September 7
De genade van onze Heere Jezus Christus zij met uw geest.
Filemon 1:25
Het is de wederbarende adem van de Heere Jezus Christus, die de ziel levend maakt voor Hem. Dit blijkt uit Zijn eigen taal: „De geest is het, die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en leven” (Joh. 6:63). Dan is „de genade van onze Heere Jezus Christus met onze geest”. Want gij moet opmerken dat de genade van onze Heere Jezus Christus niet met ons vleselijk gemoed is: dit blijft altijd hetzelfde: een lichaam der zonde en des doods; vlees, bedorven vlees, „waarin niets goeds woont”, en daarom ook niet de genade van onze Heere Jezus Christus.
Zijn genade is met onze geest, die „nieuwe mens”, van welke wij lezen dat hij „naar God (dat is: naar het beeld van God) geschapen is, in gerechtigheid en ware heiligheid”. Dat wordt genoemd onze „geest” omdat hij uit de Geest geboren is; zoals de Heere Zelf het heilgeheim voor Nicodemus ontvouwde: „Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest.” Dit is geen kleine, gezochte onderscheiding, maar een zeer belangrijke waarheid; want zo wij het onderscheid niet zien tussen de twee naturen, de geest en het vlees, de wet in de leden en de wet des geestes, zullen wij altijd dwalen door naar heiligheid te zoeken in het vlees.
De genade van onze Heere Jezus Christus dus met onze geest zijnde, blaast van tijd tot tijd over die geest, beweegt en werkt in en op hem; want er is, als ik het zo noemen mag, een vereniging der genade of des Geestes tussen beide. Dus kunnen wij evenmin leven buiten de genade des Heeren Jezus Christus, als de aarde leven kan zonder de zon. Zij moet schijnen, of wij hebben geen licht; zij moet leven wekken, of wij hebben geen warmte, en zij moet vruchtbaar maken, of wij brengen geen vrucht voort. Vandaar dat er steeds een uitgang der ziel tot de Heere Jezus Christus moet zijn en Zijn genade met onze geest moet wezen. Ja, de ziel begeert dat deze genade gedurig in ons moge uitvloeien, om ons tot nieuwe schepselen te maken, alle twijfel en vreze te verdrijven, alle banden en ketenen te verbreken, ons met liefde en ootmoed te vervullen, ons aan Zijn lijdend beeld gelijkvormig te maken, in ons alle vrucht voort te brengen die tot Zijn lof zal strekken, met ons te zijn in leven en in sterven, en ons behouden in de eeuwigheid te doen aanlanden.
Maar Gij, Heer, Gij zijt lankmoedig,
zeer barmhartig, overvloedig
in gena, die ons behoedt,
groot van waarheid, eind’loos goed!
Wend U tot mijn ziel genadig,
sterk Uw knecht en geef weldadig
ondersteuning aan de zoon
Uwer dienstmaagd, van de troon.
Ps. 86:8
Aan de lezer…
Bestreden ziel, zoekt u heiligheid in uw eigen vlees en vindt u daar niets dan bederf? Wees dan niet verbaasd; het vlees blijft altijd hetzelfde, een lichaam der zonde en des doods, waarin niets goeds woont. Wie dat niet ziet, zal altijd dwalen. Maar de genade van onze Heere Jezus Christus is niet met het vleselijk gemoed; zij is met de geest, die nieuwe mens, die uit de Geest geboren is.
Gevoelt u zich koud, donker en onvruchtbaar? U kunt evenmin leven buiten Zijn genade als de aarde zonder de zon. Laat dat gemis u daarom niet in uzelf doen wegzinken, maar uitgaan tot Hem. Hij is lankmoedig, zeer barmhartig en overvloedig in genade. Zucht dan om de wederbarende adem van Zijn Geest, dat Hij weer over uw ziel blaast, licht en warmte geeft en vrucht doet voortkomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De genade van onze Heere Jezus Christus zij met uw geest.
Filemon 1:25
Het is de wederbarende adem van de Heere Jezus Christus die de ziel levend maakt voor Hem. Dat blijkt uit Zijn eigen woorden: „De geest is het, die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en leven” (Joh. 6:63). Dan is „de genade van onze Heere Jezus Christus met onze geest”. Want let erop dat de genade van onze Heere Jezus Christus niet met ons vleselijk gemoed is. Dat blijft altijd hetzelfde: een lichaam van zonde en dood; vlees, bedorven vlees, „waarin niets goeds woont”, en daarom ook niet de genade van onze Heere Jezus Christus.
Zijn genade is met onze geest, die „nieuwe mens”, waarvan wij lezen dat hij „naar God (dat is: naar het beeld van God) geschapen is, in gerechtigheid en ware heiligheid”. Dat wordt onze „geest” genoemd, omdat hij uit de Geest geboren is, zoals de Heere Zelf het heilsgeheim aan Nicodemus uitlegde: „Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest.” Dit is geen klein, gezocht onderscheid, maar een zeer belangrijke waarheid. Want als wij het onderscheid niet zien tussen de twee naturen, de geest en het vlees, de wet in de leden en de wet van de geest, zullen wij altijd dwalen doordat we heiligheid zoeken in het vlees.
Omdat de genade van onze Heere Jezus Christus dus met onze geest is, blaast zij van tijd tot tijd over die geest en beweegt en werkt zij in en op hem. Want er is, als ik het zo mag noemen, een vereniging van genade of van de Geest tussen die twee. Daarom kunnen wij net zo min leven buiten de genade van de Heere Jezus Christus als de aarde kan leven zonder de zon. Zij moet schijnen, anders hebben wij geen licht. Zij moet leven wekken, anders hebben wij geen warmte, en zij moet vruchtbaar maken, anders brengen wij geen vrucht voort. Daarom moet de ziel steeds uitgaan naar de Heere Jezus Christus en moet Zijn genade met onze geest zijn. De ziel verlangt ernaar dat deze genade steeds in ons zal blijven stromen, om ons tot nieuwe schepselen te maken, alle twijfel en vrees te verdrijven, alle banden en boeien te verbreken, ons met liefde en nederigheid te vervullen, ons gelijkvormig te maken aan Zijn lijdende beeld, in ons elke vrucht voort te brengen die tot Zijn lof strekt, met ons te zijn in leven en sterven, en ons veilig in de eeuwigheid te brengen.
Maar Gij, Heer, Gij zijt lankmoedig,
zeer barmhartig, overvloedig
in gena, die ons behoedt,
groot van waarheid, eind’loos goed!
Wend U tot mijn ziel genadig,
sterk Uw knecht en geef weldadig
ondersteuning aan de zoon
Uwer dienstmaagd, van de troon.
Ps. 86:8
Aan de lezer…
Bestreden ziel, zoekt u heiligheid in uw eigen vlees en vindt u daar niets dan bederf? Wees dan niet verbaasd: het vlees blijft altijd hetzelfde, een lichaam van zonde en dood, waarin niets goeds woont. Wie dat niet ziet, zal altijd dwalen. Maar de genade van onze Heere Jezus Christus is niet met het vleselijk gemoed; zij is met de geest, die nieuwe mens, die uit de Geest geboren is.
Voelt u zich koud, donker en onvruchtbaar? U kunt net zo min leven buiten Zijn genade als de aarde zonder de zon. Laat dat gemis u daarom niet in uzelf doen wegzinken, maar u naar Hem doen uitgaan. Hij is lankmoedig, zeer barmhartig en overvloedig in genade. Zucht dan om de wederbarende adem van Zijn Geest, dat Hij opnieuw over uw ziel blaast, licht en warmte geeft en vrucht doet voortkomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The grace of our Lord Jesus Christ be with your spirit.
Philemon 1:25
It is the regenerating breath of the Lord Jesus Christ which makes the soul alive unto Himself. This is manifest from His own language—“It is the Spirit Who quickens; the flesh profits nothing—the words that I speak unto you, they are spirit and they are life” (John 6:63). Then for the first time “the grace of our Lord Jesus Christ is with our spirit.” For you will observe that the grace of our Lord Jesus Christ is not with our carnal mind—that ever remains the same, a body of sin and death, flesh—corrupt flesh, “in which dwells no good thing,” and therefore not the grace of our Lord Jesus Christ.
His grace is with our spirit, that “new man” of which we read that it is “after the image of God created in righteousness and true holiness.” This is called our “spirit,” because it is born of the Spirit, as the Lord Himself unfolded the solemn mystery to Nicodemus—“That which is born of the flesh is flesh; and that which is born of the Spirit is spirit.” This is no subtle, thinly-drawn distinction, but a very important truth; for unless we see the difference between the two natures, the spirit and the flesh, the law in the members and the law of the mind, we shall always be in bondage, as looking for holiness in the flesh.
The grace of our Lord Jesus Christ being thus with our spirit, it breathes from time to time upon that spirit, moves and acts in it and upon it; for there is what I may call a gracious or spiritual union between the two. Thus we can no more live without the grace of the Lord Jesus Christ than the earth can live without the sun. He must shine, or we have no light; He must revive, or we have no warmth; and He must fertilize, or we bring forth no fruit.
Thence time after time there is an outgoing of the single desire of the soul to the Lord Jesus Christ that His grace would be with our spirit; that this grace may be ever flowing forth into us, so as to make us new creatures, dispel all doubt and fear, break to pieces all bonds and fetters, fill us with love and humility, conform us to His suffering image, produce in us every fruit that shall redound to His praise, be with us in life and death, and land us safe in eternity.
To the reader…
Tried soul, are you looking for holiness in your own flesh and finding nothing there but corruption? Then do not be surprised: the flesh always remains the same, a body of sin and death, in which dwells no good thing. Whoever does not see this will always go astray. But the grace of our Lord Jesus Christ is not with the carnal mind; it is with the spirit, that new man which is born of the Spirit.
Do you feel cold, dark, and barren? You can no more live without His grace than the earth can live without the sun. So do not let that want make you sink down into yourself, but let it send you out after Him. He is longsuffering, very merciful, and abundant in grace. Sigh, then, for the regenerating breath of His Spirit, that He would breathe upon your soul once more, give light and warmth, and bring forth fruit.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
La gracia de nuestro Señor Jesucristo sea con vuestro espíritu.
Filemón 1:25
Es el aliento regenerador del Señor Jesucristo el que hace al alma viva para Él. Esto se manifiesta por Sus propias palabras: “El Espíritu es el que da vida; la carne nada aprovecha: las palabras que yo os he hablado, son espíritu y son vida” (Jn. 6:63). Entonces, por primera vez, “la gracia de nuestro Señor Jesucristo es con nuestro espíritu.” Porque observará usted que la gracia de nuestro Señor Jesucristo no es con nuestra mente carnal; esta permanece siempre la misma, un cuerpo de pecado y de muerte, carne, carne corrompida, en la cual “no mora el bien”, y por tanto tampoco la gracia de nuestro Señor Jesucristo.
Su gracia es con nuestro espíritu, aquel “nuevo hombre” del cual leemos que “es criado conforme á Dios en justicia y en santidad de verdad.” A este se le llama nuestro “espíritu” porque es nacido del Espíritu, como el Señor mismo desplegó el solemne misterio a Nicodemo: “Lo que es nacido de la carne, carne es; y lo que es nacido del Espíritu, espíritu es.” Esta no es una distinción sutil y rebuscada, sino una verdad muy importante; porque si no vemos la diferencia entre las dos naturalezas, el espíritu y la carne, la ley en los miembros y la ley de la mente, estaremos siempre en servidumbre, como quien busca santidad en la carne.
Estando así la gracia de nuestro Señor Jesucristo con nuestro espíritu, sopla de tiempo en tiempo sobre ese espíritu, se mueve y obra en él y sobre él; porque hay entre ambos lo que puedo llamar una unión de gracia o espiritual. Así, no podemos vivir sin la gracia del Señor Jesucristo más de lo que la tierra puede vivir sin el sol. Él tiene que brillar, o no tenemos luz; Él tiene que reavivar, o no tenemos calor; y Él tiene que fecundar, o no damos fruto.
De ahí que una y otra vez haya un salir del único deseo del alma hacia el Señor Jesucristo, para que Su gracia sea con nuestro espíritu; para que esta gracia fluya siempre a nosotros, de modo que nos haga nuevas criaturas, disipe toda duda y temor, haga pedazos todos los lazos y grillos, nos llene de amor y humildad, nos conforme a Su imagen sufriente, produzca en nosotros todo fruto que redunde en Su alabanza, esté con nosotros en la vida y en la muerte, y nos lleve a salvo a la eternidad.
Al lector…
Alma probada, ¿busca usted santidad en su propia carne y no halla allí sino corrupción? Entonces no se sorprenda: la carne permanece siempre la misma, un cuerpo de pecado y de muerte, en el cual no mora el bien. Quien no ve esto se extraviará siempre. Pero la gracia de nuestro Señor Jesucristo no es con la mente carnal; es con el espíritu, aquel nuevo hombre que es nacido del Espíritu.
¿Se siente frío, oscuro y estéril? No puede vivir sin Su gracia más de lo que la tierra puede vivir sin el sol. No deje, pues, que esa carencia le haga hundirse en sí mismo, sino que le envíe en busca de Él. Él es lento para la ira, muy misericordioso y grande en gracia. Suspire, pues, por el aliento regenerador de Su Espíritu, para que sople otra vez sobre su alma, dé luz y calor, y produzca fruto.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl