6 de octubre
Want alzo zegt de Hoge en de Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte, en in het heilige; en bij dien die eens verbrijzelden en nederigen geestes is, opdat Ik levend make de geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.
Jesaja 57:15
O, welk een geheim, dat God twee woonsteden hebben zou! De „hemel der hemelen”, die „Hem niet kan bevatten”, en het nederige, gebroken en verbrijzelde hart! Maar opdat de Heere des hemels een plaats mocht hebben waarin Hij zou kunnen leven en verblijven, geeft God aan Zijn volk gaven en genadegiften; want Hij kan niet wonen in het vleselijk gemoed, in onze weerspannige natuur, in een hart vol vijandschap en goddeloosheid; daar bereidt Hij Zich een woning, een paviljoen, waarin de Koning der heerlijkheid woont, welke gordijnen zijn gelijk de gordijnen van Salomo. Zijn woning is die heilige, Goddelijke natuur, welke bij de wedergeboorte wordt medegedeeld: „de nieuwe mens, die naar God is geschapen in gerechtigheid en ware heiligheid.”
Zo woont Christus in het hart door het geloof, en is „in Zijn volk de hoop der heerlijkheid.” En dit deed Paulus zeggen: „Ik ben met Christus gekruist; nochtans leef ik; maar niet ik, maar Christus leeft in mij; en het leven, dat ik nu leef in het vlees, leef ik door het geloof van de Zone Gods, Die mij heeft liefgehad en Zich voor mij gegeven heeft.” Dit is het doel van Gods wegen: dat de Heere God in Zijn volk mocht wonen; dat er een vereniging mocht zijn tussen de gemeente en haar Verbondshoofd: „Ik in hen, en Gij in Mij, opdat Wij volmaakt zijn in één.” Dit is de oplossing van het grote raadsel, de oplossing van de ondoorgrondelijke verborgenheid: „God geopenbaard in het vlees”, opdat de Heere God in Zijn volk mocht wonen: „Ik wil in hen wonen en in hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mijn volk zijn”, en alzo Zichzelf verheerlijken door hun harten met Zijn genade en heerlijkheid te vervullen. Zo werd eertijds de tempel van Salomo vervuld; en dit alles, opdat zij Hem mochten genieten en bij Hem zijn, wanneer de tijd niet meer zal wezen. Dit is de grote sleutel tot al de handelingen des Heeren met de ziel, en tot al Zijn verborgen leidingen in de voorzienigheid: dat de Heere God hier in de harten Zijns volks mocht wonen, en eeuwig in hen verheerlijkt worden in een heerlijker en betere wereld.
Ontzondig mij met hysop en mijn ziel,
nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.
Was mij geheel, zo zal ik witter wezen
dan sneeuw, die vers op ’t aardrijk nederviel.
Ps. 51:4
Aan de lezer…
Wanneer u het overdenkt, kunt u het dan bevatten? De Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens naam heilig is, wil ook wonen bij hem die verbrijzeld en nederig van geest is. Hebt u een gebroken hart, en voelt u in uzelf niets dan een weerspannige natuur, vol vijandschap en goddeloosheid? Wanhoop dan niet. Juist in zulk een hart wil de Heere Zich een woning bereiden, om het levend te maken.
O, welk een geheim, dat Christus door het geloof in het hart van een arme zondaar woont, en daar de hoop der heerlijkheid is! Hij heeft liefgehad en Zich gegeven; Hij is het Verbondshoofd van Zijn gemeente. Bid dan met de psalmdichter om ontzondigd en gewassen te worden; Hij, Die het hart verbrijzelt, zal het ook levend maken en met Zijn genade vervullen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want alzo zegt de Hoge en de Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte, en in het heilige; en bij dien die eens verbrijzelden en nederigen geestes is, opdat Ik levend make de geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.
Jesaja 57:15
O, wat een geheim, dat God twee woonplaatsen zou hebben! De „hemel der hemelen”, die „Hem niet kan bevatten”, en het nederige, gebroken en verbrijzelde hart! Maar om de Heere van de hemel een plaats te geven waarin Hij kan leven en verblijven, geeft God aan Zijn volk gaven en genadegaven. Want Hij kan niet wonen in het vleselijk gemoed, in onze weerspannige natuur, in een hart vol vijandschap en goddeloosheid. Daarom bereidt Hij Zich daar een woning, een paviljoen, waarin de Koning der heerlijkheid woont, met gordijnen als de gordijnen van Salomo. Zijn woning is die heilige, Goddelijke natuur die bij de wedergeboorte wordt meegedeeld: „de nieuwe mens, die naar God is geschapen in gerechtigheid en ware heiligheid.”
Zo woont Christus door het geloof in het hart en is Hij „in Zijn volk de hoop der heerlijkheid.” Dat deed Paulus zeggen: „Ik ben met Christus gekruist; nochtans leef ik; maar niet ik, maar Christus leeft in mij; en het leven, dat ik nu leef in het vlees, leef ik door het geloof van de Zone Gods, Die mij heeft liefgehad en Zich voor mij gegeven heeft.” Dit is het doel van Gods wegen: dat de Heere God in Zijn volk zou wonen, en dat er een vereniging zou zijn tussen de gemeente en haar Verbondshoofd: „Ik in hen, en Gij in Mij, opdat Wij volmaakt zijn in één.”
Dit is de oplossing van het grote raadsel, de ontsluiting van de ondoorgrondelijke verborgenheid: „God geopenbaard in het vlees”, zodat de Heere God in Zijn volk zou wonen: „Ik wil in hen wonen en in hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mijn volk zijn.” Zo verheerlijkt Hij Zichzelf door hun harten met Zijn genade en heerlijkheid te vervullen. Zo werd vroeger ook de tempel van Salomo vervuld. En Hij doet dit opdat zij Hem zouden genieten en bij Hem zouden zijn wanneer de tijd niet meer zal zijn. Dit is de grote sleutel tot al de handelingen van de Heere met de ziel en tot al Zijn verborgen leidingen in de voorzienigheid: dat de Heere God hier in de harten van Zijn volk zou wonen, en eeuwig in hen verheerlijkt zou worden in een heerlijker en betere wereld.
Ontzondig mij met hysop en mijn ziel,
nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.
Was mij geheel, zo zal ik witter wezen
dan sneeuw, die vers op ’t aardrijk nederviel.
Ps. 51:4
Aan de lezer…
Wanneer u het overdenkt, kunt u het dan bevatten? De Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is, wil ook wonen bij wie verbrijzeld en nederig van geest is. Hebt u een gebroken hart, en voelt u in uzelf niets dan een weerspannige natuur, vol vijandschap en goddeloosheid? Wanhoop dan niet. Juist in zo’n hart wil de Heere Zich een woning bereiden, om het levend te maken.
O, wat een geheim, dat Christus door het geloof in het hart van een arme zondaar woont en daar de hoop der heerlijkheid is! Hij heeft liefgehad en Zich gegeven; Hij is het Verbondshoofd van Zijn gemeente. Bid dan met de psalmdichter om ontzondigd en gewassen te worden. Hij, Die het hart verbrijzelt, zal het ook levend maken en met Zijn genade vervullen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For thus saith the high and lofty One that inhabiteth eternity, Whose Name is Holy; I dwell in the high and holy place, with him also that is of a contrite and humble spirit, to revive the spirit of the humble, and to revive the heart of the contrite ones.
Isaiah 57:15
O what a mystery that God should have two dwelling-places! The “heaven of heavens” that “cannot contain Him;” and the humble, broken, and contrite heart! But in order that the Lord of heaven might have a place in which He could live and lodge, God gives to His people gifts and graces; for He cannot come and dwell in the carnal mind, in our rebellious nature, in a heart full of enmity and wickedness; He therefore makes a lodging-place for Himself, a pavilion in which the King of glory dwells, the curtains of which are like the curtains of Solomon.
His abode is that holy, divine nature which is communicated at regeneration—“the new man, which after God is created in righteousness and true holiness.” Thus Christ dwells in the heart by faith; and is “in His people, the hope of glory.” And this made Paul say, “I am crucified with Christ; nevertheless I live; yet not I, but Christ lives in me; and the life which I now live in the flesh, I live by the faith of the Son of God, Who loved me, and gave Himself for me.”
This is the object of God’s dealings—that the Lord God might dwell in His people; that there might be a union between the Church and her covenant Head—“I in them, and they in Me, that they might be perfect in one.” This is the unfolding of the grand enigma, the solution of the incomprehensible mystery, “God manifest in the flesh,”—that the Lord God might dwell in His people; “I will dwell in them, and walk in them; and I will be their God, and they shall be My people;” and thus glorify Himself by filling their hearts with His grace and glory, as Solomon’s temple was of old, and that they might enjoy Him, and be with Him when time shall be no more.
This is the grand key to all the Lord’s dealings with the soul, and all His mysterious leadings in providence—that the Lord God might dwell in the hearts of His people here, and be eternally glorified in them in a brighter and a better world.
To the reader…
When you ponder it, can you take it in? The high and lofty One, Who inhabits eternity and Whose Name is Holy, will also dwell with him that is of a contrite and humble spirit. Do you have a broken heart, and do you feel nothing in yourself but a rebellious nature, full of enmity and wickedness? Then do not despair. It is in just such a heart that the Lord will prepare a dwelling for Himself, to revive it.
O what a mystery, that Christ dwells by faith in the heart of a poor sinner and is the hope of glory there! He has loved and given Himself; He is the covenant Head of His Church. Pray, then, with the psalmist to be purged and washed. He Who breaks the heart will also revive it and fill it with His grace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque así dijo el Alto y Sublime, el que habita la eternidad, y cuyo nombre es el Santo: Yo habito en la altura y la santidad, y con el quebrantado y humilde de espíritu, para hacer vivir el espíritu de los humildes, y para vivificar el corazón de los quebrantados.
Isaías 57:15
¡Oh, qué misterio que Dios tenga dos moradas! ¡Los “cielos de los cielos”, que “no Le pueden contener”, y el corazón humilde, quebrantado y contrito! Pero para que el Señor del cielo tuviera un lugar en el que pudiera vivir y hospedarse, Dios da a Su pueblo dones y gracias; porque Él no puede venir a morar en la mente carnal, en nuestra naturaleza rebelde, en un corazón lleno de enemistad y maldad; por eso se hace un lugar donde hospedarse, un pabellón en el que mora el Rey de gloria, cuyas cortinas son como las cortinas de Salomón.
Su morada es esa naturaleza santa y divina que se comunica en la regeneración: “el nuevo hombre, que es criado conforme a Dios en justicia y en santidad de verdad”. Así habita Cristo por la fe en el corazón, y es “en Su pueblo la esperanza de gloria”. Y esto hizo decir a Pablo: “Con Cristo estoy juntamente crucificado, y vivo, no ya yo, mas vive Cristo en mí; y lo que ahora vivo en la carne, lo vivo en la fe del Hijo de Dios, el cual me amó, y se entregó a Sí mismo por mí”.
Este es el objeto de los tratos de Dios: que el Señor Dios more en Su pueblo; que haya una unión entre la Iglesia y su Cabeza del pacto: “Yo en ellos, y ellos en Mí, para que sean consumadamente una cosa”. Esta es la explicación del gran enigma, la solución del misterio incomprensible, “Dios ha sido manifestado en carne”: que el Señor Dios more en Su pueblo; “Habitaré y andaré en ellos; y seré el Dios de ellos, y ellos serán Mi pueblo”; y así glorificarse a Sí mismo llenando sus corazones de Su gracia y gloria, como antiguamente el templo de Salomón, y que ellos Le disfruten y estén con Él cuando el tiempo ya no sea más.
Esta es la gran llave de todos los tratos del Señor con el alma, y de todas Sus misteriosas guías en la providencia: que el Señor Dios more aquí en el corazón de Su pueblo, y sea eternamente glorificado en ellos en un mundo más resplandeciente y mejor.
Al lector…
Cuando lo medita, ¿puede comprenderlo? El Alto y Sublime, que habita la eternidad y cuyo Nombre es el Santo, quiere habitar también con el quebrantado y humilde de espíritu. ¿Tiene usted un corazón quebrantado, y no siente en sí mismo más que una naturaleza rebelde, llena de enemistad y maldad? Entonces no desespere. Es precisamente en un corazón así donde el Señor quiere prepararse una morada, para vivificarlo.
¡Oh, qué misterio, que Cristo habite por la fe en el corazón de un pobre pecador y sea allí la esperanza de gloria! Él ha amado y se ha entregado a Sí mismo; Él es la Cabeza del pacto de Su Iglesia. Ore, pues, con el salmista para ser purificado y lavado. Aquel que quebranta el corazón también lo vivificará y lo llenará de Su gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl