5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
In welke ook gij zijt, nadat gij het woord der Waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in welke gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte, Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregen verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.
Efeze 1:13, 14
De hemel is een toebereide plaats voor een toebereid volk. Heilig zijn zijn bewoners, heilig zijn daar de werkzaamheden, heilig de genietingen. Tenzij wij dus iets weten van het onderwijs, het werk en de getuigenis van de Heilige Geest en deelgenoten geworden zijn van een nieuwe, heilige, geestelijke en hemelse natuur, hebben wij geen onderpand en waarborg van de erfenis der zaligheid. Een vleselijk, onrein, onheilig, onvernieuwd hart is geheel buiten staat een onvergankelijke, onbesmette en onverwelkelijke erfenis te verstaan, te genieten, ernaar te smachten en lief te hebben.
Maar elke heilige begeerte, elke hemelse liefde, elk genadig smachten, elk geestelijk genot, elk geloven, elk hopen, elk liefhebben, elk zien op en het zich vastklemmen aan de Heere des levens en der heerlijkheid, door de kracht des Heiligen Geestes, zijn even zoveel onderpanden en waarborgen van de heerlijke erfenis der heiligen in het licht. De liefde, de blijdschap, de vrede, de kalme rust, de berusting in de wil van God, het verrukkelijk gezicht van de heerlijkheid van Christus, dat de ziel in hetzelfde beeld doet veranderen, van heerlijkheid tot heerlijkheid; het genot dat men in Hem smaakt, en de gehele overgave van het hart aan de gezegende Heere als het Hoofd van tienduizend en de gans Beminnelijke, zijn even zoveel onderpanden van de erfenis daarboven, als had de hemel reeds hier beneden een aanvang genomen.
Hij, die op Gods bescherming wacht,
wordt door de hoogste Koning
beveiligd in de duistre nacht,
beschaduwd in Gods woning.
Dies noem ik God zo goed als groot
voor hen, die op Hem bouwen:
mijn Burg, mijn Toevlucht in de nood,
de God van mijn betrouwen.
Ps. 91:1
Aan de lezer…
Weet u iets van het werk en de getuigenis van de Heilige Geest in uw hart, lezer? Het is een ernstige zaak, want de hemel is een toebereide plaats voor een toebereid volk. Een onvernieuwd hart kan die heilige erfenis niet verstaan, niet begeren en niet liefhebben. Wie daar onverschillig onder blijft, heeft alle reden om zichzelf te onderzoeken en de Heere te bidden om een nieuw hart.
Maar misschien zegt u: ik heb zo weinig, ik durf niet te spreken van een onderpand. Let er dan op: Niet alleen de grote verrukkingen, maar elke heilige begeerte, elk genadig smachten, elk zien op en vastklemmen aan de Heere des levens zijn onderpanden van de erfenis daarboven. Is uw hart naar Hem uitgegaan, hebt u Hem gezocht als de gans Beminnelijke, dan is dat geen werk van het vlees geweest. Het is de Geest der belofte, Die u verzegelt tot de verkregen verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In welke ook gij zijt, nadat gij het woord der Waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in welke gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte, Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregen verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.
Efeze 1:13, 14
De hemel is een toebereide plaats voor een toebereid volk. Heilig zijn de bewoners, heilig zijn de werkzaamheden daar, heilig is wat men er geniet. Tenzij wij dus iets weten van het onderwijs, het werk en het getuigenis van de Heilige Geest, en deel gekregen hebben aan een nieuwe, heilige, geestelijke en hemelse natuur, hebben wij geen onderpand en waarborg van de erfenis van de zaligheid. Een vleselijk, onrein, onheilig, onvernieuwd hart is volstrekt buiten staat een onvergankelijke, onbesmette en onverwelkelijke erfenis te verstaan, te genieten, ernaar te smachten en haar lief te hebben.
Maar elke heilige begeerte, elke hemelse liefde, elk genadig smachten, elk geestelijk genot, elk geloven, elk hopen, elk liefhebben, elk opzien naar en vastklemmen aan de Heere van het leven en de heerlijkheid, door de kracht van de Heilige Geest, is evenzoveel onderpand en waarborg van de heerlijke erfenis van de heiligen in het licht. De liefde, de blijdschap, de vrede, de kalme rust, de berusting in de wil van God, het verrukkelijke gezicht op de heerlijkheid van Christus, waardoor de ziel van heerlijkheid tot heerlijkheid naar hetzelfde beeld veranderd wordt; het genot dat men in Hem smaakt, en de volledige overgave van het hart aan de gezegende Heere als het Hoofd boven tienduizend en de geheel Beminnelijke: dat alles is evenzoveel onderpand van de erfenis daarboven, alsof de hemel hier beneden al begonnen was.
Hij, die op Gods bescherming wacht,
wordt door de hoogste Koning
beveiligd in de duistre nacht,
beschaduwd in Gods woning.
Dies noem ik God zo goed als groot
voor hen, die op Hem bouwen:
mijn Burg, mijn Toevlucht in de nood,
de God van mijn betrouwen.
Ps. 91:1
Aan de lezer…
Weet u iets van het werk en het getuigenis van de Heilige Geest in uw hart, lezer? Het is een ernstige zaak, want de hemel is een toebereide plaats voor een toebereid volk. Een onvernieuwd hart kan die heilige erfenis niet verstaan, niet begeren en niet liefhebben. Wie daar onverschillig onder blijft, heeft alle reden om zichzelf te onderzoeken en de Heere te bidden om een nieuw hart.
Maar misschien zegt u: ik heb zo weinig, ik durf niet te spreken van een onderpand. Let er dan op: niet alleen de grote verrukkingen, maar elke heilige begeerte, elk genadig smachten, elk opzien naar en vastklemmen aan de Heere van het leven zijn onderpanden van de erfenis daarboven. Is uw hart naar Hem uitgegaan en hebt u Hem gezocht als de geheel Beminnelijke, dan is dat geen werk van het vlees geweest. Het is de Geest van de belofte, Die u verzegelt tot de verkregen verlossing, tot prijs van Zijn heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In Whom also after that ye believed, ye were sealed with that Holy Spirit of promise, which is the earnest of our inheritance until the redemption of the purchased possession, unto the praise of His glory.
Ephesians 1:13-14
Heaven is a prepared place for a prepared people. Holy are its inhabitants, holy its employments, holy its enjoyments. Therefore unless we know something of the teaching, the work, and witness of the Holy Spirit here on earth, and are made partakers of a new, holy, spiritual, and heavenly nature; we have no pledge of our interest in the inheritance of the saints in bliss. A carnal, unsanctified, unholy, unrenewed heart is utterly incapable of understanding, entering into, longing after, and loving an inheritance incorruptible, undefiled, and that fadeth not away.
But every holy desire, heavenly affection, gracious longing, spiritual enjoyment, and believing, hoping, loving, looking unto and cleaving to the Lord of life and glory by the power of the Holy Spirit, are all so many pledges of a saving interest in the glorious inheritance of the saints in light.
The love, the joy, the peace, the calm tranquillity, and holy acquiescence in the will of God; the ravishing views of the glory of Christ which change the soul into the same image, from glory to glory; the delight felt in Him, and the whole surrender of the heart and affections to the blessed Lord as the chief among ten thousand and the altogether lovely, are all so many pledges of the inheritance above, as being heaven begun below.
To the reader…
Do you know anything of the work and witness of the Holy Spirit in your heart, reader? It is a solemn matter, for heaven is a prepared place for a prepared people. An unrenewed heart cannot understand that holy inheritance, cannot desire it and cannot love it. Whoever remains indifferent to this has every reason to examine himself and to pray the Lord for a new heart.
But perhaps you say: I have so little, I dare not speak of an earnest. Then take note: not only the great raptures, but every holy desire, every gracious longing, every looking unto and cleaving to the Lord of life are pledges of the inheritance above. If your heart has gone out to Him and you have sought Him as the altogether lovely One, that was no work of the flesh. It is the Spirit of promise, Who seals you unto the redemption of the purchased possession, unto the praise of His glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En el cual también desde que creísteis, fuisteis sellados con el Espíritu Santo de la promesa, el cual es las arras de nuestra herencia, para la redención de la posesión adquirida para alabanza de Su gloria.
Efesios 1:13-14
El cielo es un lugar preparado para un pueblo preparado. Santos son sus habitantes, santas sus ocupaciones, santos sus goces. Por tanto, a menos que conozcamos algo de la enseñanza, la obra y el testimonio del Espíritu Santo aquí en la tierra, y seamos hechos partícipes de una naturaleza nueva, santa, espiritual y celestial, no tenemos prenda alguna de nuestra parte en la herencia de los santos en la gloria. Un corazón carnal, no santificado, impío y no renovado es completamente incapaz de entender, de entrar en, de anhelar y de amar una herencia incorruptible, y que no puede contaminarse, ni marchitarse.
Pero todo deseo santo, todo afecto celestial, todo anhelo de gracia, todo goce espiritual, y todo creer, esperar, amar, mirar y allegarse al Señor de la vida y de la gloria por el poder del Espíritu Santo, son otras tantas prendas de una parte salvadora en la gloriosa herencia de los santos en luz.
El amor, el gozo, la paz, la serena tranquilidad y la santa conformidad con la voluntad de Dios; las arrebatadoras visiones de la gloria de Cristo que transforman el alma en la misma semejanza, de gloria en gloria; el deleite sentido en Él, y la entrega completa del corazón y de los afectos al bendito Señor como señalado entre diez mil y todo Él codiciable, son otras tantas prendas de la herencia de arriba, por ser el cielo comenzado aquí abajo.
Al lector…
¿Conoce usted algo de la obra y del testimonio del Espíritu Santo en su corazón, lector? Es un asunto solemne, porque el cielo es un lugar preparado para un pueblo preparado. Un corazón no renovado no puede entender esa santa herencia, no puede desearla y no puede amarla. Quien permanece indiferente ante esto tiene toda razón para examinarse a sí mismo y pedir al Señor un corazón nuevo.
Pero quizá diga usted: tengo tan poco, no me atrevo a hablar de unas arras. Fíjese entonces: no solo los grandes arrebatos, sino todo deseo santo, todo anhelo de gracia, todo mirar y allegarse al Señor de la vida son prendas de la herencia de arriba. Si su corazón ha salido hacia Él y le ha buscado como Aquel que es todo codiciable, eso no fue obra de la carne. Es el Espíritu de la promesa, Quien le sella para la redención de la posesión adquirida, para alabanza de Su gloria.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De Doorbreker
De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken. En hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan; en de Heere in hun spits.
Micha 2:13
De mensen over wie hier gesproken wordt, zijn Gods volk, het overblijfsel dat door de genade is uitverkoren, Gods eigen beminde kinderen. Maar we maken uit de woorden die worden gebruikt op dat ze grote problemen hadden, want waarom hebben ze een Doorbreker nodig om hen voor te gaan, als ze zich niet in zulke moeilijkheden bevonden die door niets anders dan door een almachtige hand konden worden afgebroken en verwijderd? Derhalve moeten we vaststellen dat de mensen aan wie deze belofte wordt gedaan, zich in zulke moeilijke omstandigheden en problemen bevinden dat ze er nooit in zullen slagen een doorgang voor zichzelf te maken, maar dat die wonderbaarlijke Persoon, deze Immanuël, God met ons, hen voor moet gaan. En om die reden wordt Hij „de Doorbreker” genoemd, omdat Hij met Zijn almachtige hand de moeilijkheden die op hun pad liggen in stukken breekt en wegneemt, die zij zelf niet door middel van hun eigen wijze gedachten of kracht uit de weg zouden kunnen ruimen.
Laten we dit eens nauwkeuriger bezien en ook de kleine onderdelen begrijpelijk maken. Als het de Heere belieft om een ziel die dood in de zonde is, tot leven te wekken, zet Hij de enge poort voor hem neer; Hij toont hem dat zijn zonden eeuwige toorn en straf verdienen, en Hij wekt in zijn hart een verlangen op om voor de naderende toorn weg te vluchten. Hoezeer de omstandigheden van de nieuwe geboorte ook mogen verschillen, met deze hoofdzaak zal het werk van de Geest in het hart altijd gepaard gaan: het vluchten voor de naderende toorn; een schreeuw in de ziel: „Wat moet ik doen om zalig te worden? God, wees mij, zondaar, genadig”, zoals Bunyan prachtig beschrijft in zijn Christenreis.
Een tot leven gewekte ziel, zoals Christen, zet het onmiddellijk op een lopen. Alle moeilijkheden die hem omringen, zijn niets vergeleken met de last op zijn rug. Vrouw, kind, familie, geld, alles wordt als minder dan niets beschouwd vergeleken met de redding van zijn ziel. Daarom begint hij te rennen, waarbij hij zijn gezicht naar Sion richt, oprecht verlangend uiteindelijk te worden gered met eeuwige verlossing.
Lezen: Micha 2
Aan de lezer…
Hoe vaak staat u voor moeilijkheden die u met geen eigen wijsheid of kracht uit de weg kunt ruimen! Juist dan bent u juist het volk aan wie deze belofte gedaan is. Waarom zou er een Doorbreker nodig zijn, als er niets te doorbreken viel? Hebt u de last van de zonde op uw rug gevoeld en is in uw ziel de schreeuw opgekomen: „God, wees mij, zondaar, genadig”? Dat is geen teken dat de Heere u vergeten heeft, maar dat Hij begonnen is.
Vlucht dan, zoals een opgewekte ziel vlucht, met het aangezicht naar Sion. Laat vrouw, kind, geld en alles wat u lief is, niet zwaarder wegen dan de redding van uw ziel. U zult de poort niet zelf openbreken, maar Hij, Die Immanuël is, God met ons, gaat voor u uit en breekt met Zijn almachtige hand in stukken wat u de weg verspert.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken. En hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan; en de Heere in hun spits.
Micha 2:13
De mensen over wie hier gesproken wordt, zijn Gods volk, het overblijfsel dat door de genade is uitverkoren, Gods eigen geliefde kinderen. Maar uit de woorden die gebruikt worden, maken we op dat ze in grote nood waren. Waarom zouden ze anders een Doorbreker nodig hebben om hen voor te gaan, als ze niet in zulke moeilijkheden verkeerden dat alleen een almachtige hand die kon afbreken en wegnemen? Daarom moeten we vaststellen dat de mensen aan wie deze belofte wordt gedaan, in zulke moeilijke omstandigheden en nood verkeren dat ze er nooit in zullen slagen zelf een doorgang te maken. Die wonderbare Persoon, Immanuël, God met ons, moet hen voorgaan. Daarom wordt Hij „de Doorbreker” genoemd: met Zijn almachtige hand breekt Hij de moeilijkheden op hun pad in stukken en neemt ze weg, die zij met hun eigen wijze gedachten of kracht nooit uit de weg zouden kunnen ruimen.
Laten we dit eens nauwkeuriger bekijken en ook de kleine onderdelen duidelijk maken. Wanneer het de Heere behaagt een ziel die dood is in de zonde levend te maken, plaatst Hij de enge poort voor hem. Hij laat hem zien dat zijn zonden eeuwige toorn en straf verdienen, en Hij wekt in zijn hart een verlangen op om te vluchten voor de toekomende toorn. Hoe verschillend de omstandigheden van de wedergeboorte ook kunnen zijn, deze hoofdzaak zal het werk van de Geest in het hart altijd vergezellen: het vluchten voor de toekomende toorn, een schreeuw in de ziel: „Wat moet ik doen om zalig te worden? God, wees mij, zondaar, genadig”, zoals Bunyan prachtig beschrijft in zijn Christenreis.
Een levend gemaakte ziel gaat, zoals Christen, onmiddellijk op de vlucht. Alle moeilijkheden om hem heen zijn niets vergeleken met de last op zijn rug. Vrouw, kind, familie, geld, alles wordt als minder dan niets geacht vergeleken met de redding van zijn ziel. Daarom begint hij te lopen, met zijn aangezicht naar Sion, oprecht verlangend om ten slotte gered te worden met een eeuwige verlossing.
Lezen: Micha 2
Aan de lezer…
Hoe vaak staat u voor moeilijkheden die u met geen eigen wijsheid of kracht uit de weg kunt ruimen! Juist dan behoort u tot het volk aan wie deze belofte gedaan is. Waarom zou er een Doorbreker nodig zijn, als er niets te doorbreken viel? Hebt u de last van de zonde op uw rug gevoeld en is in uw ziel de schreeuw opgekomen: „God, wees mij, zondaar, genadig”? Dat is geen teken dat de Heere u vergeten heeft, maar dat Hij begonnen is.
Vlucht dan, zoals een levend gemaakte ziel vlucht, met het aangezicht naar Sion. Laat vrouw, kind, geld en alles wat u lief is, niet zwaarder wegen dan de redding van uw ziel. U zult de poort niet zelf openbreken, maar Hij Die Immanuël is, God met ons, gaat voor u uit en breekt met Zijn almachtige hand in stukken wat u de weg verspert.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The breaker is come up before them: they have broken up, and have passed through the gate, and are gone out by it: and their King shall pass before them, and the LORD on the head of them.
Micah 2:13
The people spoken of here are God’s people, the remnant chosen by grace, God’s own beloved children. But from the words used we gather that they were in great distress. Why else would they need a Breaker to go before them, if they were not in such difficulties that only an almighty hand could break them down and take them away? We must therefore conclude that the people to whom this promise is made are in such hard circumstances and distress that they will never succeed in making a way through for themselves. That wonderful Person, Immanuel, God with us, must go before them. That is why He is called “the Breaker”: with His almighty hand He breaks in pieces and removes the difficulties in their path, which they could never clear away by their own wise thoughts or strength.
Let us look at this more closely and make plain the smaller parts as well. When it pleases the Lord to quicken a soul that is dead in sin, He sets the strait gate before him. He shows him that his sins deserve eternal wrath and punishment, and He stirs up in his heart a desire to flee from the wrath to come. However different the circumstances of the new birth may be, this main thing will always accompany the work of the Spirit in the heart: fleeing from the wrath to come, a cry in the soul, “What must I do to be saved? God be merciful to me a sinner,” as Bunyan so beautifully describes in his Pilgrim’s Progress.
A quickened soul, like Christian, at once takes to flight. All the difficulties around him are nothing compared with the burden on his back. Wife, child, family, money, all are counted as less than nothing compared with the salvation of his soul. So he begins to run, with his face towards Zion, sincerely longing to be saved at last with an everlasting salvation.
Reading: Micah 2
To the reader…
How often you face difficulties that no wisdom or strength of your own can clear away! It is just then that you belong to the people to whom this promise is made. Why would a Breaker be needed, if there were nothing to break through? Have you felt the burden of sin on your back, and has the cry risen in your soul, “God be merciful to me a sinner”? That is no sign that the Lord has forgotten you, but that He has begun.
Flee, then, as a quickened soul flees, with your face towards Zion. Do not let wife, child, money or anything dear to you weigh more heavily than the salvation of your soul. You will not break open the gate yourself, but He Who is Immanuel, God with us, goes before you and with His almighty hand breaks in pieces whatever blocks your way.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Subirá rompedor delante de ellos; romperán y pasarán la puerta, y saldrán por ella: y su Rey pasará delante de ellos, y a la cabeza de ellos Jehová.
Miqueas 2:13
El pueblo del que aquí se habla es el pueblo de Dios, el remanente escogido por gracia, los propios hijos amados de Dios. Pero por las palabras empleadas deducimos que estaban en gran angustia. ¿Por qué otra razón necesitarían un Rompedor que fuera delante de ellos, si no estuvieran en tales dificultades que solo una mano todopoderosa pudiera derribarlas y quitarlas? Debemos, pues, concluir que el pueblo al que se hace esta promesa está en circunstancias tan duras y en tal angustia que nunca logrará abrirse paso por sí mismo. Aquella Persona admirable, Emmanuel, Dios con nosotros, debe ir delante de ellos. Por eso se le llama “el Rompedor”: con Su mano todopoderosa hace pedazos y quita las dificultades de su camino, que ellos nunca podrían despejar con sus propios pensamientos sabios ni con su fuerza.
Miremos esto más de cerca y aclaremos también las partes menores. Cuando al Señor le place vivificar un alma que está muerta en el pecado, pone delante de ella la puerta estrecha. Le muestra que sus pecados merecen ira y castigo eternos, y despierta en su corazón el deseo de huir de la ira venidera. Por diferentes que sean las circunstancias del nuevo nacimiento, esta cosa principal acompañará siempre la obra del Espíritu en el corazón: huir de la ira venidera, un clamor en el alma: “¿Qué es menester que yo haga para ser salvo? Dios, sé propicio a mí pecador”, como Bunyan lo describe tan hermosamente en su El progreso del peregrino.
Un alma vivificada, como Cristiano, emprende en seguida la huida. Todas las dificultades que le rodean no son nada comparadas con la carga sobre su espalda. Esposa, hijo, familia, dinero, todo se estima en menos que nada comparado con la salvación de su alma. Así comienza a correr, con el rostro hacia Sion, anhelando sinceramente ser salvo al fin con salvación eterna.
Lectura: Miqueas 2
Al lector…
¡Cuántas veces se halla ante dificultades que ninguna sabiduría ni fuerza propia puede despejar! Es precisamente entonces cuando pertenece al pueblo al que se hace esta promesa. ¿Para qué haría falta un Rompedor, si no hubiera nada que romper? ¿Ha sentido la carga del pecado sobre su espalda, y se ha levantado en su alma el clamor: “Dios, sé propicio a mí pecador”? Eso no es señal de que el Señor le haya olvidado, sino de que ha comenzado.
Huya, pues, como huye un alma vivificada, con el rostro hacia Sion. No deje que esposa, hijo, dinero ni nada que le sea querido pese más que la salvación de su alma. Usted no abrirá la puerta por sí mismo, pero Aquel que es Emmanuel, Dios con nosotros, va delante de usted y con Su mano todopoderosa hace pedazos todo lo que le cierra el camino.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen.
Jesaja 4:5
De tegenwoordigheid des Heeren in de ziel is Zijn heerlijkheid, want zij wordt afgebeeld door de wolk, zoals het was toen de heerlijkheid het huis Gods vervulde, dat Salomo gebouwd had. Nu, deze heerlijkheid des Heeren in de wolk en de rook bij dag, en in de glans eens vlammenden vuurs des nachts, is ter beschutting, beide over alle woning van de berg Sion en over haar vergaderingen. Een beschutting waartegen? Hoofdzakelijk tegen vier zaken.
1. Zij is een beschutting tegen dwaling. Niemand die iets kent van de tegenwoordigheid en kracht Gods in zijn ziel, of iets heeft gezien van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus, kan een dwaling omhelzen. Want alle dwaling wordt gesteld, niet alleen tegen de waarheid van God, zoals deze in het Woord der waarheid geopenbaard is, maar ook tegen de tegenwoordigheid Gods, zoals deze geopenbaard wordt in het hart. En dit is waar, zowel ten opzichte van personen als van gemeenten. God zal nooit de dwaling toestaan of goedkeuren, door wie zij ook wordt aangekleefd. Hij zal nooit enig dwalend mens zegenen met Zijn openbare tegenwoordigheid, hetzij leraar, hetzij leek; want Hij zal nooit iets eren of erkennen dan Zijn eigen waarheid, en alleen hen die daaraan geloven en haar onderhouden. „Die Mij eren, zal Ik eren.”
Dit is een zeer belangrijk punt, want gij zult menigmaal dwalende mensen horen spreken alsof zij geestelijke dingen voortbrengen door Goddelijke onderwijzing en getuigenis. Zij zullen ook dikwijls hoog opgeven van hun vertroostingen en genietingen, als hadden zij hun inzichten van God Zelf, ofschoon zij de waarheid Gods veranderen in een leugen. Maar wacht u voor die mensen en hun valse beweringen. Zij hebben slechts een vuur aangestoken en zich met spranken omgord, opdat zij mochten wandelen in de vlam van hun vuur en in de spranken die zij ontstoken hebben. De Geest der waarheid leidt in alle waarheid en zal en kan geen dwaling beschermen of zegenen. Des Heeren eigen gebed tot Zijn Vader was: „Heilig ze in Uw waarheid; Uw Woord is de waarheid.” De ziel wordt nooit Goddelijk geheiligd door een leugen, noch het hart waarlijk getroost door een dwaling.
2. Maar deze heerlijkheid zal ook een beschutting zijn tegen alle kwaad; want niets maakt de zonde zo afzichtelijk en afschuwelijk als wanneer zij gezien wordt in de tegenwoordigheid Gods. Hij wordt op zulke ogenblikken bekend als oneindig rein en heilig. En een heilig God moet noodzakelijk de zonde haten. Indien dan Zijn tegenwoordigheid in de ziel wordt waargenomen als een wolk, waarin Hij Zijn heerlijkheid vertoont in het aangezicht van Jezus Christus, dan zal zij een beschutting zijn tegen alle zonden waarin gij verstrikt geraakt moogt zijn, want in die tijd is er geen tastbare tegenwoordigheid die u zo alleen Zijn grote en heerlijke majesteit kan doen eerbiedigen en aanbidden.
3. Daarom is zij ook een beschutting tegen alle aanvechtingen die ons zouden leiden tot alles wat tegen God en de godzaligheid strijdt.
4. En zij zal ook een beschutting zijn tegen alle vijanden. Gij kunt vele vijanden hebben, zowel van buiten als van binnen; maar al hun aanslagen om u te krenken zullen schipbreuk lijden, indien gij de wolk van des Heeren tegenwoordigheid in uw ziel en Zijn heerlijkheid in uw midden hebt. Geen vijand kan u schaden als de Heere uw beschutting is. Hij zal ijverig waken over dat wat Hij Zelf door Zijn Geest en genade aan uw ziel geschonken heeft, en Zijn tegenwoordigheid zal uw allerbeste beschutting zijn tegen iedere vijand en tegen alle vrees.
Aan de lezer…
Hebt u ooit iets gesmaakt van de tegenwoordigheid des Heeren in uw ziel? Dan hebt u ook iets gekend van Zijn beschutting. Want waar Hij Zijn heerlijkheid toont in het aangezicht van Jezus Christus, daar verliest de dwaling haar glans en wordt de zonde afzichtelijk. Wacht u voor allen die hoog opgeven van hun vertroostingen terwijl zij de waarheid in een leugen veranderen; de ziel wordt nooit geheiligd door een leugen, noch het hart waarlijk getroost door een dwaling.
Misschien voelt u zich omringd door vijanden, van buiten en van binnen, en vreest u dat u het niet zult volhouden. Maar zie, de Heere is een beschutting over alles wat heerlijk is. Hij waakt ijverig over wat Hij Zelf door Zijn Geest en genade aan uw ziel geschonken heeft. Zoek dan niet uw veiligheid in uw eigen waakzaamheid, maar bid om de wolk van Zijn tegenwoordigheid. Geen vijand kan u schaden als de Heere uw beschutting is, en Hij zal uw beste schuilplaats zijn tegen alle vrees.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen.
Jesaja 4:5
De tegenwoordigheid van de Heere in de ziel is Zijn heerlijkheid, want zij wordt afgebeeld door de wolk, zoals toen de heerlijkheid het huis van God vervulde dat Salomo gebouwd had. Deze heerlijkheid van de Heere, in de wolk en de rook overdag en in de glans van een vlammend vuur ’s nachts, is tot beschutting, zowel over alle woning van de berg Sion als over haar vergaderingen. Een beschutting waartegen? Vooral tegen vier dingen.
1. Zij is een beschutting tegen dwaling. Niemand die iets kent van de tegenwoordigheid en kracht van God in zijn ziel, of iets gezien heeft van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus, kan een dwaling omhelzen. Want alle dwaling staat niet alleen tegenover de waarheid van God zoals die in het Woord der waarheid geopenbaard is, maar ook tegenover de tegenwoordigheid van God zoals die in het hart geopenbaard wordt. En dat geldt zowel voor personen als voor gemeenten. God zal de dwaling nooit toestaan of goedkeuren, door wie zij ook wordt aangehangen. Hij zal nooit een dwalend mens zegenen met Zijn openbare tegenwoordigheid, of hij nu predikant is of leek. Want Hij zal nooit iets eren of erkennen dan Zijn eigen waarheid, en alleen hen die haar geloven en eraan vasthouden. „Die Mij eren, zal Ik eren.”
Dit is een heel belangrijk punt, want u zult vaak dwalende mensen horen spreken alsof zij geestelijke dingen voortbrengen door Goddelijk onderwijs en getuigenis. Zij zullen ook vaak hoog opgeven van hun vertroostingen en genietingen, alsof zij hun inzichten van God Zelf hadden, hoewel zij de waarheid van God veranderen in een leugen. Maar wees op uw hoede voor die mensen en hun valse beweringen. Zij hebben slechts een vuur aangestoken en zich met vonken omgord, om te wandelen in de vlam van hun vuur en in de vonken die zij ontstoken hebben. De Geest der waarheid leidt in alle waarheid, en Hij zal en kan geen dwaling beschermen of zegenen. Het eigen gebed van de Heere tot Zijn Vader was: „Heilig ze in Uw waarheid; Uw Woord is de waarheid.” De ziel wordt nooit op Goddelijke wijze geheiligd door een leugen, en het hart wordt nooit werkelijk getroost door een dwaling.
2. Maar deze heerlijkheid zal ook een beschutting zijn tegen alle kwaad. Want niets maakt de zonde zo afzichtelijk en afschuwelijk als wanneer zij gezien wordt in de tegenwoordigheid van God. Op zulke ogenblikken wordt Hij gekend als oneindig rein en heilig. En een heilig God moet noodzakelijk de zonde haten. Als dan Zijn tegenwoordigheid in de ziel wordt waargenomen als een wolk waarin Hij Zijn heerlijkheid toont in het aangezicht van Jezus Christus, dan zal zij een beschutting zijn tegen alle zonden waarin u verstrikt kunt raken. Want in die tijd is er geen tastbare tegenwoordigheid die u zo alleen Zijn grote en heerlijke majesteit doet eerbiedigen en aanbidden.
3. Daarom is zij ook een beschutting tegen alle aanvechtingen die ons zouden leiden tot alles wat tegen God en de godzaligheid ingaat.
4. En zij zal ook een beschutting zijn tegen alle vijanden. U kunt veel vijanden hebben, zowel van buiten als van binnen; maar al hun aanslagen om u te kwetsen zullen schipbreuk lijden als u de wolk van de tegenwoordigheid van de Heere in uw ziel en Zijn heerlijkheid in uw midden hebt. Geen vijand kan u schaden als de Heere uw beschutting is. Hij zal ijverig waken over wat Hij Zelf door Zijn Geest en genade aan uw ziel geschonken heeft, en Zijn tegenwoordigheid zal uw allerbeste beschutting zijn tegen iedere vijand en tegen alle vrees.
Aan de lezer…
Hebt u ooit iets gesmaakt van de tegenwoordigheid van de Heere in uw ziel? Dan hebt u ook iets gekend van Zijn beschutting. Want waar Hij Zijn heerlijkheid toont in het aangezicht van Jezus Christus, daar verliest de dwaling haar glans en wordt de zonde afzichtelijk. Wees op uw hoede voor allen die hoog opgeven van hun vertroostingen terwijl zij de waarheid in een leugen veranderen; de ziel wordt nooit geheiligd door een leugen, en het hart wordt nooit werkelijk getroost door een dwaling.
Misschien voelt u zich omringd door vijanden, van buiten en van binnen, en vreest u dat u het niet zult volhouden. Maar zie, over alles wat heerlijk is, zal een beschutting zijn. De Heere waakt ijverig over wat Hij Zelf door Zijn Geest en genade aan uw ziel geschonken heeft. Zoek uw veiligheid dan niet in uw eigen waakzaamheid, maar bid om de wolk van Zijn tegenwoordigheid. Geen vijand kan u schaden als de Heere uw beschutting is, en Hij zal uw beste schuilplaats zijn tegen alle vrees.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For upon all the glory shall be a defence.
Isaiah 4:5
The glory of the Lord is His presence in the soul, for that is represented by the cloud, as it was when His glory filled the house of God, which Solomon built. Now this glory of the Lord in the cloud and smoke by day, and in the shining of a flaming fire by night, is to be a defense, both upon every dwelling-place of mount Zion and upon her assemblies. A defense against what? Chiefly against four things.
1. First, it is a defense against ERROR. No person can embrace error who knows anything of the presence and power of God in his soul, or has ever seen anything of the glory of God in the face of Jesus Christ; for all error is opposed not only to God’s truth, as revealed in the Word, but to God’s presence, as revealed in the heart. And this is true both as regards individuals and churches. God will never sanction error as held by either. He will never bless with His manifested presence any erroneous man, be he minister or private individual, for He never honors or blesses anything but His own truth, and those only who believe and hold it. “Those who honor Me I will honor.”
This is a very important point, for you will often hear erroneous men speak as if they knew spiritual things by divine teaching and by divine testimony, and will often boast confidently of their comforts and enjoyments, as if they had gotten their views from God Himself, though they turn the truth of God into a lie.
But be not deceived by these men or their false pretensions. They have only kindled a fire to compass themselves about with sparks, that they may walk in the light of their fire, and in the sparks which they have kindled. The Spirit of truth guides into all truth, and cannot and will not countenance or bless error. The Lord’s own prayer to His heavenly Father for His disciples was, “Sanctify them through your truth—your word is truth.” The soul never was divinely sanctified by a lie, nor the heart truly comforted by error.
2. But this glory will also be a defense against all EVIL; for nothing makes sin so to be seen and abhorred as sin as the presence of the Lord. He is known and felt at such moments to be infinitely pure and holy, and a holy God must needs hate sin. If, then, His presence be felt in the soul as a cloud in which He manifests His glory in the face of Jesus Christ, it will be a defense against all the sins in which you might be entangled, when there is no such sensible presence to make you revere and adore His great and glorious Majesty.
3. It is, therefore, also a defense against all TEMPTATIONS, which would lead us into anything contrary to God and godliness.
4. And it will be a defense too against all ENEMIES. You may have many enemies, both without and within; but all their attempts to injure you will be unsuccessful if you have the cloud of the Lord’s presence in your soul, and His glory in your midst. No enemy can hurt you if the Lord is your defense. He will watch very jealously over what He Himself has communicated by His Spirit and grace to your heart, and His presence will be your best defense against every foe and against every fear.
To the reader…
Have you ever tasted something of the Lord’s presence in your soul? Then you have also known something of His defence. For where He shows His glory in the face of Jesus Christ, error loses its lustre and sin becomes hateful. Be on your guard against all who boast loudly of their comforts while they turn the truth into a lie; the soul is never sanctified by a lie, and the heart is never truly comforted by error.
Perhaps you feel surrounded by enemies, without and within, and fear that you will not hold out. But see, upon all the glory shall be a defence. The Lord watches jealously over what He Himself has given to your soul by His Spirit and grace. Do not seek your safety, then, in your own watchfulness, but pray for the cloud of His presence. No enemy can harm you if the Lord is your defence, and He will be your best refuge against every fear.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque sobre toda gloria habrá cobertura.
Isaías 4:5
La gloria del Señor es Su presencia en el alma, pues eso es lo que representa la nube, como sucedió cuando Su gloria llenó la casa de Dios que edificó Salomón. Ahora bien, esta gloria del Señor en la nube y el humo de día, y en el resplandor de fuego llameante de noche, ha de ser una cobertura y defensa, tanto sobre toda morada del monte de Sión como sobre sus lugares de convocación. ¿Una defensa contra qué? Principalmente contra cuatro cosas.
1. Primero, es una defensa contra el ERROR. Nadie que sepa algo de la presencia y del poder de Dios en su alma, o que haya visto algo de la gloria de Dios en la faz de Jesucristo, puede abrazar el error; porque todo error se opone no solo a la verdad de Dios tal como está revelada en la Palabra, sino a la presencia de Dios tal como está revelada en el corazón. Y esto es verdad tanto respecto de las personas como de las iglesias. Dios nunca sancionará el error sostenido por unas u otras. Nunca bendecirá con Su presencia manifiesta a ningún hombre que esté en el error, sea ministro o simple creyente, porque nunca honra ni bendice otra cosa que Su propia verdad, y solo a aquellos que la creen y la sostienen. “Honraré a los que Me honran.”
Este es un punto muy importante, porque a menudo oirá usted a hombres que están en el error hablar como si conocieran las cosas espirituales por enseñanza divina y por testimonio divino, y con frecuencia se jactarán confiadamente de sus consuelos y gozos, como si hubieran recibido sus ideas de Dios mismo, aunque convierten la verdad de Dios en mentira.
Pero no se deje engañar por estos hombres ni por sus falsas pretensiones. No han hecho más que encender fuego y cercarse de centellas, para andar a la luz de su fuego y de las centellas que encendieron. El Espíritu de verdad guía a toda verdad, y no puede ni quiere favorecer ni bendecir el error. La oración del Señor mismo a Su Padre celestial por Sus discípulos fue: “Santifícalos en Tu verdad: Tu palabra es verdad.” Jamás el alma fue santificada divinamente por una mentira, ni el corazón verdaderamente consolado por el error.
2. Pero esta gloria será también una defensa contra todo MAL; porque nada hace ver y aborrecer tanto el pecado como pecado como la presencia del Señor. En tales momentos se le conoce y se le siente infinitamente puro y santo, y un Dios santo no puede sino aborrecer el pecado. Si, pues, Su presencia se siente en el alma como una nube en la que Él manifiesta Su gloria en la faz de Jesucristo, será una defensa contra todos los pecados en que usted podría enredarse cuando no hay tal presencia sensible que le haga reverenciar y adorar Su grande y gloriosa Majestad.
3. Es, por tanto, también una defensa contra todas las TENTACIONES que quisieran llevarnos a algo contrario a Dios y a la piedad.
4. Y será también una defensa contra todos los ENEMIGOS. Usted puede tener muchos enemigos, por fuera y por dentro; pero todos sus intentos de dañarle fracasarán si tiene la nube de la presencia del Señor en su alma y Su gloria en medio de usted. Ningún enemigo puede hacerle daño si el Señor es su defensa. Él velará con mucho celo sobre lo que Él mismo ha comunicado a su corazón por Su Espíritu y Su gracia, y Su presencia será su mejor defensa contra todo enemigo y contra todo temor.
Al lector…
¿Ha gustado usted alguna vez algo de la presencia del Señor en su alma? Entonces también ha conocido algo de Su defensa. Porque donde Él muestra Su gloria en la faz de Jesucristo, el error pierde su brillo y el pecado se hace aborrecible. Guárdese de todos los que se jactan en voz alta de sus consuelos mientras convierten la verdad en mentira; el alma nunca es santificada por una mentira, y el corazón nunca es verdaderamente consolado por el error.
Quizá se sienta rodeado de enemigos, por fuera y por dentro, y teme no poder resistir. Pero mire: sobre toda gloria habrá cobertura. El Señor vela con celo sobre lo que Él mismo ha dado a su alma por Su Espíritu y Su gracia. No busque, pues, su seguridad en su propia vigilancia, sino ore por la nube de Su presencia. Ningún enemigo puede dañarle si el Señor es su defensa, y Él será su mejor refugio contra todo temor.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl