5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En Ik zal hem geven een witte keursteen, en op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.
Openbaringen 2:17
In de oude tijden gebruikte men tot het doen van rechtspraak witte en zwarte stenen. De rechters (want zij waren meer rechters dan gezworenen) spraken over de gevangene niet door een hoorbare verklaring het „schuldig” of „onschuldig” uit, zoals bij ons, maar door een witte steen in een vaas te werpen, om hun mening uit te drukken dat de gevangene onschuldig was, en een zwarte steen, als zij het schuldig wilden uitspreken. De Heere heeft van dit beeld gebruikgemaakt. Hij zegt: „Aan hem, die overwint, zal Ik geven een witte steen”; dat is: Ik zal in zijn geweten een vrijbrief voor zijn schuld leggen. Evenals de witte steen in de vaas werd geworpen, zo ook wordt vrede en vergeving in de boezem van de zondaar gestort; en evenals de rechter bij het leggen van de witte steen in de vaas de gevangene onschuldig verklaarde, zo ook, als de Heere van vrede spreekt tot de ziel, doet Hij in het hart een witte steen vallen, om hem ontslagen te verklaren van de beschuldiging der Wet en deelgenoot van Zijn liefde en Zijn bloed.
„En op de keursteen een nieuwe naam geschreven.” Wat is die nieuwe naam? Is het niet een nieuw hart, een nieuwe natuur — Christus in de ziel, de hope der heerlijkheid? Dit is een nieuwe naam „welke niemand kent, dan wie hem ontvangt.” Nieuwe gedachten van Jezus, nieuwe openbaringen der Schrift, een nieuw smelten van het hart, een nieuw verzachten van het gemoed, alles nieuw gemaakt door Hem, Die ons vernieuwt „in de vernieuwing onzes gemoeds” — niemand kent deze dingen, behalve hij die ze ontvangt.
Het is alles tussen de Heere en de ziel, het is alles tussen een vergevend God en een vrijgesproken zondaar; het is alles gunst, alles genade, alles liefde, van het begin tot het einde. Genade was de aanvang, genade de voortgang, genade de voleindiging; de genade komt alle eer toe, en genade moet het werk bekronen met eeuwige zegepraal.
Loof Hem, die u vergunt uw zielsverlangen,
en ’t goede tot verzading doet ontvangen;
uw jeugd vernieuwt, gelijk eens arends jeugd.
Ps. 103:3
Aan de lezer…
Hier wordt u gevraagd of u nog als een beschuldigde voor de Rechter staat, met de Wet tegen u en uw geweten als getuige. Dan weet u hoe een schuldige wacht op het oordeel. Hoe groot is dan het wonder, wanneer de Heere van vrede spreekt tot de ziel en als een witte steen in het hart laat vallen: vrijgesproken, ontslagen van de beschuldiging der Wet, deelgenoot van Zijn liefde en Zijn bloed.
Wat er dan in de ziel gebeurt, kan niemand anders volledig kennen dan wie het ontvangt: een nieuw hart, een smelten van het gemoed, nieuwe gedachten van Jezus. Hebt u dat nog niet gekend, zoek het dan bij Hem Die alleen vergeven kan. En hebt u het wel mogen ontvangen, geef dan Hem de eer. Het is alles tussen een vergevend God en een vrijgesproken zondaar: alles gunst, alles genade, alles liefde, van het begin tot het einde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal hem geven een witte keursteen, en op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.
Openbaringen 2:17
In de oudheid gebruikte men bij de rechtspraak witte en zwarte stenen. De rechters (want zij waren meer rechters dan gezworenen) spraken over de gevangene niet hardop „schuldig” of „onschuldig” uit, zoals bij ons. Zij wierpen een witte steen in een vaas om uit te drukken dat de gevangene naar hun oordeel onschuldig was, en een zwarte steen als zij hem schuldig wilden verklaren. De Heere heeft dit beeld gebruikt. Hij zegt: „Aan hem, die overwint, zal Ik geven een witte steen”; dat wil zeggen: Ik zal in zijn geweten een vrijbrief voor zijn schuld leggen.
Zoals de witte steen in de vaas werd geworpen, zo worden vrede en vergeving in het hart van de zondaar uitgestort. En zoals de rechter de gevangene onschuldig verklaarde door de witte steen in de vaas te leggen, zo laat de Heere, wanneer Hij van vrede spreekt tot de ziel, een witte steen in het hart vallen. Daarmee verklaart Hij hem ontslagen van de beschuldiging van de Wet en deelgenoot van Zijn liefde en Zijn bloed.
„En op de keursteen een nieuwe naam geschreven.” Wat is die nieuwe naam? Is het niet een nieuw hart, een nieuwe natuur: Christus in de ziel, de hoop van de heerlijkheid? Dit is een nieuwe naam „welke niemand kent, dan wie hem ontvangt.” Nieuwe gedachten over Jezus, nieuwe openbaringen van de Schrift, een nieuw smelten van het hart, een nieuw verzachten van het gemoed, alles nieuw gemaakt door Hem Die ons vernieuwt „in de vernieuwing onzes gemoeds”: niemand kent deze dingen, behalve hij die ze ontvangt.
Het is alles tussen de Heere en de ziel, alles tussen een vergevend God en een vrijgesproken zondaar. Het is alles gunst, alles genade, alles liefde, van het begin tot het einde. Genade was het begin, genade de voortgang, genade de voltooiing. Aan de genade komt alle eer toe, en de genade moet het werk bekronen met eeuwige zegepraal.
Loof Hem, die u vergunt uw zielsverlangen,
en ’t goede tot verzading doet ontvangen;
uw jeugd vernieuwt, gelijk eens arends jeugd.
Ps. 103:3
Aan de lezer…
Hier wordt u gevraagd of u nog als een beschuldigde voor de Rechter staat, met de Wet tegen u en uw geweten als getuige. Dan weet u hoe een schuldige op het oordeel wacht. Hoe groot is dan het wonder wanneer de Heere van vrede spreekt tot de ziel en als het ware een witte steen in het hart laat vallen: vrijgesproken, ontslagen van de beschuldiging van de Wet, deelgenoot van Zijn liefde en Zijn bloed.
Wat er dan in de ziel gebeurt, kan niemand anders ten volle kennen dan wie het ontvangt: een nieuw hart, een smeltend gemoed, nieuwe gedachten over Jezus. Hebt u dat nog niet gekend, zoek het dan bij Hem Die alleen vergeven kan. En hebt u het wel mogen ontvangen, geef Hem dan de eer. Het is alles tussen een vergevend God en een vrijgesproken zondaar: alles gunst, alles genade, alles liefde, van het begin tot het einde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And will give him a white stone, and in the stone a new name written, which no man knoweth saving he that receiveth it.
Revelation 2:17
In ancient times they used to decide cases by white and black stones. The judges (for they were rather judges than jury) did not give their verdict upon the prisoner by oral testimony, “guilty,” or “not guilty,” as in our country, but by dropping into an urn a white stone to express their opinion that the prisoner was innocent, or a black stone to declare their judgment that the prisoner was guilty.
The Lord has made use of this figure. He says, “To him who overcomes I will give a white stone;” that is, I will give into his conscience a sentence of acquittal. As the white stone was dropped into the urn, so peace and pardon are dropped into the sinner’s bosom; and just as the judge, when he deposited the white stone in the urn, declared thereby the prisoner’s innocence; so when the Lord is pleased to speak peace to the soul, He drops into the heart a white stone, to proclaim him discharged from the law’s accusations, and interested in His love and blood.
“And on the stone a new name written.” What is this new name? Is it not a new heart, a new nature—Christ in the soul the hope of glory? This is the “new name which no man knows except he that receives it.” New thoughts of Jesus, new openings up of Scripture, new meltings of heart, new softenings of spirit, everything made new by Him who renews us “in the renewing of our mind”—no man knows these things but he who receives them. It is all between the Lord and the soul, it is all between a pardoning God and a pardoned sinner; it is all mercy, all grace, all love, from first to last. Grace began, grace carries on, and grace finishes it; grace must have all the glory, and grace must crown the work with eternal victory.
To the reader…
Here you are asked whether you still stand before the Judge as one accused, with the law against you and your conscience as witness. Then you know how a guilty person awaits the verdict. How great the wonder, then, when the Lord speaks peace to the soul and, as it were, drops a white stone into the heart: acquitted, discharged from the accusations of the law, a partaker of His love and His blood.
What then takes place in the soul no one can fully know but the one who receives it: a new heart, a melting spirit, new thoughts of Jesus. If you have not yet known this, seek it from Him Who alone can forgive. And if you have been allowed to receive it, give Him the glory. It is all between a pardoning God and a pardoned sinner: all favour, all grace, all love, from first to last.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y le daré una piedrecita blanca, y en la piedrecita un nombre nuevo escrito, el cual ninguno conoce sino aquel que lo recibe.
Apocalipsis 2:17
En la antigüedad solían decidirse los juicios con piedras blancas y negras. Los jueces (porque eran más bien jueces que jurado) no daban su veredicto sobre el acusado de palabra, “culpable” o “no culpable”, como en nuestro país, sino echando en una urna una piedra blanca para expresar su opinión de que el acusado era inocente, o una piedra negra para declarar su juicio de que el acusado era culpable.
El Señor se ha servido de esta figura. Dice: “Al que venciere … le daré una piedrecita blanca”; es decir, pondré en su conciencia una sentencia de absolución. Así como la piedra blanca se echaba en la urna, así la paz y el perdón se dejan caer en el pecho del pecador; y así como el juez, al depositar la piedra blanca en la urna, declaraba con ello la inocencia del acusado, así cuando al Señor le place hablar paz al alma, deja caer en el corazón una piedrecita blanca, para proclamarlo libre de las acusaciones de la ley y partícipe de Su amor y de Su sangre.
“Y en la piedrecita un nombre nuevo escrito”. ¿Cuál es este nombre nuevo? ¿No es un corazón nuevo, una naturaleza nueva: Cristo en el alma, la esperanza de gloria? Este es el “nombre nuevo, el cual ninguno conoce sino aquel que lo recibe”. Nuevos pensamientos de Jesús, nuevas aperturas de la Escritura, nuevos enternecimientos del corazón, nuevos ablandamientos del espíritu, todo hecho nuevo por Aquel que nos renueva “por la renovación de nuestro entendimiento”: nadie conoce estas cosas sino aquel que las recibe. Todo queda entre el Señor y el alma, todo entre un Dios que perdona y un pecador perdonado; todo es misericordia, todo gracia, todo amor, de principio a fin. La gracia comenzó, la gracia continúa y la gracia lo termina; la gracia ha de tener toda la gloria, y la gracia ha de coronar la obra con victoria eterna.
Al lector…
Aquí se le pregunta si está usted todavía delante del Juez como acusado, con la ley en su contra y su conciencia como testigo. Entonces sabe cómo espera un culpable el veredicto. ¡Cuán grande es entonces la maravilla cuando el Señor habla paz al alma y, por así decirlo, deja caer una piedrecita blanca en el corazón: absuelto, libre de las acusaciones de la ley, partícipe de Su amor y de Su sangre!
Lo que entonces sucede en el alma nadie puede conocerlo plenamente sino aquel que lo recibe: un corazón nuevo, un espíritu enternecido, nuevos pensamientos de Jesús. Si todavía no ha conocido usted esto, búsquelo en Aquel que es el único que puede perdonar. Y si le ha sido dado recibirlo, dele a Él la gloria. Todo queda entre un Dios que perdona y un pecador perdonado: todo favor, todo gracia, todo amor, de principio a fin.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het lijden en sterven van Christus
Dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen.
1 Petrus 2:21
Een punt dat verband houdt met de heilige mensheid van Jezus als gehoorzaam tot de dood toe, is het voorbeeld dat Hij aan Zijn gelovige kinderen heeft nagelaten, dat zij Zijn voetstappen moesten navolgen (1 Petr. 2:21). Het zal ons weinig baten als we de helderste voorstellingen hebben van de lijdende mensheid van de Heere, en zij geen indruk in ons hart en ons leven achterlaat. Bij het kruis stonden degenen die het lijden en de schaamte van de gezegende Verlosser bespotten; er waren er bij die hard en onverschillig toekeken; en er waren er bij die treurden en huilden, geloofden en liefhadden.
En nu zijn er degenen die het eeuwige Zoonschap en de lijdende mensheid van de gezegende Jezus bespotten; en er zijn degenen die Zijn lijdende Majesteit bekijken zonder geloof en zonder gevoel, zonder enig verdriet om de zonde of enige dorst naar heiligheid. En er zijn enkele overigen die toekijken en geloven, en die, als ze geleid worden tot de gemeenschap van Zijn lijden, huilen en weeklagen. Zij begrijpen dat ze Hem en de gemeenschap van Zijn lijden kunnen leren kennen, en Zijn dood gelijkvormig kunnen worden (Filip. 3:10); die de doding van de Heere Jezus in het lichaam omdragen, opdat ook het leven van Jezus in hun lichaam zou geopenbaard worden (2 Kor. 4:10); die met Christus gekruist worden (Gal. 2:20) en die voornemen „niets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd” (1 Kor. 2:2); en die „roemen in het kruis van onze Heere Jezus Christus”, als enig middel door Welke de wereld hen gekruisigd is, en zij der wereld (Gal. 6:14).
Lezen: 1 Petrus 2:11-25
Aan de lezer…
Hoe goed is het, eens te vragen hoe u bij het kruis staat! Toen stonden er die spotten, en er stonden er die hard en onverschillig toekeken. Maar er waren er ook die treurden en weenden, geloofden en liefhadden. Het zal ons weinig baten de helderste gedachten over het lijden van de Heere te hebben, als het geen indruk op ons hart en ons leven achterlaat.
Bent u een van die weinigen die toekijken en geloven, en die soms wenen omdat zij zo weinig van Zijn beeld in zichzelf vinden? Wees niet moedeloos. Hij heeft voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten, opdat u Zijn voetstappen zou navolgen. Dat volgen leert u niet in eigen kracht, maar in de gemeenschap van Zijn lijden. Vraag Hem dan dat u niets meer zou willen weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd, en dat u in Zijn kruis alleen zou roemen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen.
1 Petrus 2:21
Een punt dat verband houdt met de heilige mensheid van Jezus, Die gehoorzaam was tot de dood, is het voorbeeld dat Hij aan Zijn gelovige kinderen heeft nagelaten, zodat zij Zijn voetstappen zouden navolgen (1 Petr. 2:21). Het zal ons weinig baten als we de helderste voorstellingen hebben van de lijdende mensheid van de Heere, terwijl die geen indruk op ons hart en ons leven achterlaat. Bij het kruis stonden mensen die het lijden en de smaad van de gezegende Verlosser bespotten. Er waren er die hard en onverschillig toekeken. En er waren er die treurden en weenden, geloofden en liefhadden.
Zo zijn er ook nu mensen die het eeuwige Zoonschap en de lijdende mensheid van de gezegende Jezus bespotten. Er zijn er die Zijn lijdende Majesteit aanzien zonder geloof en zonder gevoel, zonder enige droefheid over de zonde en zonder enige dorst naar heiligheid. En er zijn enkele anderen die toekijken en geloven, en die wenen en klagen wanneer ze in de gemeenschap van Zijn lijden worden geleid. Zij begrijpen dat ze Hem en de gemeenschap van Zijn lijden mogen leren kennen en aan Zijn dood gelijkvormig mogen worden (Filip. 3:10). Zij dragen de doding van de Heere Jezus in het lichaam om, zodat ook het leven van Jezus in hun lichaam geopenbaard zou worden (2 Kor. 4:10); zij zijn met Christus gekruisigd (Gal. 2:20) en nemen zich voor „niets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd” (1 Kor. 2:2). En zij „roemen in het kruis van onze Heere Jezus Christus”, als het enige middel waardoor de wereld hun gekruisigd is, en zij der wereld (Gal. 6:14).
Lezen: 1 Petrus 2:11-25
Aan de lezer…
Hoe goed is het om u eens af te vragen hoe u bij het kruis staat! Toen stonden er die spotten, en er stonden er die hard en onverschillig toekeken. Maar er waren er ook die treurden en weenden, geloofden en liefhadden. Het zal ons weinig baten de helderste gedachten over het lijden van de Heere te hebben, als het geen indruk op ons hart en ons leven achterlaat.
Bent u een van die weinigen die toekijken en geloven, en die soms wenen omdat zij zo weinig van Zijn beeld in zichzelf vinden? Wees niet moedeloos. Hij heeft voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten, zodat u Zijn voetstappen zou navolgen. Dat volgen leert u niet in eigen kracht, maar in de gemeenschap van Zijn lijden. Vraag Hem dan dat u niets meer zou willen weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd, en dat u alleen in Zijn kruis zou roemen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Because Christ also suffered for us, leaving us an example, that ye should follow His steps.
1 Peter 2:21
One point connected with the holy humanity of Jesus, Who was obedient unto death, is the example which He has left to His believing children, that they should follow His steps (1 Peter 2:21). It will profit us little to have the clearest views of the suffering humanity of the Lord, if they leave no impression upon our heart and life. By the cross stood those who mocked the sufferings and shame of the blessed Redeemer. There were those who looked on, hard and unconcerned. And there were those who mourned and wept, believed and loved.
So there are also now those who mock the eternal Sonship and the suffering humanity of the blessed Jesus. There are those who look upon His suffering Majesty without faith and without feeling, without any sorrow for sin and without any thirst after holiness. And there are a few others who look on and believe, and who weep and mourn when they are led into the fellowship of His sufferings. They understand that they may learn to know Him and the fellowship of His sufferings, and be made conformable unto His death (Philippians 3:10).
They bear about in the body the dying of the Lord Jesus, that the life also of Jesus might be made manifest in their body (2 Corinthians 4:10); they are crucified with Christ (Galatians 2:20), and are determined “not to know any thing among you, save Jesus Christ, and Him crucified” (1 Corinthians 2:2). And they “glory in the cross of our Lord Jesus Christ,” as the only means whereby the world is crucified unto them, and they unto the world (Galatians 6:14).
Reading: 1 Peter 2:11-25
To the reader…
How good it is to ask yourself how you stand at the cross! Then there were those who mocked, and there were those who looked on, hard and unconcerned. But there were also those who mourned and wept, believed and loved. It will profit us little to have the clearest thoughts about the sufferings of the Lord, if they leave no impression upon our heart and life.
Are you one of those few who look on and believe, and who sometimes weep because they find so little of His image in themselves? Do not be discouraged. He suffered for you and left you an example, that you should follow His steps. That following you do not learn in your own strength, but in the fellowship of His sufferings. Ask Him, then, that you may desire to know nothing but Jesus Christ and Him crucified, and that you may glory in His cross alone.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque también Cristo padeció por nosotros, dejándonos ejemplo, para que vosotros sigáis Sus pisadas.
1 Pedro 2:21
Un punto relacionado con la santa humanidad de Jesús, que fue obediente hasta la muerte, es el ejemplo que ha dejado a Sus hijos creyentes, para que sigan Sus pisadas (1 Pedro 2:21). De poco nos aprovechará tener las ideas más claras acerca de la humanidad sufriente del Señor, si no dejan ninguna impresión en nuestro corazón y en nuestra vida. Junto a la cruz estaban los que se burlaban de los padecimientos y de la vergüenza del bendito Redentor. Estaban los que miraban, duros e indiferentes. Y estaban los que se lamentaban y lloraban, creían y amaban.
Así también hay ahora quienes se burlan de la eterna Filiación y de la humanidad sufriente del bendito Jesús. Hay quienes contemplan Su Majestad sufriente sin fe y sin sentimiento, sin ningún dolor por el pecado y sin ninguna sed de santidad. Y hay unos pocos más que miran y creen, y que lloran y se lamentan cuando son llevados a la participación de Sus padecimientos. Comprenden que pueden aprender a conocerle a Él y la participación de Sus padecimientos, en conformidad a Su muerte (Filipenses 3:10).
Llevan siempre por todas partes la muerte del Señor Jesús en el cuerpo, para que también la vida de Jesús sea manifestada en su cuerpo (2 Corintios 4:10); están juntamente crucificados con Cristo (Gálatas 2:20), y se han propuesto “no saber algo entre vosotros, sino a Jesucristo, y a Este crucificado” (1 Corintios 2:2). Y se glorían “en la cruz de nuestro Señor Jesucristo”, como el único medio por el cual el mundo les es crucificado a ellos, y ellos al mundo (Gálatas 6:14).
Lectura: 1 Pedro 2:11-25
Al lector…
¡Qué bueno es preguntarse cómo está uno ante la cruz! Entonces estaban los que se burlaban, y estaban los que miraban, duros e indiferentes. Pero estaban también los que se lamentaban y lloraban, creían y amaban. De poco nos aprovechará tener los pensamientos más claros acerca de los padecimientos del Señor, si no dejan ninguna impresión en nuestro corazón y en nuestra vida.
¿Es usted uno de esos pocos que miran y creen, y que a veces lloran porque hallan tan poco de Su imagen en sí mismos? No se desanime. Él padeció por usted y le dejó ejemplo, para que siga Sus pisadas. Ese seguirle no lo aprende con sus propias fuerzas, sino en la participación de Sus padecimientos. Pídale, pues, desear no saber nada sino a Jesucristo, y a Este crucificado, y gloriarse solo en Su cruz.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En zal God geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen?
Lucas 18:7
„Zie, hij bidt”, was het woord des Heeren tot Ananias, om hem te overtuigen dat die gevreesde vervolger, Saulus van Tarsen, was levend gemaakt door de Geest. En wat een genade is het voor de levend gemaakte ziel, dat de gezegende Geest zo ook haar zinkend, vrezend gemoed ondersteunt en leven en kracht legt in haar roepen en zuchten; haar ophoudt en haar doet kleven aan de troon der genade; haar dus doet volharden in haar ernstige zuchtingen om genade; daarbij het geloof schenkt in haar bidden, ja Zelf in haar bidt met onuitsprekelijke zuchtingen. Dit is te bidden met de Geest (1 Cor. 14:15) en in de Heilige Geest (Judas 20). Het is het hart voor God uit te storten (Psalm 62:8), de ziel uit te storten voor de Heere (1 Sam. 1:15). En door de vrije ontlasting van wat een bijna berstend hart benauwt, wordt de belaste ziel daardoor een merkbare verlichting toegebracht.
Door dit bijzondere merkteken worden de overtuigingen van een levend gemaakte ziel onderscheiden van de angst en wroeging die somtijds worden gevonden in de natuurlijke consciëntie. Kaïn zeide: „Mijn straf is zwaarder dan ik dragen kan”; maar er was noch berouw, noch gebed in zijn hart, want hij ging uit van het aangezicht des Heeren. En het is juist de tegenwoordigheid des Heeren die de levende ziel zoekt en begeert, en waartoe de Geest haar leiden wil (Efeze 2:18).
Saul was zeer in verlegenheid toen God hem niet meer antwoordde, noch door dromen, noch door de Urim, noch door de profeten; daarom ging hij tot de toveres te Endor en ten laatste viel hij in zijn eigen zwaard. Judas had berouw over zijn vervloekt verraad, maar heengaande verhing hij zich. Geen gebed, geen smeking was in hun beider harten. Zo wordt er in de profetie gezegd dat zij hun tong kauwen van pijn en dat zij de God des hemels lasteren vanwege hun pijnen en vanwege hun zweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken (Openb. 16:10, 11). Doch de uitverkorenen roepen dag en nacht tot God, en hun gebeden, veraangenaamd door de wierook van hun allesoverwinnende Voorspraak aan de rechterhand des Vaders, klimmen gedurig op in de oren des Heeren Zebaoth.
Aan de lezer…
Kent u dat? Uw bidden is somtijds niet meer dan een zucht uit een bijna berstend hart. Denkt u dat zulk een gebrekkig roepen voor God niets betekent? Weet dan dat het juist dat roepen is waaraan de Heere Zijn levend gemaakte kinderen kent. Van de vervolger werd gezegd: „Zie, hij bidt.” Anderen hadden angst en wroeging, maar geen gebed; zij gingen uit van het aangezicht des Heeren.
Is er dan in u een hart dat dat aangezicht zoekt en begeert, dat niet ophouden kan met smeken aan de troon der genade, dan is dat het werk van de gezegende Geest, Die Zelf in u bidt met onuitsprekelijke zuchtingen. Stort dan uw hart voor Hem uit, ook als u geen woorden vindt. Uw zuchten gaan niet verloren; veraangenaamd door de wierook van de Voorspraak aan de rechterhand des Vaders, klimmen zij op in de oren des Heeren Zebaoth. Zou God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En zal God geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen?
Lucas 18:7
„Zie, hij bidt”, was het woord van de Heere tot Ananias, om hem ervan te overtuigen dat die gevreesde vervolger, Saulus van Tarsen, door de Geest levend was gemaakt. En wat een genade is het voor de levend gemaakte ziel dat de gezegende Geest ook haar zinkende, vrezende gemoed zo ondersteunt en leven en kracht legt in haar roepen en zuchten! Hij houdt haar staande en doet haar kleven aan de troon der genade. Zo doet Hij haar volharden in haar ernstige zuchten om genade, schenkt Hij daarbij geloof in haar bidden, ja, bidt Hij Zelf in haar met onuitsprekelijke zuchtingen. Dit is bidden met de Geest (1 Cor. 14:15) en in de Heilige Geest (Judas 20). Het is het hart voor God uitstorten (Psalm 62:8), de ziel uitstorten voor de Heere (1 Sam. 1:15). En doordat zij vrijuit kwijt kan wat een bijna berstend hart benauwt, krijgt de belaste ziel een merkbare verlichting.
Aan dit bijzondere kenmerk worden de overtuigingen van een levend gemaakte ziel onderscheiden van de angst en wroeging die soms in het natuurlijke geweten worden gevonden. Kaïn zei: „Mijn straf is zwaarder dan ik dragen kan”, maar er was geen berouw en geen gebed in zijn hart, want hij ging weg van het aangezicht van de Heere. En het is juist de tegenwoordigheid van de Heere die de levende ziel zoekt en begeert, en waarheen de Geest haar wil leiden (Efeze 2:18).
Saul was zeer in verlegenheid toen God hem niet meer antwoordde, niet door dromen, niet door de Urim en niet door de profeten. Daarom ging hij naar de waarzegster in Endor, en ten slotte viel hij in zijn eigen zwaard. Judas had berouw over zijn vervloekte verraad, maar hij ging heen en verhing zich. In geen van beider harten was gebed of smeking. Zo wordt er in de profetie gezegd dat zij hun tong kauwen van pijn en de God des hemels lasteren vanwege hun pijnen en vanwege hun zweren, en dat zij zich niet bekeerden van hun werken (Openb. 16:10, 11). Maar de uitverkorenen roepen dag en nacht tot God, en hun gebeden, aangenaam gemaakt door de wierook van hun alles overwinnende Voorspraak aan de rechterhand van de Vader, stijgen voortdurend op in de oren van de Heere Zebaoth.
Aan de lezer…
Kent u dat? Uw bidden is soms niet meer dan een zucht uit een bijna berstend hart. Denkt u dat zo’n gebrekkig roepen voor God niets betekent? Weet dan dat het juist dat roepen is waaraan de Heere Zijn levend gemaakte kinderen kent. Van de vervolger werd gezegd: „Zie, hij bidt.” Anderen hadden angst en wroeging, maar geen gebed; zij gingen weg van het aangezicht van de Heere.
Is er dan in u een hart dat dat aangezicht zoekt en begeert, dat niet kan ophouden met smeken aan de troon der genade, dan is dat het werk van de gezegende Geest, Die Zelf in u bidt met onuitsprekelijke zuchtingen. Stort dan uw hart voor Hem uit, ook als u geen woorden vindt. Uw zuchten gaan niet verloren. Aangenaam gemaakt door de wierook van de Voorspraak aan de rechterhand van de Vader, stijgen zij op in de oren van de Heere Zebaoth. Zou God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And shall not God avenge His own elect, which cry day and night unto Him?”
Luke 18:7
“Behold, he prays,” was the word of the Lord to Ananias to convince him that that dreaded persecutor, Saul of Tarsus, had been quickened by the Spirit. And what a mercy it is for the quickened soul that the blessed Spirit thus helps his sinking, trembling spirit, puts life and energy into his cries and sighs, holds him up and keeps him steadfast at the throne, and thus enables him to persevere with his earnest suings for mercy, mingles faith with his petitions, and Himself most graciously and kindly intercedes within him and for him with groanings which cannot be uttered. This is “praying with the spirit” (1 Cor. 14:15) and “in the Holy Spirit” (Jude 20). This is pouring out the heart before God (Psalm 62:8), pouring out the soul before the Lord (1 Sam. 1:15); and by this free discharge of the contents of an almost bursting heart, sensible relief is given to the burdened spirit.
By this special mark, the convictions of a quickened soul are distinguished from the pangs of guilt and remorse which are sometimes aroused in the natural conscience. Cain said, “My punishment is greater than I can bear,” but there was neither repentance nor prayer in his heart; for “he went out from the presence of the Lord”—the very presence which the living soul is seeking to reach and be found in, and into which the Spirit brings him (Eph. 2:18).
Saul was “sore distressed,” when God answered him, “neither by dreams, nor by Urim, nor by prophets,” but he goes to the witch of Endor, and in the end falls upon his own sword. Judas repented of his accursed treachery, but went and hanged himself. No prayer, no supplication was in either of their hearts. So it is prophesied that men shall gnaw their tongues for pain, and yet shall blaspheme the God of heaven because of their pains and their sores, and not repent of their deeds (Rev. 16:10, 11). But the elect cry day and night unto God; and their prayers, perfumed with the incense of their all-prevailing Intercessor at the right hand of the Father, enter into the ears of the Lord of Sabaoth.
To the reader…
Do you know this? Your praying is sometimes no more than a sigh from an almost bursting heart. Do you think such feeble crying means nothing to God? Know, then, that it is precisely by this crying that the Lord knows His quickened children. Of the persecutor it was said, “Behold, he prayeth.” Others had fear and remorse, but no prayer; they went out from the presence of the Lord.
If, then, there is a heart in you that seeks and longs for that presence, that cannot stop pleading at the throne of grace, that is the work of the blessed Spirit, Who Himself prays in you with groanings which cannot be uttered. Pour out your heart before Him, then, even if you find no words. Your sighs are not lost. Made acceptable by the incense of the Intercessor at the right hand of the Father, they rise into the ears of the Lord of Sabaoth. Shall not God avenge His own elect?
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Y Dios no defenderá a Sus escogidos, que claman a Él día y noche?
Lucas 18:7
“He aquí, él ora”, fue la palabra del Señor a Ananías para convencerlo de que aquel temido perseguidor, Saulo de Tarso, había sido vivificado por el Espíritu. ¡Y qué misericordia es para el alma vivificada que el bendito Espíritu ayude así a su espíritu desfalleciente y tembloroso, ponga vida y energía en sus clamores y suspiros, lo sostenga y lo mantenga firme ante el trono, y así lo capacite para perseverar en sus fervientes súplicas de misericordia, mezcle fe con sus peticiones, y Él mismo, con suma gracia y bondad, interceda dentro de él y por él con gemidos indecibles! Esto es “orar con el espíritu” (1 Corintios 14:15) y “en el Espíritu Santo” (Judas 20). Esto es derramar el corazón delante de Dios (Salmo 62:8), derramar el alma delante del Señor (1 Samuel 1:15); y por esta libre descarga de lo que contiene un corazón casi a punto de estallar, se da un alivio sensible al espíritu agobiado.
Por esta señal especial, las convicciones de un alma vivificada se distinguen de las punzadas de culpa y remordimiento que a veces se despiertan en la conciencia natural. Caín dijo: “Grande es mi castigo para poder soportarlo”, pero no había ni arrepentimiento ni oración en su corazón; porque “salió de delante de Jehová”, de aquella misma presencia que el alma viviente procura alcanzar y en la que desea ser hallada, y a la cual el Espíritu la introduce (Efesios 2:18).
Saúl estaba “muy congojado” cuando Dios no le respondió “ni por sueños, ni por Urim, ni por profetas”; pero va a la adivina de Endor, y al final se echa sobre su propia espada. Judas se arrepintió de su maldita traición, pero fue y se ahorcó. No había oración, no había súplica en el corazón de ninguno de los dos. Así está profetizado que los hombres morderán sus lenguas de dolor, y aun así blasfemarán del Dios del cielo por sus dolores y por sus plagas, y no se arrepentirán de sus obras (Apocalipsis 16:10, 11). Pero los escogidos claman a Dios día y noche; y sus oraciones, perfumadas con el incienso de su Intercesor que todo lo alcanza a la diestra del Padre, entran en los oídos del Señor de los ejércitos.
Al lector…
¿Conoce usted esto? Su oración a veces no es más que un suspiro de un corazón casi a punto de estallar. ¿Piensa que un clamor tan débil no significa nada para Dios? Sepa, pues, que es precisamente por este clamor que el Señor conoce a Sus hijos vivificados. Del perseguidor se dijo: “He aquí, él ora.” Otros tuvieron temor y remordimiento, pero no oración; salieron de delante del Señor.
Si hay, pues, en usted un corazón que busca y anhela esa presencia, que no puede dejar de suplicar ante el trono de la gracia, eso es obra del bendito Espíritu, Quien Él mismo ora en usted con gemidos indecibles. Derrame, pues, su corazón delante de Él, aunque no halle palabras. Sus suspiros no se pierden. Hechos aceptables por el incienso del Intercesor a la diestra del Padre, suben a los oídos del Señor de los ejércitos. ¿Y Dios no defenderá a Sus escogidos?
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl