2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beërven.
Hebr. 6:12
Lankmoedigheid is noodzakelijk om de echtheid en de wezenlijkheid van het geloof te bewijzen. In het algemeen — ik mag zeggen onveranderlijk — vervult de Heere Zijn bedoelingen niet opeens. Gewoonlijk — ik mag bijna zeggen onveranderlijk — werkt Hij trapsgewijs. Is dat ook niet zo in de schepping? Zien wij de eik opeens in zijn reusachtige grootte zich oprichten? Wordt niet een kleine eikel aan de grond toevertrouwd, en is de reus der wouden, wiens verbazend grote armen wij bewonderen, niet de wasdom ener eeuw? Mannen en vrouwen behoeven jaren om tot hun volkomen wasdom te geraken.
Zo is het ook in het geestelijke. Hij die gelooft, zal niet haasten. Het geloof in de ziel wast over het algemeen langzaam; want de Heere zorgt dat elke schrede op het pad zal beproefd worden door de belemmeringen en moeilijkheden die er zich op bevinden. En Hij heeft dit zo beschikt als een middel om het geloof van Gods uitverkorenen te onderscheiden van het geloof dergenen die de naam hebben van te leven, terwijl zij dood zijn.
Zij worden afvallig en keren af van het geloof. Evenals de hoorders bij wie het Woord op een steenachtige grond valt, geloven zij voor een tijd, maar als de verzoeking komt, vallen zij af. De verschillende hinderpalen hunner natuur, de zinnen en het verstand, de zonde, de duivel en de wereld krijgen de overmacht over hen; aldus keren zij af, geven alle godsdienstige belijdenis op en sterven in hun zonden. Maar het volk Gods kan zo niet sterven. Hun geloof is blijvend, omdat hetgeen God doet, eeuwig is. Hun geloof weerstaat zo alle stormen en is eeuwig.
Gij evenwel, Gij blijft dezelfd’, o Heer,
Gij zijt van ouds mijn toeverlaat, mijn Koning,
die uitkomst gaaft en uit Uw hemelwoning
voor ieders oog Uw haat’ren gingt te keer.
Ps. 74:12
Aan de lezer…
Wordt u moedeloos, lezer, omdat het zo langzaam gaat? U had gehoopt dat de Heere alles in één keer zou doen: uw twijfels wegnemen, uw zonden onderwerpen, uw geloof sterk maken. En nu lijkt elke schrede op het pad beproefd en belemmerd. Maar bedenk hoe de reus der wouden eens een kleine eikel was, die een eeuw nodig had om te worden wat hij is. Zo werkt de Heere ook in de ziel: trapsgewijs, in stilte, en vaak verborgen voor ons eigen oog.
Hij die gelooft, zal niet haasten. De belemmeringen op uw weg zijn geen bewijs dat Hij u vergeten heeft, maar het middel waardoor Hij Zijn werk beproeft en openbaar maakt. Wat de mens begint, valt af wanneer de verzoeking komt; maar wat God doet, is eeuwig. Word dan niet traag, maar wacht in lankmoedigheid op Hem. Het geloof dat Hij gegeven heeft, zal alle stormen doorstaan en eens de beloftenissen beërven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beërven.
Hebr. 6:12
Lankmoedigheid is nodig om te bewijzen dat het geloof echt en wezenlijk is. In het algemeen, ik mag wel zeggen altijd, vervult de Heere Zijn bedoelingen niet in één keer. Gewoonlijk, ik mag bijna zeggen altijd, werkt Hij stap voor stap. Is dat in de schepping ook niet zo? Zien wij de eik in één keer in zijn reusachtige grootte oprijzen? Wordt er niet een kleine eikel aan de grond toevertrouwd? En is de reus van het woud, waarvan wij de verbazend grote armen bewonderen, niet de groei van een eeuw? Mannen en vrouwen hebben jaren nodig om volgroeid te raken.
Zo is het ook in het geestelijke. Wie gelooft, zal niet haasten. Het geloof groeit in de ziel meestal langzaam, want de Heere zorgt ervoor dat elke stap op het pad beproefd wordt door de belemmeringen en moeilijkheden die erop liggen. Hij heeft dat zo beschikt als een middel om het geloof van Gods uitverkorenen te onderscheiden van het geloof van hen die de naam hebben dat zij leven, terwijl zij dood zijn.
Zij worden afvallig en keren zich af van het geloof. Net als de hoorders bij wie het Woord op steenachtige grond valt, geloven zij voor een tijd, maar als de verzoeking komt, vallen zij af. De verschillende hindernissen van hun natuur, hun zinnen en hun verstand, de zonde, de duivel en de wereld krijgen de overhand over hen. Zo keren zij zich af, geven elke godsdienstige belijdenis op en sterven in hun zonden. Maar het volk van God kan zo niet sterven. Hun geloof blijft, omdat wat God doet, eeuwig is. Zo doorstaat hun geloof alle stormen en is het eeuwig.
Gij evenwel, Gij blijft dezelfd’, o Heer,
Gij zijt van ouds mijn toeverlaat, mijn Koning,
die uitkomst gaaft en uit Uw hemelwoning
voor ieders oog Uw haat’ren gingt te keer.
Ps. 74:12
Aan de lezer…
Wordt u moedeloos omdat het zo langzaam gaat? U had gehoopt dat de Heere alles in één keer zou doen: uw twijfels wegnemen, uw zonden onderwerpen, uw geloof sterk maken. En nu lijkt elke stap op het pad beproefd en belemmerd. Maar bedenk dat de reus van het woud eens een kleine eikel was, die een eeuw nodig had om te worden wat hij nu is. Zo werkt de Heere ook in de ziel: stap voor stap, in stilte, en vaak verborgen voor ons eigen oog.
Wie gelooft, zal niet haasten. De belemmeringen op uw weg zijn geen bewijs dat Hij u vergeten heeft. Zij zijn het middel waardoor Hij Zijn werk beproeft en openbaar maakt. Wat de mens begint, valt af wanneer de verzoeking komt; maar wat God doet, is eeuwig. Word dan niet traag, maar wacht in lankmoedigheid op Hem. Het geloof dat Hij gegeven heeft, zal alle stormen doorstaan en eens de beloften beërven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That ye be not slothful, but followers of them who through faith and patience inherit the promises.
Hebrews 6:12
Patience is necessary in order to prove the genuineness and reality of faith. The Lord generally—I may say invariably—does not accomplish His purposes at once. He usually—I might say almost invariably—works by gradations. Is not this the case in creation? Do we see the oak starting up in all its gigantic proportions in one day? Is not a tiny acorn committed to the ground; and is not the giant oak, whose huge limbs we admire, the growth of a century? Men and women are years growing up to their full stature.
In a like manner, it is spiritually. “He that believes shall not make haste.” Faith in the soul is of slow growth for the most part; for the Lord takes care that every step in the path shall be tried by the perplexities and difficulties that surround it. And He has appointed this, that it may be a means of distinguishing the faith of God’s elect from the faith of those who have a name to live while dead. They apostatize and turn away from the faith.
Like the stony-ground hearers, they believe for a time, but in temptation fall away. The various hindrances of nature, sense and reason, sin, the devil, and the world get the better of them; thus they turn back, often give up all profession of religion, and die in their sins. But the Lord’s people cannot so die. Their faith is of a lasting nature, because what God does He does forever. Thus their faith stands every storm and endures forever.
To the reader…
Are you growing discouraged because things go so slowly? You had hoped the Lord would do everything at once: take away your doubts, subdue your sins, make your faith strong. And now every step on the path seems tried and hindered. But remember that the giant of the forest was once a small acorn, which needed a century to become what it is now. So the Lord works in the soul as well: step by step, in silence, and often hidden from our own eyes.
He that believeth shall not make haste. The hindrances on your way are no proof that He has forgotten you. They are the means by which He tries His work and makes it manifest. What man begins falls away when temptation comes; but what God does is forever. Do not be slothful, then, but wait patiently for Him. The faith He has given will weather every storm and one day inherit the promises.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Que no os hagáis perezosos, mas imitadores de aquellos que por la fe y la paciencia heredan las promesas.
Hebreos 6:12
La paciencia es necesaria para probar la autenticidad y realidad de la fe. El Señor generalmente, y podría decir invariablemente, no cumple Sus propósitos de una vez. Por lo común, y casi podría decir invariablemente, obra por grados. ¿No sucede así en la creación? ¿Vemos surgir el roble en todas sus gigantescas proporciones en un solo día? ¿No se confía a la tierra una diminuta bellota, y no es el roble gigante, cuyas enormes ramas admiramos, el crecimiento de un siglo? Los hombres y las mujeres tardan años en crecer hasta su plena estatura.
Del mismo modo sucede en lo espiritual. “El que creyere, no se apresure.” La fe en el alma es, en su mayor parte, de crecimiento lento; porque el Señor cuida de que cada paso en el camino sea probado por las perplejidades y dificultades que lo rodean. Y Él lo ha dispuesto así para que sea un medio de distinguir la fe de los escogidos de Dios de la fe de aquellos que tienen nombre de que viven y están muertos. Estos apostatan y se apartan de la fe.
Como los oyentes de pedregales, creen por un tiempo, pero en la hora de la tentación se apartan. Los diversos estorbos de la naturaleza, de los sentidos y la razón, el pecado, el diablo y el mundo los vencen; así vuelven atrás, muchas veces abandonan toda profesión de religión y mueren en sus pecados. Pero el pueblo del Señor no puede morir así. Su fe es de naturaleza duradera, porque lo que Dios hace, lo hace para siempre. Así su fe resiste toda tormenta y permanece para siempre.
Al lector…
¿Se está desanimando usted porque las cosas van tan despacio? Esperaba que el Señor lo hiciera todo de una vez: quitar sus dudas, sujetar sus pecados, fortalecer su fe. Y ahora cada paso en el camino parece probado y estorbado. Pero recuerde que el gigante del bosque fue una vez una pequeña bellota, que necesitó un siglo para llegar a ser lo que es ahora. Así obra también el Señor en el alma: paso a paso, en silencio, y muchas veces oculto a nuestros propios ojos.
El que creyere, no se apresure. Los estorbos en su camino no son prueba de que Él le haya olvidado. Son los medios por los cuales Él prueba Su obra y la hace manifiesta. Lo que el hombre comienza se aparta cuando llega la tentación; pero lo que Dios hace es para siempre. No sea, pues, perezoso, sino espérele con paciencia. La fe que Él le ha dado resistirá toda tormenta y un día heredará las promesas.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Leer mij Uw paden
Heere! Maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Leid mij in Uw waarheid.
Psalm 25:4-5
Wat een bekentenis van onwetendheid bevat dit gebed! Het zegt eigenlijk: „Heere, ik kan het pad niet zien; toon het mij; als ik het zie, kan ik het niet bewandelen; ik weet dat als ik op mijn eigen wijsheid vertrouw, ik een dwaas ben. Daarom wil ik dat U mij Uw paden leert, dan zal ik ze zien, ze kennen en ze bewandelen met heilige vrijheid en goddelijke troost.”
Er wordt nog een smeekbede in dezelfde geest uitgesproken: „Leid mij in Uw waarheid.” Er zit niet alleen iets heel dierbaars in Gods waarheid, maar ook iets heel verheffends. Het is beslist die openbaring die met de hoogste kentekenen van goddelijke wijsheid bestempeld is. Wat zijn er echter naar verhouding weinigen die enige voorkeur voor Gods waarheid hebben, of er zelfs maar een klein beetje naar verlangen. Wat kan men toch makkelijk omgaan met leugens, dwalingen en misvattingen in zulke ernstige aangelegenheden als de eeuwigheid, en daarin bedriegen en bedrogen worden.
Nee, ik denk dat er geen dwaling of ketterij is die de duivel zou kunnen bedenken, die tallozen niet bereid zijn te geloven en die ze niet graag willen verspreiden. De menselijke geest, die afgesloten van de waarheid lijkt, staat als een stad zonder muren open voor de invallen van elke dwaling. Maar als God door middel van Zijn Heilige Geest de ogen van Zijn kinderen met Zijn goddelijke ogenzalf inwrijft, en ze opent om Zijn waarheid te zien, wat een licht en leven vergezellen dan de onthulling van die waarheid aan de ziel! Een van de eerste kenmerken van de genade, een van de eerste aanduidingen van Gods werk aan de ziel is, naar mijn mening, liefde tot de waarheid, een verlangen en neiging van de ziel naar het zuivere Woord van God. Iemand kan in het duister verkeren wat betreft de leer, kan onder geleerde predikanten zitten en in zielsverwarring zijn wat betreft zijn eigen toestand en staat, en toch bij dit alles een oprecht geestelijk verlangen naar de waarheid koesteren, en heel erg ontevreden over dwalingen zijn.
Lezen: Spreuken 23:1-23
Aan de lezer…
Wat een gebed is dit: „Leid mij in Uw waarheid”! Kunt u het met de Psalmist meebidden? Het is een bekentenis van onwetendheid: Heere, ik kan het pad niet zien, en als ik het zie, kan ik het niet bewandelen. Wie op zijn eigen wijsheid vertrouwt, staat als een stad zonder muren open voor elke dwaling. Hoe gemakkelijk gaan velen om met leugens in zaken die de eeuwigheid betreffen!
Misschien bent u nog in het duister wat de leer betreft, of in verwarring over uw eigen staat. Toch: is er in uw hart een oprecht verlangen naar het zuivere Woord van God, een ontevredenheid met de dwaling, een liefde tot de waarheid? Dat is een van de eerste kenmerken van Gods werk aan de ziel. Vraag Hem dan dat Hij uw ogen met Zijn goddelijke ogenzalf inwrijve, opdat u Zijn waarheid mag zien, kennen en met heilige vrijheid bewandelen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heere! Maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Leid mij in Uw waarheid.
Psalm 25:4-5
Wat een bekentenis van onwetendheid bevat dit gebed! Het zegt eigenlijk: „Heere, ik kan het pad niet zien; toon het mij; als ik het zie, kan ik het niet bewandelen; ik weet dat als ik op mijn eigen wijsheid vertrouw, ik een dwaas ben. Daarom wil ik dat U mij Uw paden leert, dan zal ik ze zien, ze kennen en ze bewandelen met heilige vrijheid en goddelijke troost.”
In dezelfde geest volgt nog een smeekbede: „Leid mij in Uw waarheid.” Er ligt niet alleen iets heel dierbaars in Gods waarheid, maar ook iets heel verhevens. Het is beslist die openbaring die met de hoogste kentekenen van goddelijke wijsheid bestempeld is. Maar wat zijn er naar verhouding weinigen die enige voorkeur hebben voor Gods waarheid, of er zelfs maar een klein beetje naar verlangen! Hoe gemakkelijk gaat men toch om met leugens, dwalingen en misvattingen in zulke ernstige zaken als de eeuwigheid, en hoe gemakkelijk laat men zich daarin bedriegen en bedriegt men anderen!
Nee, ik denk dat er geen dwaling of ketterij is die de duivel zou kunnen bedenken, die tallozen niet bereid zijn te geloven en die zij niet graag zouden verspreiden. De menselijke geest, die voor de waarheid gesloten lijkt, ligt als een stad zonder muren open voor de aanvallen van elke dwaling. Maar wanneer God door Zijn Heilige Geest de ogen van Zijn kinderen met Zijn goddelijke ogenzalf zalft en ze opent om Zijn waarheid te zien, welk licht en leven gaan dan gepaard met het onthullen van die waarheid aan de ziel!
Een van de eerste kenmerken van de genade, een van de eerste tekenen van Gods werk aan de ziel, is naar mijn mening liefde tot de waarheid: een verlangen en neiging van de ziel naar het zuivere Woord van God. Iemand kan in het duister verkeren wat de leer betreft, hij kan onder geleerde predikanten zitten en in verwarring zijn over zijn eigen toestand en staat. En toch kan hij bij dit alles een oprecht geestelijk verlangen naar de waarheid koesteren en heel ontevreden zijn over dwalingen.
Lezen: Spreuken 23:1-23
Aan de lezer…
Wat een gebed is dit: „Leid mij in Uw waarheid”! Kunt u het met de Psalmist meebidden? Het is een bekentenis van onwetendheid: Heere, ik kan het pad niet zien, en als ik het zie, kan ik het niet bewandelen. Wie op zijn eigen wijsheid vertrouwt, ligt als een stad zonder muren open voor elke dwaling. Hoe gemakkelijk gaan velen om met leugens in zaken die de eeuwigheid betreffen!
Misschien bent u nog in het duister wat de leer betreft, of in verwarring over uw eigen staat. Maar is er in uw hart een oprecht verlangen naar het zuivere Woord van God, een ontevredenheid over de dwaling, een liefde tot de waarheid? Dat is een van de eerste kenmerken van Gods werk aan de ziel. Vraag Hem dan of Hij uw ogen met Zijn goddelijke ogenzalf wil zalven, zodat u Zijn waarheid mag zien, kennen en met heilige vrijheid bewandelen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Shew me Thy ways, O LORD; teach me Thy paths. Lead me in Thy truth.
Psalm 25:4-5
What a confession of ignorance this prayer contains! It really says, “Lord, I cannot see the path; show it me; when I see it, I cannot walk in it; I know that if I trust in my own wisdom, I am a fool. Therefore I would have Thee teach me Thy paths; then I shall see them, know them and walk in them with holy liberty and Divine consolation.”
In the same spirit there follows another petition, “Lead me in Thy truth.” There is not only something very precious in God’s truth, but also something very sublime. It is surely that revelation which is stamped with the highest marks of Divine wisdom. But how comparatively few there are who have any preference for God’s truth, or even the least desire after it! How lightly men deal with lies, errors and delusions in such solemn matters as eternity, and how easily they let themselves be deceived in them and deceive others!
Nay, I believe there is no error or heresy the devil could devise which countless numbers are not ready to believe and would not gladly spread. The human mind, which seems closed against the truth, lies open like a city without walls to the assaults of every error. But when God by His Holy Spirit anoints the eyes of His children with His Divine eyesalve and opens them to see His truth, what light and life attend the unveiling of that truth to the soul!
One of the first marks of grace, one of the first tokens of God’s work upon the soul, is in my judgment a love of the truth: a desire and inclination of the soul towards the pure Word of God. A man may be in darkness as to doctrine, he may sit under learned ministers and be in confusion about his own state and standing. And yet with all this he may cherish a sincere spiritual longing after the truth and be very dissatisfied with errors.
Reading: Proverbs 23:1-23
To the reader…
What a prayer this is: “Lead me in Thy truth”! Can you pray it with the Psalmist? It is a confession of ignorance: Lord, I cannot see the path, and when I see it, I cannot walk in it. Whoever trusts in his own wisdom lies open like a city without walls to every error. How lightly many deal with lies in matters that concern eternity!
Perhaps you are still in darkness as to doctrine, or in confusion about your own state. But is there in your heart a sincere longing after the pure Word of God, a dissatisfaction with error, a love of the truth? That is one of the first marks of God’s work upon the soul. Ask Him then to anoint your eyes with His Divine eyesalve, so that you may see His truth, know it and walk in it with holy liberty.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Muéstrame, oh Jehová, Tus caminos; enséñame Tus sendas. Encamíname en Tu verdad.
Salmo 25:4-5
¡Qué confesión de ignorancia contiene esta oración! En realidad dice: “Señor, no puedo ver la senda; muéstramela; cuando la veo, no puedo andar por ella; sé que si confío en mi propia sabiduría, soy un necio. Por eso quisiera que Tú me enseñes Tus sendas; entonces las veré, las conoceré y andaré por ellas con santa libertad y consolación divina”.
En el mismo espíritu sigue otra petición: “Encamíname en Tu verdad”. No solo hay algo muy precioso en la verdad de Dios, sino también algo muy sublime. Es sin duda aquella revelación que lleva impresas las más altas señales de la sabiduría divina. ¡Pero qué relativamente pocos son los que tienen alguna preferencia por la verdad de Dios, o siquiera el menor deseo de ella! ¡Con qué ligereza tratan los hombres con mentiras, errores y engaños en asuntos tan solemnes como la eternidad, y con qué facilidad se dejan engañar en ellos y engañan a otros!
Es más, creo que no hay error ni herejía que el diablo pudiera idear que innumerables personas no estén dispuestas a creer y no difundan con gusto. La mente humana, que parece cerrada contra la verdad, está abierta como una ciudad sin muros a los asaltos de todo error. Pero cuando Dios por Su Espíritu Santo unge los ojos de Sus hijos con Su colirio divino y los abre para ver Su verdad, ¡qué luz y qué vida acompañan el desvelamiento de esa verdad al alma!
Una de las primeras señales de la gracia, una de las primeras muestras de la obra de Dios en el alma, es a mi juicio el amor a la verdad: un deseo e inclinación del alma hacia la pura Palabra de Dios. Un hombre puede estar en tinieblas en cuanto a la doctrina, puede sentarse bajo ministros eruditos y estar en confusión acerca de su propio estado y condición. Y sin embargo, con todo esto, puede abrigar un anhelo espiritual sincero de la verdad y estar muy descontento con los errores.
Lectura: Proverbios 23:1-23
Al lector…
¡Qué oración es esta: “Encamíname en Tu verdad”! ¿Puede usted orarla con el Salmista? Es una confesión de ignorancia: Señor, no puedo ver la senda, y cuando la veo, no puedo andar por ella. Quien confía en su propia sabiduría está abierto como una ciudad sin muros a todo error. ¡Con qué ligereza tratan muchos con la mentira en asuntos que conciernen a la eternidad!
Quizá todavía está en tinieblas en cuanto a la doctrina, o en confusión acerca de su propio estado. Pero ¿hay en su corazón un anhelo sincero de la pura Palabra de Dios, un descontento con el error, un amor a la verdad? Esa es una de las primeras señales de la obra de Dios en el alma. Pídale entonces que unja sus ojos con Su colirio divino, para que vea Su verdad, la conozca y ande en ella con santa libertad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad.
Psalm 63:1
David spreekt hier van God te zoeken zoals Hij in Zichzelf is, als onderscheiden van de gaven die Hij geeft. Zijn gaven zijn God Zelf niet. Daarom zegt hij: „O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad.” De bruid moge de kostelijke gaven van haar Bruidegom waarderen; maar wat zijn Zijn gaven tegenover Zijn Persoon? Zo prijst de kerk zeer de gaven en zegeningen van haar Koninklijke Man, doch wat zijn deze vergeleken met Hem, Die in haar bewonderende ogen het Hoofd is over tienduizend? En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.
Aldus gezien door het oog des geloofs, is er iets in Zijn gezegende majesteit dat die ziel alleen kan bevredigen, die onderwezen is door Zijn Geest en beïnvloed is door Zijn genade. De ziel werd geformeerd voor Hem, en begiftigd met onsterfelijkheid door Hem. Kracht en vermogens werden daartoe gegeven, die tot een oneindige hoogte zouden hebben kunnen opklimmen in het kennen en in het genieten. Zodat, geschapen voor God, niets dan God alleen haar uitgestrekte begeerten en verlangens kan vervullen. Maar in Hem is, geopenbaard aan een gelovig hart, hetgeen het kan bevredigen. Zijn gunst is leven, Zijn tegenwoordigheid is de hemel bij aanvang, Zijn liefde een voorsmaak van de eeuwige zaligheid.
Wanneer wij dus de zegeningen zoeken die Hij alleen geven kan, dan doen wij dit niet onafhankelijk van de Gever. Wij beminnen de gave, maar schatten de Gever hoger. Zonder de Gever zou de gave waardeloos zijn. De huwelijksring is het onderpand der vereniging, maar wat zou de ring zijn zonder de bruidegom? Spotternij. Zo ook alle gunstbewijzen en zegeningen die de Heere kan geven: zou Hij bij de gave Zichzelf niet geven, dat ware ons een bespotting. Maar in het geven van de zegeningen geeft Hij Zichzelf. Gelijk de bruidegom de ring aan de vinger van zijn bruid steekt en daarbij zichzelf geeft, zo ook geeft Hij Zichzelf als Hij Zijn liefdebewijzen in het hart van Zijn beminden afdrukt.
Buiten dit kan ook niets ter wereld de begeerten van een ontwaakte ziel bevredigen. Het is Jezus, zegt zij, Die ik nodig heb. Zonder Hem zou zelfs de hemel een hel zijn; zonder Hem zou het leven geen leven zijn, noch de heerlijkheid een heerlijkheid, noch de onsterfelijkheid de onsterfelijkheid! Gelijk de aarde niet zonder de zon kan bestaan, zo kan de kerk niet bestaan zonder Jezus. En gelijk bij de afwezigheid der zon geen kaarsen de plaats van het eigen heerlijk licht van de hemel kunnen vervangen, zo ook kunnen geen spranken, hoe helder ook van vuur, ontstoken door des mensen hand, de afwezigheid van de Zon der gerechtigheid voor de kerk vervangen. Hij moet voor ons zijn gelijk Hij is, dat is ons Alles.
Wanneer wij Hem hebben, dan hebben wij alles; hebben wij Hem niet, dan hebben wij niets. De Geest des Heeren drukke deze waarheid diep in uw hart, opdat gij het moogt overleggen, waarheen gij u ook wendt: als gij Jezus hebt, dan hebt gij alles; hebt gij Hem niet, dan hebt gij niets. Deze voortdurende ondervinding van blijdschap in en door Hem, en van uw ellende wanneer gij Hem missen moet, door de kracht van de gezegende Geest in uw ziel onderhouden, zal u doen uitgaan om Hem voortdurend te zoeken. Dit deed David zeggen: „Ik zoek U in de dageraad.”
Aan de lezer…
Wat zoekt u eigenlijk, lezer, als u uw knieën buigt? Alleen een verlichting van uw last, een uitkomst in uw zorgen, een gave uit Zijn hand? Die gaven zijn goed, maar zij zijn God Zelf niet. Een ring zonder de bruidegom is maar een lege belofte. Uw ziel is voor God geschapen, en daarom kan niets dan God alleen haar verlangens vervullen.
Misschien voelt u juist die leegte, en ervaart u hoe arm alles is als Hij er niet is. Dat is geen vreemd teken; het is de onrust van een ziel die naar haar Bron verlangt. Laat die ellende u dan uitdrijven om Hem te zoeken, vroeg en telkens weer. Want als u Jezus hebt, dan hebt u alles; hebt u Hem niet, dan hebt u niets. Zeg dan met de psalmdichter: „O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad.
Psalm 63:1
David spreekt hier over het zoeken van God zoals Hij in Zichzelf is, onderscheiden van de gaven die Hij geeft. Zijn gaven zijn God Zelf niet. Daarom zegt hij: „O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad.” De bruid mag de kostbare gaven van haar Bruidegom waarderen, maar wat zijn Zijn gaven vergeleken met Zijn Persoon? Zo prijst de kerk de gaven en zegeningen van haar Koninklijke Man zeer, maar wat zijn die vergeleken met Hem, Die in haar bewonderende ogen het Hoofd is boven tienduizend? En alles aan Hem is heel begeerlijk.
Zo gezien met het oog van het geloof, is er iets in Zijn gezegende majesteit dat alleen die ziel kan bevredigen die door Zijn Geest onderwezen en door Zijn genade aangeraakt is. De ziel werd gevormd voor Hem, en begiftigd met onsterfelijkheid door Hem. Daartoe werden haar kracht en vermogens gegeven, die tot een oneindige hoogte zouden hebben kunnen opklimmen in het kennen en in het genieten. Omdat zij voor God geschapen is, kan dus niets dan God alleen haar uitgestrekte begeerten en verlangens vervullen. Maar in Hem, geopenbaard aan een gelovig hart, is wat het kan bevredigen. Zijn gunst is leven, Zijn tegenwoordigheid is de hemel begonnen, Zijn liefde een voorsmaak van de eeuwige zaligheid.
Wanneer wij dus de zegeningen zoeken die alleen Hij kan geven, dan doen wij dat niet los van de Gever. Wij hebben de gave lief, maar schatten de Gever hoger. Zonder de Gever zou de gave waardeloos zijn. De trouwring is het onderpand van de verbintenis, maar wat zou de ring zijn zonder de bruidegom? Spot. Zo is het ook met alle gunstbewijzen en zegeningen die de Heere kan geven: als Hij bij de gave niet Zichzelf zou geven, zou dat voor ons een bespotting zijn. Maar in het geven van de zegeningen geeft Hij Zichzelf. Zoals de bruidegom de ring aan de vinger van zijn bruid schuift en daarbij zichzelf geeft, zo geeft ook Hij Zichzelf wanneer Hij Zijn liefdesbewijzen in het hart van Zijn geliefden drukt.
Buiten Hem kan ook niets ter wereld de begeerten van een ontwaakte ziel bevredigen. Het is Jezus, zegt zij, Die ik nodig heb. Zonder Hem zou zelfs de hemel een hel zijn; zonder Hem zou het leven geen leven zijn, de heerlijkheid geen heerlijkheid, de onsterfelijkheid geen onsterfelijkheid! Zoals de aarde niet zonder de zon kan bestaan, zo kan de kerk niet bestaan zonder Jezus. En zoals bij de afwezigheid van de zon geen kaarsen de plaats kunnen innemen van het eigen heerlijke licht van de hemel, zo kunnen ook geen vonken van vuur, hoe helder ook, ontstoken door mensenhanden, voor de kerk de afwezigheid van de Zon der gerechtigheid vervangen. Hij moet voor ons zijn wat Hij is: ons Alles.
Wanneer wij Hem hebben, dan hebben wij alles; hebben wij Hem niet, dan hebben wij niets. Moge de Geest van de Heere deze waarheid diep in uw hart drukken, zodat u het mag overdenken, waar u zich ook heen wendt: als u Jezus hebt, dan hebt u alles; hebt u Hem niet, dan hebt u niets. Deze voortdurende ervaring van blijdschap in en door Hem, en van uw ellende wanneer u Hem moet missen, door de kracht van de gezegende Geest in uw ziel onderhouden, zal u ertoe brengen om Hem voortdurend te zoeken. Dit deed David zeggen: „Ik zoek U in de dageraad.”
Aan de lezer…
Wat zoekt u eigenlijk, lezer, als u uw knieën buigt? Alleen verlichting van uw last, een uitkomst in uw zorgen, een gave uit Zijn hand? Die gaven zijn goed, maar zij zijn God Zelf niet. Een ring zonder de bruidegom is maar een lege belofte. Uw ziel is voor God geschapen, en daarom kan niets dan God alleen haar verlangens vervullen.
Misschien voelt u juist die leegte, en ervaart u hoe arm alles is als Hij er niet is. Dat is geen vreemd teken; het is de onrust van een ziel die naar haar Bron verlangt. Laat die ellende u dan uitdrijven om Hem te zoeken, vroeg en telkens weer. Want als u Jezus hebt, dan hebt u alles; hebt u Hem niet, dan hebt u niets. Zeg dan met de psalmdichter: „O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O God, thou art my God; early will I seek thee: my soul thirsteth for thee, my flesh longeth for thee in a dry and thirsty land, where no water is.
Psalm 63:1
David here speaks of seeking God for what He is in Himself as distinct from what He has to give. His gifts are one thing, Himself is another. Therefore he says, “O God, you are my God; early will I seek you;” you as distinct from your gifts. The bride may value her bridegroom’s costly gifts; but what are his gifts apart from himself? So the Church highly prizes her royal Husband’s gifts and blessings; but what are these compared to Him Who, in her admiring eyes, is the chief among ten thousand and altogether lovely? Thus, as seen by the eye of faith, there is that in His most blessed Majesty which alone can satisfy the soul taught by His Spirit and influenced by His grace.
The soul was made for Him; it was gifted with immortality by Him. Powers and faculties were given to it that might be expanded into an infinite capacity to know and to enjoy Him. So that being created for God, nothing but God can really satisfy its cravings and desires. But there is that in Him, as revealed to a believing heart, which can satisfy. His favor is life; His presence heaven begun; His love a foretaste of eternal bliss.
Thus in seeking the blessings He has to bestow, we do not seek them independent of the Giver. We love the gift, but we prize the Giver more. Without the Giver, the gift would be worthless. The bridal ring is the pledge of union. But what would be the ring without the bridegroom? Mockery. So all the favors and blessings which the Lord has to bestow, if He gave all and withheld Himself, would be but to mock us. But in giving them, He gives Himself.
As when the bridegroom puts the ring on the finger of his betrothed he gives himself with the gift; so when the Lord seals a sense of His espousal upon the heart of His beloved one, in giving His love He gives Himself. Nor can anything else satisfy the desires of an awakened soul. “It is Jesus,” it says, “that I want; without Him, heaven itself would be hell; without Him, life would not be life, nor glory be glory, nor immortality be immortality!”
As without the sun, the earth could not exist; so the Church could not exist without Jesus. And as in the absence of the sun, no candles could take the place of heaven’s own glorious light; so no sparks, however bright, of fires kindled by human hands, could make up to the Church for the absence of the Sun of righteousness. He must be, as He is, our all; having Him, we have everything; not having Him, we have nothing.
The Lord the Spirit write that truth deeply upon your heart that you may take it wherever you go, and make it ever your bosom companion. If you have Jesus, you have everything; if you have not Him, you have nothing. This continual feeling of happiness in and with Him, and of misery out of and without Him, as maintained in your breast by the power of the blessed Spirit, will be leading you to seek Him perpetually. This made David say, “Early will I seek you.”
To the reader…
What are you really seeking, dear reader, when you bend your knees? Only relief from your burden, a way out of your cares, a gift from His hand? Those gifts are good, but they are not God Himself. A ring without the bridegroom is but an empty promise. Your soul was created for God, and therefore nothing but God alone can fulfil its longings.
Perhaps you feel that very emptiness, and find how poor everything is when He is absent. That is no strange sign; it is the restlessness of a soul that longs for its Fountain. Let that misery, then, drive you out to seek Him, early and again and again. For if you have Jesus, you have everything; if you do not have Him, you have nothing. Say then with the psalmist, “O God, Thou art my God; early will I seek Thee.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Dios, Dios mío eres Tú: levantaréme a Ti de mañana: mi alma tiene sed de Ti, mi carne Te desea, en tierra de sequedad y transida sin aguas.
Salmo 63:1
David habla aquí de buscar a Dios por lo que Él es en Sí mismo, a diferencia de lo que tiene para dar. Sus dones son una cosa; Él mismo es otra. Por eso dice: “Dios, Dios mío eres Tú: levantaréme a Ti de mañana”; a Ti, a diferencia de Tus dones. La novia puede apreciar los costosos regalos de su esposo; pero ¿qué son sus regalos aparte de él mismo? Así la iglesia estima en mucho los dones y las bendiciones de su regio Esposo; pero ¿qué son estos comparados con Aquel que, a sus ojos llenos de admiración, es señalado entre diez mil y todo Él codiciable? Así, visto con el ojo de la fe, hay en Su bienaventurada Majestad aquello que es lo único que puede satisfacer al alma enseñada por Su Espíritu e influida por Su gracia.
El alma fue hecha para Él; fue dotada de inmortalidad por Él. Le fueron dadas potencias y facultades que pudieran ensancharse hasta una capacidad infinita de conocerle y gozarle. De modo que, habiendo sido creada para Dios, nada sino Dios puede realmente saciar sus ansias y deseos. Pero hay en Él, tal como se revela a un corazón creyente, aquello que puede saciar. Su favor es vida; Su presencia, el cielo comenzado; Su amor, un anticipo de la dicha eterna.
Así, al buscar las bendiciones que Él tiene para otorgar, no las buscamos independientemente del Dador. Amamos el don, pero estimamos más al Dador. Sin el Dador, el don no tendría valor. El anillo nupcial es la prenda de la unión. Pero ¿qué sería el anillo sin el esposo? Una burla. Así todos los favores y bendiciones que el Señor tiene para otorgar, si lo diera todo y se retuviera a Sí mismo, no serían sino burlarse de nosotros. Pero al darlos, se da a Sí mismo.
Así como el esposo, cuando pone el anillo en el dedo de su prometida, se da a sí mismo con el regalo, así también, cuando el Señor sella en el corazón de Su amada el sentir de Sus desposorios, al dar Su amor se da a Sí mismo. Y ninguna otra cosa puede saciar los deseos de un alma despertada. “Es a Jesús”, dice, “a quien quiero; sin Él, el cielo mismo sería un infierno; sin Él, la vida no sería vida, ni la gloria sería gloria, ni la inmortalidad sería inmortalidad.”
Así como sin el sol la tierra no podría existir, así tampoco la iglesia podría existir sin Jesús. Y así como, en ausencia del sol, ninguna vela podría ocupar el lugar de la gloriosa luz del cielo, así tampoco ninguna chispa, por brillante que fuera, de fuegos encendidos por manos humanas, podría compensar a la iglesia la ausencia del Sol de justicia. Él debe ser, como lo es, nuestro todo; teniéndole a Él, lo tenemos todo; no teniéndole, no tenemos nada.
Que el Señor el Espíritu escriba esa verdad profundamente en su corazón, para que usted la lleve dondequiera que vaya y la haga siempre su compañera íntima. Si tiene a Jesús, lo tiene todo; si no le tiene, no tiene nada. Este sentir continuo de felicidad en Él y con Él, y de miseria fuera de Él y sin Él, mantenido en su pecho por el poder del bendito Espíritu, le irá llevando a buscarle perpetuamente. Esto hizo decir a David: “Levantaréme a Ti de mañana.”
Al lector…
¿Qué busca usted realmente, querido lector, cuando dobla las rodillas? ¿Solo alivio de su carga, una salida de sus preocupaciones, un don de Su mano? Esos dones son buenos, pero no son Dios mismo. Un anillo sin el esposo no es más que una promesa vacía. Su alma fue creada para Dios, y por eso nada sino Dios solo puede colmar sus anhelos.
Quizá siente precisamente ese vacío, y descubre cuán pobre es todo cuando Él está ausente. No es una señal extraña; es la inquietud de un alma que anhela su Fuente. Deje, pues, que esa miseria le impulse a buscarle, de mañana y una y otra vez. Porque si tiene a Jesús, lo tiene todo; si no le tiene, no tiene nada. Diga entonces con el salmista: “Dios, Dios mío eres Tú: levantaréme a Ti de mañana.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl