4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De genade van onze Heere Jezus Christus zij met uw geest.
Filemon 1:25
Het is de wederbarende adem van de Heere Jezus Christus, die de ziel levend maakt voor Hem. Dit blijkt uit Zijn eigen taal: „De geest is het, die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en leven” (Joh. 6:63). Dan is „de genade van onze Heere Jezus Christus met onze geest”. Want gij moet opmerken dat de genade van onze Heere Jezus Christus niet met ons vleselijk gemoed is: dit blijft altijd hetzelfde: een lichaam der zonde en des doods; vlees, bedorven vlees, „waarin niets goeds woont”, en daarom ook niet de genade van onze Heere Jezus Christus.
Zijn genade is met onze geest, die „nieuwe mens”, van welke wij lezen dat hij „naar God (dat is: naar het beeld van God) geschapen is, in gerechtigheid en ware heiligheid”. Dat wordt genoemd onze „geest” omdat hij uit de Geest geboren is; zoals de Heere Zelf het heilgeheim voor Nicodemus ontvouwde: „Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest.” Dit is geen kleine, gezochte onderscheiding, maar een zeer belangrijke waarheid; want zo wij het onderscheid niet zien tussen de twee naturen, de geest en het vlees, de wet in de leden en de wet des geestes, zullen wij altijd dwalen door naar heiligheid te zoeken in het vlees.
De genade van onze Heere Jezus Christus dus met onze geest zijnde, blaast van tijd tot tijd over die geest, beweegt en werkt in en op hem; want er is, als ik het zo noemen mag, een vereniging der genade of des Geestes tussen beide. Dus kunnen wij evenmin leven buiten de genade des Heeren Jezus Christus, als de aarde leven kan zonder de zon. Zij moet schijnen, of wij hebben geen licht; zij moet leven wekken, of wij hebben geen warmte, en zij moet vruchtbaar maken, of wij brengen geen vrucht voort. Vandaar dat er steeds een uitgang der ziel tot de Heere Jezus Christus moet zijn en Zijn genade met onze geest moet wezen. Ja, de ziel begeert dat deze genade gedurig in ons moge uitvloeien, om ons tot nieuwe schepselen te maken, alle twijfel en vreze te verdrijven, alle banden en ketenen te verbreken, ons met liefde en ootmoed te vervullen, ons aan Zijn lijdend beeld gelijkvormig te maken, in ons alle vrucht voort te brengen die tot Zijn lof zal strekken, met ons te zijn in leven en in sterven, en ons behouden in de eeuwigheid te doen aanlanden.
Maar Gij, Heer, Gij zijt lankmoedig,
zeer barmhartig, overvloedig
in gena, die ons behoedt,
groot van waarheid, eind’loos goed!
Wend U tot mijn ziel genadig,
sterk Uw knecht en geef weldadig
ondersteuning aan de zoon
Uwer dienstmaagd, van de troon.
Ps. 86:8
Aan de lezer…
Bestreden ziel, zoekt u heiligheid in uw eigen vlees en vindt u daar niets dan bederf? Wees dan niet verbaasd; het vlees blijft altijd hetzelfde, een lichaam der zonde en des doods, waarin niets goeds woont. Wie dat niet ziet, zal altijd dwalen. Maar de genade van onze Heere Jezus Christus is niet met het vleselijk gemoed; zij is met de geest, die nieuwe mens, die uit de Geest geboren is.
Gevoelt u zich koud, donker en onvruchtbaar? U kunt evenmin leven buiten Zijn genade als de aarde zonder de zon. Laat dat gemis u daarom niet in uzelf doen wegzinken, maar uitgaan tot Hem. Hij is lankmoedig, zeer barmhartig en overvloedig in genade. Zucht dan om de wederbarende adem van Zijn Geest, dat Hij weer over uw ziel blaast, licht en warmte geeft en vrucht doet voortkomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De genade van onze Heere Jezus Christus zij met uw geest.
Filemon 1:25
Het is de wederbarende adem van de Heere Jezus Christus die de ziel levend maakt voor Hem. Dat blijkt uit Zijn eigen woorden: „De geest is het, die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en leven” (Joh. 6:63). Dan is „de genade van onze Heere Jezus Christus met onze geest”. Want let erop dat de genade van onze Heere Jezus Christus niet met ons vleselijk gemoed is. Dat blijft altijd hetzelfde: een lichaam van zonde en dood; vlees, bedorven vlees, „waarin niets goeds woont”, en daarom ook niet de genade van onze Heere Jezus Christus.
Zijn genade is met onze geest, die „nieuwe mens”, waarvan wij lezen dat hij „naar God (dat is: naar het beeld van God) geschapen is, in gerechtigheid en ware heiligheid”. Dat wordt onze „geest” genoemd, omdat hij uit de Geest geboren is, zoals de Heere Zelf het heilsgeheim aan Nicodemus uitlegde: „Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest.” Dit is geen klein, gezocht onderscheid, maar een zeer belangrijke waarheid. Want als wij het onderscheid niet zien tussen de twee naturen, de geest en het vlees, de wet in de leden en de wet van de geest, zullen wij altijd dwalen doordat we heiligheid zoeken in het vlees.
Omdat de genade van onze Heere Jezus Christus dus met onze geest is, blaast zij van tijd tot tijd over die geest en beweegt en werkt zij in en op hem. Want er is, als ik het zo mag noemen, een vereniging van genade of van de Geest tussen die twee. Daarom kunnen wij net zo min leven buiten de genade van de Heere Jezus Christus als de aarde kan leven zonder de zon. Zij moet schijnen, anders hebben wij geen licht. Zij moet leven wekken, anders hebben wij geen warmte, en zij moet vruchtbaar maken, anders brengen wij geen vrucht voort. Daarom moet de ziel steeds uitgaan naar de Heere Jezus Christus en moet Zijn genade met onze geest zijn. De ziel verlangt ernaar dat deze genade steeds in ons zal blijven stromen, om ons tot nieuwe schepselen te maken, alle twijfel en vrees te verdrijven, alle banden en boeien te verbreken, ons met liefde en nederigheid te vervullen, ons gelijkvormig te maken aan Zijn lijdende beeld, in ons elke vrucht voort te brengen die tot Zijn lof strekt, met ons te zijn in leven en sterven, en ons veilig in de eeuwigheid te brengen.
Maar Gij, Heer, Gij zijt lankmoedig,
zeer barmhartig, overvloedig
in gena, die ons behoedt,
groot van waarheid, eind’loos goed!
Wend U tot mijn ziel genadig,
sterk Uw knecht en geef weldadig
ondersteuning aan de zoon
Uwer dienstmaagd, van de troon.
Ps. 86:8
Aan de lezer…
Bestreden ziel, zoekt u heiligheid in uw eigen vlees en vindt u daar niets dan bederf? Wees dan niet verbaasd: het vlees blijft altijd hetzelfde, een lichaam van zonde en dood, waarin niets goeds woont. Wie dat niet ziet, zal altijd dwalen. Maar de genade van onze Heere Jezus Christus is niet met het vleselijk gemoed; zij is met de geest, die nieuwe mens, die uit de Geest geboren is.
Voelt u zich koud, donker en onvruchtbaar? U kunt net zo min leven buiten Zijn genade als de aarde zonder de zon. Laat dat gemis u daarom niet in uzelf doen wegzinken, maar u naar Hem doen uitgaan. Hij is lankmoedig, zeer barmhartig en overvloedig in genade. Zucht dan om de wederbarende adem van Zijn Geest, dat Hij opnieuw over uw ziel blaast, licht en warmte geeft en vrucht doet voortkomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The grace of our Lord Jesus Christ be with your spirit.
Philemon 1:25
It is the regenerating breath of the Lord Jesus Christ which makes the soul alive unto Himself. This is manifest from His own language—“It is the Spirit Who quickens; the flesh profits nothing—the words that I speak unto you, they are spirit and they are life” (John 6:63). Then for the first time “the grace of our Lord Jesus Christ is with our spirit.” For you will observe that the grace of our Lord Jesus Christ is not with our carnal mind—that ever remains the same, a body of sin and death, flesh—corrupt flesh, “in which dwells no good thing,” and therefore not the grace of our Lord Jesus Christ.
His grace is with our spirit, that “new man” of which we read that it is “after the image of God created in righteousness and true holiness.” This is called our “spirit,” because it is born of the Spirit, as the Lord Himself unfolded the solemn mystery to Nicodemus—“That which is born of the flesh is flesh; and that which is born of the Spirit is spirit.” This is no subtle, thinly-drawn distinction, but a very important truth; for unless we see the difference between the two natures, the spirit and the flesh, the law in the members and the law of the mind, we shall always be in bondage, as looking for holiness in the flesh.
The grace of our Lord Jesus Christ being thus with our spirit, it breathes from time to time upon that spirit, moves and acts in it and upon it; for there is what I may call a gracious or spiritual union between the two. Thus we can no more live without the grace of the Lord Jesus Christ than the earth can live without the sun. He must shine, or we have no light; He must revive, or we have no warmth; and He must fertilize, or we bring forth no fruit.
Thence time after time there is an outgoing of the single desire of the soul to the Lord Jesus Christ that His grace would be with our spirit; that this grace may be ever flowing forth into us, so as to make us new creatures, dispel all doubt and fear, break to pieces all bonds and fetters, fill us with love and humility, conform us to His suffering image, produce in us every fruit that shall redound to His praise, be with us in life and death, and land us safe in eternity.
To the reader…
Tried soul, are you looking for holiness in your own flesh and finding nothing there but corruption? Then do not be surprised: the flesh always remains the same, a body of sin and death, in which dwells no good thing. Whoever does not see this will always go astray. But the grace of our Lord Jesus Christ is not with the carnal mind; it is with the spirit, that new man which is born of the Spirit.
Do you feel cold, dark, and barren? You can no more live without His grace than the earth can live without the sun. So do not let that want make you sink down into yourself, but let it send you out after Him. He is longsuffering, very merciful, and abundant in grace. Sigh, then, for the regenerating breath of His Spirit, that He would breathe upon your soul once more, give light and warmth, and bring forth fruit.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
La gracia de nuestro Señor Jesucristo sea con vuestro espíritu.
Filemón 1:25
Es el aliento regenerador del Señor Jesucristo el que hace al alma viva para Él. Esto se manifiesta por Sus propias palabras: “El Espíritu es el que da vida; la carne nada aprovecha: las palabras que yo os he hablado, son espíritu y son vida” (Jn. 6:63). Entonces, por primera vez, “la gracia de nuestro Señor Jesucristo es con nuestro espíritu.” Porque observará usted que la gracia de nuestro Señor Jesucristo no es con nuestra mente carnal; esta permanece siempre la misma, un cuerpo de pecado y de muerte, carne, carne corrompida, en la cual “no mora el bien”, y por tanto tampoco la gracia de nuestro Señor Jesucristo.
Su gracia es con nuestro espíritu, aquel “nuevo hombre” del cual leemos que “es criado conforme á Dios en justicia y en santidad de verdad.” A este se le llama nuestro “espíritu” porque es nacido del Espíritu, como el Señor mismo desplegó el solemne misterio a Nicodemo: “Lo que es nacido de la carne, carne es; y lo que es nacido del Espíritu, espíritu es.” Esta no es una distinción sutil y rebuscada, sino una verdad muy importante; porque si no vemos la diferencia entre las dos naturalezas, el espíritu y la carne, la ley en los miembros y la ley de la mente, estaremos siempre en servidumbre, como quien busca santidad en la carne.
Estando así la gracia de nuestro Señor Jesucristo con nuestro espíritu, sopla de tiempo en tiempo sobre ese espíritu, se mueve y obra en él y sobre él; porque hay entre ambos lo que puedo llamar una unión de gracia o espiritual. Así, no podemos vivir sin la gracia del Señor Jesucristo más de lo que la tierra puede vivir sin el sol. Él tiene que brillar, o no tenemos luz; Él tiene que reavivar, o no tenemos calor; y Él tiene que fecundar, o no damos fruto.
De ahí que una y otra vez haya un salir del único deseo del alma hacia el Señor Jesucristo, para que Su gracia sea con nuestro espíritu; para que esta gracia fluya siempre a nosotros, de modo que nos haga nuevas criaturas, disipe toda duda y temor, haga pedazos todos los lazos y grillos, nos llene de amor y humildad, nos conforme a Su imagen sufriente, produzca en nosotros todo fruto que redunde en Su alabanza, esté con nosotros en la vida y en la muerte, y nos lleve a salvo a la eternidad.
Al lector…
Alma probada, ¿busca usted santidad en su propia carne y no halla allí sino corrupción? Entonces no se sorprenda: la carne permanece siempre la misma, un cuerpo de pecado y de muerte, en el cual no mora el bien. Quien no ve esto se extraviará siempre. Pero la gracia de nuestro Señor Jesucristo no es con la mente carnal; es con el espíritu, aquel nuevo hombre que es nacido del Espíritu.
¿Se siente frío, oscuro y estéril? No puede vivir sin Su gracia más de lo que la tierra puede vivir sin el sol. No deje, pues, que esa carencia le haga hundirse en sí mismo, sino que le envíe en busca de Él. Él es lento para la ira, muy misericordioso y grande en gracia. Suspire, pues, por el aliento regenerador de Su Espíritu, para que sople otra vez sobre su alma, dé luz y calor, y produzca fruto.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Leren wat nut is
Alzo zegt de Heere, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de Heere, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.
Jesaja 48:17
„Die u leert, wat nut is.” Het is goed voor een kind van God om zijn religie te vergelijken met dit kenmerk, zoals gegeven in Gods Woord. Bijvoorbeeld: als u een boek leest, een godsdienstig boek, leg het dan op deze weegschaal en weeg het door middel van deze test: Doet het mijn ziel goed? Is het van nut? Welke gezegende gevoelens wekt het in mijn hart op? Raak ik door het te lezen ervan overtuigd dat mijn religie oppervlakkig is, en dat ik nog diepere dingen moet leren dan ik al weet? Verwondt het mij? Laat het me zien in welke gevallen ik de weg ben kwijtgeraakt? Laat het me meer van het uitzonderlijke kwaad van de zonde zien dan ik ooit heb gezien? Merk ik dat ik, als ik het wegleg, in een ernstige, nederige en geestelijke stemming verkeer? Dan kan ik zeggen dat dit boek mij van nut is, en dat ik er beter door word.
Maar als het boek daarentegen mijn hart slechts verstokt en mijn geest verduistert, zodat ik lichtvaardig over de zonde en de kwaden van mijn natuur kan denken, makkelijker kan toegeven aan een mij omringende verzoeking, losjes kan wandelen, niet zo goed oplet dat ik niet verstrikt raak, en versterkt en aangemoedigd word in vleselijkheid door het boek dat ik heb gelezen, o, laat het me wegleggen. Dit is niet van God geleerd! En waarom weet ik dat het niet van God is geleerd? Omdat het mijn ziel niet van nut is.
Lezen: Prediker 12
Aan de lezer…
Hoe dikwijls legt u een godsdienstig boek terzijde zonder u af te vragen wat het met uw ziel gedaan heeft? Vele woorden kunnen het hoofd vullen en het hart toch koud laten, ja, het geweten in slaap wiegen, zodat de zonde licht schijnt en de verzoeking zoet. Maar wat de Heere leert, verwondt eerst; het toont het uitzonderlijke kwaad van de zonde en doet ons zien dat wij nog diepere dingen moeten leren dan wij al weten.
Schrikt u als u op deze weegschaal wordt gewogen, en bevindt u zich licht? Wees dan niet bevreesd om ernstig en nederig te worden; dat is geen verlies, maar de vrucht van Zijn onderwijs. Hij is de Heere, uw Verlosser, Die u leert wat nut is en u leidt op de weg die u gaan moet. Leg dan weg wat u verhardt, en zoek Zijn Woord, dat de ziel goed doet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Alzo zegt de Heere, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de Heere, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.
Jesaja 48:17
„Die u leert, wat nut is.” Het is goed voor een kind van God om zijn godsdienst te toetsen aan dit kenmerk, zoals Gods Woord het geeft. Bijvoorbeeld: als u een boek leest, een godsdienstig boek, leg het dan op deze weegschaal en weeg het met deze toets: Doet het mijn ziel goed? Is het tot nut? Welke gezegende gevoelens wekt het in mijn hart op? Word ik door het lezen ervan overtuigd dat mijn godsdienst oppervlakkig is, en dat ik nog diepere dingen moet leren dan ik al weet? Verwondt het mij? Laat het mij zien waar ik de weg kwijtgeraakt ben? Laat het mij meer van het buitengewone kwaad van de zonde zien dan ik ooit heb gezien? Merk ik, als ik het wegleg, dat ik in een ernstige, nederige en geestelijke gesteldheid ben? Dan kan ik zeggen dat dit boek mij tot nut is, en dat ik er beter door word.
Maar als het boek mijn hart alleen maar verhardt en mijn geest verduistert, zodat ik lichtvaardig kan denken over de zonde en het kwaad van mijn natuur, gemakkelijker kan toegeven aan een verzoeking die mij omringt, losjes kan wandelen, minder goed oplet dat ik niet verstrikt raak, en versterkt en aangemoedigd word in vleselijkheid door het boek dat ik heb gelezen, o, laat ik het dan wegleggen. Dit is niet door God geleerd! En hoe weet ik dat het niet door God geleerd is? Omdat het mijn ziel niet tot nut is.
Lezen: Prediker 12
Aan de lezer…
Hoe vaak legt u een godsdienstig boek weg zonder u af te vragen wat het met uw ziel gedaan heeft? Veel woorden kunnen het hoofd vullen en het hart toch koud laten, ja, het geweten in slaap wiegen, zodat de zonde licht lijkt en de verzoeking zoet. Maar wat de Heere leert, verwondt eerst; het toont het buitengewone kwaad van de zonde en laat ons zien dat wij nog diepere dingen moeten leren dan wij al weten.
Schrikt u als u op deze weegschaal wordt gewogen, en wordt u te licht bevonden? Wees dan niet bang om ernstig en nederig te worden; dat is geen verlies, maar de vrucht van Zijn onderwijs. Hij is de Heere, uw Verlosser, Die u leert wat nut is en u leidt op de weg die u gaan moet. Leg dan weg wat u verhardt, en zoek Zijn Woord, dat de ziel goed doet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thus saith the LORD, thy Redeemer, the Holy One of Israel; I am the LORD thy God which teacheth thee to profit, which leadeth thee by the way that thou shouldest go.
Isaiah 48:17
“Which teacheth thee to profit.” It is good for a child of God to test his religion by this mark, as God’s Word gives it. For instance, when you read a book, a religious book, lay it in this balance and weigh it by this test: Does it do my soul good? Is it to profit? What blessed feelings does it stir up in my heart? Am I convinced by reading it that my religion is shallow, and that I have yet to learn deeper things than I already know?
Does it wound me? Does it show me where I have lost the way? Does it show me more of the exceeding evil of sin than I have ever seen? When I lay it down, do I find that I am in a solemn, humble and spiritual frame? Then I can say that this book profits me, and that I am the better for it.
But if the book only hardens my heart and darkens my mind, so that I can think lightly of sin and of the evil of my nature, give way more easily to a temptation that surrounds me, walk loosely, watch less carefully that I am not entangled, and am strengthened and encouraged in carnality by the book I have read, O, then let me lay it aside. This is not taught of God! And how do I know that it is not taught of God? Because it does not profit my soul.
Reading: Ecclesiastes 12
To the reader…
How often do you lay down a religious book without asking yourself what it has done for your soul? Many words can fill the head and yet leave the heart cold, yes, lull the conscience to sleep, so that sin seems light and temptation sweet. But what the Lord teaches wounds first; it shows the exceeding evil of sin and lets us see that we have yet to learn deeper things than we already know.
Are you alarmed when you are weighed in this balance and found wanting? Then do not be afraid to become solemn and humble; that is no loss, but the fruit of His teaching. He is the Lord, your Redeemer, Who teaches you to profit and leads you by the way that you should go. Lay aside, then, what hardens you, and seek His Word, which does the soul good.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así ha dicho Jehová, Redentor tuyo, el Santo de Israel: Yo Jehová Dios tuyo, que te enseña provechosamente, que te encamina por el camino que andas.
Isaías 48:17
“Que te enseña provechosamente”. Es bueno que un hijo de Dios pruebe su religión por esta señal, tal como la da la Palabra de Dios. Por ejemplo, cuando lee un libro, un libro religioso, póngalo en esta balanza y péselo con esta prueba: ¿Hace bien a mi alma? ¿Es para provecho? ¿Qué sentimientos benditos despierta en mi corazón? ¿Quedo convencido al leerlo de que mi religión es superficial, y de que todavía tengo que aprender cosas más hondas de las que ya sé?
¿Me hiere? ¿Me muestra dónde he perdido el camino? ¿Me muestra más de la sobremanera grande maldad del pecado de lo que jamás he visto? Cuando lo dejo, ¿hallo que estoy en un estado solemne, humilde y espiritual? Entonces puedo decir que este libro me aprovecha, y que soy mejor por él.
Pero si el libro solo endurece mi corazón y oscurece mi mente, de modo que puedo pensar con ligereza del pecado y de la maldad de mi naturaleza, ceder más fácilmente a una tentación que me rodea, andar con descuido, velar con menos cuidado para no ser enredado, y soy fortalecido y alentado en la carnalidad por el libro que he leído, ¡oh, entonces que yo lo deje a un lado! ¡Esto no es enseñado por Dios! ¿Y cómo sé que no es enseñado por Dios? Porque no aprovecha a mi alma.
Lectura: Eclesiastés 12
Al lector…
¿Cuántas veces deja usted un libro religioso sin preguntarse qué ha hecho por su alma? Muchas palabras pueden llenar la cabeza y sin embargo dejar frío el corazón, sí, adormecer la conciencia, de modo que el pecado parezca ligero y la tentación dulce. Pero lo que el Señor enseña hiere primero; muestra la sobremanera grande maldad del pecado y nos hace ver que todavía tenemos que aprender cosas más hondas de las que ya sabemos.
¿Se alarma usted cuando es pesado en esta balanza y hallado falto? Entonces no tema volverse solemne y humilde; eso no es pérdida, sino el fruto de Su enseñanza. Él es el Señor, su Redentor, Quien le enseña provechosamente y le encamina por el camino que debe andar. Deje a un lado, pues, lo que le endurece, y busque Su Palabra, que hace bien al alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn.
Jesaja 45:3
Is dit niet een vreemde uitdrukking? Schatten der duisternis. Hoe? Kan er duisternis zijn in het nieuwe Jeruzalem, alwaar het Lam Gods het eeuwig Licht is? De uitdrukking wil niet te kennen geven dat de schatten zelf duisternis zijn, maar dat zij verborgen lagen in de duisternis, totdat zij werden voortgebracht in het licht. De schatten van Belsazar waren, gelijk de bank van ongemunt goud en zilver, in de duisternis begraven tot de tijd toe dat zij door Cyrus werden opengebroken en vrijgegeven. Dit is ook zo in geestelijk opzicht.
Zijn er geen schatten in de Heere Jezus? O, welke schatten in Zijn heerlijke Persoon! Welke schatten van vergeving in Zijn volmaakte offerande! Welke schatten van zaligheid in al hetgeen Hij heeft en is als de grote Hogepriester over het huis Gods! En toch zijn al deze schatten schatten der duisternis, voor zover zij verborgen zijn voor ons oog en hart, totdat wij door Zijn bijzondere kracht gebracht worden in de stad der zaligheid. Nu, deze schatten worden niet slechts aan het licht gebracht, geopenbaard en bekendgemaakt, maar de ziel wordt in de dadelijkheid in het bezit daarvan gesteld.
Zij worden niet slechts gezien, zoals een klerk van de Bank van Engeland de verschillende banknoten en ponden ziet, maar door een bijzondere daad of gift van het hof des hemels aan hem overgemaakt, die door het geloof in de Heere Jezus haar in het hart ontvangt. Niet één heeft de minste bevatting van de schatten der genade die in de Heere Jezus zijn, totdat hij wordt overgebracht uit de duisternis in Gods wonderbaar licht, en Hem kent en de kracht Zijner opstanding door de zoete openbaringen van Zijn tegenwoordigheid en liefde. Onder het woord schatten wordt niet slechts verstaan iets dat voor het gewone oog verborgen ligt, maar waar dit woord in het meervoud staat, duidt het aan een oneindig, onberekenbaar bedrag; een bedrag dat door uitgeven niet uitgeput kan raken, maar het is genoegzaam en genoegzaam en nog eens genoegzaam om alle behoeften van alle gelovige komenden te voldoen.
Wanneer wij door het geloof een blik werpen op de Persoon en het werk van de Heere Jezus, en de overvloeiende en meer dan overvloeiende volheid van Zijn genade bespeuren, hoe zij te boven gaat al de miljoenen zonden, dan mag dit ons gemoed wel vervullen met heilige verwondering en aanbidding. Wanneer wij een lichtstraaltje in onze ziel ontvangen van de kracht en werking van Zijn verzoenend bloed, dat reinigt van alle zonden, en van Zijn Goddelijke gerechtigheid, die is op en over allen die geloven, welke schatten van genade, verzoening en vrede worden er dan gezien, in Hem opgelegd! Om dit door het oog des geloofs te aanschouwen en hun schoonheid en dierbaarheid te bespieden, is in waarheid te begrijpen met al de heiligen, welke de lengte, en breedte, en diepte, en hoogte zij, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat. De zon zal ophouden haar licht te geven en de aarde haar gewas inhouden, maar deze schatten zijn onuitputtelijk, want zij zijn in zichzelf onuitputtelijk en oneindig.
Aan de lezer…
Wie in de duisternis zit, meent al gauw dat er voor hem niets dan donkerheid is. Zo kan het ook u te moede zijn. Hoor dan wat de Heere belooft: „Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn.” De schatten van genade liggen voor ons oog en hart verborgen, totdat Hij ze aan het licht brengt; maar zij liggen daar niet minder werkelijk. In de Heere Jezus zijn schatten van vergeving in Zijn volmaakte offerande en schatten van zaligheid in al wat Hij heeft en is.
Vreest u dat uw zonden te veel zijn? Zijn genade gaat al de miljoenen zonden te boven; zij is genoegzaam, en genoegzaam, en nog eens genoegzaam voor allen die tot Hem komen. Een enkel lichtstraaltje van Zijn verzoenend bloed kan uw ziel met heilige verwondering vervullen. Zie dan uit naar Hem, en bid dat Hij die schatten niet slechts toont, maar ze u ook in het hart geeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn.
Jesaja 45:3
Is dit geen vreemde uitdrukking? Schatten van de duisternis. Hoe kan dat? Kan er duisternis zijn in het nieuwe Jeruzalem, waar het Lam van God het eeuwige Licht is? De uitdrukking wil niet zeggen dat de schatten zelf duisternis zijn, maar dat zij in de duisternis verborgen lagen, totdat zij aan het licht werden gebracht. De schatten van Belsazar lagen, net als de voorraad ongemunt goud en zilver in een bank, in de duisternis begraven, tot de tijd dat Cyrus ze openbrak en vrijgaf. Zo is het ook in geestelijk opzicht.
Zijn er geen schatten in de Heere Jezus? O, wat een schatten in Zijn heerlijke Persoon! Wat een schatten van vergeving in Zijn volmaakte offerande! Wat een schatten van zaligheid in alles wat Hij heeft en is als de grote Hogepriester over het huis van God! En toch zijn al deze schatten schatten van de duisternis, voor zover zij voor ons oog en hart verborgen zijn, totdat wij door Zijn bijzondere kracht in de stad van de zaligheid gebracht worden. Deze schatten worden niet alleen aan het licht gebracht, geopenbaard en bekendgemaakt, maar de ziel wordt er ook daadwerkelijk in het bezit van gesteld.
Zij worden niet alleen gezien, zoals een klerk van de Bank van Engeland de verschillende bankbiljetten en ponden ziet. Zij worden door een bijzondere daad of gave van het hof van de hemel overgemaakt aan hem die ze door het geloof in de Heere Jezus in het hart ontvangt. Niemand heeft ook maar het minste besef van de schatten van genade die in de Heere Jezus zijn, totdat hij uit de duisternis wordt overgebracht in Gods wonderbaar licht. Dan kent hij Hem en de kracht van Zijn opstanding door de zoete openbaringen van Zijn tegenwoordigheid en liefde. Met het woord schatten wordt niet alleen iets bedoeld dat voor het gewone oog verborgen ligt. Waar dit woord in het meervoud staat, wijst het op een oneindig, onberekenbaar bedrag, dat door uitgeven niet uitgeput kan raken. Het is genoeg en genoeg en nog eens genoeg om alle behoeften te vervullen van allen die gelovig tot Hem komen.
Wanneer wij door het geloof een blik werpen op de Persoon en het werk van de Heere Jezus, en de overvloeiende en meer dan overvloeiende volheid van Zijn genade zien, hoe zij alle miljoenen zonden te boven gaat, dan mag dat ons gemoed wel vervullen met heilige verwondering en aanbidding. Wanneer wij een lichtstraaltje in onze ziel ontvangen van de kracht en werking van Zijn verzoenend bloed, dat reinigt van alle zonden, en van Zijn Goddelijke gerechtigheid, die op en over allen is die geloven, wat een schatten van genade, verzoening en vrede worden er dan gezien, in Hem weggelegd! Dit met het oog van het geloof te aanschouwen en hun schoonheid en dierbaarheid op te merken, is werkelijk: met al de heiligen begrijpen wat de lengte, en breedte, en diepte, en hoogte is, en de liefde van Christus kennen, die de kennis te boven gaat. De zon zal ophouden haar licht te geven en de aarde zal haar gewas inhouden, maar deze schatten zijn onuitputtelijk, want zij zijn in zichzelf onuitputtelijk en oneindig.
Aan de lezer…
Wie in de duisternis zit, denkt al gauw dat er voor hem niets anders is dan donkerheid. Zo kan ook u zich voelen. Hoor dan wat de Heere belooft: „Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn.” De schatten van genade liggen voor ons oog en hart verborgen, totdat Hij ze aan het licht brengt; maar zij liggen daar niet minder werkelijk. In de Heere Jezus zijn schatten van vergeving in Zijn volmaakte offerande en schatten van zaligheid in alles wat Hij heeft en is.
Vreest u dat uw zonden te veel zijn? Zijn genade gaat alle miljoenen zonden te boven; zij is genoeg, en genoeg, en nog eens genoeg voor allen die tot Hem komen. Eén enkel lichtstraaltje van Zijn verzoenend bloed kan uw ziel met heilige verwondering vervullen. Zie dan uit naar Hem, en bid dat Hij die schatten niet alleen laat zien, maar ze u ook in het hart geeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And I will give thee the treasures of darkness.
Isaiah 45:3
Is not this a strange expression? “Treasures of darkness!” How can there be darkness in the City of Salvation of which the Lord the Lamb is the eternal light? The expression does not mean that the treasures themselves are darkness, but that they were hidden in darkness until they were brought to light. The treasures of Belshazzar, like the Bank bullion, were buried in darkness until they were broken up and given to Cyrus.
It is so in a spiritual sense. Are there not treasures in the Lord Jesus? Oh! what treasures of grace in His glorious Person! What treasures of pardon in His precious blood! What treasures of righteousness in His perfect obedience! What treasures of salvation in all that He is and has as the great High Priest over the house of God! Yet, all these treasures are “treasures of darkness,” so far as they are hidden from our eyes and hearts, until we are brought by His special power into the City of Salvation.
Then these treasures are not only brought to light, revealed, and made known, but the soul is at once put into possession of them. They are not only seen, as the Bank of England clerk sees notes and sovereigns, but are by a special deed of gift from the Court of Heaven made over to him who by faith in the Lord Jesus receives Him into his heart. No one has the least conception of the treasures of grace that are in the Lord Jesus until he is brought out of darkness into God’s marvelous light, and knows Him and the power of His resurrection by the sweet manifestations of His presence and love.
But the word “treasures” signifies not only something laid up and hidden from general view, but, being in the plural number, expresses an infinite, incalculable amount—an amount which can never be expended, but suffices, and suffices, and suffices again for all needs and for all believing comers. When we get a view by faith of the Person and work of the Lord Jesus and see the everflowing and overflowing fullness of His grace, and how it superabounds over all the aboundings of sin, it may well fill our minds with holy wonder and admiration. When we get a glimpse of the virtue and efficacy of His atoning blood, that precious blood which “cleanses from all sin,” and that divine righteousness which is “unto all and upon all those who believe,” what treasures of mercy, pardon, and peace are seen laid up in Him!
To see this by the eye of faith, and enter into its beauty and blessedness, is indeed to comprehend with all saints the length, and breadth, and depth, and height, and to know something of the love of Christ which passes knowledge. The sun will cease to give his light, and the earth to yield her increase; but these treasures will still be unexhausted, for they are in themselves infinite and inexhaustible.
To the reader…
Whoever sits in darkness soon thinks there is nothing for him but gloom. You may feel that way too. Hear, then, what the Lord promises: “I will give thee the treasures of darkness.” The treasures of grace lie hidden from our eyes and hearts until He brings them to light; but they are no less really there. In the Lord Jesus are treasures of pardon in His perfect sacrifice and treasures of salvation in all that He has and is.
Do you fear that your sins are too many? His grace exceeds all the millions of sins; it is enough, and enough, and enough again for all who come to Him. One single ray of light on His atoning blood can fill your soul with holy wonder. Look, then, to Him, and pray that He will not only show you those treasures, but also give them into your heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y te daré los tesoros de las tinieblas.
Isaías 45:3
¿No es esta una expresión extraña? “¡Tesoros de las tinieblas!” ¿Cómo puede haber tinieblas en la Ciudad de la Salvación, de la cual el Señor, el Cordero, es la luz eterna? La expresión no significa que los tesoros mismos sean tinieblas, sino que estaban escondidos en tinieblas hasta que fueron sacados a la luz. Los tesoros de Belsasar, como los lingotes del Banco, estaban sepultados en tinieblas hasta que fueron forzados y entregados a Ciro.
Así es también en sentido espiritual. ¿No hay tesoros en el Señor Jesús? ¡Oh, qué tesoros de gracia en Su gloriosa Persona! ¡Qué tesoros de perdón en Su preciosa sangre! ¡Qué tesoros de justicia en Su perfecta obediencia! ¡Qué tesoros de salvación en todo lo que Él es y tiene como el gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios! Sin embargo, todos estos tesoros son “tesoros de las tinieblas” en cuanto están escondidos de nuestros ojos y corazones, hasta que somos introducidos por Su poder especial en la Ciudad de la Salvación.
Entonces estos tesoros no solo son sacados a la luz, revelados y dados a conocer, sino que el alma es puesta inmediatamente en posesión de ellos. No solo son vistos, como el empleado del Banco de Inglaterra ve los billetes y los soberanos, sino que por una escritura especial de donación de la Corte del Cielo son traspasados a aquel que por la fe en el Señor Jesús le recibe en su corazón. Nadie tiene la menor idea de los tesoros de gracia que hay en el Señor Jesús hasta que es sacado de las tinieblas a la luz admirable de Dios, y le conoce a Él y la virtud de Su resurrección por las dulces manifestaciones de Su presencia y Su amor.
Pero la palabra “tesoros” no solo significa algo guardado y escondido de la vista general, sino que, al estar en plural, expresa una cantidad infinita e incalculable, una cantidad que nunca puede agotarse, sino que basta, y basta, y vuelve a bastar para todas las necesidades y para todos los que se acercan creyendo. Cuando por la fe obtenemos una vista de la Persona y obra del Señor Jesús y vemos la plenitud siempre fluyente y desbordante de Su gracia, y cómo sobreabunda sobre todas las abundancias del pecado, bien puede llenar nuestra mente de santo asombro y admiración. Cuando vislumbramos la virtud y eficacia de Su sangre expiatoria, aquella preciosa sangre que “limpia de todo pecado”, y aquella justicia divina que es “para todos los que creen en Él, y sobre todos”, ¡qué tesoros de misericordia, perdón y paz se ven guardados en Él!
Ver esto con el ojo de la fe, y entrar en su belleza y bienaventuranza, es en verdad comprender con todos los santos cuál sea la anchura, y la longura, y la profundidad, y la altura, y conocer algo del amor de Cristo, que excede a todo conocimiento. El sol dejará de dar su luz, y la tierra de dar su fruto; pero estos tesoros seguirán sin agotarse, porque son en sí mismos infinitos e inagotables.
Al lector…
Quien está sentado en tinieblas pronto piensa que para él no hay sino tristeza. Quizá usted también lo sienta así. Escuche, entonces, lo que el Señor promete: “Te daré los tesoros de las tinieblas”. Los tesoros de la gracia están escondidos de nuestros ojos y corazones hasta que Él los saca a la luz; pero no por eso están menos realmente allí. En el Señor Jesús hay tesoros de perdón en Su perfecto sacrificio y tesoros de salvación en todo lo que Él tiene y es.
¿Teme usted que sus pecados sean demasiados? Su gracia sobrepasa todos los millones de pecados; basta, y basta, y vuelve a bastar para todos los que vienen a Él. Un solo rayo de luz sobre Su sangre expiatoria puede llenar su alma de santo asombro. Mire, pues, a Él, y pida que no solo le muestre esos tesoros, sino que también se los dé en su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl