Want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik de ganse dag.
Psalm 25:5
Zolang we niet geloven, of twijfelen en vrezen of de Heere genadige bedoelingen met ons heeft, blijft onze mond gesloten, kunnen we niet vrij met Zijn goedgunstige Majesteit omgaan, bezitten we niet de kracht Hem om enige zegening te vragen. Maar als het Hem daarentegen belieft in de ziel een getuigenis van ons deel in Zijn verlossing op te wekken, wordt zij erdoor aangespoord Hem andere zegeningen te vragen, en in godvruchtige zin vrij gebruik te maken van Zijn goddelijke Majesteit. Ja, hoe meer Hij geeft, des te meer wordt de ziel aangemoedigd nog meer te vragen. Zegt Hij niet Zelf: „Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen” (Ps. 81:11)? Dus hoe meer bewijs de ziel heeft van het deel in Gods grote verlossing, des te meer kan zij de Heere om zegening op zegening vragen, want zij voelt een heilige vrijheid om Hem te vragen ze bekend te maken.
Dit kan in de ogen van sommigen aanmatigend lijken, maar de Heere wordt niet toornig als er in een kinderlijke geest van heilige vrijheid gebruik wordt gemaakt. Hij is niet beledigd, maar eerder verheugd te zien dat Zijn kind naar Hem toe komt en Hem om die gunsten smeekt die Hij zo graag bereid is te verlenen.
Als u een ouder bent, ziet u niet graag dat uw kleintjes hun handen voor hun gezicht doen zodat u hen niet ziet, of dat ze zich verstoppen als u binnenkomt. Dit zou betekenen dat er iets verkeerd was met u of met hen. Maar als de kinderen met een gezicht vol vreugde en met van genegenheid stralende ogen naar hun ouders toekomen, betekent dit dan niet dat de ouders van de kinderen houden en de kinderen van de ouders? Menig hardwerkend man voelt, als hij moe thuiskomt, het eerste straaltje vreugde van de dag als zijn kinderen op zijn knie gaan zitten, of als zijn vrouw hem met een liefdevolle glimlach begroet. Zo wordt genegenheid wederzijds getoond. Net zo is het in de genade: als we liefde voor de Heere voelen, kunnen we naar Hem toegaan en Hem onze behoeften kenbaar maken, zogezegd op Zijn knie gaan zitten en ons hoofd op Zijn borst leggen. Als de ziel dit voorrecht heeft gekregen, gaat het hart open, waardoor het kan zeggen: „Gij zijt de God mijns heils” (Ps. 25:5).
Lezen: Psalm 8:1
Aan de lezer…
Komt u, lezer, met de handen voor uw gezicht tot de Heere, als een kind dat zich verstopt wanneer zijn vader binnenkomt? Zolang wij twijfelen of Hij genadige bedoelingen met ons heeft, blijft onze mond gesloten en durven wij Hem weinig te vragen. Dat is een droeve toestand, en toch kennen velen van Gods kinderen haar maar al te goed.
Maar zie hoe het anders wordt wanneer Hij in de ziel een getuigenis wekt van een deel in Zijn verlossing. Dan gaat het hart open en mag het zeggen: „Gij zijt de God mijns heils.” Dan is het geen aanmatiging, maar kinderlijke vrijheid om Hem zegen op zegen te vragen; Hij zegt immers Zelf: „Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.” De Heere wordt daarover niet toornig, maar verheugd. Vraag Hem dan om dat getuigenis, opdat u als een kind uw hoofd aan Zijn borst mag leggen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik de ganse dag.
Psalm 25:5
Zolang we niet geloven, of twijfelen en vrezen of de Heere genadige bedoelingen met ons heeft, blijft onze mond gesloten. Dan kunnen we niet vrijmoedig met Zijn goedgunstige Majesteit omgaan en hebben we niet de kracht Hem om enige zegen te vragen. Maar wanneer het Hem behaagt in de ziel een getuigenis te wekken dat wij deel hebben aan Zijn verlossing, wordt zij daardoor aangespoord Hem om andere zegeningen te vragen, en op een godvruchtige manier vrijmoedig gebruik te maken van Zijn goddelijke Majesteit. Ja, hoe meer Hij geeft, hoe meer de ziel wordt aangemoedigd nog meer te vragen. Zegt Hij niet Zelf: „Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen” (Ps. 81:11)? Hoe meer bewijs de ziel dus heeft van haar deel aan Gods grote verlossing, hoe meer zij de Heere om zegen op zegen kan vragen, want zij voelt een heilige vrijheid om Hem te vragen ze bekend te maken.
Dit kan in de ogen van sommigen aanmatigend lijken, maar de Heere wordt niet toornig wanneer er in een kinderlijke geest gebruik wordt gemaakt van heilige vrijheid. Hij is niet beledigd, maar eerder verheugd wanneer Hij ziet dat Zijn kind naar Hem toe komt en Hem smeekt om die gunsten die Hij zo graag wil verlenen.
Als u ouder bent, ziet u niet graag dat uw kleintjes hun handen voor hun gezicht doen zodat u hen niet ziet, of dat ze zich verstoppen als u binnenkomt. Dat zou betekenen dat er iets mis was met u of met hen. Maar wanneer de kinderen met een gezicht vol vreugde en met ogen die stralen van genegenheid naar hun ouders toe komen, betekent dat dan niet dat de ouders van de kinderen houden en de kinderen van de ouders? Menig hardwerkend man voelt, wanneer hij moe thuiskomt, het eerste straaltje vreugde van de dag als zijn kinderen op zijn knie gaan zitten, of als zijn vrouw hem met een liefdevolle glimlach begroet. Zo wordt genegenheid over en weer getoond.
Zo is het ook in de genade. Wanneer we liefde voor de Heere voelen, kunnen we naar Hem toe gaan en Hem onze behoeften bekendmaken, om zo te zeggen op Zijn knie gaan zitten en ons hoofd aan Zijn borst leggen. Wanneer de ziel dit voorrecht heeft gekregen, gaat het hart open, zodat het kan zeggen: „Gij zijt de God mijns heils” (Ps. 25:5).
Lezen: Psalm 8:1
Aan de lezer…
Komt u, lezer, met de handen voor uw gezicht tot de Heere, als een kind dat zich verstopt wanneer zijn vader binnenkomt? Zolang wij twijfelen of Hij genadige bedoelingen met ons heeft, blijft onze mond gesloten en durven wij Hem weinig te vragen. Dat is een droeve toestand, en toch kennen velen van Gods kinderen haar maar al te goed.
Maar zie hoe het anders wordt wanneer Hij in de ziel een getuigenis wekt dat u deel hebt aan Zijn verlossing. Dan gaat het hart open en mag het zeggen: „Gij zijt de God mijns heils.” Dan is het geen aanmatiging, maar kinderlijke vrijheid om Hem zegen op zegen te vragen; Hij zegt immers Zelf: „Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.” De Heere wordt daarover niet toornig, maar verheugd. Vraag Hem dan om dat getuigenis, zodat u als een kind uw hoofd aan Zijn borst mag leggen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For Thou art the God of my salvation; on Thee do I wait all the day.
Psalm 25:5
As long as we do not believe, or doubt and fear whether the Lord has gracious purposes towards us, our mouth remains shut. Then we cannot deal freely with His gracious Majesty and have no strength to ask Him for any blessing. But when it pleases Him to raise up in the soul a testimony that we have a part in His salvation, she is thereby encouraged to ask Him for other blessings, and in a godly way to make free with His Divine Majesty. Yes, the more He gives, the more the soul is encouraged to ask still more. Does He not Himself say, “Open thy mouth wide, and I will fill it” (Ps. 81:10)? The more evidence the soul has, then, of her interest in God’s great salvation, the more she can ask the Lord for blessing upon blessing, for she feels a holy liberty to ask Him to make them known.
This may seem presumptuous in the eyes of some, but the Lord is not angry when holy liberty is used in a childlike spirit. He is not offended, but rather pleased, when He sees His child coming to Him and entreating Him for those favours which He so delights to bestow.
If you are a parent, you do not like to see your little ones put their hands before their faces so that you cannot see them, or hide themselves when you come in. That would mean that something was wrong with you or with them. But when the children come to their parents with faces full of joy and eyes beaming with affection, does that not mean that the parents love the children and the children the parents? Many a hard-working man, when he comes home weary, feels the first ray of joy of the day when his children climb upon his knee, or when his wife greets him with a loving smile. So affection is shown on both sides.
So it is also in grace. When we feel love to the Lord, we can go to Him and make our wants known to Him, sit, so to speak, upon His knee and lay our head upon His bosom. When the soul has been given this privilege, the heart opens, so that it can say, “Thou art the God of my salvation” (Ps. 25:5).
Reading: Psalm 8:1
To the reader…
Do you, dear reader, come to the Lord with your hands before your face, like a child who hides when his father comes in? As long as we doubt whether He has gracious purposes towards us, our mouth stays shut and we dare ask Him little. That is a sad condition, and yet many of God’s children know it only too well.
But see how it changes when He raises up in the soul a testimony that you have a part in His salvation. Then the heart opens and may say, “Thou art the God of my salvation.” Then it is not presumption, but childlike liberty to ask Him for blessing upon blessing; for He Himself says, “Open thy mouth wide, and I will fill it.” The Lord is not angry at this, but glad. Ask Him then for that testimony, so that you may lay your head upon His bosom as a child.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque Tú eres el Dios de mi salud: en Ti he esperado todo el día.
Salmo 25:5
Mientras no creemos, o dudamos y tememos si el Señor tiene propósitos de gracia hacia nosotros, nuestra boca permanece cerrada. Entonces no podemos tratar con libertad con Su Majestad llena de gracia y no tenemos fuerza para pedirle ninguna bendición. Pero cuando a Él le place levantar en el alma un testimonio de que tenemos parte en Su salvación, ella se siente animada por ello a pedirle otras bendiciones y, de un modo piadoso, a tomarse libertad con Su divina Majestad. Sí, cuanto más da Él, más se anima el alma a pedir todavía más. ¿No dice Él mismo: “Ensancha tu boca, y henchirla he” (Sal. 81:10)? Cuanta más evidencia tiene, pues, el alma de su parte en la gran salvación de Dios, tanto más puede pedir al Señor bendición sobre bendición, porque siente una santa libertad para pedirle que se las dé a conocer.
Esto puede parecer presuntuoso a los ojos de algunos, pero el Señor no se enoja cuando se usa la santa libertad con un espíritu filial. No se ofende, sino que más bien se complace, cuando ve a Su hijo venir a Él y suplicarle aquellos favores que tanto se deleita en otorgar.
Si usted es padre o madre, no le gusta ver a sus pequeños ponerse las manos delante de la cara para que no pueda verlos, o esconderse cuando usted entra. Eso significaría que algo no andaba bien con usted o con ellos. Pero cuando los hijos vienen a sus padres con el rostro lleno de alegría y los ojos radiantes de cariño, ¿no significa eso que los padres aman a los hijos y los hijos a los padres? Más de un hombre trabajador, cuando llega a casa cansado, siente el primer rayo de alegría del día cuando sus hijos se suben a sus rodillas, o cuando su esposa lo recibe con una sonrisa amorosa. Así se muestra el afecto por ambas partes.
Así es también en la gracia. Cuando sentimos amor al Señor, podemos ir a Él y darle a conocer nuestras necesidades, sentarnos, por así decirlo, sobre Sus rodillas y reclinar nuestra cabeza en Su seno. Cuando al alma se le ha dado este privilegio, el corazón se abre, de modo que puede decir: “Tú eres el Dios de mi salud” (Sal. 25:5).
Lectura: Salmo 8:1
Al lector…
¿Viene usted, querido lector, al Señor con las manos delante de la cara, como un niño que se esconde cuando su padre entra? Mientras dudamos de si Él tiene propósitos de gracia hacia nosotros, nuestra boca permanece cerrada y nos atrevemos a pedirle poco. Es una condición triste, y sin embargo muchos hijos de Dios la conocen demasiado bien.
Pero vea cómo cambia cuando Él levanta en el alma un testimonio de que usted tiene parte en Su salvación. Entonces el corazón se abre y puede decir: “Tú eres el Dios de mi salud”. Entonces no es presunción, sino libertad filial pedirle bendición sobre bendición; porque Él mismo dice: “Ensancha tu boca, y henchirla he”. El Señor no se enoja por ello, sino que se alegra. Pídale, pues, ese testimonio, para que pueda reclinar su cabeza en Su seno como un hijo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl