Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · gisteren
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

5 oktober Korenaren uit de volle oogst

En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis, en alle gevoelen.
Filippenzen 1:9

De liefde komt voornamelijk voort uit kennis, en de liefde is, zoals wij weten, een vrucht van de Heilige Geest. Wanneer de Heilige Geest dan de kostbare Waarheid van God voor onze ziel opent, omhelst de liefde wat de Heilige Geest openbaart. Er is dus een kennis van de enige ware God door het onderwijs van de Geest. Maar onze liefde moet niet alleen overvloedig zijn in kennis, die er de grondslag van is; want waar geen kennis van de Heere is, kan ook geen liefde tot de Heere of tot Zijn volk zijn. Zij moet ook overvloedig zijn in alle gevoel, in alle verstand, in alle bevinding.

Geestelijke kennis en bevindelijk gevoel zijn de twee bronnen die de christelijke liefde voeden. Het zijn als het ware twee stromen die naast elkaar vloeien vanuit de troon van de Allerhoogste zelf, en die samenvloeien en samensmelten in die grenzeloze rivier, de liefde. Door deze vereniging van kennis en bevinding, van Goddelijk licht en hemels leven, van het onderwijs van de Geest en het getuigenis van de Geest, van waarheid in het verstand en gevoel in de genegenheden, wordt de liefde in de ziel aangekweekt en vloeit zij uit naar de Heere en Zijn volk.

Deze geestelijke kennis verschilt sterk van vleselijke, verstandelijke en dorre kennis van het hoofd. De ene is een levende stroom, de andere een stilstaande poel. De ene maakt het hart vruchtbaar in alle goed woord en werk; de andere laat het achter als een dor moeras, waarin allerlei afschuwelijk gedierte kruipt en krioelt, en waaruit voortdurend verderfelijke dampen, ziekte en dood opstijgen. Zo onderscheidt de vereniging van kennis en bevinding, die de liefde draagt, het werk van de Geest van iedere nabootsing ervan. En waar het werk van de Geest is, daar zal genadige kennis en bevindelijk gevoel zijn.

Dit is dan de bijzondere zegen van levende bevinding: dat zij hand in hand gaat met genadige kennis om de hemelse liefde te onderhouden, en dat Christus het doel en het voorwerp van beide is. Hij is het doel en het voorwerp van alle zaligmakende kennis, en het doel en het voorwerp van alle ware bevinding. Want hierin, zoals in al het andere, is Hij de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste.

Doe mij op ’t pad van uw geboden treên,
schraag op dat spoor mijn wankelende gangen:
daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.
Ai, neig mijn hart en vurig zielsverlangen,
o Heer, naar uw getuigenis alleen!
Laat gierigheid mij in haar strik niet vangen.

Ps. 119:18

Aan de lezer…

Soms klaagt u over de kilte van uw liefde tot de Heere en tot Zijn volk. Probeer haar dan niet uit uzelf op te wekken, want de liefde is een vrucht van de Heilige Geest. Zij komt voort uit kennis: waar de Geest de kostbare Waarheid van God voor de ziel opent, daar omhelst de liefde wat Hij openbaart. Waar geen kennis van de Heere is, kan ook geen liefde tot Hem zijn.

Maar let wel: het gaat niet om dorre kennis van het hoofd, een stilstaande poel, maar om een levende stroom, waarin het onderwijs en het getuigenis van de Geest samenvloeien. Bid daarom zoals de apostel bad, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen. Waar de Geest werkt, zal Hij beide geven, en uit die twee stromen zal de rivier van de liefde gevoed worden, tot de Heere en tot Zijn volk.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

5 oktober 365 dagen met Philpot

Geschikt gemaakt voor de hemel

Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van de Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid.
2 Thessalonicensen 2:13

Heiligmaking is even onmisbaar voor de zaligheid als rechtvaardiging. „Maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus, en door de Geest onzes Gods” (1 Kor. 6:11). De hemel is een heilige plaats. De vreugden en bezigheden daar zijn allemaal heilig. „Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen!” (Jes. 6:3) is de eeuwige roep van de geschapen engelen en de verloste geesten. Daarom moet aan de ziel een heilige geschiktheid voor deze heilige bezigheden en geestelijke vreugden worden geschonken, voordat zij geschikt is voor de woningen waar niets wat verontreinigt ooit kan binnengaan.

Hoe heerlijk moet die plaats zijn waarover we lezen: „De troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen; En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn. En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid” (Openb. 22:3-5). Dat zij zo Zijn aangezicht zullen zien en Hem altijd zullen dienen in de schoonheid van de heiligheid, is van eeuwigheid vastgelegd in het verbond der genade. In hetzelfde wonderbare plan van eeuwige liefde waarin hun verlossing werd vastgesteld, werd ook bepaald dat de Heilige Geest door Zijn inwonende kracht, invloed en werkingen de uitverkorenen van God zou heiligen. Zo maakt Hij hen geschikt en bekwaam voor de hemelse woningen die voor hen bereid waren.

Hij is een goddelijke Persoon in de Godheid en neemt als zodanig een taak op Zich in het verbond der genade. Toen Hij de diepte van de val voorzag, beloofde Hij hen levend te maken, hun een nieuw hart en een nieuwe geest te geven, hun ziel in bezit te nemen en hen te vervullen met elke heilige genade en elke hemelse vrucht. Daarmee deed Hij de plechtige belofte om in hen, en in hun tijdelijke staat, een beginsel van heiligheid in te blazen, waarin zij hierna eeuwig zouden kunnen zwemmen als in een oceaan van reinheid en liefde, en zonder welk de hemel zelf voor hen alleen maar een hel zou zijn. Hij verplichtte Zich er niet toe hun vleselijke geest, hun Adamsnatuur, te heiligen, maar wel om een nieuwe geest in hen in te blazen, een geest van volmaakte heiligheid, die zich kan uitstrekken in de hoogten en diepten van reinheid en liefde die alle begrip en beschrijving te boven gaan.

Lezen: 1 Thessalonicensen 3

Aan de lezer…

Kind van God, ziet u met droefheid dat uw oude natuur niet heiliger wordt, hoe u ook strijdt en bidt? Dan mag dit woord u rust geven: de Heilige Geest heeft Zich er nooit toe verplicht uw vleselijke geest, uw Adamsnatuur, te heiligen. Wat Hij beloofde, is een nieuw hart en een nieuwe geest in te blazen, een geest van heiligheid die in u leeft naast alles wat u nog bedroeft.

De hemel is een heilige plaats, waar het „Heilig, heilig, heilig” nooit ophoudt, en zonder heiligheid zou die hemel voor ons alleen maar een hel zijn. Maar het werk dat ons daarvoor geschikt maakt, is van eeuwigheid vastgelegd in het verbond der genade, en de Geest Zelf heeft het op Zich genomen. Bent u afgewassen en gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus, dan bent u ook geheiligd door de Geest onzes Gods. Wat Hij begon, brengt Hij tot de plaats waar Zijn dienstknechten Zijn aangezicht zullen zien.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

5 oktober Door Baca’s vallei

Wat klaagt dan een levend mens? een ieder klage vanwege de straffen zijner zonden.
Klaagliederen 3:39 (Eng. vertaling)

Onder het woord „straffen” moeten wij niet iets verstaan dat wrekend of straffend van aard is. God straft de zonden van Zijn uitverkorenen nooit zoals Hij de verworpene straft. Het eeuwig verbond verhindert dat. „Grimmigheid is bij Mij niet”, zegt de Heere. De uitverkorenen zijn aangenomen in Jezus, zijn verzoend in Hem, zijn volmaakt in Hem. Dat is hun staat in het eeuwige, onveranderlijke verbond – de vrucht en het gevolg van de eeuwige vereniging met de Zoon van God.

Maar hoewel dit daarom niet in straffende zin moet worden opgevat, betekent het geenszins dat zij vrijgesteld zijn van kastijding. Onder het woord „straffen” in de tekst moeten wij dus niet het opleggen van Gods rechtvaardige toorn verstaan, de voorsmaak van de eeuwige verdoemenis waarmee Hij soms in dit leven de goddelozen tuchtigt. Het betekent de kastijding die het voorrecht is van de erfgenaam en hem onderscheidt van de bastaard. Onder deze kastijding wordt de levende mens dan gebracht om te klagen, en hij zal in de verdrukkingen die hem overkomen vaak de roede van de Heere opmerken als een kastijding vanwege de zonde. Wanneer hij dus in Gods licht het licht ziet, mag hij met goed recht zeggen: „Wat klaagt een levend mens? een ieder klage vanwege zijn zonden.”

Misschien is zijn bezit verloren geraakt door onvoorziene omstandigheden of door de schurkenstreken van anderen, en is hij uit een redelijke welstand in armoede terechtgekomen. Maar wanneer hij kan opmerken dat dit een kastijding is voor zijn hoogmoed en vleselijkheid in de achter hem liggende dagen, dan zal hij verwaardigd worden zijn mond in het stof te steken. Of misschien beschikt de Heere hem een verdrukking in zijn lichaam toe, zodat hij nauwelijks een dag gezondheid kan genieten. Als hij dan gewaarwordt hoe hij zijn gezondheid en krachten heeft verwaarloosd toen hij ze bezat, en tegelijk opmerkt hoe hij door zijn lichamelijke verdrukkingen, als middelen in Gods hand, voor menige schadelijke strik bewaard wordt, dan kan hij dit bij tijden met zachtmoedigheid en geduld dragen.

Hij kan ook vreselijke verdrukkingen in zijn gezin meemaken en met David moeten uitroepen: „Hoewel mijn huis alzo niet is bij God”, in elk geval niet zoals hij het zou wensen. Hij ziet dan misschien dat een ziekelijke echtgenote of ongehoorzame kinderen even zovele slagen zijn van een kastijdende hand, maar toch veel lichter dan zijn afdwalingen verdienden. Hij ziet dat zij voortkomen uit een hand van liefde en niet uit een eeuwige toorn, dat zij slagen zijn van een Vader en niet de wrekende slagen van een vertoornde Rechter. Wanneer hij voelt dat de kastijding met liefde vermengd is en zijn geest daaronder vernederd en zijn hart vertederd wordt, dan kan hij zeggen: „Waarom zou een levend mens klagen?”

Totdat hij geestelijk tot het inzicht wordt gebracht dat al zijn verdrukkingen, smarten en droefheden kastijdingen zijn en geen straffen, en hij ze als liefdeslagen leert aanvaarden, moet en zal hij klagen. Maar in het algemeen zal de Heere, voordat Hij het licht van Zijn vriendelijk aangezicht over hem laat schijnen en voordat Hij hem de vrede in zijn geweten laat smaken, hem brengen op de plaats waarvan de Schrift spreekt: „dat hij aan de straffen zijner ongerechtigheid een welgevallen hebbe” (Lev. 26:41). Hij zal deze kastijdingen dan aanvaarden met een onderworpen geest. Hij zal belijden dat hij ze rechtvaardig verdiend heeft. En wanneer zijn opstandigheid in zekere mate gebroken is, zal hij zich als een arme en nooddruftige bedelaar neerleggen aan de voet van het kruis.

Aan de lezer…

Het kan zijn dat er een zware hand op u ligt: verlies van bezit, een lichaam dat geen dag gezond is, zorg en verdriet in uw gezin. Misschien vraagt u zich dan in stilte af of God u straft in Zijn toorn. Weet dan dat Hij de zonden van Zijn uitverkorenen nooit straft zoals Hij de verworpene straft. Wat u voelt, is de roede van een Vader, niet de wrekende slag van een vertoornde Rechter; het is de kastijding die de erfgenaam onderscheidt van de bastaard.

Het is niet vreemd dat u klaagt; totdat u uw smarten als liefdeslagen leert aanvaarden, moet en zult u klagen. Maar bid of de Heere u wil brengen op de plaats waar u belijdt dat ze rechtvaardig verdiend zijn en toch veel lichter dan u verdiend hebt. Daar wordt het opstandige hart gebroken, en daar mag een arme en nooddruftige bedelaar zich neerleggen aan de voet van het kruis. Wie daar ligt, zal ook het licht van Zijn vriendelijk aangezicht zien.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina