6 de enero
O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad.
Psalm 63:1
David spreekt hier van God te zoeken zoals Hij in Zichzelf is, als onderscheiden van de gaven die Hij geeft. Zijn gaven zijn God Zelf niet. Daarom zegt hij: „O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad.” De bruid moge de kostelijke gaven van haar Bruidegom waarderen; maar wat zijn Zijn gaven tegenover Zijn Persoon? Zo prijst de kerk zeer de gaven en zegeningen van haar Koninklijke Man, doch wat zijn deze vergeleken met Hem, Die in haar bewonderende ogen het Hoofd is over tienduizend? En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.
Aldus gezien door het oog des geloofs, is er iets in Zijn gezegende majesteit dat die ziel alleen kan bevredigen, die onderwezen is door Zijn Geest en beïnvloed is door Zijn genade. De ziel werd geformeerd voor Hem, en begiftigd met onsterfelijkheid door Hem. Kracht en vermogens werden daartoe gegeven, die tot een oneindige hoogte zouden hebben kunnen opklimmen in het kennen en in het genieten. Zodat, geschapen voor God, niets dan God alleen haar uitgestrekte begeerten en verlangens kan vervullen. Maar in Hem is, geopenbaard aan een gelovig hart, hetgeen het kan bevredigen. Zijn gunst is leven, Zijn tegenwoordigheid is de hemel bij aanvang, Zijn liefde een voorsmaak van de eeuwige zaligheid.
Wanneer wij dus de zegeningen zoeken die Hij alleen geven kan, dan doen wij dit niet onafhankelijk van de Gever. Wij beminnen de gave, maar schatten de Gever hoger. Zonder de Gever zou de gave waardeloos zijn. De huwelijksring is het onderpand der vereniging, maar wat zou de ring zijn zonder de bruidegom? Spotternij. Zo ook alle gunstbewijzen en zegeningen die de Heere kan geven: zou Hij bij de gave Zichzelf niet geven, dat ware ons een bespotting. Maar in het geven van de zegeningen geeft Hij Zichzelf. Gelijk de bruidegom de ring aan de vinger van zijn bruid steekt en daarbij zichzelf geeft, zo ook geeft Hij Zichzelf als Hij Zijn liefdebewijzen in het hart van Zijn beminden afdrukt.
Buiten dit kan ook niets ter wereld de begeerten van een ontwaakte ziel bevredigen. Het is Jezus, zegt zij, Die ik nodig heb. Zonder Hem zou zelfs de hemel een hel zijn; zonder Hem zou het leven geen leven zijn, noch de heerlijkheid een heerlijkheid, noch de onsterfelijkheid de onsterfelijkheid! Gelijk de aarde niet zonder de zon kan bestaan, zo kan de kerk niet bestaan zonder Jezus. En gelijk bij de afwezigheid der zon geen kaarsen de plaats van het eigen heerlijk licht van de hemel kunnen vervangen, zo ook kunnen geen spranken, hoe helder ook van vuur, ontstoken door des mensen hand, de afwezigheid van de Zon der gerechtigheid voor de kerk vervangen. Hij moet voor ons zijn gelijk Hij is, dat is ons Alles.
Wanneer wij Hem hebben, dan hebben wij alles; hebben wij Hem niet, dan hebben wij niets. De Geest des Heeren drukke deze waarheid diep in uw hart, opdat gij het moogt overleggen, waarheen gij u ook wendt: als gij Jezus hebt, dan hebt gij alles; hebt gij Hem niet, dan hebt gij niets. Deze voortdurende ondervinding van blijdschap in en door Hem, en van uw ellende wanneer gij Hem missen moet, door de kracht van de gezegende Geest in uw ziel onderhouden, zal u doen uitgaan om Hem voortdurend te zoeken. Dit deed David zeggen: „Ik zoek U in de dageraad.”
Aan de lezer…
Wat zoekt u eigenlijk, lezer, als u uw knieën buigt? Alleen een verlichting van uw last, een uitkomst in uw zorgen, een gave uit Zijn hand? Die gaven zijn goed, maar zij zijn God Zelf niet. Een ring zonder de bruidegom is maar een lege belofte. Uw ziel is voor God geschapen, en daarom kan niets dan God alleen haar verlangens vervullen.
Misschien voelt u juist die leegte, en ervaart u hoe arm alles is als Hij er niet is. Dat is geen vreemd teken; het is de onrust van een ziel die naar haar Bron verlangt. Laat die ellende u dan uitdrijven om Hem te zoeken, vroeg en telkens weer. Want als u Jezus hebt, dan hebt u alles; hebt u Hem niet, dan hebt u niets. Zeg dan met de psalmdichter: „O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad.
Psalm 63:1
David spreekt hier over het zoeken van God zoals Hij in Zichzelf is, onderscheiden van de gaven die Hij geeft. Zijn gaven zijn God Zelf niet. Daarom zegt hij: „O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad.” De bruid mag de kostbare gaven van haar Bruidegom waarderen, maar wat zijn Zijn gaven vergeleken met Zijn Persoon? Zo prijst de kerk de gaven en zegeningen van haar Koninklijke Man zeer, maar wat zijn die vergeleken met Hem, Die in haar bewonderende ogen het Hoofd is boven tienduizend? En alles aan Hem is heel begeerlijk.
Zo gezien met het oog van het geloof, is er iets in Zijn gezegende majesteit dat alleen die ziel kan bevredigen die door Zijn Geest onderwezen en door Zijn genade aangeraakt is. De ziel werd gevormd voor Hem, en begiftigd met onsterfelijkheid door Hem. Daartoe werden haar kracht en vermogens gegeven, die tot een oneindige hoogte zouden hebben kunnen opklimmen in het kennen en in het genieten. Omdat zij voor God geschapen is, kan dus niets dan God alleen haar uitgestrekte begeerten en verlangens vervullen. Maar in Hem, geopenbaard aan een gelovig hart, is wat het kan bevredigen. Zijn gunst is leven, Zijn tegenwoordigheid is de hemel begonnen, Zijn liefde een voorsmaak van de eeuwige zaligheid.
Wanneer wij dus de zegeningen zoeken die alleen Hij kan geven, dan doen wij dat niet los van de Gever. Wij hebben de gave lief, maar schatten de Gever hoger. Zonder de Gever zou de gave waardeloos zijn. De trouwring is het onderpand van de verbintenis, maar wat zou de ring zijn zonder de bruidegom? Spot. Zo is het ook met alle gunstbewijzen en zegeningen die de Heere kan geven: als Hij bij de gave niet Zichzelf zou geven, zou dat voor ons een bespotting zijn. Maar in het geven van de zegeningen geeft Hij Zichzelf. Zoals de bruidegom de ring aan de vinger van zijn bruid schuift en daarbij zichzelf geeft, zo geeft ook Hij Zichzelf wanneer Hij Zijn liefdesbewijzen in het hart van Zijn geliefden drukt.
Buiten Hem kan ook niets ter wereld de begeerten van een ontwaakte ziel bevredigen. Het is Jezus, zegt zij, Die ik nodig heb. Zonder Hem zou zelfs de hemel een hel zijn; zonder Hem zou het leven geen leven zijn, de heerlijkheid geen heerlijkheid, de onsterfelijkheid geen onsterfelijkheid! Zoals de aarde niet zonder de zon kan bestaan, zo kan de kerk niet bestaan zonder Jezus. En zoals bij de afwezigheid van de zon geen kaarsen de plaats kunnen innemen van het eigen heerlijke licht van de hemel, zo kunnen ook geen vonken van vuur, hoe helder ook, ontstoken door mensenhanden, voor de kerk de afwezigheid van de Zon der gerechtigheid vervangen. Hij moet voor ons zijn wat Hij is: ons Alles.
Wanneer wij Hem hebben, dan hebben wij alles; hebben wij Hem niet, dan hebben wij niets. Moge de Geest van de Heere deze waarheid diep in uw hart drukken, zodat u het mag overdenken, waar u zich ook heen wendt: als u Jezus hebt, dan hebt u alles; hebt u Hem niet, dan hebt u niets. Deze voortdurende ervaring van blijdschap in en door Hem, en van uw ellende wanneer u Hem moet missen, door de kracht van de gezegende Geest in uw ziel onderhouden, zal u ertoe brengen om Hem voortdurend te zoeken. Dit deed David zeggen: „Ik zoek U in de dageraad.”
Aan de lezer…
Wat zoekt u eigenlijk, lezer, als u uw knieën buigt? Alleen verlichting van uw last, een uitkomst in uw zorgen, een gave uit Zijn hand? Die gaven zijn goed, maar zij zijn God Zelf niet. Een ring zonder de bruidegom is maar een lege belofte. Uw ziel is voor God geschapen, en daarom kan niets dan God alleen haar verlangens vervullen.
Misschien voelt u juist die leegte, en ervaart u hoe arm alles is als Hij er niet is. Dat is geen vreemd teken; het is de onrust van een ziel die naar haar Bron verlangt. Laat die ellende u dan uitdrijven om Hem te zoeken, vroeg en telkens weer. Want als u Jezus hebt, dan hebt u alles; hebt u Hem niet, dan hebt u niets. Zeg dan met de psalmdichter: „O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O God, thou art my God; early will I seek thee: my soul thirsteth for thee, my flesh longeth for thee in a dry and thirsty land, where no water is.
Psalm 63:1
David here speaks of seeking God for what He is in Himself as distinct from what He has to give. His gifts are one thing, Himself is another. Therefore he says, “O God, you are my God; early will I seek you;” you as distinct from your gifts. The bride may value her bridegroom’s costly gifts; but what are his gifts apart from himself? So the Church highly prizes her royal Husband’s gifts and blessings; but what are these compared to Him Who, in her admiring eyes, is the chief among ten thousand and altogether lovely? Thus, as seen by the eye of faith, there is that in His most blessed Majesty which alone can satisfy the soul taught by His Spirit and influenced by His grace.
The soul was made for Him; it was gifted with immortality by Him. Powers and faculties were given to it that might be expanded into an infinite capacity to know and to enjoy Him. So that being created for God, nothing but God can really satisfy its cravings and desires. But there is that in Him, as revealed to a believing heart, which can satisfy. His favor is life; His presence heaven begun; His love a foretaste of eternal bliss.
Thus in seeking the blessings He has to bestow, we do not seek them independent of the Giver. We love the gift, but we prize the Giver more. Without the Giver, the gift would be worthless. The bridal ring is the pledge of union. But what would be the ring without the bridegroom? Mockery. So all the favors and blessings which the Lord has to bestow, if He gave all and withheld Himself, would be but to mock us. But in giving them, He gives Himself.
As when the bridegroom puts the ring on the finger of his betrothed he gives himself with the gift; so when the Lord seals a sense of His espousal upon the heart of His beloved one, in giving His love He gives Himself. Nor can anything else satisfy the desires of an awakened soul. “It is Jesus,” it says, “that I want; without Him, heaven itself would be hell; without Him, life would not be life, nor glory be glory, nor immortality be immortality!”
As without the sun, the earth could not exist; so the Church could not exist without Jesus. And as in the absence of the sun, no candles could take the place of heaven’s own glorious light; so no sparks, however bright, of fires kindled by human hands, could make up to the Church for the absence of the Sun of righteousness. He must be, as He is, our all; having Him, we have everything; not having Him, we have nothing.
The Lord the Spirit write that truth deeply upon your heart that you may take it wherever you go, and make it ever your bosom companion. If you have Jesus, you have everything; if you have not Him, you have nothing. This continual feeling of happiness in and with Him, and of misery out of and without Him, as maintained in your breast by the power of the blessed Spirit, will be leading you to seek Him perpetually. This made David say, “Early will I seek you.”
To the reader…
What are you really seeking, dear reader, when you bend your knees? Only relief from your burden, a way out of your cares, a gift from His hand? Those gifts are good, but they are not God Himself. A ring without the bridegroom is but an empty promise. Your soul was created for God, and therefore nothing but God alone can fulfil its longings.
Perhaps you feel that very emptiness, and find how poor everything is when He is absent. That is no strange sign; it is the restlessness of a soul that longs for its Fountain. Let that misery, then, drive you out to seek Him, early and again and again. For if you have Jesus, you have everything; if you do not have Him, you have nothing. Say then with the psalmist, “O God, Thou art my God; early will I seek Thee.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Dios, Dios mío eres Tú: levantaréme a Ti de mañana: mi alma tiene sed de Ti, mi carne Te desea, en tierra de sequedad y transida sin aguas.
Salmo 63:1
David habla aquí de buscar a Dios por lo que Él es en Sí mismo, a diferencia de lo que tiene para dar. Sus dones son una cosa; Él mismo es otra. Por eso dice: “Dios, Dios mío eres Tú: levantaréme a Ti de mañana”; a Ti, a diferencia de Tus dones. La novia puede apreciar los costosos regalos de su esposo; pero ¿qué son sus regalos aparte de él mismo? Así la iglesia estima en mucho los dones y las bendiciones de su regio Esposo; pero ¿qué son estos comparados con Aquel que, a sus ojos llenos de admiración, es señalado entre diez mil y todo Él codiciable? Así, visto con el ojo de la fe, hay en Su bienaventurada Majestad aquello que es lo único que puede satisfacer al alma enseñada por Su Espíritu e influida por Su gracia.
El alma fue hecha para Él; fue dotada de inmortalidad por Él. Le fueron dadas potencias y facultades que pudieran ensancharse hasta una capacidad infinita de conocerle y gozarle. De modo que, habiendo sido creada para Dios, nada sino Dios puede realmente saciar sus ansias y deseos. Pero hay en Él, tal como se revela a un corazón creyente, aquello que puede saciar. Su favor es vida; Su presencia, el cielo comenzado; Su amor, un anticipo de la dicha eterna.
Así, al buscar las bendiciones que Él tiene para otorgar, no las buscamos independientemente del Dador. Amamos el don, pero estimamos más al Dador. Sin el Dador, el don no tendría valor. El anillo nupcial es la prenda de la unión. Pero ¿qué sería el anillo sin el esposo? Una burla. Así todos los favores y bendiciones que el Señor tiene para otorgar, si lo diera todo y se retuviera a Sí mismo, no serían sino burlarse de nosotros. Pero al darlos, se da a Sí mismo.
Así como el esposo, cuando pone el anillo en el dedo de su prometida, se da a sí mismo con el regalo, así también, cuando el Señor sella en el corazón de Su amada el sentir de Sus desposorios, al dar Su amor se da a Sí mismo. Y ninguna otra cosa puede saciar los deseos de un alma despertada. “Es a Jesús”, dice, “a quien quiero; sin Él, el cielo mismo sería un infierno; sin Él, la vida no sería vida, ni la gloria sería gloria, ni la inmortalidad sería inmortalidad.”
Así como sin el sol la tierra no podría existir, así tampoco la iglesia podría existir sin Jesús. Y así como, en ausencia del sol, ninguna vela podría ocupar el lugar de la gloriosa luz del cielo, así tampoco ninguna chispa, por brillante que fuera, de fuegos encendidos por manos humanas, podría compensar a la iglesia la ausencia del Sol de justicia. Él debe ser, como lo es, nuestro todo; teniéndole a Él, lo tenemos todo; no teniéndole, no tenemos nada.
Que el Señor el Espíritu escriba esa verdad profundamente en su corazón, para que usted la lleve dondequiera que vaya y la haga siempre su compañera íntima. Si tiene a Jesús, lo tiene todo; si no le tiene, no tiene nada. Este sentir continuo de felicidad en Él y con Él, y de miseria fuera de Él y sin Él, mantenido en su pecho por el poder del bendito Espíritu, le irá llevando a buscarle perpetuamente. Esto hizo decir a David: “Levantaréme a Ti de mañana.”
Al lector…
¿Qué busca usted realmente, querido lector, cuando dobla las rodillas? ¿Solo alivio de su carga, una salida de sus preocupaciones, un don de Su mano? Esos dones son buenos, pero no son Dios mismo. Un anillo sin el esposo no es más que una promesa vacía. Su alma fue creada para Dios, y por eso nada sino Dios solo puede colmar sus anhelos.
Quizá siente precisamente ese vacío, y descubre cuán pobre es todo cuando Él está ausente. No es una señal extraña; es la inquietud de un alma que anhela su Fuente. Deje, pues, que esa miseria le impulse a buscarle, de mañana y una y otra vez. Porque si tiene a Jesús, lo tiene todo; si no le tiene, no tiene nada. Diga entonces con el salmista: “Dios, Dios mío eres Tú: levantaréme a Ti de mañana.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl