7 de septiembre
En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn.
Jesaja 45:3
Is dit niet een vreemde uitdrukking? Schatten der duisternis. Hoe? Kan er duisternis zijn in het nieuwe Jeruzalem, alwaar het Lam Gods het eeuwig Licht is? De uitdrukking wil niet te kennen geven dat de schatten zelf duisternis zijn, maar dat zij verborgen lagen in de duisternis, totdat zij werden voortgebracht in het licht. De schatten van Belsazar waren, gelijk de bank van ongemunt goud en zilver, in de duisternis begraven tot de tijd toe dat zij door Cyrus werden opengebroken en vrijgegeven. Dit is ook zo in geestelijk opzicht.
Zijn er geen schatten in de Heere Jezus? O, welke schatten in Zijn heerlijke Persoon! Welke schatten van vergeving in Zijn volmaakte offerande! Welke schatten van zaligheid in al hetgeen Hij heeft en is als de grote Hogepriester over het huis Gods! En toch zijn al deze schatten schatten der duisternis, voor zover zij verborgen zijn voor ons oog en hart, totdat wij door Zijn bijzondere kracht gebracht worden in de stad der zaligheid. Nu, deze schatten worden niet slechts aan het licht gebracht, geopenbaard en bekendgemaakt, maar de ziel wordt in de dadelijkheid in het bezit daarvan gesteld.
Zij worden niet slechts gezien, zoals een klerk van de Bank van Engeland de verschillende banknoten en ponden ziet, maar door een bijzondere daad of gift van het hof des hemels aan hem overgemaakt, die door het geloof in de Heere Jezus haar in het hart ontvangt. Niet één heeft de minste bevatting van de schatten der genade die in de Heere Jezus zijn, totdat hij wordt overgebracht uit de duisternis in Gods wonderbaar licht, en Hem kent en de kracht Zijner opstanding door de zoete openbaringen van Zijn tegenwoordigheid en liefde. Onder het woord schatten wordt niet slechts verstaan iets dat voor het gewone oog verborgen ligt, maar waar dit woord in het meervoud staat, duidt het aan een oneindig, onberekenbaar bedrag; een bedrag dat door uitgeven niet uitgeput kan raken, maar het is genoegzaam en genoegzaam en nog eens genoegzaam om alle behoeften van alle gelovige komenden te voldoen.
Wanneer wij door het geloof een blik werpen op de Persoon en het werk van de Heere Jezus, en de overvloeiende en meer dan overvloeiende volheid van Zijn genade bespeuren, hoe zij te boven gaat al de miljoenen zonden, dan mag dit ons gemoed wel vervullen met heilige verwondering en aanbidding. Wanneer wij een lichtstraaltje in onze ziel ontvangen van de kracht en werking van Zijn verzoenend bloed, dat reinigt van alle zonden, en van Zijn Goddelijke gerechtigheid, die is op en over allen die geloven, welke schatten van genade, verzoening en vrede worden er dan gezien, in Hem opgelegd! Om dit door het oog des geloofs te aanschouwen en hun schoonheid en dierbaarheid te bespieden, is in waarheid te begrijpen met al de heiligen, welke de lengte, en breedte, en diepte, en hoogte zij, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat. De zon zal ophouden haar licht te geven en de aarde haar gewas inhouden, maar deze schatten zijn onuitputtelijk, want zij zijn in zichzelf onuitputtelijk en oneindig.
Aan de lezer…
Wie in de duisternis zit, meent al gauw dat er voor hem niets dan donkerheid is. Zo kan het ook u te moede zijn. Hoor dan wat de Heere belooft: „Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn.” De schatten van genade liggen voor ons oog en hart verborgen, totdat Hij ze aan het licht brengt; maar zij liggen daar niet minder werkelijk. In de Heere Jezus zijn schatten van vergeving in Zijn volmaakte offerande en schatten van zaligheid in al wat Hij heeft en is.
Vreest u dat uw zonden te veel zijn? Zijn genade gaat al de miljoenen zonden te boven; zij is genoegzaam, en genoegzaam, en nog eens genoegzaam voor allen die tot Hem komen. Een enkel lichtstraaltje van Zijn verzoenend bloed kan uw ziel met heilige verwondering vervullen. Zie dan uit naar Hem, en bid dat Hij die schatten niet slechts toont, maar ze u ook in het hart geeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn.
Jesaja 45:3
Is dit geen vreemde uitdrukking? Schatten van de duisternis. Hoe kan dat? Kan er duisternis zijn in het nieuwe Jeruzalem, waar het Lam van God het eeuwige Licht is? De uitdrukking wil niet zeggen dat de schatten zelf duisternis zijn, maar dat zij in de duisternis verborgen lagen, totdat zij aan het licht werden gebracht. De schatten van Belsazar lagen, net als de voorraad ongemunt goud en zilver in een bank, in de duisternis begraven, tot de tijd dat Cyrus ze openbrak en vrijgaf. Zo is het ook in geestelijk opzicht.
Zijn er geen schatten in de Heere Jezus? O, wat een schatten in Zijn heerlijke Persoon! Wat een schatten van vergeving in Zijn volmaakte offerande! Wat een schatten van zaligheid in alles wat Hij heeft en is als de grote Hogepriester over het huis van God! En toch zijn al deze schatten schatten van de duisternis, voor zover zij voor ons oog en hart verborgen zijn, totdat wij door Zijn bijzondere kracht in de stad van de zaligheid gebracht worden. Deze schatten worden niet alleen aan het licht gebracht, geopenbaard en bekendgemaakt, maar de ziel wordt er ook daadwerkelijk in het bezit van gesteld.
Zij worden niet alleen gezien, zoals een klerk van de Bank van Engeland de verschillende bankbiljetten en ponden ziet. Zij worden door een bijzondere daad of gave van het hof van de hemel overgemaakt aan hem die ze door het geloof in de Heere Jezus in het hart ontvangt. Niemand heeft ook maar het minste besef van de schatten van genade die in de Heere Jezus zijn, totdat hij uit de duisternis wordt overgebracht in Gods wonderbaar licht. Dan kent hij Hem en de kracht van Zijn opstanding door de zoete openbaringen van Zijn tegenwoordigheid en liefde. Met het woord schatten wordt niet alleen iets bedoeld dat voor het gewone oog verborgen ligt. Waar dit woord in het meervoud staat, wijst het op een oneindig, onberekenbaar bedrag, dat door uitgeven niet uitgeput kan raken. Het is genoeg en genoeg en nog eens genoeg om alle behoeften te vervullen van allen die gelovig tot Hem komen.
Wanneer wij door het geloof een blik werpen op de Persoon en het werk van de Heere Jezus, en de overvloeiende en meer dan overvloeiende volheid van Zijn genade zien, hoe zij alle miljoenen zonden te boven gaat, dan mag dat ons gemoed wel vervullen met heilige verwondering en aanbidding. Wanneer wij een lichtstraaltje in onze ziel ontvangen van de kracht en werking van Zijn verzoenend bloed, dat reinigt van alle zonden, en van Zijn Goddelijke gerechtigheid, die op en over allen is die geloven, wat een schatten van genade, verzoening en vrede worden er dan gezien, in Hem weggelegd! Dit met het oog van het geloof te aanschouwen en hun schoonheid en dierbaarheid op te merken, is werkelijk: met al de heiligen begrijpen wat de lengte, en breedte, en diepte, en hoogte is, en de liefde van Christus kennen, die de kennis te boven gaat. De zon zal ophouden haar licht te geven en de aarde zal haar gewas inhouden, maar deze schatten zijn onuitputtelijk, want zij zijn in zichzelf onuitputtelijk en oneindig.
Aan de lezer…
Wie in de duisternis zit, denkt al gauw dat er voor hem niets anders is dan donkerheid. Zo kan ook u zich voelen. Hoor dan wat de Heere belooft: „Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn.” De schatten van genade liggen voor ons oog en hart verborgen, totdat Hij ze aan het licht brengt; maar zij liggen daar niet minder werkelijk. In de Heere Jezus zijn schatten van vergeving in Zijn volmaakte offerande en schatten van zaligheid in alles wat Hij heeft en is.
Vreest u dat uw zonden te veel zijn? Zijn genade gaat alle miljoenen zonden te boven; zij is genoeg, en genoeg, en nog eens genoeg voor allen die tot Hem komen. Eén enkel lichtstraaltje van Zijn verzoenend bloed kan uw ziel met heilige verwondering vervullen. Zie dan uit naar Hem, en bid dat Hij die schatten niet alleen laat zien, maar ze u ook in het hart geeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And I will give thee the treasures of darkness.
Isaiah 45:3
Is not this a strange expression? “Treasures of darkness!” How can there be darkness in the City of Salvation of which the Lord the Lamb is the eternal light? The expression does not mean that the treasures themselves are darkness, but that they were hidden in darkness until they were brought to light. The treasures of Belshazzar, like the Bank bullion, were buried in darkness until they were broken up and given to Cyrus.
It is so in a spiritual sense. Are there not treasures in the Lord Jesus? Oh! what treasures of grace in His glorious Person! What treasures of pardon in His precious blood! What treasures of righteousness in His perfect obedience! What treasures of salvation in all that He is and has as the great High Priest over the house of God! Yet, all these treasures are “treasures of darkness,” so far as they are hidden from our eyes and hearts, until we are brought by His special power into the City of Salvation.
Then these treasures are not only brought to light, revealed, and made known, but the soul is at once put into possession of them. They are not only seen, as the Bank of England clerk sees notes and sovereigns, but are by a special deed of gift from the Court of Heaven made over to him who by faith in the Lord Jesus receives Him into his heart. No one has the least conception of the treasures of grace that are in the Lord Jesus until he is brought out of darkness into God’s marvelous light, and knows Him and the power of His resurrection by the sweet manifestations of His presence and love.
But the word “treasures” signifies not only something laid up and hidden from general view, but, being in the plural number, expresses an infinite, incalculable amount—an amount which can never be expended, but suffices, and suffices, and suffices again for all needs and for all believing comers. When we get a view by faith of the Person and work of the Lord Jesus and see the everflowing and overflowing fullness of His grace, and how it superabounds over all the aboundings of sin, it may well fill our minds with holy wonder and admiration. When we get a glimpse of the virtue and efficacy of His atoning blood, that precious blood which “cleanses from all sin,” and that divine righteousness which is “unto all and upon all those who believe,” what treasures of mercy, pardon, and peace are seen laid up in Him!
To see this by the eye of faith, and enter into its beauty and blessedness, is indeed to comprehend with all saints the length, and breadth, and depth, and height, and to know something of the love of Christ which passes knowledge. The sun will cease to give his light, and the earth to yield her increase; but these treasures will still be unexhausted, for they are in themselves infinite and inexhaustible.
To the reader…
Whoever sits in darkness soon thinks there is nothing for him but gloom. You may feel that way too. Hear, then, what the Lord promises: “I will give thee the treasures of darkness.” The treasures of grace lie hidden from our eyes and hearts until He brings them to light; but they are no less really there. In the Lord Jesus are treasures of pardon in His perfect sacrifice and treasures of salvation in all that He has and is.
Do you fear that your sins are too many? His grace exceeds all the millions of sins; it is enough, and enough, and enough again for all who come to Him. One single ray of light on His atoning blood can fill your soul with holy wonder. Look, then, to Him, and pray that He will not only show you those treasures, but also give them into your heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y te daré los tesoros de las tinieblas.
Isaías 45:3
¿No es esta una expresión extraña? “¡Tesoros de las tinieblas!” ¿Cómo puede haber tinieblas en la Ciudad de la Salvación, de la cual el Señor, el Cordero, es la luz eterna? La expresión no significa que los tesoros mismos sean tinieblas, sino que estaban escondidos en tinieblas hasta que fueron sacados a la luz. Los tesoros de Belsasar, como los lingotes del Banco, estaban sepultados en tinieblas hasta que fueron forzados y entregados a Ciro.
Así es también en sentido espiritual. ¿No hay tesoros en el Señor Jesús? ¡Oh, qué tesoros de gracia en Su gloriosa Persona! ¡Qué tesoros de perdón en Su preciosa sangre! ¡Qué tesoros de justicia en Su perfecta obediencia! ¡Qué tesoros de salvación en todo lo que Él es y tiene como el gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios! Sin embargo, todos estos tesoros son “tesoros de las tinieblas” en cuanto están escondidos de nuestros ojos y corazones, hasta que somos introducidos por Su poder especial en la Ciudad de la Salvación.
Entonces estos tesoros no solo son sacados a la luz, revelados y dados a conocer, sino que el alma es puesta inmediatamente en posesión de ellos. No solo son vistos, como el empleado del Banco de Inglaterra ve los billetes y los soberanos, sino que por una escritura especial de donación de la Corte del Cielo son traspasados a aquel que por la fe en el Señor Jesús le recibe en su corazón. Nadie tiene la menor idea de los tesoros de gracia que hay en el Señor Jesús hasta que es sacado de las tinieblas a la luz admirable de Dios, y le conoce a Él y la virtud de Su resurrección por las dulces manifestaciones de Su presencia y Su amor.
Pero la palabra “tesoros” no solo significa algo guardado y escondido de la vista general, sino que, al estar en plural, expresa una cantidad infinita e incalculable, una cantidad que nunca puede agotarse, sino que basta, y basta, y vuelve a bastar para todas las necesidades y para todos los que se acercan creyendo. Cuando por la fe obtenemos una vista de la Persona y obra del Señor Jesús y vemos la plenitud siempre fluyente y desbordante de Su gracia, y cómo sobreabunda sobre todas las abundancias del pecado, bien puede llenar nuestra mente de santo asombro y admiración. Cuando vislumbramos la virtud y eficacia de Su sangre expiatoria, aquella preciosa sangre que “limpia de todo pecado”, y aquella justicia divina que es “para todos los que creen en Él, y sobre todos”, ¡qué tesoros de misericordia, perdón y paz se ven guardados en Él!
Ver esto con el ojo de la fe, y entrar en su belleza y bienaventuranza, es en verdad comprender con todos los santos cuál sea la anchura, y la longura, y la profundidad, y la altura, y conocer algo del amor de Cristo, que excede a todo conocimiento. El sol dejará de dar su luz, y la tierra de dar su fruto; pero estos tesoros seguirán sin agotarse, porque son en sí mismos infinitos e inagotables.
Al lector…
Quien está sentado en tinieblas pronto piensa que para él no hay sino tristeza. Quizá usted también lo sienta así. Escuche, entonces, lo que el Señor promete: “Te daré los tesoros de las tinieblas”. Los tesoros de la gracia están escondidos de nuestros ojos y corazones hasta que Él los saca a la luz; pero no por eso están menos realmente allí. En el Señor Jesús hay tesoros de perdón en Su perfecto sacrificio y tesoros de salvación en todo lo que Él tiene y es.
¿Teme usted que sus pecados sean demasiados? Su gracia sobrepasa todos los millones de pecados; basta, y basta, y vuelve a bastar para todos los que vienen a Él. Un solo rayo de luz sobre Su sangre expiatoria puede llenar su alma de santo asombro. Mire, pues, a Él, y pida que no solo le muestre esos tesoros, sino que también se los dé en su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl