6 de abril
En Ik zal hem geven een witte keursteen, en op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.
Openbaringen 2:17
In de oude tijden gebruikte men tot het doen van rechtspraak witte en zwarte stenen. De rechters (want zij waren meer rechters dan gezworenen) spraken over de gevangene niet door een hoorbare verklaring het „schuldig” of „onschuldig” uit, zoals bij ons, maar door een witte steen in een vaas te werpen, om hun mening uit te drukken dat de gevangene onschuldig was, en een zwarte steen, als zij het schuldig wilden uitspreken. De Heere heeft van dit beeld gebruikgemaakt. Hij zegt: „Aan hem, die overwint, zal Ik geven een witte steen”; dat is: Ik zal in zijn geweten een vrijbrief voor zijn schuld leggen. Evenals de witte steen in de vaas werd geworpen, zo ook wordt vrede en vergeving in de boezem van de zondaar gestort; en evenals de rechter bij het leggen van de witte steen in de vaas de gevangene onschuldig verklaarde, zo ook, als de Heere van vrede spreekt tot de ziel, doet Hij in het hart een witte steen vallen, om hem ontslagen te verklaren van de beschuldiging der Wet en deelgenoot van Zijn liefde en Zijn bloed.
„En op de keursteen een nieuwe naam geschreven.” Wat is die nieuwe naam? Is het niet een nieuw hart, een nieuwe natuur — Christus in de ziel, de hope der heerlijkheid? Dit is een nieuwe naam „welke niemand kent, dan wie hem ontvangt.” Nieuwe gedachten van Jezus, nieuwe openbaringen der Schrift, een nieuw smelten van het hart, een nieuw verzachten van het gemoed, alles nieuw gemaakt door Hem, Die ons vernieuwt „in de vernieuwing onzes gemoeds” — niemand kent deze dingen, behalve hij die ze ontvangt.
Het is alles tussen de Heere en de ziel, het is alles tussen een vergevend God en een vrijgesproken zondaar; het is alles gunst, alles genade, alles liefde, van het begin tot het einde. Genade was de aanvang, genade de voortgang, genade de voleindiging; de genade komt alle eer toe, en genade moet het werk bekronen met eeuwige zegepraal.
Loof Hem, die u vergunt uw zielsverlangen,
en ’t goede tot verzading doet ontvangen;
uw jeugd vernieuwt, gelijk eens arends jeugd.
Ps. 103:3
Aan de lezer…
Hier wordt u gevraagd of u nog als een beschuldigde voor de Rechter staat, met de Wet tegen u en uw geweten als getuige. Dan weet u hoe een schuldige wacht op het oordeel. Hoe groot is dan het wonder, wanneer de Heere van vrede spreekt tot de ziel en als een witte steen in het hart laat vallen: vrijgesproken, ontslagen van de beschuldiging der Wet, deelgenoot van Zijn liefde en Zijn bloed.
Wat er dan in de ziel gebeurt, kan niemand anders volledig kennen dan wie het ontvangt: een nieuw hart, een smelten van het gemoed, nieuwe gedachten van Jezus. Hebt u dat nog niet gekend, zoek het dan bij Hem Die alleen vergeven kan. En hebt u het wel mogen ontvangen, geef dan Hem de eer. Het is alles tussen een vergevend God en een vrijgesproken zondaar: alles gunst, alles genade, alles liefde, van het begin tot het einde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal hem geven een witte keursteen, en op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.
Openbaringen 2:17
In de oudheid gebruikte men bij de rechtspraak witte en zwarte stenen. De rechters (want zij waren meer rechters dan gezworenen) spraken over de gevangene niet hardop „schuldig” of „onschuldig” uit, zoals bij ons. Zij wierpen een witte steen in een vaas om uit te drukken dat de gevangene naar hun oordeel onschuldig was, en een zwarte steen als zij hem schuldig wilden verklaren. De Heere heeft dit beeld gebruikt. Hij zegt: „Aan hem, die overwint, zal Ik geven een witte steen”; dat wil zeggen: Ik zal in zijn geweten een vrijbrief voor zijn schuld leggen.
Zoals de witte steen in de vaas werd geworpen, zo worden vrede en vergeving in het hart van de zondaar uitgestort. En zoals de rechter de gevangene onschuldig verklaarde door de witte steen in de vaas te leggen, zo laat de Heere, wanneer Hij van vrede spreekt tot de ziel, een witte steen in het hart vallen. Daarmee verklaart Hij hem ontslagen van de beschuldiging van de Wet en deelgenoot van Zijn liefde en Zijn bloed.
„En op de keursteen een nieuwe naam geschreven.” Wat is die nieuwe naam? Is het niet een nieuw hart, een nieuwe natuur: Christus in de ziel, de hoop van de heerlijkheid? Dit is een nieuwe naam „welke niemand kent, dan wie hem ontvangt.” Nieuwe gedachten over Jezus, nieuwe openbaringen van de Schrift, een nieuw smelten van het hart, een nieuw verzachten van het gemoed, alles nieuw gemaakt door Hem Die ons vernieuwt „in de vernieuwing onzes gemoeds”: niemand kent deze dingen, behalve hij die ze ontvangt.
Het is alles tussen de Heere en de ziel, alles tussen een vergevend God en een vrijgesproken zondaar. Het is alles gunst, alles genade, alles liefde, van het begin tot het einde. Genade was het begin, genade de voortgang, genade de voltooiing. Aan de genade komt alle eer toe, en de genade moet het werk bekronen met eeuwige zegepraal.
Loof Hem, die u vergunt uw zielsverlangen,
en ’t goede tot verzading doet ontvangen;
uw jeugd vernieuwt, gelijk eens arends jeugd.
Ps. 103:3
Aan de lezer…
Hier wordt u gevraagd of u nog als een beschuldigde voor de Rechter staat, met de Wet tegen u en uw geweten als getuige. Dan weet u hoe een schuldige op het oordeel wacht. Hoe groot is dan het wonder wanneer de Heere van vrede spreekt tot de ziel en als het ware een witte steen in het hart laat vallen: vrijgesproken, ontslagen van de beschuldiging van de Wet, deelgenoot van Zijn liefde en Zijn bloed.
Wat er dan in de ziel gebeurt, kan niemand anders ten volle kennen dan wie het ontvangt: een nieuw hart, een smeltend gemoed, nieuwe gedachten over Jezus. Hebt u dat nog niet gekend, zoek het dan bij Hem Die alleen vergeven kan. En hebt u het wel mogen ontvangen, geef Hem dan de eer. Het is alles tussen een vergevend God en een vrijgesproken zondaar: alles gunst, alles genade, alles liefde, van het begin tot het einde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And will give him a white stone, and in the stone a new name written, which no man knoweth saving he that receiveth it.
Revelation 2:17
In ancient times they used to decide cases by white and black stones. The judges (for they were rather judges than jury) did not give their verdict upon the prisoner by oral testimony, “guilty,” or “not guilty,” as in our country, but by dropping into an urn a white stone to express their opinion that the prisoner was innocent, or a black stone to declare their judgment that the prisoner was guilty.
The Lord has made use of this figure. He says, “To him who overcomes I will give a white stone;” that is, I will give into his conscience a sentence of acquittal. As the white stone was dropped into the urn, so peace and pardon are dropped into the sinner’s bosom; and just as the judge, when he deposited the white stone in the urn, declared thereby the prisoner’s innocence; so when the Lord is pleased to speak peace to the soul, He drops into the heart a white stone, to proclaim him discharged from the law’s accusations, and interested in His love and blood.
“And on the stone a new name written.” What is this new name? Is it not a new heart, a new nature—Christ in the soul the hope of glory? This is the “new name which no man knows except he that receives it.” New thoughts of Jesus, new openings up of Scripture, new meltings of heart, new softenings of spirit, everything made new by Him who renews us “in the renewing of our mind”—no man knows these things but he who receives them. It is all between the Lord and the soul, it is all between a pardoning God and a pardoned sinner; it is all mercy, all grace, all love, from first to last. Grace began, grace carries on, and grace finishes it; grace must have all the glory, and grace must crown the work with eternal victory.
To the reader…
Here you are asked whether you still stand before the Judge as one accused, with the law against you and your conscience as witness. Then you know how a guilty person awaits the verdict. How great the wonder, then, when the Lord speaks peace to the soul and, as it were, drops a white stone into the heart: acquitted, discharged from the accusations of the law, a partaker of His love and His blood.
What then takes place in the soul no one can fully know but the one who receives it: a new heart, a melting spirit, new thoughts of Jesus. If you have not yet known this, seek it from Him Who alone can forgive. And if you have been allowed to receive it, give Him the glory. It is all between a pardoning God and a pardoned sinner: all favour, all grace, all love, from first to last.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y le daré una piedrecita blanca, y en la piedrecita un nombre nuevo escrito, el cual ninguno conoce sino aquel que lo recibe.
Apocalipsis 2:17
En la antigüedad solían decidirse los juicios con piedras blancas y negras. Los jueces (porque eran más bien jueces que jurado) no daban su veredicto sobre el acusado de palabra, “culpable” o “no culpable”, como en nuestro país, sino echando en una urna una piedra blanca para expresar su opinión de que el acusado era inocente, o una piedra negra para declarar su juicio de que el acusado era culpable.
El Señor se ha servido de esta figura. Dice: “Al que venciere … le daré una piedrecita blanca”; es decir, pondré en su conciencia una sentencia de absolución. Así como la piedra blanca se echaba en la urna, así la paz y el perdón se dejan caer en el pecho del pecador; y así como el juez, al depositar la piedra blanca en la urna, declaraba con ello la inocencia del acusado, así cuando al Señor le place hablar paz al alma, deja caer en el corazón una piedrecita blanca, para proclamarlo libre de las acusaciones de la ley y partícipe de Su amor y de Su sangre.
“Y en la piedrecita un nombre nuevo escrito”. ¿Cuál es este nombre nuevo? ¿No es un corazón nuevo, una naturaleza nueva: Cristo en el alma, la esperanza de gloria? Este es el “nombre nuevo, el cual ninguno conoce sino aquel que lo recibe”. Nuevos pensamientos de Jesús, nuevas aperturas de la Escritura, nuevos enternecimientos del corazón, nuevos ablandamientos del espíritu, todo hecho nuevo por Aquel que nos renueva “por la renovación de nuestro entendimiento”: nadie conoce estas cosas sino aquel que las recibe. Todo queda entre el Señor y el alma, todo entre un Dios que perdona y un pecador perdonado; todo es misericordia, todo gracia, todo amor, de principio a fin. La gracia comenzó, la gracia continúa y la gracia lo termina; la gracia ha de tener toda la gloria, y la gracia ha de coronar la obra con victoria eterna.
Al lector…
Aquí se le pregunta si está usted todavía delante del Juez como acusado, con la ley en su contra y su conciencia como testigo. Entonces sabe cómo espera un culpable el veredicto. ¡Cuán grande es entonces la maravilla cuando el Señor habla paz al alma y, por así decirlo, deja caer una piedrecita blanca en el corazón: absuelto, libre de las acusaciones de la ley, partícipe de Su amor y de Su sangre!
Lo que entonces sucede en el alma nadie puede conocerlo plenamente sino aquel que lo recibe: un corazón nuevo, un espíritu enternecido, nuevos pensamientos de Jesús. Si todavía no ha conocido usted esto, búsquelo en Aquel que es el único que puede perdonar. Y si le ha sido dado recibirlo, dele a Él la gloria. Todo queda entre un Dios que perdona y un pecador perdonado: todo favor, todo gracia, todo amor, de principio a fin.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl