2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Geeft sterke drank degene, die verloren gaat: en wijn degenen, die bitterlijk bedroefd van ziele zijn.
Spreuken 31:6
De wijze moeder van koning Salomo gaf haar zoon genadige voorschriften toen zij deze woorden sprak. Het is wanneer wij de ellende beginnen te gevoelen waarin wij door de zonde gedompeld zijn, en dus gereed staan om om te komen, en wanneer het hart zwaar is, dat de zuivere wijn des Evangelies geschikt is voor onze verloren toestand. Als de heiligheid en de rechtvaardigheid Gods aan het geweten zijn ontdekt en wij de diepte van Adams val beginnen te zien en te gevoelen, zien wij uit onszelf uit naar een redding die wij in onze gevallen natuur en in ons diep bedorven en ongelovig hart niet konden vinden. Wanneer wij dan door een levend geloof de Zoon van God mogen zien als een Middelaar tussen God en de mensen; wanneer wij door het oog des geloofs het bloed van het kruis en de gehele en volkomen genoegdoening zien die Hij, als het Lam Gods, voor de zonde heeft aangebracht, dan grijpen wij Hem van harte aan als „Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking en verlossing” (1 Kor. 1:30).
Wij zien en gevoelen dat er in Hem redding is en in geen ander; en als deze redding gezien wordt Gode waardig en voor ons geschikt, en als zij beantwoordt aan al de eisen van Gods heilige Wet en haar verheerlijkt door haar tot een gehoorzaamheid te maken die zo ver boven de onze staat als de hemel boven de aarde en God boven de mens, dan grijpen wij haar aan als onze rechtvaardigmakende gerechtigheid en als een kleed dat ons bedekt voor de ogen van Hem Die, buiten Christus, een verterend vuur is (Hebr. 12:29).
Zalig hij, die in dit leven
Jakobs God ter hulpe heeft;
hij, die door de nood gedreven,
zich tot Hem om troost begeeft;
die zijn hoop in ’t hach’lijkst lot
vestigt op de Heer, zijn God.
Ps. 146:3
Aan de lezer…
Deze woorden spreken van iemand die op het punt staat verloren te gaan, of die bitterlijk bedroefd is van ziel. Bent u zo iemand? Dan zou het kunnen zijn dat dit woord juist u zoekt. Zolang wij nog iets in onszelf menen te hebben, smaakt de wijn van het Evangelie ons niet. Maar wanneer de heiligheid van God ons geweten raakt en wij de diepte van onze val beginnen te zien, dan leren wij uit onszelf uitzien naar een redding die wij in ons eigen hart nooit vinden konden.
Wanhoop dan niet over uw ellende, maar laat haar u naar Christus drijven. In Hem is redding en in geen ander. Hij is ons geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking en verlossing. Zijn gerechtigheid is een kleed dat de naakte, beschaamde zondaar bedekt voor het aangezicht van Hem Die buiten Christus een verterend vuur is. Hoe zwaarder uw hart is, hoe meer deze wijn voor u bestemd is. Kom dan met lege handen, en ontvang wat Hij om niet geeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Geeft sterke drank degene, die verloren gaat: en wijn degenen, die bitterlijk bedroefd van ziele zijn.
Spreuken 31:6
De wijze moeder van koning Salomo gaf haar zoon genadige richtlijnen toen zij deze woorden sprak. Wanneer wij de ellende beginnen te voelen waarin wij door de zonde zijn gedompeld, zodat wij op het punt staan om te komen, en wanneer ons hart zwaar is, dan is de zuivere wijn van het Evangelie geschikt voor onze verloren toestand. Als de heiligheid en de rechtvaardigheid van God aan het geweten ontdekt worden en wij de diepte van Adams val beginnen te zien en te voelen, dan zien wij buiten onszelf uit naar een redding. Die redding konden wij in onze gevallen natuur en in ons diep bedorven en ongelovig hart niet vinden. Wanneer wij dan door een levend geloof de Zoon van God mogen zien als Middelaar tussen God en de mensen, en wanneer wij met het oog van het geloof het bloed van het kruis zien en de gehele en volkomen genoegdoening die Hij als het Lam van God voor de zonde heeft aangebracht, dan grijpen wij Hem van harte aan als „Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking en verlossing” (1 Kor. 1:30).
Wij zien en voelen dat er in Hem redding is en in geen ander. Wij zien dat deze redding God waardig is en bij ons past. Zij beantwoordt aan alle eisen van Gods heilige Wet en verheerlijkt die Wet, omdat zij een gehoorzaamheid is die zo ver boven de onze uitgaat als de hemel boven de aarde en God boven de mens. Wanneer wij dat zien, grijpen wij haar aan als onze rechtvaardigmakende gerechtigheid, als een kleed dat ons bedekt voor de ogen van Hem Die buiten Christus een verterend vuur is (Hebr. 12:29).
Zalig hij, die in dit leven
Jakobs God ter hulpe heeft;
hij, die door de nood gedreven,
zich tot Hem om troost begeeft;
die zijn hoop in ’t hach’lijkst lot
vestigt op de Heer, zijn God.
Ps. 146:3
Aan de lezer…
Deze woorden spreken over iemand die op het punt staat verloren te gaan, of die bitterlijk bedroefd is van ziel. Bent u zo iemand? Dan kan het zijn dat dit woord juist u zoekt. Zolang wij nog menen iets in onszelf te hebben, smaakt de wijn van het Evangelie ons niet. Maar wanneer de heiligheid van God ons geweten raakt en wij de diepte van onze val beginnen te zien, dan leren wij buiten onszelf uitzien naar een redding die wij in ons eigen hart nooit hadden kunnen vinden.
Wanhoop dan niet over uw ellende, maar laat die u naar Christus drijven. In Hem is redding en in geen ander. Hij is ons geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking en verlossing. Zijn gerechtigheid is een kleed dat de naakte, beschaamde zondaar bedekt voor het aangezicht van Hem Die buiten Christus een verterend vuur is. Hoe zwaarder uw hart is, hoe meer deze wijn voor u bestemd is. Kom dan met lege handen, en ontvang wat Hij om niet geeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Give strong drink unto him that is ready to perish, and wine unto those that be of heavy hearts.
Proverbs 31:6
The wise mother of king Lemuel gave her son gracious directions when she spoke these words. It is when we begin to feel the misery into which we have been cast by sin, and thus become ready to perish, and of heavy hearts, that the pure wine of gospel grace is suitable to our lost condition. As the holiness and justice of God are discovered to the conscience, and we are made to see and feel the depths of the Adam fall, we look out of ourselves for a salvation which we could not find in our fallen nature or in our deeply corrupt and unbelieving heart.
When, then, we obtain by living faith a view of the Son of God as a Mediator between God and men, when we see by the eye of faith the blood of the cross, and the full and complete atonement which He, as the Lamb of God, made for sin, then we heartily embrace Him as “of God made unto us wisdom, and righteousness, and sanctification, and redemption” (1 Cor. 1:30). We see and feel that there is salvation in Him and in no other (Acts 4:12).
And as this salvation is seen to be worthy of God and suitable to us, as it answers all the demands of God’s holy law, and glorifies it by rendering it an obedience as far excelling ours as heaven excels earth, and God surpasses man; we embrace it as our justifying righteousness and covering robe, from the eyes of Him Who, out of Christ, is a consuming fire (Heb. 12:29).
To the reader…
These words speak of someone who is ready to perish, or who is bitterly grieved in soul. Are you such a one? Then it may be that this word is seeking you in particular. As long as we still think we have something in ourselves, the wine of the gospel has no taste for us. But when the holiness of God touches our conscience and we begin to see the depth of our fall, we learn to look outside ourselves for a salvation we could never have found in our own heart.
Do not despair over your misery, then, but let it drive you to Christ. In Him is salvation, and in no other. He is made unto us of God wisdom, and righteousness, and sanctification, and redemption. His righteousness is a robe that covers the naked, ashamed sinner before the face of Him Who, out of Christ, is a consuming fire. The heavier your heart, the more this wine is meant for you. Come, then, with empty hands, and receive what He gives freely.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Dad la cerveza al desfallecido, y el vino a los de amargo ánimo.
Proverbios 31:6
La sabia madre del rey Lemuel dio a su hijo instrucciones llenas de gracia cuando pronunció estas palabras. Es cuando comenzamos a sentir la miseria en que el pecado nos ha arrojado, y así llegamos a estar desfallecidos y de amargo ánimo, que el vino puro de la gracia del evangelio conviene a nuestra condición perdida. A medida que la santidad y la justicia de Dios son descubiertas a la conciencia, y se nos hace ver y sentir la profundidad de la caída de Adán, miramos fuera de nosotros mismos en busca de una salvación que no podíamos hallar en nuestra naturaleza caída ni en nuestro corazón profundamente corrompido e incrédulo.
Cuando, pues, obtenemos por una fe viva una visión del Hijo de Dios como Mediador entre Dios y los hombres, cuando vemos con el ojo de la fe la sangre de la cruz y la expiación plena y completa que Él, como el Cordero de Dios, hizo por el pecado, entonces le abrazamos de corazón como Aquel que “nos ha sido hecho por Dios sabiduría, y justificación, y santificación, y redención” (1 Cor. 1:30). Vemos y sentimos que hay salvación en Él y en ningún otro (Hechos 4:12).
Y a medida que se ve que esta salvación es digna de Dios y adecuada para nosotros, pues responde a todas las exigencias de la santa ley de Dios y la glorifica rindiéndole una obediencia que supera a la nuestra tanto como el cielo supera a la tierra y Dios sobrepasa al hombre, la abrazamos como nuestra justicia justificadora y el manto que nos cubre ante los ojos de Aquel que, fuera de Cristo, es fuego consumidor (Heb. 12:29).
Al lector…
Estas palabras hablan de alguien que está desfallecido, o que está amargamente afligido en el alma. ¿Es usted uno de ellos? Entonces puede ser que esta palabra le busque precisamente a usted. Mientras todavía pensamos que tenemos algo en nosotros mismos, el vino del evangelio no tiene sabor para nosotros. Pero cuando la santidad de Dios toca nuestra conciencia y comenzamos a ver la profundidad de nuestra caída, aprendemos a mirar fuera de nosotros mismos en busca de una salvación que nunca habríamos podido hallar en nuestro propio corazón.
No desespere, pues, por su miseria, sino deje que ella le lleve a Cristo. En Él hay salvación, y en ningún otro. Él nos ha sido hecho por Dios sabiduría, y justificación, y santificación, y redención. Su justicia es un manto que cubre al pecador desnudo y avergonzado ante el rostro de Aquel que, fuera de Cristo, es fuego consumidor. Cuanto más pesado esté su corazón, tanto más es este vino para usted. Venga, pues, con las manos vacías, y reciba lo que Él da gratuitamente.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Leer mij Uw paden
Heere! Maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.
Psalm 25:4
De beproevingen en verwarringen die een christen zal tegenkomen op zijn weg naar de hemel, worden aanvankelijk niet aan hem kenbaar gemaakt. De Heere behandelt hem zoals Hij de kinderen van Israël behandelde toen Hij hen uit Egypte wegleidde. Hij zei niets tegen hen over de woestijn. Dit was de boodschap die Mozes hun moest overbrengen: „En de Heere zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend. Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honing” (Exod. 3:7-8). In deze absolute, onvoorwaardelijke belofte van verlossing horen we geen woord over de woestijn, die een obstakel tussen Egypte en Kanaän zou vormen; helemaal niets over een verblijf daar van veertig jaar voordat ze het beloofde land in bezit kregen.
Zo spreekt de Heere met Zijn kinderen als Hij hen uit het diensthuis bevrijdt (Exod. 13:3). Hij stelt hun het beloofde land voor ogen als hun zekere erfenis, en doet hun verlangens ernaar en hun liefde ervoor ontvlammen. Maar Hij verbergt voor hen de moeilijkheden die ze zullen tegenkomen, en de wildernis waar ze doorheen moeten om er te geraken.
Er is een soortgelijke geestelijke omgang met de ziel te vinden in Hosea 2:13: „Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.” De Heere lokt haar, voert haar onwetend verder, tot ze op het laatst merkt ergens te zijn waar ze niet verwacht had te komen. Dat de Heere gewoonlijk zo met Zijn kinderen omgaat, lezen we: „En Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben” (Jes. 42:16). En zo verbergt Hij voor Zijn kinderen de beproevingen en moeilijkheden van de weg, de vijanden die ze zullen tegenkomen en de strijd die ze moeten leveren, totdat ze in zekere mate klaar zijn om hardheid te doorstaan als goede soldaten van Jezus Christus.
Lezen: Hosea 2
Aan de lezer…
U die de weg naar de hemel gaat, had u gedacht dat hij zo zou lopen? Toen de Heere u voor het eerst trok, stelde Hij u misschien het beloofde land voor ogen en deed Hij uw verlangen ernaar ontvlammen; van de woestijn wist u nog niets. Nu bent u op plaatsen gekomen waar u nooit verwacht had te komen, en vraagt u zich af of u wel goed geleid wordt.
Zo deed de Heere ook met Israël. Hij sprak tot hen van een land vloeiende van melk en honing en zweeg over de veertig jaren in de wildernis. Dat was geen bedrog, maar wijze tederheid: Hij verbergt de moeilijkheden totdat Zijn kinderen in zekere mate bereid zijn ze te dragen. En juist in de woestijn spreekt Hij naar het hart. Hij leidt de blinden door de weg die zij niet geweten hebben; vertrouw dan dat Hij ook u brengt waar Hij beloofd heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heere! Maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.
Psalm 25:4
De beproevingen en verwarringen die een christen op zijn weg naar de hemel zal tegenkomen, worden hem in het begin niet bekendgemaakt. De Heere doet met hem zoals Hij deed met de kinderen van Israël toen Hij hen uit Egypte leidde. Hij zei hun niets over de woestijn. Dit was de boodschap die Mozes hun moest overbrengen: „En de Heere zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend. Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honing” (Exod. 3:7-8). In deze absolute, onvoorwaardelijke belofte van verlossing horen we geen woord over de woestijn, die als een hindernis tussen Egypte en Kanaän lag. Er staat helemaal niets over een verblijf van veertig jaar daar, voordat ze het beloofde land in bezit kregen.
Zo spreekt de Heere met Zijn kinderen wanneer Hij hen uit het diensthuis bevrijdt (Exod. 13:3). Hij stelt hun het beloofde land voor ogen als hun zekere erfenis, en Hij doet hun verlangen ernaar en hun liefde ervoor ontvlammen. Maar Hij verbergt voor hen de moeilijkheden die ze zullen tegenkomen, en de wildernis waar ze doorheen moeten om er te komen.
Iets dergelijks in de geestelijke omgang met de ziel vinden we in Hosea 2:13: „Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.” De Heere lokt haar en voert haar onwetend verder, totdat ze ten slotte merkt dat ze is waar ze nooit verwacht had te komen. Dat de Heere gewoonlijk zo met Zijn kinderen omgaat, lezen we in: „En Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben” (Jes. 42:16). Zo verbergt Hij voor Zijn kinderen de beproevingen en moeilijkheden van de weg, de vijanden die ze zullen ontmoeten en de strijd die ze moeten voeren. Dat doet Hij totdat ze in zekere mate bereid zijn om verdrukking te lijden als goede krijgsknechten van Jezus Christus.
Lezen: Hosea 2
Aan de lezer…
U die de weg naar de hemel gaat, had u gedacht dat hij zo zou lopen? Toen de Heere u voor het eerst trok, stelde Hij u misschien het beloofde land voor ogen en deed Hij uw verlangen ernaar ontvlammen; van de woestijn wist u nog niets. Nu bent u op plaatsen gekomen waar u nooit verwacht had te komen, en vraagt u zich af of u wel goed geleid wordt.
Zo deed de Heere ook met Israël. Hij sprak tot hen over een land vloeiende van melk en honing en zweeg over de veertig jaren in de wildernis. Dat was geen bedrog, maar wijze tederheid: Hij verbergt de moeilijkheden totdat Zijn kinderen in zekere mate bereid zijn ze te dragen. En juist in de woestijn spreekt Hij naar het hart. Hij leidt de blinden door de weg die zij niet geweten hebben; vertrouw dan dat Hij ook u brengt waar Hij beloofd heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Shew me Thy ways, O LORD; teach me Thy paths.
Psalm 25:4
The trials and perplexities that a Christian will meet on his way to heaven are not made known to him at the beginning. The Lord deals with him as He dealt with the children of Israel when He led them out of Egypt. He told them nothing about the wilderness. This was the message Moses was to bring them: “And the LORD said, I have surely seen the affliction of My people which are in Egypt, and have heard their cry by reason of their taskmasters; for I know their sorrows; and I am come down to deliver them out of the hand of the Egyptians, and to bring them up out of that land unto a good land and a large, unto a land flowing with milk and honey” (Exod. 3:7-8). In this absolute, unconditional promise of deliverance we hear not a word about the wilderness, which lay as a barrier between Egypt and Canaan. There is nothing at all about a sojourn of forty years there before they took possession of the promised land.
So the Lord speaks to His children when He brings them out of the house of bondage (Exod. 13:3). He sets the promised land before their eyes as their sure inheritance, and He kindles their longing for it and their love to it. But He hides from them the difficulties they will meet, and the wilderness through which they must pass to reach it.
Something similar in the Lord’s spiritual dealings with the soul we find in Hosea 2:14: “Therefore, behold, I will allure her, and bring her into the wilderness, and speak comfortably unto her.” The Lord allures her and leads her on unawares, until at last she finds that she is where she never expected to come. That the Lord usually deals thus with His children we read in, “And I will bring the blind by a way that they knew not; I will lead them in paths that they have not known” (Isa. 42:16). So He hides from His children the trials and difficulties of the way, the enemies they will meet and the battle they must fight. This He does until they are in some measure ready to endure hardness as good soldiers of Jesus Christ.
Reading: Hosea 2
To the reader…
You who walk the way to heaven, did you think it would run like this? When the Lord first drew you, He perhaps set the promised land before your eyes and kindled your longing for it; of the wilderness you as yet knew nothing. Now you have come to places where you never expected to come, and you ask yourself whether you are being rightly led.
So the Lord dealt with Israel too. He spoke to them of a land flowing with milk and honey and was silent about the forty years in the wilderness. That was no deceit, but wise tenderness: He hides the difficulties until His children are in some measure ready to bear them. And it is in the very wilderness that He speaks comfortably to the heart. He leads the blind by a way that they knew not; trust, then, that He will bring you too where He has promised.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Muéstrame, oh Jehová, Tus caminos; enséñame Tus sendas.
Salmo 25:4
Las pruebas y perplejidades que un cristiano encontrará en su camino al cielo no se le dan a conocer al principio. El Señor trata con él como trató con los hijos de Israel cuando los sacó de Egipto. No les dijo nada del desierto. Este fue el mensaje que Moisés había de llevarles: “Y dijo Jehová: Bien he visto la aflicción de Mi pueblo que está en Egipto, y he oído su clamor a causa de sus exactores; pues tengo conocidas sus angustias: y he descendido para librarlos de mano de los Egipcios, y sacarlos de aquella tierra a una tierra buena y ancha, a tierra que fluye leche y miel” (Éx. 3:7-8). En esta promesa absoluta e incondicional de liberación no oímos ni una palabra del desierto, que se interponía como una barrera entre Egipto y Canaán. No hay absolutamente nada de una estancia de cuarenta años allí antes de que tomaran posesión de la tierra prometida.
Así habla el Señor a Sus hijos cuando los saca de la casa de servidumbre (Éx. 13:3). Pone ante sus ojos la tierra prometida como su herencia segura, y enciende en ellos el anhelo de ella y el amor hacia ella. Pero les oculta las dificultades que encontrarán y el desierto por el que han de pasar para llegar a ella.
Algo semejante en los tratos espirituales del Señor con el alma hallamos en Oseas 2:14: “Empero he aquí, Yo la induciré, y la llevaré al desierto, y hablaré a su corazón”. El Señor la atrae y la conduce sin que ella lo advierta, hasta que al fin se halla donde nunca esperaba llegar. Que el Señor suele tratar así con Sus hijos lo leemos en: “Y guiaré los ciegos por camino que no sabían, haréles pisar por las sendas que no habían conocido” (Is. 42:16). Así oculta a Sus hijos las pruebas y dificultades del camino, los enemigos que encontrarán y la batalla que han de librar. Esto hace hasta que están en alguna medida preparados para sufrir trabajos como buenos soldados de Jesucristo.
Lectura: Oseas 2
Al lector…
Usted que anda por el camino al cielo, ¿pensaba que transcurriría así? Cuando el Señor le atrajo por primera vez, quizá puso ante sus ojos la tierra prometida y encendió su anhelo de ella; del desierto aún no sabía nada. Ahora ha llegado a lugares adonde nunca esperaba llegar, y se pregunta si está siendo guiado rectamente.
Así trató el Señor también con Israel. Les habló de una tierra que fluye leche y miel, y calló los cuarenta años en el desierto. Eso no fue engaño, sino sabia ternura: Él oculta las dificultades hasta que Sus hijos están en alguna medida preparados para llevarlas. Y es precisamente en el desierto donde Él habla al corazón. Él guía a los ciegos por camino que no sabían; confíe, pues, en que también a usted le llevará adonde ha prometido.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; om te verschijnen degenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op de weg des vredes.
Lucas 1:78, 79
Er is een weg des vredes, en dit is de Heere Jezus Christus: „Want Hij is onze Vrede”, en „de Weg”, en daarom de Weg des vredes. Hij heeft vrede gemaakt door het bloed des kruises, Col. 1:20, de vijandschap daaraan gedood hebbende. En komende heeft Hij vrede verkondigd hun die verre waren, zittende in de duisternis en de schaduw des doods, en hun die nabij waren, Efeze 2:16, 17. De Opgang uit de hoogte, dan opgaande in de ziel, schijnt op de weg des vredes en doet onze voeten daarop treden. Het licht schijnt op de weg, omlijnd met bloed, op de weg der zaligheid krachtens het volmaakte werk: het verzoenend bloed en het verdienstelijk lijden van de Zoon van God.
Wanneer dan het licht schijnt op de weg en hij beschouwd wordt als een weg des vredes, een weg van verzoening en vergeving, een weg van leven en blijdschap, een weg van toenadering en aanneming, een weg van genade en heerlijkheid, dan beweegt zich de voet daarheen en gaat erop wandelen. Dit is een vrede die alle verstand te boven gaat, een vrede die de wereld niet geven of roven kan, een heilige kalmte, een genadige onderwerping van alle tegenstand. En die kracht die eenmaal tot de huilende storm en de kokende golven, die hun witte kuiven opstaken, sprak: „Vrede, weest stil!”, brengt dit alles teweeg. Hoe groot is de verandering! In plaats van in oorlog met God, met Hem in vrede.
O, te mogen verstaan en door het oog des geloofs te mogen bespieden dat de weg van de aarde tot de hemel, zoals hij is geopenbaard in de Persoon en het werk van de Zoon van God, van het begin tot het einde vrede is, en dat, zolang de voet des geloofs zich in die weg beweegt, hij wandelt in een weg des vredes hier en hiernamaals. O, hoe groot is het te kennen, te ontwaren en meer van deze vrede te genieten; de vrede waarvan de Heere Jezus zeide: „Mijn vrede laat Ik u; Mijn vrede geef Ik u!” De enige vrede is de vrede in het geloof, vrede door het verzoenend bloed, vrede door te wandelen in een zoete gemeenschap met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Ook zijn wij niet onkundig gelaten hoe hij te verkrijgen en te behouden is: „Zijt in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus”, Phil. 4:6, 7.
Aan de lezer…
Wanneer u in duisternis en in de schaduw des doods zit, is het dan ook onrustig in uw binnenste, als een zee met kokende golven, en weet u niet hoe u vrede met God zou kunnen vinden? Zie dan niet naar binnen, waar u alleen onrust vindt, maar naar Hem Die onze Vrede is. Hij heeft vrede gemaakt door het bloed des kruises, en Hij verkondigt vrede aan hen die verre waren.
Wanneer de Opgang uit de hoogte in de ziel opgaat, valt er licht op die weg, omlijnd met bloed, en de voet gaat erop wandelen. Dan spreekt Dezelfde Die eens de storm stilde, ook tot uw hart: „Vrede, weest stil!” Wees dan in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten door bidden en smeken bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw hart bewaren in Christus Jezus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; om te verschijnen degenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op de weg des vredes.
Lucas 1:78, 79
Er is een weg van vrede, en dat is de Heere Jezus Christus: „Want Hij is onze Vrede”, en „de Weg”, en daarom de Weg van de vrede. Hij heeft vrede gemaakt door het bloed van het kruis (Kol. 1:20), nadat Hij daaraan de vijandschap gedood had. En Hij is gekomen en heeft vrede verkondigd aan hen die ver weg waren, gezeten in de duisternis en de schaduw van de dood, en aan hen die dichtbij waren (Efeze 2:16, 17). De Opgang uit de hoogte, die dan in de ziel opgaat, schijnt op de weg van de vrede en doet onze voeten daarop gaan. Het licht schijnt op de weg die met bloed is afgebakend, op de weg van de zaligheid op grond van het volmaakte werk: het verzoenend bloed en het verdienstelijk lijden van de Zoon van God.
Wanneer dan het licht op de weg schijnt en hij gezien wordt als een weg van vrede, een weg van verzoening en vergeving, een weg van leven en blijdschap, een weg van toegang en aanneming, een weg van genade en heerlijkheid, dan beweegt de voet zich daarheen en gaat erop wandelen. Dit is een vrede die alle verstand te boven gaat, een vrede die de wereld niet kan geven of roven, een heilige kalmte, een genadige onderwerping van alle tegenstand. En de kracht die eens tot de huilende storm en de kokende golven met hun witte koppen sprak: „Vrede, weest stil!”, brengt dit alles tot stand. Hoe groot is de verandering! In plaats van in oorlog met God, nu met Hem in vrede.
O, te mogen verstaan en met het oog van het geloof te mogen zien dat de weg van de aarde naar de hemel, zoals hij geopenbaard is in de Persoon en het werk van de Zoon van God, van het begin tot het einde vrede is! En dat de voet van het geloof, zolang hij zich op die weg beweegt, wandelt op een weg van vrede, hier en hiernamaals. O, hoe groot is het om meer van deze vrede te kennen, te bespeuren en te genieten; de vrede waarover de Heere Jezus zei: „Mijn vrede laat Ik u; Mijn vrede geef Ik u!” De enige vrede is de vrede in het geloof, vrede door het verzoenend bloed, vrede door te wandelen in zoete gemeenschap met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Ook zijn wij niet in het onzekere gelaten hoe die vrede te verkrijgen en te behouden is: „Zijt in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus” (Fil. 4:6, 7).
Aan de lezer…
Wanneer u in duisternis en in de schaduw van de dood zit, is het dan ook onrustig in uw binnenste, als een zee met kokende golven, en weet u niet hoe u vrede met God zou kunnen vinden? Kijk dan niet naar binnen, waar u alleen onrust vindt, maar naar Hem Die onze Vrede is. Hij heeft vrede gemaakt door het bloed van het kruis, en Hij verkondigt vrede aan hen die ver weg waren.
Wanneer de Opgang uit de hoogte in de ziel opgaat, valt er licht op die weg, met bloed afgebakend, en de voet gaat erop wandelen. Dan spreekt Dezelfde Die eens de storm stilde, ook tot uw hart: „Vrede, weest stil!” Wees dan in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten door bidden en smeken bekend worden bij God. En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw hart bewaren in Christus Jezus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Through the tender mercy of our God; whereby the dayspring from on high hath visited us, to give light to them that sit in darkness and in the shadow of death, to guide our feet into the way of peace.
Luke 1:78-79
There is a way of peace, and that is the Lord Jesus Christ. For He is “our peace,” and “the way,” and therefore the way of peace. He has made peace through the blood of His cross (Col. 1:20), having slain the enmity thereby, and came and preached peace to those who were afar off, “sitting in darkness and the shadow of death,” and to those who were near (Eph. 2:16, 17). The dayspring, then, breaking in upon the soul, shines upon the way of peace, and guides the feet into it. The light shines upon the way lined with blood, the way of salvation through the finished work, atoning blood, and meritorious sufferings of the Son of God. As, then, the light shines upon the way, and it is seen as a way of peace, a way of pardon and reconciliation, a way of access and acceptance, a way of grace and glory, a way of life and happiness, the feet of faith move towards it, enter upon it, and walk in it.
This is a peace that passes all understanding, a peace which the world cannot give or take away, a holy calm, a gracious subduing of all rebellion; and that power which once said to the boiling waves and howling winds that chafed their whitened crests into a succession of billows, “Peace, be still!” does it all. How great the change! Instead of war with God, to be at peace; to see by the eye of faith that the whole way from earth to heaven, as revealed in the Person and work of the Son of God, is peace from first to last, and that as long as the feet are moving in that path they are walking in a way of peace here and hereafter. O to know, feel, and enjoy more of this peace, the peace of which Jesus said, “Peace I leave with you, My peace I give unto you!”
The only peace is peace in believing, peace through atoning blood, peace by walking in sweet communion with Father, Son, and Holy Spirit. Nor are we left ignorant how it is to be attained and maintained—“Be anxious for nothing; but in everything by prayer and supplication, with thanksgiving, let your requests be made known unto God. And the peace of God, which passes all understanding, shall keep your hearts and minds through Christ Jesus” (Philippians 4:6, 7).
To the reader…
When you sit in darkness and in the shadow of death, is there also unrest within you, like a sea of boiling waves, and do you not know how you could find peace with God? Then do not look within, where you find only unrest, but look to Him Who is our Peace. He has made peace through the blood of His cross, and He preaches peace to those who were afar off.
When the Dayspring from on high rises in the soul, light falls on that way marked out with blood, and the feet begin to walk in it. Then the same One Who once stilled the storm speaks also to your heart: “Peace, be still!” Be careful, then, for nothing, but by prayer and supplication let your requests be made known unto God. And the peace of God, which passes all understanding, shall keep your heart through Christ Jesus.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por las entrañas de misericordia de nuestro Dios, con que nos visitó de lo alto el Oriente, para dar luz a los que habitan en tinieblas y en sombra de muerte; para encaminar nuestros pies por camino de paz.
Lucas 1:78-79
Hay un camino de paz, y ese es el Señor Jesucristo. Porque Él es “nuestra paz” y “el camino”, y por tanto el camino de paz. Él ha hecho la paz por la sangre de Su cruz (Colosenses 1:20), matando en ella las enemistades, y vino y anunció la paz a los que estaban lejos, que habitaban “en tinieblas y en sombra de muerte”, y a los que estaban cerca (Efesios 2:16, 17). El Oriente, pues, irrumpiendo en el alma, resplandece sobre el camino de paz y encamina los pies por él. La luz brilla sobre el camino marcado con sangre, el camino de salvación por medio de la obra consumada, la sangre expiatoria y los sufrimientos meritorios del Hijo de Dios. Así pues, cuando la luz resplandece sobre el camino, y este se ve como un camino de paz, un camino de perdón y reconciliación, un camino de acceso y aceptación, un camino de gracia y gloria, un camino de vida y felicidad, los pies de la fe se mueven hacia él, entran en él y andan por él.
Esta es una paz que sobrepuja todo entendimiento, una paz que el mundo no puede dar ni quitar, una santa calma, un someter lleno de gracia toda rebelión; y aquel poder que una vez dijo a las olas hirvientes y a los vientos aullantes que encrespaban sus blancas crestas en una sucesión de oleajes: “Calla, enmudece”, lo hace todo. ¡Qué grande es el cambio! En lugar de guerra con Dios, estar en paz; ver con el ojo de la fe que todo el camino de la tierra al cielo, tal como se revela en la Persona y la obra del Hijo de Dios, es paz del principio al fin, y que mientras los pies se muevan por esa senda, andan por un camino de paz aquí y en el más allá. ¡Oh, conocer, sentir y gozar más de esta paz, la paz de la cual Jesús dijo: “La paz os dejo, Mi paz os doy”!
La única paz es la paz en el creer, la paz por la sangre expiatoria, la paz al andar en dulce comunión con el Padre, el Hijo y el Espíritu Santo. Y no se nos deja ignorar cómo se ha de alcanzar y mantener: “Por nada estéis afanosos; sino sean notorias vuestras peticiones delante de Dios en toda oración y ruego, con hacimiento de gracias. Y la paz de Dios, que sobrepuja todo entendimiento, guardará vuestros corazones y vuestros entendimientos en Cristo Jesús” (Filipenses 4:6, 7).
Al lector…
Cuando usted habita en tinieblas y en sombra de muerte, ¿hay también inquietud dentro de usted, como un mar de olas hirvientes, y no sabe cómo podría hallar paz con Dios? Entonces no mire hacia dentro, donde solo halla inquietud, sino mire a Aquel que es nuestra Paz. Él ha hecho la paz por la sangre de Su cruz, y anuncia la paz a los que estaban lejos.
Cuando el Oriente de lo alto nace en el alma, la luz cae sobre ese camino marcado con sangre, y los pies comienzan a andar por él. Entonces el mismo que una vez calmó la tempestad habla también a su corazón: “Calla, enmudece.” Por nada esté, pues, afanoso, sino sean notorias sus peticiones delante de Dios en oración y ruego. Y la paz de Dios, que sobrepuja todo entendimiento, guardará su corazón en Cristo Jesús.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl