testimony that you have a part in His salvation. Then the heart opens and may say, “Thou art the God of my salvation.” Then it is not presumption, but childlike liberty to ask Him for blessing upon blessing; for He Himself says, “Open thy mouth wide, and I will fill it.” The Lord is not angry at this, but glad. Ask Him then for that testimony, so that you may lay your head upon His bosom as a child.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque Tú eres el Dios de mi salud: en Ti he esperado todo el día.
Salmo 25:5
Mientras no creemos, o dudamos y tememos si el Señor tiene propósitos de gracia hacia nosotros, nuestra boca permanece cerrada. Entonces no podemos tratar con libertad con Su Majestad llena de gracia y no tenemos fuerza para pedirle ninguna bendición. Pero cuando a Él le place levantar en el alma un testimonio de que tenemos parte en Su salvación, ella se siente animada por ello a pedirle otras bendiciones y, de un modo piadoso, a tomarse libertad con Su divina Majestad. Sí, cuanto más da Él, más se anima el alma a pedir todavía más. ¿No dice Él mismo: “Ensancha tu boca, y henchirla he” (Sal. 81:10)? Cuanta más evidencia tiene, pues, el alma de su parte en la gran salvación de Dios, tanto más puede pedir al Señor bendición sobre bendición, porque siente una santa libertad para pedirle que se las dé a conocer.
Esto puede parecer presuntuoso a los ojos de algunos, pero el Señor no se enoja cuando se usa la santa libertad con un espíritu filial. No se ofende, sino que más bien se complace, cuando ve a Su hijo venir a Él y suplicarle aquellos favores que tanto se deleita en otorgar.
Si usted es padre o madre, no le gusta ver a sus pequeños ponerse las manos delante de la cara para que no pueda verlos, o esconderse cuando usted entra. Eso significaría que algo no andaba bien con usted o con ellos. Pero cuando los hijos vienen a sus padres con el rostro lleno de alegría y los ojos radiantes de cariño, ¿no significa eso que los padres aman a los hijos y los hijos a los padres? Más de un hombre trabajador, cuando llega a casa cansado, siente el primer rayo de alegría del día cuando sus hijos se suben a sus rodillas, o cuando su esposa lo recibe con una sonrisa amorosa. Así se muestra el afecto por ambas partes.
Así es también en la gracia. Cuando sentimos amor al Señor, podemos ir a Él y darle a conocer nuestras necesidades, sentarnos, por así decirlo, sobre Sus rodillas y reclinar nuestra cabeza en Su seno. Cuando al alma se le ha dado este privilegio, el corazón se abre, de modo que puede decir: “Tú eres el Dios de mi salud” (Sal. 25:5).
Lectura: Salmo 8:1
Al lector…
¿Viene usted, querido lector, al Señor con las manos delante de la cara, como un niño que se esconde cuando su padre entra? Mientras dudamos de si Él tiene propósitos de gracia hacia nosotros, nuestra boca permanece cerrada y nos atrevemos a pedirle poco. Es una condición triste, y sin embargo muchos hijos de Dios la conocen demasiado bien.
Pero vea cómo cambia cuando Él levanta en el alma un testimonio de que usted tiene parte en Su salvación. Entonces el corazón se abre y puede decir: “Tú eres el Dios de mi salud”. Entonces no es presunción, sino libertad filial pedirle bendición sobre bendición; porque Él mismo dice: “Ensancha tu boca, y henchirla he”. El Señor no se enoja por ello, sino que se alegra. Pídale, pues, ese testimonio, para que pueda reclinar su cabeza en Su seno como un hijo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; namelijk de Geest der waarheid. Welke de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij ulieden en zal in u zijn.
Johannes 14:16-17
De heilige Trooster en ontfermende Geest neemt niet maar een tijdelijk verblijf in de harten van des Heeren volk. Waar Hij eens Zijn intrek neemt, daar woont en blijft Hij eeuwig. „Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid.” O, welk een Goddelijke gunst! Waar eens die heilige Duif het licht ontstoken heeft, daar blijft die Duif. Hij bezoekt de ziel niet met Zijn genade om haar dan weer te verlaten, om haar te doen omkomen onder de toorn Gods, of toe te staan dat Zijn werk verwelkt, wegkwijnt of sterft.
Waar Hij eens met kracht in de ziel komt, daar vestigt Hij Zijn vaste woning, want Hij maakt de lichamen der heiligen tot Zijn tempel. Hij heiligt hen tot de dienst van God. Hij neemt Zijn intrek in hun harten; daar woont Hij, daar beweegt Hij Zich, daar werkt Hij en heiligt lichaam en ziel tot eer en heerlijkheid van de Heere God almachtig. En o, wat een gunstbewijs is het, dezelfde genadige en hemelse Onderwijzer te ontvangen als de Geest der waarheid!
Is dit uw gelukkig lot, dan kent gij de waarheid voor uzelf, en is de waarheid dierbaar voor uw ziel; zij is door een Goddelijk getuigenis in uw hart ingegrift en door de kracht Gods geformeerd in uw consciëntie. De waarheid, zoals die in Jezus is, is zeer dierbaar voor u. Gij kunt er niet van scheiden; het is uw leven. In uw begenadigde ogenblikken zoudt gij liever uw leven willen afleggen dan te scheiden van de waarheid van God en van uw belang daarin. Maar wat doet u de waarheid Gods beminnen? Wat heeft u een hart gegeven om haar te omhelzen en u daarin behagen te doen scheppen?
En toen gij tot het huis des gebeds kwaamt? Het kan zijn dat dit was met een bevend lichaam en beroerd gemoed, en dat gij toch werd ondersteund. En toen gij thuisgekomen waart, nadat gij het Woord gehoord had, is mogelijk uw hart in de donkere en sombere nacht, toen gij op uw bed laagt, vervrolijkt geworden, zodat uw genegenheden zich getrokken voelden tot de Heere Jezus Christus. De Vertrooster, de Geest der waarheid! Hij en Hij alleen kon de waarheid een zo hechte en volstandige plaats in uw hart, consciëntie en genegenheden bereiden.
Zo blijft de waarheid in stand, zowel als de liefde daartoe, en zij openbaart haar kracht en vermogen in uw leven en in uw gesprekken. Indien de Geest de waarheid in uw hart heeft ingedrukt, dan zal deze zich in uw leven openbaren. Hij zal het doen uitkomen dat gij zijt „kinderen, die niet liegen kunnen”. Gij zult de kracht der waarheid doen blijken in de oprechtheid in uw gesprekken, in de oprechtheid uwer gedragingen onder uw familie, in de kerk, in uw burgerlijke zaken, in geheel uw karakter en gedrag, en in alles wat de waarheid der godsdienst en de kracht der godzaligheid bestempelt.
Aan de lezer…
Vreest u soms, lezer, dat het werk in uw ziel zal verwelken en sterven? Dat de Heere u eens bezocht heeft, maar nu misschien voorgoed is weggegaan? Hoor dan de belofte van de Heiland: de Trooster zal bij u blijven in der eeuwigheid. Waar die heilige Duif eens het licht ontstoken heeft, daar blijft Hij. Hij bezoekt de ziel niet om haar daarna onder de toorn te laten omkomen.
Denk eens terug: wie heeft u de waarheid zo dierbaar gemaakt dat u er niet van kunt scheiden? Wie ondersteunde u, toen u met een beroerd gemoed opging naar het huis des gebeds, en verkwikte uw hart in de donkere nacht? Dat was het werk van de Geest der waarheid. Wat Hij begon, laat Hij niet varen. Bid dan dat die waarheid ook zichtbaar mag worden in een oprecht leven, thuis, in de gemeente en in de wereld.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; namelijk de Geest der waarheid. Welke de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij ulieden en zal in u zijn.
Johannes 14:16-17
De heilige Trooster en ontfermende Geest neemt niet maar tijdelijk Zijn verblijf in de harten van het volk van de Heere. Waar Hij eens Zijn intrek neemt, daar woont en blijft Hij eeuwig. „Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid.” O, wat een Goddelijke gunst! Waar die heilige Duif eens het licht ontstoken heeft, daar blijft die Duif. Hij bezoekt de ziel niet met Zijn genade om haar daarna weer te verlaten, om haar te laten omkomen onder de toorn van God, of om toe te laten dat Zijn werk verwelkt, wegkwijnt of sterft.
Waar Hij eens met kracht in de ziel komt, daar vestigt Hij Zijn vaste woning, want Hij maakt de lichamen van de heiligen tot Zijn tempel. Hij heiligt hen tot de dienst van God. Hij neemt Zijn intrek in hun harten; daar woont Hij, daar beweegt Hij Zich, daar werkt Hij en heiligt Hij lichaam en ziel tot eer en heerlijkheid van de Heere God almachtig. En o, wat een gunstbewijs is het om deze zelfde genadige en hemelse Onderwijzer te ontvangen als de Geest der waarheid!
Is dit uw gelukkig deel, dan kent u de waarheid voor uzelf en is de waarheid dierbaar voor uw ziel. Zij is door een Goddelijk getuigenis in uw hart gegrift en door de kracht van God in uw geweten gevormd. De waarheid zoals die in Jezus is, is u heel dierbaar. U kunt er niet van scheiden; zij is uw leven. In uw begenadigde ogenblikken zou u liever uw leven afleggen dan te scheiden van de waarheid van God en van uw deel daaraan. Maar wat doet u de waarheid van God liefhebben? Wat heeft u een hart gegeven om haar te omhelzen en er vreugde in te vinden?
En toen u naar het huis van het gebed kwam? Het kan zijn dat dit was met een bevend lichaam en een onrustig gemoed, en dat u toch werd ondersteund. En toen u thuisgekomen was, nadat u het Woord gehoord had, werd misschien in de donkere en sombere nacht, toen u op bed lag, uw hart verblijd, zodat uw genegenheden zich getrokken voelden tot de Heere Jezus Christus. De Trooster, de Geest der waarheid! Hij, en Hij alleen, kon de waarheid zo’n hechte en vaste plaats bereiden in uw hart, geweten en genegenheden.
Zo blijft de waarheid bestaan, en ook de liefde tot haar, en zij toont haar kracht en vermogen in uw leven en in uw gesprekken. Als de Geest de waarheid in uw hart gedrukt heeft, dan zal zij zich in uw leven openbaren. Hij zal laten zien dat u „kinderen, die niet liegen kunnen” bent. U zult de kracht van de waarheid laten blijken in de oprechtheid van uw gesprekken, in de oprechtheid van uw gedrag in uw gezin, in de kerk, in uw maatschappelijke zaken, in heel uw karakter en gedrag, en in alles wat het stempel draagt van de waarheid van de godsdienst en de kracht van de godzaligheid.
Aan de lezer…
Vreest u soms, lezer, dat het werk in uw ziel zal verwelken en sterven? Dat de Heere u eens bezocht heeft, maar nu misschien voorgoed is weggegaan? Hoor dan de belofte van de Heiland: de Trooster zal bij u blijven in der eeuwigheid. Waar die heilige Duif eens het licht ontstoken heeft, daar blijft Hij. Hij bezoekt de ziel niet om haar daarna onder de toorn te laten omkomen.
Denk eens terug: wie heeft u de waarheid zo dierbaar gemaakt dat u er niet van kunt scheiden? Wie ondersteunde u toen u met een onrustig gemoed naar het huis van het gebed ging, en verkwikte uw hart in de donkere nacht? Dat was het werk van de Geest der waarheid. Wat Hij begonnen is, laat Hij niet varen. Bid dan dat die waarheid ook zichtbaar mag worden in een oprecht leven, thuis, in de gemeente en in de wereld.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And I will pray the Father, and he shall give you another Comforter, that he may abide with you for ever; even the Spirit of truth; whom the world cannot receive, because it seeth him not, neither knoweth him: but ye know him; for he dwelleth with you, and shall be in you.
John 14:16-17
The holy Comforter and most gracious Spirit does not take up a temporary abode in the heart of the Lord’s people. Where He once takes up His dwelling, there He forever dwells and lives. “He shall give you another Comforter, that He may abide with you forever.” Oh, the blessing! Where once that holy Dove has lighted, there that Dove abides.
He does not visit the soul with His grace, and then leave it to perish under the wrath of God, or allow His work to wither, droop, and die. But where He has once come into the soul with power, there He fixes His continual habitation, for He makes the bodies of the saints His temple. He consecrates them to the service of God. He takes up His dwelling in their hearts; there He lives, there He moves, there He works, and sanctifies body and soul to the honor and glory of the Lord God Almighty.
And oh, what a blessing it is to have received the same gracious and heavenly Teacher as the Spirit of truth! If this be your happy case, you know the truth for yourself, and the truth is dear to your soul; it has been ingrafted by a divine witness in your heart, and inlaid by the power of God in your conscience. The truth as it is in Jesus is very, very precious to you. You cannot part with it; it is your very life. Sooner than part with God’s truth and your saving interest therein, you would be willing in favored moments to lay down your life itself.
But what makes you love God’s truth? What has given you a heart to embrace and delight in it; and when you have come to the house of prayer, it may be with a fainting body and a troubled mind, has yet supported your weary steps and brought you on; or when you have gone home from hearing the Word, has cheered your heart, in the dark and gloomy night as you have lain upon your bed, and drawn your affections up to the Lord Jesus Christ? The Comforter, the Spirit of truth. He, and He alone, could give it so firm and enduring a place in your heart, conscience, and affections.
Then live that truth as well as love it, and proclaim its power and efficacy in your life and conversation. If the Spirit has written His truth upon your heart, He will bring forth that truth in your lips and in your life. He will make it manifest that you are “children that cannot lie.” You will show forth the power of truth, in the sincerity of your speech, in the uprightness of your movements, in your family, in the Church, in your business, in your general character and deportment, and in everything which stamps the reality of religion and the power of vital godliness.
To the reader…
Do you sometimes fear, dear reader, that the work in your soul will wither and die? That the Lord once visited you, but has now perhaps gone away for good? Then hear the Saviour’s promise: the Comforter shall abide with you for ever. Where that holy Dove has once kindled the light, there He remains. He does not visit the soul only to let it perish afterwards under the wrath of God.
Think back for a moment: who made the truth so precious to you that you cannot part with it? Who upheld you when you went to the house of prayer with a troubled mind, and refreshed your heart in the dark night? That was the work of the Spirit of truth. What He has begun, He does not forsake. Pray, then, that this truth may also become visible in an upright life, at home, in the church and in the world.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y yo rogaré al Padre, y os dará otro Consolador, para que esté con vosotros para siempre: al Espíritu de verdad, al cual el mundo no puede recibir, porque no Le ve, ni Le conoce: mas vosotros Le conocéis; porque está con vosotros, y será en vosotros.
Juan 14:16-17
El santo Consolador y Espíritu lleno de gracia no establece una morada pasajera en el corazón del pueblo del Señor. Donde Él fija una vez Su morada, allí habita y vive para siempre. “Os dará otro Consolador, para que esté con vosotros para siempre.” ¡Oh, qué bendición! Donde una vez se ha posado esa santa Paloma, allí permanece esa Paloma.
Él no visita el alma con Su gracia para luego dejarla perecer bajo la ira de Dios, ni permite que Su obra se marchite, decaiga y muera. Sino que donde ha entrado una vez con poder en el alma, allí fija Su habitación continua, porque hace de los cuerpos de los santos Su templo. Los consagra al servicio de Dios. Establece Su morada en sus corazones; allí vive, allí se mueve, allí obra, y santifica cuerpo y alma para la honra y gloria del Señor Dios Todopoderoso.
¡Y oh, qué bendición es haber recibido a ese mismo Maestro lleno de gracia y celestial como el Espíritu de verdad! Si este es su feliz caso, usted conoce la verdad por sí mismo, y la verdad es querida para su alma; ha sido injertada por un testimonio divino en su corazón e incrustada por el poder de Dios en su conciencia. La verdad tal como está en Jesús le es muy, muy preciosa. No puede separarse de ella; es su vida misma. Antes que desprenderse de la verdad de Dios y de su parte salvadora en ella, estaría dispuesto, en momentos de favor, a dar su misma vida.
Pero ¿qué le hace amar la verdad de Dios? ¿Qué le ha dado un corazón para abrazarla y deleitarse en ella; y cuando usted ha venido a la casa de oración, quizá con el cuerpo desfallecido y la mente turbada, ha sostenido sin embargo sus pasos cansados y le ha hecho seguir adelante; o cuando ha vuelto a casa después de oír la Palabra, ha alegrado su corazón en la noche oscura y lúgubre, tendido en su lecho, y ha elevado sus afectos al Señor Jesucristo? El Consolador, el Espíritu de verdad. Él, y solo Él, podía darle un lugar tan firme y duradero en su corazón, su conciencia y sus afectos.
Entonces viva esa verdad además de amarla, y proclame su poder y eficacia en su vida y conducta. Si el Espíritu ha escrito Su verdad en su corazón, Él producirá esa verdad en sus labios y en su vida. Pondrá de manifiesto que usted es de los “hijos que no mienten”. Usted mostrará el poder de la verdad en la sinceridad de su hablar, en la rectitud de sus pasos, en su familia, en la iglesia, en sus negocios, en su carácter y comportamiento en general, y en todo aquello que imprime el sello de la realidad de la religión y del poder de la piedad vital.
Al lector…
¿Teme usted a veces, querido lector, que la obra en su alma se marchite y muera? ¿Que el Señor le visitó una vez, pero que quizá ahora se ha ido para siempre? Entonces escuche la promesa del Salvador: el Consolador estará con usted para siempre. Donde esa santa Paloma ha encendido una vez la luz, allí permanece. Él no visita el alma solo para dejarla después perecer bajo la ira de Dios.
Piense por un momento: ¿quién hizo que la verdad le fuera tan preciosa que no puede separarse de ella? ¿Quién le sostuvo cuando iba a la casa de oración con la mente turbada, y refrescó su corazón en la noche oscura? Esa fue la obra del Espíritu de verdad. Lo que Él ha comenzado, no lo abandona. Pida, pues, que esta verdad se haga también visible en una vida recta, en casa, en la iglesia y en el mundo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl