gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want alzo zegt de Hoge en de Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte, en in het heilige; en bij dien die eens verbrijzelden en nederigen geestes is, opdat Ik levend make de geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.
Jesaja 57:15
O, welk een geheim, dat God twee woonsteden hebben zou! De „hemel der hemelen”, die „Hem niet kan bevatten”, en het nederige, gebroken en verbrijzelde hart! Maar opdat de Heere des hemels een plaats mocht hebben waarin Hij zou kunnen leven en verblijven, geeft God aan Zijn volk gaven en genadegiften; want Hij kan niet wonen in het vleselijk gemoed, in onze weerspannige natuur, in een hart vol vijandschap en goddeloosheid; daar bereidt Hij Zich een woning, een paviljoen, waarin de Koning der heerlijkheid woont, welke gordijnen zijn gelijk de gordijnen van Salomo. Zijn woning is die heilige, Goddelijke natuur, welke bij de wedergeboorte wordt medegedeeld: „de nieuwe mens, die naar God is geschapen in gerechtigheid en ware heiligheid.”
Zo woont Christus in het hart door het geloof, en is „in Zijn volk de hoop der heerlijkheid.” En dit deed Paulus zeggen: „Ik ben met Christus gekruist; nochtans leef ik; maar niet ik, maar Christus leeft in mij; en het leven, dat ik nu leef in het vlees, leef ik door het geloof van de Zone Gods, Die mij heeft liefgehad en Zich voor mij gegeven heeft.” Dit is het doel van Gods wegen: dat de Heere God in Zijn volk mocht wonen; dat er een vereniging mocht zijn tussen de gemeente en haar Verbondshoofd: „Ik in hen, en Gij in Mij, opdat Wij volmaakt zijn in één.” Dit is de oplossing van het grote raadsel, de oplossing van de ondoorgrondelijke verborgenheid: „God geopenbaard in het vlees”, opdat de Heere God in Zijn volk mocht wonen: „Ik wil in hen wonen en in hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mijn volk zijn”, en alzo Zichzelf verheerlijken door hun harten met Zijn genade en heerlijkheid te vervullen. Zo werd eertijds de tempel van Salomo vervuld; en dit alles, opdat zij Hem mochten genieten en bij Hem zijn, wanneer de tijd niet meer zal wezen. Dit is de grote sleutel tot al de handelingen des Heeren met de ziel, en tot al Zijn verborgen leidingen in de voorzienigheid: dat de Heere God hier in de harten Zijns volks mocht wonen, en eeuwig in hen verheerlijkt worden in een heerlijker en betere wereld.
Ontzondig mij met hysop en mijn ziel,
nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.
Was mij geheel, zo zal ik witter wezen
dan sneeuw, die vers op ’t aardrijk nederviel.
Ps. 51:4
Aan de lezer…
Wanneer u het overdenkt, kunt u het dan bevatten? De Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens naam heilig is, wil ook wonen bij hem die verbrijzeld en nederig van geest is. Hebt u een gebroken hart, en voelt u in uzelf niets dan een weerspannige natuur, vol vijandschap en goddeloosheid? Wanhoop dan niet. Juist in zulk een hart wil de Heere Zich een woning bereiden, om het levend te maken.
O, welk een geheim, dat Christus door het geloof in het hart van een arme zondaar woont, en daar de hoop der heerlijkheid is! Hij heeft liefgehad en Zich gegeven; Hij is het Verbondshoofd van Zijn gemeente. Bid dan met de psalmdichter om ontzondigd en gewassen te worden; Hij, Die het hart verbrijzelt, zal het ook levend maken en met Zijn genade vervullen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want alzo zegt de Hoge en de Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte, en in het heilige; en bij dien die eens verbrijzelden en nederigen geestes is, opdat Ik levend make de geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.
Jesaja 57:15
O, wat een geheim, dat God twee woonplaatsen zou hebben! De „hemel der hemelen”, die „Hem niet kan bevatten”, en het nederige, gebroken en verbrijzelde hart! Maar om de Heere van de hemel een plaats te geven waarin Hij kan leven en verblijven, geeft God aan Zijn volk gaven en genadegaven. Want Hij kan niet wonen in het vleselijk gemoed, in onze weerspannige natuur, in een hart vol vijandschap en goddeloosheid. Daarom bereidt Hij Zich daar een woning, een paviljoen, waarin de Koning der heerlijkheid woont, met gordijnen als de gordijnen van Salomo. Zijn woning is die heilige, Goddelijke natuur die bij de wedergeboorte wordt meegedeeld: „de nieuwe mens, die naar God is geschapen in gerechtigheid en ware heiligheid.”
Zo woont Christus door het geloof in het hart en is Hij „in Zijn volk de hoop der heerlijkheid.” Dat deed Paulus zeggen: „Ik ben met Christus gekruist; nochtans leef ik; maar niet ik, maar Christus leeft in mij; en het leven, dat ik nu leef in het vlees, leef ik door het geloof van de Zone Gods, Die mij heeft liefgehad en Zich voor mij gegeven heeft.” Dit is het doel van Gods wegen: dat de Heere God in Zijn volk zou wonen, en dat er een vereniging zou zijn tussen de gemeente en haar Verbondshoofd: „Ik in hen, en Gij in Mij, opdat Wij volmaakt zijn in één.”
Dit is de oplossing van het grote raadsel, de ontsluiting van de ondoorgrondelijke verborgenheid: „God geopenbaard in het vlees”, zodat de Heere God in Zijn volk zou wonen: „Ik wil in hen wonen en in hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mijn volk zijn.” Zo verheerlijkt Hij Zichzelf door hun harten met Zijn genade en heerlijkheid te vervullen. Zo werd vroeger ook de tempel van Salomo vervuld. En Hij doet dit opdat zij Hem zouden genieten en bij Hem zouden zijn wanneer de tijd niet meer zal zijn. Dit is de grote sleutel tot al de handelingen van de Heere met de ziel en tot al Zijn verborgen leidingen in de voorzienigheid: dat de Heere God hier in de harten van Zijn volk zou wonen, en eeuwig in hen verheerlijkt zou worden in een heerlijker en betere wereld.
Ontzondig mij met hysop en mijn ziel,
nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.
Was mij geheel, zo zal ik witter wezen
dan sneeuw, die vers op ’t aardrijk nederviel.
Ps. 51:4
Aan de lezer…
Wanneer u het overdenkt, kunt u het dan bevatten? De Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is, wil ook wonen bij wie verbrijzeld en nederig van geest is. Hebt u een gebroken hart, en voelt u in uzelf niets dan een weerspannige natuur, vol vijandschap en goddeloosheid? Wanhoop dan niet. Juist in zo’n hart wil de Heere Zich een woning bereiden, om het levend te maken.
O, wat een geheim, dat Christus door het geloof in het hart van een arme zondaar woont en daar de hoop der heerlijkheid is! Hij heeft liefgehad en Zich gegeven; Hij is het Verbondshoofd van Zijn gemeente. Bid dan met de psalmdichter om ontzondigd en gewassen te worden. Hij, Die het hart verbrijzelt, zal het ook levend maken en met Zijn genade vervullen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For thus saith the high and lofty One that inhabiteth eternity, Whose Name is Holy; I dwell in the high and holy place, with him also that is of a contrite and humble spirit, to revive the spirit of the humble, and to revive the heart of the contrite ones.
Isaiah 57:15
O what a mystery that God should have two dwelling-places! The “heaven of heavens” that “cannot contain Him;” and the humble, broken, and contrite heart! But in order that the Lord of heaven might have a place in which He could live and lodge, God gives to His people gifts and graces; for He cannot come and dwell in the carnal mind, in our rebellious nature, in a heart full of enmity and wickedness; He therefore makes a lodging-place for Himself, a pavilion in which the King of glory dwells, the curtains of which are like the curtains of Solomon.
His abode is that holy, divine nature which is communicated at regeneration—“the new man, which after God is created in righteousness and true holiness.” Thus Christ dwells in the heart by faith; and is “in His people, the hope of glory.” And this made Paul say, “I am crucified with Christ; nevertheless I live; yet not I, but Christ lives in me; and the life which I now live in the flesh, I live by the faith of the Son of God, Who loved me, and gave Himself for me.”
This is the object of God’s dealings—that the Lord God might dwell in His people; that there might be a union between the Church and her covenant Head—“I in them, and they in Me, that they might be perfect in one.” This is the unfolding of the grand enigma, the solution of the incomprehensible mystery, “God manifest in the flesh,”—that the Lord God might dwell in His people; “I will dwell in them, and walk in them; and I will be their God, and they shall be My people;” and thus glorify Himself by filling their hearts with His grace and glory, as Solomon’s temple was of old, and that they might enjoy Him, and be with Him when time shall be no more.
This is the grand key to all the Lord’s dealings with the soul, and all His mysterious leadings in providence—that the Lord God might dwell in the hearts of His people here, and be eternally glorified in them in a brighter and a better world.
To the reader…
When you ponder it, can you take it in? The high and lofty One, Who inhabits eternity and Whose Name is Holy, will also dwell with him that is of a contrite and humble spirit. Do you have a broken heart, and do you feel nothing in yourself but a rebellious nature, full of enmity and wickedness? Then do not despair. It is in just such a heart that the Lord will prepare a dwelling for Himself, to revive it.
O what a mystery, that Christ dwells by faith in the heart of a poor sinner and is the hope of glory there! He has loved and given Himself; He is the covenant Head of His Church. Pray, then, with the psalmist to be purged and washed. He Who breaks the heart will also revive it and fill it with His grace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque así dijo el Alto y Sublime, el que habita la eternidad, y cuyo nombre es el Santo: Yo habito en la altura y la santidad, y con el quebrantado y humilde de espíritu, para hacer vivir el espíritu de los humildes, y para vivificar el corazón de los quebrantados.
Isaías 57:15
¡Oh, qué misterio que Dios tenga dos moradas! ¡Los “cielos de los cielos”, que “no Le pueden contener”, y el corazón humilde, quebrantado y contrito! Pero para que el Señor del cielo tuviera un lugar en el que pudiera vivir y hospedarse, Dios da a Su pueblo dones y gracias; porque Él no puede venir a morar en la mente carnal, en nuestra naturaleza rebelde, en un corazón lleno de enemistad y maldad; por eso se hace un lugar donde hospedarse, un pabellón en el que mora el Rey de gloria, cuyas cortinas son como las cortinas de Salomón.
Su morada es esa naturaleza santa y divina que se comunica en la regeneración: “el nuevo hombre, que es criado conforme a Dios en justicia y en santidad de verdad”. Así habita Cristo por la fe en el corazón, y es “en Su pueblo la esperanza de gloria”. Y esto hizo decir a Pablo: “Con Cristo estoy juntamente crucificado, y vivo, no ya yo, mas vive Cristo en mí; y lo que ahora vivo en la carne, lo vivo en la fe del Hijo de Dios, el cual me amó, y se entregó a Sí mismo por mí”.
Este es el objeto de los tratos de Dios: que el Señor Dios more en Su pueblo; que haya una unión entre la Iglesia y su Cabeza del pacto: “Yo en ellos, y ellos en Mí, para que sean consumadamente una cosa”. Esta es la explicación del gran enigma, la solución del misterio incomprensible, “Dios ha sido manifestado en carne”: que el Señor Dios more en Su pueblo; “Habitaré y andaré en ellos; y seré el Dios de ellos, y ellos serán Mi pueblo”; y así glorificarse a Sí mismo llenando sus corazones de Su gracia y gloria, como antiguamente el templo de Salomón, y que ellos Le disfruten y estén con Él cuando el tiempo ya no sea más.
Esta es la gran llave de todos los tratos del Señor con el alma, y de todas Sus misteriosas guías en la providencia: que el Señor Dios more aquí en el corazón de Su pueblo, y sea eternamente glorificado en ellos en un mundo más resplandeciente y mejor.
Al lector…
Cuando lo medita, ¿puede comprenderlo? El Alto y Sublime, que habita la eternidad y cuyo Nombre es el Santo, quiere habitar también con el quebrantado y humilde de espíritu. ¿Tiene usted un corazón quebrantado, y no siente en sí mismo más que una naturaleza rebelde, llena de enemistad y maldad? Entonces no desespere. Es precisamente en un corazón así donde el Señor quiere prepararse una morada, para vivificarlo.
¡Oh, qué misterio, que Cristo habite por la fe en el corazón de un pobre pecador y sea allí la esperanza de gloria! Él ha amado y se ha entregado a Sí mismo; Él es la Cabeza del pacto de Su Iglesia. Ore, pues, con el salmista para ser purificado y lavado. Aquel que quebranta el corazón también lo vivificará y lo llenará de Su gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Evangelische voorschriften
Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren.
Psalm 119:5
Nu zal ik de manier beschrijven waarop we er vaak toe komen de noodzaak alsook de zegen in te zien van het volgen van evangelische voorschriften, alsmede van het geloven van evangelische waarheden en het ervaren van evangelische zegeningen. Laten we daarom beginnen bij het begin van het aan God gewijde leven, en eens zien in hoeverre de voorschriften van het evangelie in die dagen en onder dat werk in acht werden genomen en werden nageleefd. Aangezien deze voorschriften de voorschriften van het evangelie zijn, en geen wettelijke verordeningen, ligt het voor de hand dat ze niet kunnen worden begrepen voordat we de waarheid en de kracht van het evangelie kennen. Omdat we onder de wet staan, en ernaar streven hem op eigen kracht en onder invloed van een wettische geest te gehoorzamen, zitten we nog steeds verstrikt in wettische dienstbaarheid. Daarom zijn de voorschriften van het evangelie eerder bezwarend dan heilzaam, en als ze in het licht van de wet worden gezien, worden ze eerder gevoeld als een last op het geweten dan als regelaar van het leven of wezenlijk deel van het roemrijke evangelie van de Zoon van God.
Maar er komt een tijd dat de wettische schellen van de ogen vallen en, door het onderricht en het getuigenis van de gezegende Geest, ons verstand verlicht raakt en helder inzicht krijgt in de grote en roemrijke leer van verlossing door de genade, en ons hart wordt geopend om haar te ontvangen en te geloven. Als we dan uit de duisternis en dienstbaarheid van de vrije wil en wettische dienst tevoorschijn komen, en, zoals vaak het geval is, geleidelijk liefde voor de waarheid van het evangelie ontwikkelen, raken we zo in beslag genomen door de leer van het evangelie, en zien we zo’n zaligheid in de waarheden die er als met een lichtstraal in worden onthuld, dat het voorschriftgevende deel van Gods Woord niet meer zo zwaar en krachtig op onze geest lijkt te drukken. Als we het pad van Gods geboden lopen met een verwijd hart, we ons bereid voelen elk offer ten behoeve van Christus te doen, en genieten van de kracht van de goddelijke waarheid, worden we eerder geleid door de geest van het voorschrift dan door de letter ervan. Maar als men nog niet op paden van veel beproeving of verlokking is geleid, en de ziel nog niet veel geoefend is, worden ze niet zozeer door ons verwaarloosd, en zeker niet veracht, als wel over het hoofd gezien.
Lezen: Psalm 119:1-16
Aan de lezer…
U die de voorschriften van het evangelie weleens als een last op het geweten gevoeld hebt, omdat u ze las in het licht van de wet en merkte dat u ze op eigen kracht niet kunt houden, staat daarin niet alleen. Zo staat het met ons allen zolang wij in wettische dienstbaarheid verstrikt zitten. Maar weet dan dat er een tijd komt dat de schellen van de ogen vallen, en de gezegende Geest het verstand verlicht en het hart opent om de leer van verlossing door de genade te ontvangen en te geloven.
Dan wordt het pad van Gods geboden geen zware tocht meer, maar een weg die men loopt met een verwijd hart. Hebt u daar nog weinig van gekend, laat de bede uit de psalm dan de uwe zijn: „Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren.” Hij, Die het hart verwijdt, kan ook uw voeten leren gaan, niet uit vrees voor de letter, maar door de liefde tot Christus, voor Wie geen offer te groot is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren.
Psalm 119:5
Nu wil ik beschrijven hoe we vaak gaan inzien hoe noodzakelijk en hoe gezegend het is de voorschriften van het evangelie te volgen, en ook de waarheden van het evangelie te geloven en de zegeningen van het evangelie te ervaren. Laten we daarom beginnen bij het begin van het leven voor God, en eens zien in hoeverre de voorschriften van het evangelie in die dagen en onder dat werk in acht genomen en opgevolgd werden. Omdat deze voorschriften voorschriften van het evangelie zijn en geen wettische verordeningen, ligt het voor de hand dat ze niet begrepen kunnen worden voordat we de waarheid en de kracht van het evangelie kennen. Zolang we onder de wet staan en die op eigen kracht en vanuit een wettische geest proberen te gehoorzamen, zitten we nog verstrikt in wettische dienstbaarheid. Daarom zijn de voorschriften van het evangelie dan eerder bezwarend dan heilzaam. In het licht van de wet gezien, worden ze eerder gevoeld als een last op het geweten dan als een richtsnoer voor het leven of als een wezenlijk deel van het heerlijke evangelie van de Zoon van God.
Maar er komt een tijd dat de wettische schellen van de ogen vallen. Door het onderwijs en het getuigenis van de gezegende Geest wordt ons verstand verlicht en krijgt het helder zicht op de grote en heerlijke leer van de zaligheid door genade, en wordt ons hart geopend om haar te ontvangen en te geloven. Als we dan uit de duisternis en dienstbaarheid van de vrije wil en de wettische dienst tevoorschijn komen, en, zoals vaak gebeurt, geleidelijk liefde krijgen voor de waarheid van het evangelie, raken we zo vervuld van de leer van het evangelie en zien we zoveel zaligheid in de waarheden die daarin als met een lichtstraal worden ontdekt, dat het voorschrijvende deel van Gods Woord niet meer zo zwaar en krachtig op onze geest lijkt te drukken. Wanneer we de weg van Gods geboden lopen met een verwijd hart, bereid zijn elk offer voor Christus te brengen en de kracht van de goddelijke waarheid genieten, worden we eerder geleid door de geest van het voorschrift dan door de letter ervan. Maar zolang men nog niet op wegen van veel beproeving of verzoeking geleid is, en de ziel nog niet veel geoefend is, worden de voorschriften door ons niet zozeer verwaarloosd, en zeker niet veracht, als wel over het hoofd gezien.
Lezen: Psalm 119:1-16
Aan de lezer…
U die de voorschriften van het evangelie weleens als een last op het geweten gevoeld hebt, omdat u ze las in het licht van de wet en merkte dat u ze op eigen kracht niet kunt houden: u staat daarin niet alleen. Zo is het met ons allen zolang wij in wettische dienstbaarheid verstrikt zitten. Maar weet dat er een tijd komt dat de schellen van de ogen vallen, en de gezegende Geest het verstand verlicht en het hart opent om de leer van de zaligheid door genade te ontvangen en te geloven.
Dan wordt de weg van Gods geboden geen zware tocht meer, maar een weg die men loopt met een verwijd hart. Hebt u daar nog weinig van gekend, laat de bede uit de psalm dan de uwe zijn: „Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren.” Hij Die het hart verwijdt, kan ook uw voeten leren gaan, niet uit vrees voor de letter, maar uit liefde tot Christus, voor Wie geen offer te groot is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O that my ways were directed to keep Thy statutes!
Psalm 119:5
Now I wish to describe how we often come to see how necessary and how blessed it is to follow the precepts of the gospel, as well as to believe the truths of the gospel and to experience the blessings of the gospel. Let us therefore begin at the beginning of the life of God, and see how far the precepts of the gospel were observed and obeyed in those days and under that work. As these precepts are gospel precepts and not legal ordinances, it is plain that they cannot be understood until we know the truth and power of the gospel. As long as we are under the law and try to obey it in our own strength and from a legal spirit, we are still entangled in legal bondage.
Therefore the precepts of the gospel are then rather burdensome than wholesome. Seen in the light of the law, they are felt more as a burden on the conscience than as a rule of life or an essential part of the glorious gospel of the Son of God.
But a time comes when the legal scales fall from the eyes. By the teaching and testimony of the blessed Spirit our understanding is enlightened and gains a clear view of the great and glorious doctrine of salvation by grace, and our heart is opened to receive and believe it. When we then come forth out of the darkness and bondage of free will and legal service, and, as often happens, gradually come to love the truth of the gospel, we become so filled with the doctrine of the gospel, and see such blessedness in the truths discovered in it as by a ray of light, that the preceptive part of God’s Word no longer seems to press so heavily and powerfully upon our mind. When we run the way of God’s commandments with an enlarged heart, ready to make every sacrifice for Christ and enjoying the power of divine truth, we are led rather by the spirit of the precept than by its letter.
But as long as we have not yet been led in paths of much trial or temptation, and the soul has not yet been much exercised, the precepts are not so much neglected by us, and certainly not despised, as overlooked.
Reading: Psalm 119:1-16
To the reader…
You who have sometimes felt the precepts of the gospel as a burden on your conscience, because you read them in the light of the law and found that you cannot keep them in your own strength: you are not alone in this. So it is with all of us as long as we are entangled in legal bondage. But know that a time comes when the scales fall from the eyes, and the blessed Spirit enlightens the understanding and opens the heart to receive and believe the doctrine of salvation by grace.
Then the way of God’s commandments is no longer a heavy march, but a way run with an enlarged heart. If you have known little of that as yet, let the prayer of the psalm be yours: “O that my ways were directed to keep Thy statutes!” He Who enlarges the heart can also teach your feet to walk, not from fear of the letter, but from love to Christ, for Whom no sacrifice is too great.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¡Ojalá fuesen ordenados mis caminos a guardar Tus estatutos!
Salmo 119:5
Ahora deseo describir cómo llegamos a menudo a ver cuán necesario y cuán bienaventurado es seguir los preceptos del evangelio, así como creer las verdades del evangelio y experimentar las bendiciones del evangelio. Comencemos, pues, por el principio de la vida de Dios, y veamos hasta qué punto se observaban y obedecían los preceptos del evangelio en aquellos días y bajo aquella obra. Como estos preceptos son preceptos del evangelio y no ordenanzas legales, es evidente que no pueden entenderse hasta que conocemos la verdad y el poder del evangelio. Mientras estamos bajo la ley y tratamos de obedecerla con nuestras propias fuerzas y desde un espíritu legal, seguimos enredados en la servidumbre legal.
Por eso los preceptos del evangelio son entonces más gravosos que saludables. Vistos a la luz de la ley, se sienten más como una carga sobre la conciencia que como una regla de vida o una parte esencial del glorioso evangelio del Hijo de Dios.
Pero llega un tiempo en que las escamas legales caen de los ojos. Por la enseñanza y el testimonio del bendito Espíritu nuestro entendimiento es alumbrado y obtiene una visión clara de la grande y gloriosa doctrina de la salvación por gracia, y nuestro corazón es abierto para recibirla y creerla. Cuando entonces salimos de las tinieblas y la servidumbre del libre albedrío y del servicio legal, y, como sucede a menudo, llegamos poco a poco a amar la verdad del evangelio, nos llenamos tanto de la doctrina del evangelio, y vemos tal bienaventuranza en las verdades descubiertas en él como por un rayo de luz, que la parte preceptiva de la Palabra de Dios ya no parece pesar tanto ni con tanta fuerza sobre nuestra mente. Cuando corremos por el camino de los mandamientos de Dios con el corazón ensanchado, dispuestos a hacer todo sacrificio por Cristo y gozando del poder de la verdad divina, somos guiados más por el espíritu del precepto que por su letra.
Pero mientras todavía no hemos sido llevados por sendas de mucha prueba o tentación, y el alma todavía no ha sido muy ejercitada, los preceptos no son tanto descuidados por nosotros, y ciertamente no despreciados, como pasados por alto.
Lectura: Salmo 119:1-16
Al lector…
Usted que a veces ha sentido los preceptos del evangelio como una carga sobre su conciencia, porque los leía a la luz de la ley y hallaba que no puede guardarlos con sus propias fuerzas: no está solo en esto. Así nos sucede a todos mientras estamos enredados en la servidumbre legal. Pero sepa que llega un tiempo en que las escamas caen de los ojos, y el bendito Espíritu alumbra el entendimiento y abre el corazón para recibir y creer la doctrina de la salvación por gracia.
Entonces el camino de los mandamientos de Dios ya no es una marcha pesada, sino un camino que se corre con el corazón ensanchado. Si hasta ahora ha conocido poco de eso, sea la oración del salmo también la suya: “¡Ojalá fuesen ordenados mis caminos a guardar Tus estatutos!” Aquel que ensancha el corazón puede también enseñar a sus pies a andar, no por temor a la letra, sino por amor a Cristo, por Quien ningún sacrificio es demasiado grande.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Vervolgd, doch niet daarin verlaten.
2 Corinthe 4:9
Welk onrecht de vervolgers ook een christen mogen aandoen, of voornemens zijn hem aan te doen, zij kunnen hem van zijn God niet beroven. Zij mogen zijn lichaam verderven, maar zij kunnen niet zijn ziel verderven. Zij mogen zijn achting wegnemen, maar zij kunnen zijn consciëntie niet kwetsen. Zij mogen hem al zijn aardse bezittingen ontroven, doch zij kunnen hun onheilige handen niet leggen op de schat die God in zijn hart gelegd heeft. Ja, zij mogen hem allen verlaten, gelijk zijn Goddelijke Meester van allen verlaten werd, maar de Heere heeft gezegd: „Ik zal u noch begeven, noch verlaten.”
Waarom zouden wij dan de vervolging vrezen om der gerechtigheid wil? Indien de Heere aan onze zijde is, wie zouden wij dan vrezen? En wie kan ons kwaad doen als wij navolgers zijn van het goede?
Maar houdt in gedachten dat het een vervolging moet zijn om der gerechtigheid wil. Noemt het geen vervolging als gij geslagen wordt om uw kwaaddoen. Acht u niet vervolgd als gij door uw onbestendigheid het verwijt van de mensen u op de hals haalt, of de rechtvaardige onttrekking van degenen die God vrezen. Doch indien u vervolgingen overkomen in het van harte betrachten van de wil van God, dan zult gij de goedkeuring Gods in uw consciëntie ontwaren. Zelfs zult gij bevinden dat uw vervolgingen een gezegender gevoel van de goedkeuring van uw grote Hogepriester in de ziel doen waarnemen, zodat, hoe uw verdrukkingen meerder worden, ook uw vertroostingen zullen aanwassen.
Het zou inderdaad voor de kerk van God droevig zijn indien te midden van de vervolgingen de Heere bij haar moeiten het licht van Zijn vriendelijk aangezicht en de vertroostingen van Zijn tastbare tegenwoordigheid zou komen te onttrekken. Maar zij leunt nooit méér op Zijn Goddelijke arm dan wanneer Hij haar uit deze beker te drinken geeft en haar alzo aan Zijn lijdend beeld gelijkvormig doet zijn.
Aan de lezer…
Wordt u om der gerechtigheid wil verdrukt, waarde lezer, en voelt u zich door mensen verlaten? Zij mogen u veel ontnemen: uw goede naam, uw bezittingen, ja, zelfs de nabijheid van hen die u lief waren. Maar de schat die God in uw hart gelegd heeft, kunnen zij niet aanraken. Uw Goddelijke Meester werd ook van allen verlaten, en juist Hij zegt tot u: „Ik zal u noch begeven, noch verlaten.”
Onderzoek echter eerlijk uw hart, of het lijden wel om der gerechtigheid wil is, en niet om eigen kwaaddoen of onbestendigheid. Is het om de wil van God, wees dan niet bevreesd. Hoe meer de verdrukkingen worden, hoe meer de vertroostingen zullen aanwassen. Leun dan in deze bittere beker op Zijn arm; nooit is de ziel Hem zo nabij als wanneer zij Zijn lijdend beeld gelijkvormig wordt gemaakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Vervolgd, doch niet daarin verlaten.
2 Corinthe 4:9
Welk onrecht vervolgers een christen ook aandoen of van plan zijn hem aan te doen, zij kunnen hem zijn God niet ontnemen. Zij kunnen zijn lichaam verderven, maar zijn ziel kunnen zij niet verderven. Zij kunnen zijn aanzien wegnemen, maar zijn geweten kunnen zij niet kwetsen. Zij kunnen hem al zijn aardse bezittingen ontroven, maar hun onheilige handen kunnen zij niet leggen op de schat die God in zijn hart gelegd heeft. Ja, zij kunnen hem allemaal verlaten, zoals zijn Goddelijke Meester door allen verlaten werd, maar de Heere heeft gezegd: „Ik zal u noch begeven, noch verlaten.”
Waarom zouden wij dan vervolging om der gerechtigheid wil vrezen? Als de Heere aan onze kant staat, wie zouden wij dan vrezen? En wie kan ons kwaad doen als wij navolgers zijn van het goede?
Maar houd in gedachten dat het vervolging om der gerechtigheid wil moet zijn. Noem het geen vervolging als u geslagen wordt om uw kwaaddoen. Beschouw uzelf niet als vervolgd als u door uw onstandvastigheid het verwijt van mensen over u afroept, of de terechte terugtrekking van hen die God vrezen. Maar als u vervolging overkomt terwijl u van harte de wil van God doet, dan zult u Gods goedkeuring in uw geweten ervaren. U zult zelfs merken dat uw vervolgingen u een gezegender besef geven van de goedkeuring van uw grote Hogepriester in de ziel, zodat uw vertroostingen zullen toenemen naarmate uw verdrukkingen groter worden.
Het zou voor de kerk van God inderdaad droevig zijn als de Heere haar te midden van de vervolgingen in haar moeiten het licht van Zijn vriendelijk aangezicht en de vertroostingen van Zijn voelbare tegenwoordigheid zou onthouden. Maar zij leunt nooit méér op Zijn Goddelijke arm dan wanneer Hij haar uit deze beker te drinken geeft en haar zo aan Zijn lijdend beeld gelijkvormig maakt.
Aan de lezer…
Wordt u om der gerechtigheid wil verdrukt en voelt u zich door mensen verlaten? Zij kunnen u veel ontnemen: uw goede naam, uw bezittingen, ja, zelfs de nabijheid van hen die u lief waren. Maar de schat die God in uw hart gelegd heeft, kunnen zij niet aanraken. Uw Goddelijke Meester werd ook door allen verlaten, en juist Hij zegt tot u: „Ik zal u noch begeven, noch verlaten.”
Onderzoek echter eerlijk uw hart of het lijden werkelijk om der gerechtigheid wil is, en niet om eigen kwaaddoen of onstandvastigheid. Is het om de wil van God, wees dan niet bevreesd. Hoe meer verdrukkingen er komen, hoe meer de vertroostingen zullen toenemen. Leun dan bij deze bittere beker op Zijn arm; nooit is de ziel Hem zo nabij als wanneer zij aan Zijn lijdend beeld gelijkvormig wordt gemaakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Persecuted, but not forsaken.
2 Corinthians 4:9
Whatever injury persecutors may do or attempt to do to a Christian, they cannot rob him of his God. They may destroy his body; they cannot destroy his soul. They may wound his reputation; but they cannot wound his conscience. They may strip him of all his earthly goods; but they cannot lay their unhallowed hands upon the treasure which God has lodged in his breast. Yes, all may forsake him as they forsook his divine Master; but God has said, “I will never leave you, nor forsake you.”
Why, then, need we dread persecution for righteousness’ sake? If the Lord be on our side, whom need we fear? And who can harm us if we be followers of that which is good?
But bear in mind that it must be persecution for righteousness’ sake. Do not call it persecution if you are buffeted for your faults. Do not think yourselves persecuted if by your inconsistencies you have brought upon yourselves the reproach of men, or the just censure of those who fear God. But if your persecutions are brought upon you from doing the will of God from the heart, you will find the approbation of God in your conscience; no, you will find that your very persecutions will draw down more into your soul a blessed sense of the sympathy of your great High Priest, so that as your afflictions abound, so will your consolation.
Sad indeed it would be for the Church of God, if, amid her persecutions, the Lord added to the weight of her trouble by withdrawing from her the light of His countenance and the consolations of His sensible presence. But she never more sensibly reclines on His bosom than when He gives her to drink of His cup, and thus conforms her to His suffering image.
To the reader…
Are you oppressed for righteousness’ sake, and do you feel forsaken by men? They can take much from you: your good name, your possessions, yes, even the nearness of those who were dear to you. But the treasure God has laid in your heart they cannot touch. Your divine Master was also forsaken by all, and it is He Who says to you, “I will never leave thee, nor forsake thee.”
Search your heart honestly, however, whether the suffering is truly for righteousness’ sake, and not for your own wrongdoing or inconsistency. If it is for the will of God, then do not be afraid. The more afflictions come, the more the consolations will abound. Lean, then, on His arm as you drink this bitter cup; the soul is never so near to Him as when it is being conformed to His suffering image.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Perseguidos, mas no desamparados.
2 Corintios 4:9
Cualquiera que sea el daño que los perseguidores hagan o intenten hacer a un cristiano, no pueden robarle a su Dios. Pueden destruir su cuerpo; no pueden destruir su alma. Pueden herir su reputación; pero no pueden herir su conciencia. Pueden despojarle de todos sus bienes terrenales; pero no pueden poner sus manos profanas sobre el tesoro que Dios ha depositado en su pecho. Sí, todos pueden desampararle como desampararon a su divino Maestro; pero Dios ha dicho: “No te desampararé, ni te dejaré.”
¿Por qué, pues, hemos de temer la persecución por causa de la justicia? Si el Señor está de nuestra parte, ¿a quién hemos de temer? ¿Y quién es aquel que nos podrá dañar, si seguimos el bien?
Pero tenga presente que ha de ser persecución por causa de la justicia. No llame persecución a que le abofeteen por sus faltas. No se tenga por perseguido si por sus inconsecuencias ha traído sobre sí el oprobio de los hombres o la justa censura de los que temen a Dios. Pero si sus persecuciones le sobrevienen por hacer de corazón la voluntad de Dios, hallará la aprobación de Dios en su conciencia; sí, hallará que sus mismas persecuciones atraerán más a su alma un bendito sentir de la compasión de su gran Sumo Sacerdote, de modo que, así como abundan sus aflicciones, abundará también su consolación.
Triste sería en verdad para la Iglesia de Dios si, en medio de sus persecuciones, el Señor añadiera al peso de su angustia retirándole la luz de Su rostro y las consolaciones de Su presencia sensible. Pero ella nunca se recuesta más sensiblemente sobre Su seno que cuando Él le da a beber de Su copa, y así la conforma a Su imagen sufriente.
Al lector…
¿Es usted oprimido por causa de la justicia, y se siente desamparado por los hombres? Pueden quitarle mucho: su buen nombre, sus bienes, sí, incluso la cercanía de quienes le eran queridos. Pero el tesoro que Dios ha puesto en su corazón no lo pueden tocar. También su divino Maestro fue desamparado por todos, y es Él Quien le dice: “No te desampararé, ni te dejaré.”
Examine, sin embargo, su corazón con sinceridad, si el sufrimiento es de veras por causa de la justicia, y no por su propia culpa o inconsecuencia. Si es por la voluntad de Dios, entonces no tema. Cuantas más aflicciones vengan, más abundarán las consolaciones. Apóyese, pues, en Su brazo mientras bebe esta copa amarga; el alma nunca está tan cerca de Él como cuando es conformada a Su imagen sufriente.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl