gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis, en alle gevoelen.
Filippenzen 1:9
De liefde is voornamelijk het gevolg der kennis, en de liefde, weten wij, is een vrucht van de Heilige Geest. Als dan de Heilige Geest voor ons de kostbare Waarheid van God voor de ziel wil openen, dan omhelst de liefde wat de Heilige Geest openbaart. Dus er is een kennis van de enige ware God door de onderwijzing des Geestes. Maar onze liefde moet niet alleen overvloedig zijn in kennis, welke er de grondslag van is, omdat waar geen kennis van de Heere is, daar ook geen liefde tot de Heere of Zijn volk zijn kan, maar ook in alle gevoel, in alle verstand, in alle bevinding.
Geestelijke kennis en bevindelijk gevoel zijn de twee voeders van christelijke liefde; de twee stromen die, als het ware, naast elkander vloeien uit de troon zelf des Allerhoogsten, en samenvloeien en samensmelten in de grenzeloze rivier, de liefde. En het is door deze vereniging van kennis en bevinding, van Goddelijk licht en hemels leven, van de onderwijzing des Geestes en de getuigenis des Geestes, van waarheid in het verstand en gevoel in de genegenheden, dat de liefde in de ziel wordt aangekweekt en uitvloeit naar de Heere en Zijn volk. Deze geestelijke kennis verschilt zeer veel van vleselijke, verstandelijke en dorre kennis van het hoofd. De ene is een levende stroom, de andere een stilstaande poel. De ene maakt het hart vruchtbaar in alle goed woord en werk; de andere laat het als een dor moeras, waarin allerlei afschuwelijk gedierte kruipt en wemelt, en waaruit gedurig verpestende dampen, ziekte en dood opstijgen. Aldus onderscheidt de vereniging van kennis en bevinding, die de liefde ondersteunt, het werk des Geestes van iedere nabootsing ervan; en waar het werk des Geestes is, daar zal genadige kennis en gevoel van bevinding zijn.
Dit is dan de bijzondere zaligheid van levende bevinding, dat zij hand aan hand gaat met genadige kennis om de hemelse liefde te onderhouden, en dat Christus het einde en het voorwerp van beide is: het einde en voorwerp van alle zaligmakende kennis, en het einde en voorwerp van alle ware bevinding; want hierin, gelijk in al het andere, is Hij de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste.
Doe mij op ’t pad van uw geboden treên,
schraag op dat spoor mijn wankelende gangen:
daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.
Ai, neig mijn hart en vurig zielsverlangen,
o Heer, naar uw getuigenis alleen!
Laat gierigheid mij in haar strik niet vangen.
Ps. 119:18
Aan de lezer…
Soms klaagt u over de koude van uw liefde tot de Heere en tot Zijn volk. Probeer haar dan niet uit uzelf op te wekken, want de liefde is een vrucht van de Heilige Geest. Zij komt voort uit kennis: waar de Geest de kostbare Waarheid van God voor de ziel opent, daar omhelst de liefde wat Hij openbaart. Waar geen kennis van de Heere is, daar kan ook geen liefde tot Hem zijn.
Maar let wel: het gaat niet om dorre kennis van het hoofd, een stilstaande poel, maar om een levende stroom, waarin het onderwijs en het getuigenis des Geestes samenvloeien. Bid daarom zoals de apostel bad, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen. Waar de Geest werkt, daar zal Hij beide geven, en uit die twee stromen zal de rivier der liefde gevoed worden, tot de Heere en tot Zijn volk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis, en alle gevoelen.
Filippenzen 1:9
De liefde komt voornamelijk voort uit kennis, en de liefde is, zoals wij weten, een vrucht van de Heilige Geest. Wanneer de Heilige Geest dan de kostbare Waarheid van God voor onze ziel opent, omhelst de liefde wat de Heilige Geest openbaart. Er is dus een kennis van de enige ware God door het onderwijs van de Geest. Maar onze liefde moet niet alleen overvloedig zijn in kennis, die er de grondslag van is; want waar geen kennis van de Heere is, kan ook geen liefde tot de Heere of tot Zijn volk zijn. Zij moet ook overvloedig zijn in alle gevoel, in alle verstand, in alle bevinding.
Geestelijke kennis en bevindelijk gevoel zijn de twee bronnen die de christelijke liefde voeden. Het zijn als het ware twee stromen die naast elkaar vloeien vanuit de troon van de Allerhoogste zelf, en die samenvloeien en samensmelten in die grenzeloze rivier, de liefde. Door deze vereniging van kennis en bevinding, van Goddelijk licht en hemels leven, van het onderwijs van de Geest en het getuigenis van de Geest, van waarheid in het verstand en gevoel in de genegenheden, wordt de liefde in de ziel aangekweekt en vloeit zij uit naar de Heere en Zijn volk.
Deze geestelijke kennis verschilt sterk van vleselijke, verstandelijke en dorre kennis van het hoofd. De ene is een levende stroom, de andere een stilstaande poel. De ene maakt het hart vruchtbaar in alle goed woord en werk; de andere laat het achter als een dor moeras, waarin allerlei afschuwelijk gedierte kruipt en krioelt, en waaruit voortdurend verderfelijke dampen, ziekte en dood opstijgen. Zo onderscheidt de vereniging van kennis en bevinding, die de liefde draagt, het werk van de Geest van iedere nabootsing ervan. En waar het werk van de Geest is, daar zal genadige kennis en bevindelijk gevoel zijn.
Dit is dan de bijzondere zegen van levende bevinding: dat zij hand in hand gaat met genadige kennis om de hemelse liefde te onderhouden, en dat Christus het doel en het voorwerp van beide is. Hij is het doel en het voorwerp van alle zaligmakende kennis, en het doel en het voorwerp van alle ware bevinding. Want hierin, zoals in al het andere, is Hij de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste.
Doe mij op ’t pad van uw geboden treên,
schraag op dat spoor mijn wankelende gangen:
daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.
Ai, neig mijn hart en vurig zielsverlangen,
o Heer, naar uw getuigenis alleen!
Laat gierigheid mij in haar strik niet vangen.
Ps. 119:18
Aan de lezer…
Soms klaagt u over de kilte van uw liefde tot de Heere en tot Zijn volk. Probeer haar dan niet uit uzelf op te wekken, want de liefde is een vrucht van de Heilige Geest. Zij komt voort uit kennis: waar de Geest de kostbare Waarheid van God voor de ziel opent, daar omhelst de liefde wat Hij openbaart. Waar geen kennis van de Heere is, kan ook geen liefde tot Hem zijn.
Maar let wel: het gaat niet om dorre kennis van het hoofd, een stilstaande poel, maar om een levende stroom, waarin het onderwijs en het getuigenis van de Geest samenvloeien. Bid daarom zoals de apostel bad, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen. Waar de Geest werkt, zal Hij beide geven, en uit die twee stromen zal de rivier van de liefde gevoed worden, tot de Heere en tot Zijn volk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And this I pray, that your love may abound yet more and more in knowledge and in all judgment.
Philippians 1:9
Love is especially the effect of knowledge; and love we know is a fruit of the blessed Spirit. As then the Lord the Spirit is pleased to open up the precious truth of God to the soul, love embraces what the Holy Spirit reveals. Thus there is a knowledge of the only true God by the teaching of the Spirit. But our love is to abound not only in knowledge, which is the foundation of it, because if there is no knowledge of the Lord there can be no love to the Lord or His people, but also in all feeling, in all sense, in all experience.
Spiritual knowledge, therefore, and experimental feeling are the two nourishers of Christian love; the two streams, as it were, that run side by side out of the very throne of the Most High, and meet and melt into that boundless river, love. And it is by this union of knowledge and experience, of divine light and heavenly life, of the Spirit’s teaching and the Spirit’s testimony, of truth in the understanding and of feeling in the affections, that love is maintained in the soul, and flows out towards the Lord and His people.
This spiritual knowledge differs very widely from carnal, intellectual, barren head knowledge. The one is a flowing river, the other a stagnant pool; the one fertilizes the heart, and makes it fruitful in every good word and work; the other leaves it a barren swamp, in which creeps and crawls every hideous thing, and out of which ever rise miasma, disease, and death. Thus the union of knowledge and experience as sustaining love distinguishes the work of the Spirit from every imitation of it, and where there is the true work of the Spirit there will be gracious knowledge and experimental feeling.
This, then, is the peculiar blessedness of living experience that it goes hand in hand with gracious knowledge to sustain heavenly love; and that Christ is the end and object of both; the end and object of all saving knowledge, and the end and object of all true experience; for in this as in everything else He is the Alpha and the Omega, the beginning and the end, the first and the last.
To the reader…
Sometimes you complain of the coldness of your love to the Lord and to His people. Then do not try to stir it up from within yourself, for love is a fruit of the Holy Spirit. It springs from knowledge: where the Spirit opens the precious truth of God to the soul, love embraces what He reveals. Where there is no knowledge of the Lord, there can be no love to Him either.
But mark well: this is not dry head knowledge, a stagnant pool, but a living stream, in which the teaching and the testimony of the Spirit flow together. Pray, therefore, as the apostle prayed, that your love may abound yet more and more in knowledge and in all sense. Where the Spirit works, He will give both, and from those two streams the river of love will be fed, towards the Lord and towards His people.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y esto ruego, que vuestra caridad abunde aún más y más en ciencia y en todo conocimiento.
Filipenses 1:9
El amor es especialmente efecto del conocimiento; y el amor, lo sabemos, es fruto del bendito Espíritu. Así pues, cuando el Señor el Espíritu tiene a bien abrir al alma la preciosa verdad de Dios, el amor abraza lo que el Espíritu Santo revela. De este modo hay un conocimiento del único Dios verdadero por la enseñanza del Espíritu. Pero nuestro amor ha de abundar no solo en conocimiento, que es su fundamento, porque si no hay conocimiento del Señor no puede haber amor al Señor ni a Su pueblo, sino también en todo sentir, en toda percepción, en toda experiencia.
El conocimiento espiritual, pues, y el sentir experimental son los dos que alimentan el amor cristiano; los dos arroyos, por así decirlo, que corren uno junto al otro desde el mismo trono del Altísimo, y se encuentran y se funden en ese río sin límites que es el amor. Y es por esta unión del conocimiento y la experiencia, de la luz divina y la vida celestial, de la enseñanza del Espíritu y el testimonio del Espíritu, de la verdad en el entendimiento y del sentir en los afectos, como el amor se mantiene en el alma y fluye hacia el Señor y hacia Su pueblo.
Este conocimiento espiritual difiere muchísimo del conocimiento carnal, intelectual y estéril de la cabeza. El uno es un río que fluye, el otro una charca estancada; el uno fertiliza el corazón y lo hace fructífero en toda buena palabra y obra; el otro lo deja como un pantano estéril, en el que se arrastra toda cosa repugnante, y del que siempre se levantan miasmas, enfermedad y muerte. Así la unión del conocimiento y la experiencia, que sostiene el amor, distingue la obra del Espíritu de toda imitación de ella; y donde está la verdadera obra del Espíritu, habrá conocimiento lleno de gracia y sentir experimental.
Esta es, pues, la bienaventuranza particular de la experiencia viva: que va de la mano con el conocimiento lleno de gracia para sostener el amor celestial; y que Cristo es el fin y el objeto de ambos; el fin y el objeto de todo conocimiento salvador, y el fin y el objeto de toda verdadera experiencia; porque en esto, como en todo lo demás, Él es el Alfa y la Omega, el principio y el fin, el primero y el último.
Al lector…
A veces se queja usted de la frialdad de su amor al Señor y a Su pueblo. Entonces no intente avivarlo desde dentro de sí mismo, porque el amor es fruto del Espíritu Santo. Brota del conocimiento: donde el Espíritu abre al alma la preciosa verdad de Dios, el amor abraza lo que Él revela. Donde no hay conocimiento del Señor, tampoco puede haber amor a Él.
Pero fíjese bien: no se trata de un seco conocimiento de la cabeza, una charca estancada, sino de un arroyo vivo, en el que fluyen juntos la enseñanza y el testimonio del Espíritu. Ore, por tanto, como oró el apóstol, para que su amor abunde aún más y más en ciencia y en todo sentir. Donde el Espíritu obra, dará ambas cosas, y de esos dos arroyos se alimentará el río del amor, hacia el Señor y hacia Su pueblo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Geschikt gemaakt voor de hemel
Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van de Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid.
2 Thessalonicensen 2:13
Heiligmaking is even onmisbaar voor verlossing als rechtvaardiging. „Maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus, en door de Geest onzes Gods” (1 Kor. 6:11). De hemel is een heilige plaats. De vreugden en bezigheden zijn er allemaal heilig. „Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen!” (Jes. 6:3) is de eeuwige uitroep van geschapen engelen en verloste geesten. Er moet daarom aan de ziel een heilige gepastheid voor deze heilige bezigheden en geestelijke vreugden worden doorgegeven, voordat zij geschikt is voor die woningen waar niets dat verontreinigt ooit kan binnengaan.
Hoe heerlijk moet die plaats zijn waarover we lezen: „De troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen; En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn. En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid” (Openb. 22:3-5). Dat zij aldus Zijn aangezicht mogen zien en Hem altijd kunnen dienen in de schoonheid van heiligheid, werd voor eeuwig vastgelegd in het verbond der genade. In hetzelfde wonderbaarlijke plan van eeuwige liefde waarin hun verlossing werd vastgesteld, werd bepaald dat de Heilige Geest door middel van Zijn inwonende kracht, invloed en werkzaamheden de uitverkorenen Gods zal heiligen, en hen daarmee geschikt en bekwaam maakt voor die hemelse huizen die voor hen in orde waren gemaakt.
Hij, Die een goddelijke Persoon is in de Godheid en als zodanig een rol aanneemt in het verbond der genade, beloofde, toen Hij de diepte van de zondeval voorzag, hen opnieuw tot leven te wekken, hun een nieuw hart en een nieuwe geest te geven, hun ziel in bezit te nemen en hen te vullen met elke heilige genade en elke hemelse vrucht. Hij deed daarmee de plechtige belofte in hen en in hun tijdstoestand een element van heiligheid in te blazen, waarin zij hierna eeuwig konden zwemmen als in een oceaan van zuiverheid en liefde, en zonder welk de hemel zelf voor hen slechts een hel zou zijn. Hij verplichtte Zich er niet toe hun vleselijke geest, hun Adamsnatuur, te heiligen, maar wel om in hen een nieuwe geest in te blazen, een geest van volmaakte heiligheid, in staat zich uit te breiden in de hoogten en diepten van zuiverheid en liefde die alle begrip of beschrijving te boven gaan.
Lezen: 1 Thessalonicensen 3
Aan de lezer…
Kind van God, ziet u met droefheid dat uw oude natuur niet heiliger wordt, hoe u ook strijdt en bidt? Dan mag dit woord u tot rust brengen: de Heilige Geest heeft Zich er nooit toe verplicht uw vleselijke geest, uw Adamsnatuur, te heiligen. Wat Hij beloofde, is een nieuw hart en een nieuwe geest in te blazen, een geest van heiligheid die in u leeft naast alles wat u nog bedroeft.
De hemel is een heilige plaats, waar het „Heilig, heilig, heilig” nooit ophoudt, en zonder heiligheid zou die hemel voor ons slechts een hel zijn. Maar het werk dat ons daarvoor geschikt maakt, is van eeuwigheid vastgelegd in het verbond der genade, en de Geest zelf heeft het op Zich genomen. Bent u afgewassen en gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus, dan bent u ook geheiligd door de Geest onzes Gods. Wat Hij begon, brengt Hij tot de plaats waar Zijn dienstknechten Zijn aangezicht zullen zien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van de Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid.
2 Thessalonicensen 2:13
Heiligmaking is even onmisbaar voor de zaligheid als rechtvaardiging. „Maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus, en door de Geest onzes Gods” (1 Kor. 6:11). De hemel is een heilige plaats. De vreugden en bezigheden daar zijn allemaal heilig. „Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen!” (Jes. 6:3) is de eeuwige roep van de geschapen engelen en de verloste geesten. Daarom moet aan de ziel een heilige geschiktheid voor deze heilige bezigheden en geestelijke vreugden worden geschonken, voordat zij geschikt is voor de woningen waar niets wat verontreinigt ooit kan binnengaan.
Hoe heerlijk moet die plaats zijn waarover we lezen: „De troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen; En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn. En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid” (Openb. 22:3-5). Dat zij zo Zijn aangezicht zullen zien en Hem altijd zullen dienen in de schoonheid van de heiligheid, is van eeuwigheid vastgelegd in het verbond der genade. In hetzelfde wonderbare plan van eeuwige liefde waarin hun verlossing werd vastgesteld, werd ook bepaald dat de Heilige Geest door Zijn inwonende kracht, invloed en werkingen de uitverkorenen van God zou heiligen. Zo maakt Hij hen geschikt en bekwaam voor de hemelse woningen die voor hen bereid waren.
Hij is een goddelijke Persoon in de Godheid en neemt als zodanig een taak op Zich in het verbond der genade. Toen Hij de diepte van de val voorzag, beloofde Hij hen levend te maken, hun een nieuw hart en een nieuwe geest te geven, hun ziel in bezit te nemen en hen te vervullen met elke heilige genade en elke hemelse vrucht. Daarmee deed Hij de plechtige belofte om in hen, en in hun tijdelijke staat, een beginsel van heiligheid in te blazen, waarin zij hierna eeuwig zouden kunnen zwemmen als in een oceaan van reinheid en liefde, en zonder welk de hemel zelf voor hen alleen maar een hel zou zijn. Hij verplichtte Zich er niet toe hun vleselijke geest, hun Adamsnatuur, te heiligen, maar wel om een nieuwe geest in hen in te blazen, een geest van volmaakte heiligheid, die zich kan uitstrekken in de hoogten en diepten van reinheid en liefde die alle begrip en beschrijving te boven gaan.
Lezen: 1 Thessalonicensen 3
Aan de lezer…
Kind van God, ziet u met droefheid dat uw oude natuur niet heiliger wordt, hoe u ook strijdt en bidt? Dan mag dit woord u rust geven: de Heilige Geest heeft Zich er nooit toe verplicht uw vleselijke geest, uw Adamsnatuur, te heiligen. Wat Hij beloofde, is een nieuw hart en een nieuwe geest in te blazen, een geest van heiligheid die in u leeft naast alles wat u nog bedroeft.
De hemel is een heilige plaats, waar het „Heilig, heilig, heilig” nooit ophoudt, en zonder heiligheid zou die hemel voor ons alleen maar een hel zijn. Maar het werk dat ons daarvoor geschikt maakt, is van eeuwigheid vastgelegd in het verbond der genade, en de Geest Zelf heeft het op Zich genomen. Bent u afgewassen en gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus, dan bent u ook geheiligd door de Geest onzes Gods. Wat Hij begon, brengt Hij tot de plaats waar Zijn dienstknechten Zijn aangezicht zullen zien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But we are bound to give thanks alway to God for you, brethren beloved of the Lord, because God hath from the beginning chosen you to salvation through sanctification of the Spirit and belief of the truth.
2 Thessalonians 2:13
Sanctification is as indispensable to salvation as justification. “But ye are washed, but ye are sanctified, but ye are justified in the name of the Lord Jesus, and by the Spirit of our God” (1 Cor. 6:11). Heaven is a holy place. Its joys and its employments are all holy. “Holy, holy, holy, is the LORD of hosts” (Isa. 6:3) is the everlasting cry of created angels and redeemed spirits. Therefore a holy fitness for these holy employments and spiritual joys must be given to the soul before it is fit for those mansions into which nothing that defiles can ever enter.
How glorious must that place be of which we read: “The throne of God and of the Lamb shall be in it; and His servants shall serve Him: and they shall see His face; and His name shall be in their foreheads. And there shall be no night there; and they need no candle, neither light of the sun; for the Lord God giveth them light: and they shall reign for ever and ever” (Rev. 22:3-5). That they should thus see His face and serve Him for ever in the beauty of holiness was fixed from eternity in the covenant of grace. In the same wonderful plan of eternal love in which their redemption was settled, it was also determined that the Holy Ghost, by His indwelling power, influence and operations, should sanctify the elect of God. So He makes them fit and meet for the heavenly mansions prepared for them.
He is a divine Person in the Godhead, and as such He takes a part upon Himself in the covenant of grace. Foreseeing the depth of the fall, He promised to quicken them, to give them a new heart and a new spirit, to take possession of their souls and to fill them with every holy grace and every heavenly fruit. In this He made the solemn engagement to breathe into them, in their time state, a principle of holiness in which they might hereafter swim for ever as in an ocean of purity and love, and without which heaven itself would be to them nothing but a hell. He did not bind Himself to sanctify their carnal mind, their Adam nature, but to breathe into them a new spirit, a spirit of perfect holiness, which can expand into heights and depths of purity and love that pass all understanding and description.
Reading: 1 Thessalonians 3
To the reader…
Child of God, do you see with sorrow that your old nature grows no holier, however you strive and pray? Then this word may give you rest: the Holy Spirit never bound Himself to sanctify your carnal mind, your Adam nature. What He promised was to breathe in a new heart and a new spirit, a spirit of holiness that lives in you alongside all that still grieves you.
Heaven is a holy place, where the “Holy, holy, holy” never ceases, and without holiness that heaven would be nothing but a hell to us. But the work that makes us fit for it was fixed from eternity in the covenant of grace, and the Spirit Himself has taken it upon Him. If you are washed and justified in the name of the Lord Jesus, you are also sanctified by the Spirit of our God. What He began He will bring to the place where His servants shall see His face.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas nosotros debemos siempre dar gracias a Dios por vosotros, hermanos amados del Señor, de que Dios os haya escogido desde el principio para salud, por la santificación del Espíritu y fe de la verdad.
2 Tesalonicenses 2:13
La santificación es tan indispensable para la salvación como la justificación. “Mas ya sois lavados, mas ya sois santificados, mas ya sois justificados en el nombre del Señor Jesús, y por el Espíritu de nuestro Dios” (1 Corintios 6:11). El cielo es un lugar santo. Sus gozos y sus ocupaciones son todos santos. “Santo, santo, santo, Jehová de los ejércitos” (Isaías 6:3) es el clamor eterno de los ángeles creados y de los espíritus redimidos. Por tanto, debe darse al alma una santa idoneidad para estas santas ocupaciones y estos gozos espirituales antes de que sea apta para aquellas moradas en las que jamás puede entrar nada que contamine.
¡Cuán glorioso debe ser aquel lugar del cual leemos: “Y el trono de Dios y del Cordero estará en ella, y Sus siervos Le servirán. Y verán Su cara; y Su nombre estará en sus frentes. Y allí no habrá más noche; y no tienen necesidad de lumbre de antorcha, ni de lumbre de sol: porque el Señor Dios los alumbrará: y reinarán para siempre jamás” (Apocalipsis 22:3-5)! Que así vieran Su rostro y Le sirvieran para siempre en la hermosura de la santidad quedó fijado desde la eternidad en el pacto de gracia. En el mismo plan maravilloso del amor eterno en que se estableció su redención, se determinó también que el Espíritu Santo, por Su poder, influencia y operaciones que moran en ellos, santificara a los escogidos de Dios. Así los hace aptos e idóneos para las moradas celestiales preparadas para ellos.
Él es una Persona divina en la Deidad, y como tal toma sobre Sí una parte en el pacto de gracia. Previendo la profundidad de la caída, prometió vivificarlos, darles un corazón nuevo y un espíritu nuevo, tomar posesión de sus almas y llenarlas de toda gracia santa y de todo fruto celestial. En esto contrajo el solemne compromiso de infundir en ellos, en su estado temporal, un principio de santidad en el que en lo sucesivo pudieran nadar para siempre como en un océano de pureza y amor, y sin el cual el cielo mismo no sería para ellos más que un infierno. No se comprometió a santificar su mente carnal, su naturaleza de Adán, sino a infundir en ellos un espíritu nuevo, un espíritu de perfecta santidad, que puede extenderse a alturas y profundidades de pureza y amor que sobrepasan todo entendimiento y toda descripción.
Lectura: 1 Tesalonicenses 3
Al lector…
Hijo de Dios, ¿ve con tristeza que su vieja naturaleza no se vuelve más santa, por mucho que se esfuerce y ore? Entonces esta palabra puede darle descanso: el Espíritu Santo nunca se comprometió a santificar su mente carnal, su naturaleza de Adán. Lo que prometió fue infundir un corazón nuevo y un espíritu nuevo, un espíritu de santidad que vive en usted junto a todo lo que todavía le aflige.
El cielo es un lugar santo, donde el “Santo, santo, santo” nunca cesa, y sin santidad ese cielo no sería para nosotros más que un infierno. Pero la obra que nos hace aptos para él quedó fijada desde la eternidad en el pacto de gracia, y el Espíritu mismo la ha tomado sobre Sí. Si ha sido lavado y justificado en el nombre del Señor Jesús, también ha sido santificado por el Espíritu de nuestro Dios. Lo que Él comenzó lo llevará hasta el lugar donde Sus siervos verán Su rostro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Wat klaagt dan een levend mens? een ieder klage vanwege de straffen zijner zonden.
Klaagliederen 3:39 (Eng. vertaling)
Wij moeten onder het woord „straffen” niet verstaan iets dat van een wrekende of straffende natuur is. God straft de zonden Zijner uitverkorenen nooit zoals Hij de verworpeling straft. Het eeuwig verbond verhoedt zulks. „Grimmigheid is bij Mij niet”, zegt de Heere. De uitverkorenen zijn aangenomen in Jezus, zijn verzoend in Hem, zijn volmaakt in Hem. Dit is hun staat in het eeuwig, onveranderlijk verbond – de vrucht en het gevolg van de eeuwigdurende vereniging met de Zoon van God.
Doch ofschoon dit als gevolg daarvan niet in een straffende zin moet worden opgenomen, sluit het geenszins in dat zij vrijgesteld zijn van de kastijding. Dus moeten wij onder het woord „straffen” in de tekst niet verstaan het opleggen van Gods rechtvaardige toorn, de voorsmaak van de eeuwige verdoemenis, waarmede Hij somtijds in dit leven de goddelozen tuchtigt, maar het betekent de kastijding die het voorrecht is van de erfgenaam en hem onderscheidt van de bastaard. Het is dan onder deze kastijding dat de levende mens gebracht wordt om te klagen; en hij zal menigmaal in de verdrukkingen die hem overkomen, de roede des Heeren bemerken als een kastijding om der zonden wil. Wanneer hij dus in Gods licht het licht aanschouwt, mag hij met goed recht zeggen: „Wat klaagt een levend mens? een ieder klage vanwege zijn zonden.”
Misschien is zijn eigendom verloren geraakt door onvoorziene omstandigheden of door de schelmstukken van anderen, en is hij van een tamelijke welstand in een armelijke stand van leven geraakt. Wanneer hij echter kan bemerken dat dit een kastijding is om zijn hoogmoed en vleselijkheid in de achter hem liggende dagen, dan zal hij verwaardigd worden zijn mond in het stof te steken. Of indien de Heere hem een verdrukking in zijn lichaam toeschikt, zodat hij nauwelijks een dag gezondheid genieten kan, en hij wordt dan gewaar hoe hij zijn gezondheid en krachten heeft veronachtzaamd toen hij ze bezat, en hij bemerkt tegelijkertijd hoe hij voor menige schadelijke strikken door zijn lichamelijke verdrukkingen, als middelen in Gods hand, bewaard wordt, dan kan hij dit bij tijden met zachtmoedigheid en lijdzaamheid dragen.
Hij kan ook vreselijke verdrukkingen in zijn huisgezin beleven en het met David moeten uitroepen: „Hoewel mijn huis alzo niet is bij God”, althans niet zoals hij het zou wensen. Wanneer hij ziet dat een ziekelijke echtgenote of ook ongehoorzame kinderen als zo vele slagen zijn van een kastijdende hand, maar evenwel veel lichter zijn dan zijn afmakingen wel verdienden; wanneer hij ziet dat zij voortkomen uit een liefdehand, en niet uit een eeuwige toorn, maar dat zij slagen zijn van een Vader, niet de wrekende slagen van een vertoornd Rechter; wanneer hij gevoelt dat de kastijding is vermengd met liefde en zijn geest daaronder vernederd en zijn hart vertederd wordt, dan kan hij zeggen: „Waarom zou een levend mens klagen?”
Totdat hij geestelijk gebracht wordt om te zien dat al zijn verdrukkingen, smarten en droefheden kastijdingen en geen straffen zijn, en hij deze als liefdeslagen krijgt te aanvaarden, moet en zal hij klagen. Maar in het algemeen gesproken zal de Heere, alvorens Hij het licht van Zijn vriendelijk aangezicht over hem doet lichten, alvorens Hij hem de vrede in zijn consciëntie doet smaken, hem brengen op die plaats waarvan de Schrift spreekt: „dat hij aan de straffen zijner ongerechtigheid een welgevallen hebbe” (Lev. 26:41). Hij zal dan deze kastijdingen aanvaarden met een onderworpen geest. Hij zal belijden dat zij rechtvaardig verdiend zijn, en, zijn opstandig bestaan in zekere mate verbroken zijnde, zal hij zich als een arme en nooddruftige bedelaar neerleggen aan de voet van het kruis.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat er een zware hand op u ligt: verlies van bezit, een lichaam dat geen dag gezond is, zorg en verdriet in uw huisgezin. Misschien vraagt u zich dan in stilte af of God u straft in Zijn toorn. Weet dan dat Hij de zonden Zijner uitverkorenen nooit straft zoals Hij de verworpeling straft. Wat u voelt, is de roede van een Vader, niet de wrekende slag van een vertoornd Rechter; het is de kastijding die de erfgenaam onderscheidt van de bastaard.
Het is niet vreemd dat u klaagt; totdat u uw smarten als liefdeslagen leert aanvaarden, moet en zult u klagen. Maar bid of de Heere u brengen wil op de plaats waar u belijdt dat ze rechtvaardig verdiend en toch veel lichter zijn dan u verdiend hebt. Daar wordt het opstandige hart verbroken, en daar mag een arme en nooddruftige bedelaar zich neerleggen aan de voet van het kruis. Wie daar ligt, zal ook het licht van Zijn vriendelijk aangezicht zien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wat klaagt dan een levend mens? een ieder klage vanwege de straffen zijner zonden.
Klaagliederen 3:39 (Eng. vertaling)
Onder het woord „straffen” moeten wij niet iets verstaan dat wrekend of straffend van aard is. God straft de zonden van Zijn uitverkorenen nooit zoals Hij de verworpene straft. Het eeuwig verbond verhindert dat. „Grimmigheid is bij Mij niet”, zegt de Heere. De uitverkorenen zijn aangenomen in Jezus, zijn verzoend in Hem, zijn volmaakt in Hem. Dat is hun staat in het eeuwige, onveranderlijke verbond – de vrucht en het gevolg van de eeuwige vereniging met de Zoon van God.
Maar hoewel dit daarom niet in straffende zin moet worden opgevat, betekent het geenszins dat zij vrijgesteld zijn van kastijding. Onder het woord „straffen” in de tekst moeten wij dus niet het opleggen van Gods rechtvaardige toorn verstaan, de voorsmaak van de eeuwige verdoemenis waarmee Hij soms in dit leven de goddelozen tuchtigt. Het betekent de kastijding die het voorrecht is van de erfgenaam en hem onderscheidt van de bastaard. Onder deze kastijding wordt de levende mens dan gebracht om te klagen, en hij zal in de verdrukkingen die hem overkomen vaak de roede van de Heere opmerken als een kastijding vanwege de zonde. Wanneer hij dus in Gods licht het licht ziet, mag hij met goed recht zeggen: „Wat klaagt een levend mens? een ieder klage vanwege zijn zonden.”
Misschien is zijn bezit verloren geraakt door onvoorziene omstandigheden of door de schurkenstreken van anderen, en is hij uit een redelijke welstand in armoede terechtgekomen. Maar wanneer hij kan opmerken dat dit een kastijding is voor zijn hoogmoed en vleselijkheid in de achter hem liggende dagen, dan zal hij verwaardigd worden zijn mond in het stof te steken. Of misschien beschikt de Heere hem een verdrukking in zijn lichaam toe, zodat hij nauwelijks een dag gezondheid kan genieten. Als hij dan gewaarwordt hoe hij zijn gezondheid en krachten heeft verwaarloosd toen hij ze bezat, en tegelijk opmerkt hoe hij door zijn lichamelijke verdrukkingen, als middelen in Gods hand, voor menige schadelijke strik bewaard wordt, dan kan hij dit bij tijden met zachtmoedigheid en geduld dragen.
Hij kan ook vreselijke verdrukkingen in zijn gezin meemaken en met David moeten uitroepen: „Hoewel mijn huis alzo niet is bij God”, in elk geval niet zoals hij het zou wensen. Hij ziet dan misschien dat een ziekelijke echtgenote of ongehoorzame kinderen even zovele slagen zijn van een kastijdende hand, maar toch veel lichter dan zijn afdwalingen verdienden. Hij ziet dat zij voortkomen uit een hand van liefde en niet uit een eeuwige toorn, dat zij slagen zijn van een Vader en niet de wrekende slagen van een vertoornde Rechter. Wanneer hij voelt dat de kastijding met liefde vermengd is en zijn geest daaronder vernederd en zijn hart vertederd wordt, dan kan hij zeggen: „Waarom zou een levend mens klagen?”
Totdat hij geestelijk tot het inzicht wordt gebracht dat al zijn verdrukkingen, smarten en droefheden kastijdingen zijn en geen straffen, en hij ze als liefdeslagen leert aanvaarden, moet en zal hij klagen. Maar in het algemeen zal de Heere, voordat Hij het licht van Zijn vriendelijk aangezicht over hem laat schijnen en voordat Hij hem de vrede in zijn geweten laat smaken, hem brengen op de plaats waarvan de Schrift spreekt: „dat hij aan de straffen zijner ongerechtigheid een welgevallen hebbe” (Lev. 26:41). Hij zal deze kastijdingen dan aanvaarden met een onderworpen geest. Hij zal belijden dat hij ze rechtvaardig verdiend heeft. En wanneer zijn opstandigheid in zekere mate gebroken is, zal hij zich als een arme en nooddruftige bedelaar neerleggen aan de voet van het kruis.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat er een zware hand op u ligt: verlies van bezit, een lichaam dat geen dag gezond is, zorg en verdriet in uw gezin. Misschien vraagt u zich dan in stilte af of God u straft in Zijn toorn. Weet dan dat Hij de zonden van Zijn uitverkorenen nooit straft zoals Hij de verworpene straft. Wat u voelt, is de roede van een Vader, niet de wrekende slag van een vertoornde Rechter; het is de kastijding die de erfgenaam onderscheidt van de bastaard.
Het is niet vreemd dat u klaagt; totdat u uw smarten als liefdeslagen leert aanvaarden, moet en zult u klagen. Maar bid of de Heere u wil brengen op de plaats waar u belijdt dat ze rechtvaardig verdiend zijn en toch veel lichter dan u verdiend hebt. Daar wordt het opstandige hart gebroken, en daar mag een arme en nooddruftige bedelaar zich neerleggen aan de voet van het kruis. Wie daar ligt, zal ook het licht van Zijn vriendelijk aangezicht zien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore doth a living man complain, a man for the punishment of his sins?
Lamentations 3:39
We must not understand by the word “punished,” anything of a vindictive nature. God never punishes the sins of His elect penally; that is, not as He punishes the sins of the reprobate. The eternal covenant forbids this. “Fury is not in Me, says the Lord.” The elect are accepted in Jesus, are pardoned in Him, are complete in Him. This is their eternal and unalterable covenant standing—the fruit and effect of their everlasting union with the Son of God. But though this forbids punishment in its strictly penal sense, it by no means excludes chastisement.
Thus we are not to understand by the word “punishment” in the text the infliction of God’s righteous wrath, that foretaste of eternal damnation with which, sometimes even in this life, He visits the ungodly; but it signifies that chastisement which is the privilege of the heir, and distinguishes him from the bastard. It is under this chastisement, then, that the living man is brought to complain, and he will often see in the afflictions that befall him the rod of the Lord as the chastisement of sin. When he thus sees light in God’s light, he may justly say, “WHY should any living man complain when punished for his sins?” Are they not chastisements, not punishments; the rod of a father’s correction, not the vindictive stroke of offended justice?
Perhaps his property is lost through unlooked-for circumstances, or the roguery of others; and he is brought down from comparative affluence to be a poor man. When he can see that this is a chastisement for his pride and carnality in former days, he is able to put his mouth in the dust. Or if the Lord afflicts him in his body so that he shall scarcely enjoy a day’s health, when he sees and feels how he abused his health and strength when he possessed them, and at the same time perceives from how many hurtful snares his bodily affliction instrumentally preserves him, he is able at times to bear it meekly and patiently.
He may also have serious afflictions in his family, or find, like David, “his house not so with God” as he could wish; but when he sees that a sickly wife or disobedient children are but so many strokes of chastisement, and far lighter than his sins demand, when he sees that they come from the hand of love, and not from eternal wrath, that they are the stripes of a Father, not the vindictive strokes of an angry judge, he feels then that love is mingled with chastisement, and his spirit is meekened, and his heart softened, and he is brought down to say, “Why should any living man complain?”
Now, until a man gets there he cannot but complain. Until he is brought spiritually to see that all his afflictions, griefs, and sorrows are chastisements and not punishments, and is able to receive them as the stripes of love, he must and he will complain. But, generally speaking, before the Lord lifts up the light of His countenance upon him, before He gives him a sense of peace in his conscience, He will bring him “to accept,” as the Scripture speaks (Lev. 26:41), “of the punishment of his iniquity.” He will thus receive these strokes of chastisement with a subdued spirit; he will confess that they are justly deserved; and his obstinacy and rebelliousness being in a measure broken, he will lie as a poor and needy supplicant at the foot of the cross.
To the reader…
It may be that a heavy hand lies upon you: loss of property, a body that is not well for a single day, care and grief in your family. Perhaps you then quietly wonder whether God is punishing you in His wrath. Know, then, that He never punishes the sins of His elect as He punishes the reprobate. What you feel is the rod of a Father, not the vindictive stroke of an angry Judge; it is the chastisement that distinguishes the heir from the bastard.
It is not strange that you complain; until you learn to accept your sorrows as stripes of love, you must and will complain. But pray that the Lord will bring you to the place where you confess that they are justly deserved and yet far lighter than you have deserved. There the rebellious heart is broken, and there a poor and needy supplicant may lie down at the foot of the cross. Whoever lies there will also see the light of His countenance.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Por qué murmura el hombre viviente, el hombre en el castigo de su pecado?
Lamentaciones 3:39
No debemos entender por la palabra “castigo” nada de naturaleza vengativa. Dios nunca castiga los pecados de Sus elegidos de manera penal; es decir, no como castiga los pecados de los réprobos. El pacto eterno lo prohíbe. “No hay enojo en Mí,” dice el Señor. Los elegidos son aceptos en Jesús, son perdonados en Él, están completos en Él. Esta es su posición eterna e inalterable en el pacto: el fruto y efecto de su unión eterna con el Hijo de Dios. Pero aunque esto excluye el castigo en su sentido estrictamente penal, de ningún modo excluye la disciplina.
Así pues, no hemos de entender por la palabra “castigo” en el texto la imposición de la justa ira de Dios, ese anticipo de la condenación eterna con que Él visita a veces a los impíos aun en esta vida; sino que significa esa disciplina que es el privilegio del heredero y lo distingue del bastardo. Es bajo esta disciplina, pues, que el hombre viviente es llevado a quejarse, y a menudo verá en las aflicciones que le sobrevienen la vara del Señor como corrección del pecado. Cuando así ve la luz en la luz de Dios, puede decir con razón: “¿POR QUÉ ha de quejarse hombre viviente alguno cuando es castigado por sus pecados?” ¿No son disciplinas y no castigos; la vara de la corrección de un padre, y no el golpe vengativo de la justicia ofendida?
Quizá pierde sus bienes por circunstancias inesperadas o por la bellaquería de otros, y desciende de una relativa abundancia a ser un hombre pobre. Cuando puede ver que esto es una disciplina por su orgullo y carnalidad de días pasados, es capaz de poner su boca en el polvo. O si el Señor le aflige en su cuerpo de tal modo que apenas goza de un día de salud, cuando ve y siente cómo abusó de su salud y de sus fuerzas cuando las poseía, y al mismo tiempo percibe de cuántos lazos dañinos le preserva su aflicción corporal como instrumento, es capaz a veces de llevarla con mansedumbre y paciencia.
También puede tener serias aflicciones en su familia, o hallar, como David, que “no es así su casa para con Dios” como él quisiera; pero cuando ve que una esposa enfermiza o unos hijos desobedientes no son sino otros tantos golpes de disciplina, y mucho más leves de lo que sus pecados merecen; cuando ve que vienen de la mano del amor y no de la ira eterna, que son los azotes de un Padre y no los golpes vengativos de un juez airado, siente entonces que el amor está mezclado con la disciplina, y su espíritu se amansa, su corazón se ablanda, y es llevado a decir: “¿Por qué ha de quejarse hombre viviente alguno?”
Ahora bien, hasta que un hombre llega allí, no puede menos que quejarse. Hasta que es llevado espiritualmente a ver que todas sus aflicciones, penas y dolores son disciplinas y no castigos, y puede recibirlos como azotes de amor, tiene que quejarse y se quejará. Pero, por lo general, antes que el Señor alce sobre él la luz de Su rostro, antes que le dé un sentir de paz en su conciencia, le llevará a “aceptar,” como dice la Escritura (Lev. 26:41), “el castigo de su iniquidad.” Así recibirá estos golpes de disciplina con un espíritu sumiso; confesará que son justamente merecidos; y, quebrantadas en cierta medida su obstinación y su rebeldía, yacerá como un pobre y necesitado suplicante al pie de la cruz.
Al lector…
Puede ser que una mano pesada esté sobre usted: pérdida de bienes, un cuerpo que no está bien ni un solo día, preocupación y pena en su familia. Quizá entonces se pregunta en silencio si Dios le está castigando en Su ira. Sepa, pues, que Él nunca castiga los pecados de Sus elegidos como castiga a los réprobos. Lo que usted siente es la vara de un Padre, no el golpe vengativo de un Juez airado; es la disciplina que distingue al heredero del bastardo.
No es extraño que usted se queje; hasta que aprenda a aceptar sus penas como azotes de amor, tendrá que quejarse y se quejará. Pero pida que el Señor le lleve al lugar donde confiese que son justamente merecidas y, sin embargo, mucho más leves de lo que ha merecido. Allí se quebranta el corazón rebelde, y allí un pobre y necesitado suplicante puede tenderse al pie de la cruz. Quien yace allí verá también la luz de Su rostro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl