6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen.
Psalm 9:11
Er is een kennen van Gods Naam. Door de „Naam Gods” moet men verstaan de geopenbaarde volmaaktheden des Almachtigen: alles wat Hij aangaande Zichzelf in de Schriften der Waarheid geopenbaard heeft. Elke eigenschap, elke volmaaktheid, alles wat God van Zichzelf gezegd heeft, is begrepen in de „Naam van God”. Maar inzonderheid betekent de „Naam van God” de Zoon Zijner liefde, Die is de luister Zijner heerlijkheid, „het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid”; gelijk Hij tot Mozes zeide: „Zie, Ik zend Mijn Engel voor uw aangezicht, om u de weg te wijzen, en te brengen in de plaats die Ik heb toebereid. Geef acht op Hem en gehoorzaam Zijn stem, vertoorn Hem niet; want Hij zal uw overtredingen niet vergeven: want Mijn Naam is in Hem”, dat is: al Mijn geopenbaarde volmaaktheden, Mijn heerlijkheid, al Mijn Goddelijke eigenschappen zijn in Hem; „want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk”.
Nu is er een kennen van de Naam van God; er is een kennen bij ervaring in de ziel van de volmaaktheden Gods, zoals zij in de Schriften zijn geopenbaard. Zijn Naam wordt dus gekend wanneer de volmaaktheden Gods in het hart en aan het geweten door de kracht des Geestes zijn geopenbaard. En dit is door de kracht van een levend geloof in de ziel. Door het geloof aanschouwen wij God. Door het geloof kennen wij God.
Wanneer wij in onze harten de Waarheid ontvangen zoals die is in Jezus, en als wij door een levend geloof geloven al wat God van Zichzelf in Zijn Woord gezegd heeft, dan kennen wij de Naam van God; en iedere openbaring van Gods barmhartigheid, ieder bewijs van Gods gunst en het zien van Gods volmaaktheden is een ontdekking in ons hart, een ontstaan in onze ziel van de kennis van Gods Naam.
O God, mijn God, Gij aller vorsten Heer,
ik zing verheugd Uw grote Naam ter eer!
Ik zal de roem van Uwe majesteit
verhogen tot in d’ eind’looz’ eeuwigheid.
Ps. 145:1
Aan de lezer…
Wie de Naam des Heeren kent, kent die niet alleen van horen zeggen, maar bij ervaring in de ziel. Hoe is dat bij u? Het is mogelijk alles te weten wat de Schrift over God zegt en Hem toch niet te kennen. Maar het is ook mogelijk dat u meer van Hem kent dan u durft te geloven: een openbaring van Zijn barmhartigheid, een bewijs van Zijn gunst, een ogenblik waarin Christus u dierbaar werd. Dat alles is een ontstaan in uw ziel van de kennis van Gods Naam.
Want in de Zoon Zijner liefde is Gods Naam; in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk. Wie Hem leert kennen, leert vertrouwen, want „die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen”. Vraag dan dat de Geest u Christus in het hart en aan het geweten openbare. Hoe meer u Hem kent, hoe minder u op uzelf zult steunen, en hoe meer u met de psalmdichter Zijn grote Naam ter eer zult zingen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen.
Psalm 9:11
Er is een kennen van Gods Naam. Onder de „Naam Gods” moeten we de geopenbaarde volmaaktheden van de Almachtige verstaan: alles wat Hij over Zichzelf in de Schriften der Waarheid geopenbaard heeft. Elke eigenschap, elke volmaaktheid, alles wat God van Zichzelf gezegd heeft, is begrepen in de „Naam van God”. Maar in het bijzonder betekent de „Naam van God” de Zoon van Zijn liefde, Die de afstraling is van Zijn heerlijkheid, „het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid”. Zo zei Hij ook tot Mozes: „Zie, Ik zend Mijn Engel voor uw aangezicht, om u de weg te wijzen, en te brengen in de plaats die Ik heb toebereid. Geef acht op Hem en gehoorzaam Zijn stem, vertoorn Hem niet; want Hij zal uw overtredingen niet vergeven: want Mijn Naam is in Hem”. Dat wil zeggen: al Mijn geopenbaarde volmaaktheden, Mijn heerlijkheid, al Mijn Goddelijke eigenschappen zijn in Hem; „want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk”.
Nu is er een kennen van de Naam van God: een bevindelijk kennen in de ziel van de volmaaktheden van God, zoals zij in de Schriften zijn geopenbaard. Zijn Naam wordt dus gekend wanneer de volmaaktheden van God door de kracht van de Geest in het hart en aan het geweten zijn geopenbaard. En dat gebeurt door de kracht van een levend geloof in de ziel. Door het geloof aanschouwen wij God. Door het geloof kennen wij God.
Wanneer wij in ons hart de Waarheid ontvangen zoals die in Jezus is, en wanneer wij door een levend geloof alles geloven wat God in Zijn Woord van Zichzelf gezegd heeft, dan kennen wij de Naam van God. Iedere openbaring van Gods barmhartigheid, ieder bewijs van Gods gunst en ieder zien van Gods volmaaktheden is een ontdekking in ons hart: een ontstaan in onze ziel van de kennis van Gods Naam.
O God, mijn God, Gij aller vorsten Heer,
ik zing verheugd Uw grote Naam ter eer!
Ik zal de roem van Uwe majesteit
verhogen tot in d’ eind’looz’ eeuwigheid.
Ps. 145:1
Aan de lezer…
Wie de Naam van de Heere kent, kent die niet alleen van horen zeggen, maar uit bevinding in de ziel. Hoe is dat bij u? Het is mogelijk alles te weten wat de Schrift over God zegt en Hem toch niet te kennen. Maar het is ook mogelijk dat u meer van Hem kent dan u durft te geloven: een openbaring van Zijn barmhartigheid, een bewijs van Zijn gunst, een ogenblik waarop Christus u dierbaar werd. Dat alles is een ontstaan in uw ziel van de kennis van Gods Naam.
Want in de Zoon van Zijn liefde is Gods Naam; in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk. Wie Hem leert kennen, leert vertrouwen, want „die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen”. Vraag dan of de Geest u Christus in het hart en aan het geweten wil openbaren. Hoe meer u Hem kent, hoe minder u op uzelf zult steunen, en hoe meer u met de psalmdichter zult zingen, Zijn grote Naam ter eer.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And they that know Thy name will put their trust in Thee.
Psalm 9:10
There is a knowing of God’s name. By the “name of God” are to be understood the revealed perfections of the Almighty—all that He has revealed concerning Himself in the Scriptures of truth. Every attribute, every perfection, everything that God has said of Himself, is summed up in the “name of God.”
But especially does the “name of God” signify the Son of His love, Who is “the brightness of His glory, and the express image of His Person;” as He said to Moses, “Behold, I send an Angel before you, to keep you in the way, and to bring you into the place which I have prepared. Beware of Him and obey His voice, provoke Him not; for He will not pardon your transgressions—for My name is in Him;” that is, all My revealed perfections, all My glorious character, all My divine attributes are in Him; for “in Him dwells all the fullness of the Godhead bodily.”
Now, there is a knowing this name of God; that is, there is such a thing as an experimental acquaintance in the soul with the perfections of God as revealed in the Scriptures. His name is therefore known when the perfections of God are revealed in the heart and conscience by the power of the Spirit. And this is by virtue of living faith in the soul. By faith we see God. By faith we know God.
When we receive into our hearts the truth as it is in Jesus, and when we believe by living faith what God has said of Himself in the word, then we know the name of God; and every manifestation of God’s mercy, every token of God’s favor, and every shining in of God’s perfections, is a discovery in our hearts, a raising up in our souls of the knowledge of God’s name.
To the reader…
Whoever knows the Name of the Lord does not know it only from hearsay, but from experience in the soul. How is it with you? It is possible to know everything Scripture says about God and still not know Him. But it is also possible that you know more of Him than you dare to believe: a manifestation of His mercy, a token of His favour, a moment when Christ became precious to you. All of this is a raising up in your soul of the knowledge of God’s Name.
For God’s Name is in the Son of His love; in Him dwells all the fulness of the Godhead bodily. Whoever comes to know Him learns to trust, for “they that know Thy name will put their trust in Thee.” Ask, then, that the Spirit would reveal Christ to your heart and conscience. The more you know Him, the less you will lean on yourself, and the more you will sing with the psalmist, to the honour of His great Name.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y en Ti confiarán los que conocen Tu nombre.
Salmo 9:10
Hay un conocer el Nombre de Dios. Por el “Nombre de Dios” han de entenderse las perfecciones reveladas del Todopoderoso: todo lo que Él ha revelado de Sí mismo en las Escrituras de verdad. Cada atributo, cada perfección, todo lo que Dios ha dicho de Sí mismo, está resumido en el “Nombre de Dios”.
Pero el “Nombre de Dios” significa especialmente el Hijo de Su amor, Quien es “el resplandor de Su gloria, y la misma imagen de Su sustancia”; como dijo a Moisés: “He aquí Yo envío el Ángel delante de ti para que te guarde en el camino, y te introduzca en el lugar que Yo he preparado. Guárdate delante de Él, y oye Su voz; no le seas rebelde; porque Él no perdonará vuestra rebelión: porque Mi nombre está en Él”; es decir, todas Mis perfecciones reveladas, todo Mi carácter glorioso, todos Mis atributos divinos están en Él; porque “en Él habita toda la plenitud de la divinidad corporalmente”.
Ahora bien, hay un conocer este Nombre de Dios; es decir, existe un conocimiento experimental en el alma de las perfecciones de Dios tal como están reveladas en las Escrituras. Su Nombre es, pues, conocido cuando las perfecciones de Dios son reveladas en el corazón y en la conciencia por el poder del Espíritu. Y esto es en virtud de la fe viva en el alma. Por la fe vemos a Dios. Por la fe conocemos a Dios.
Cuando recibimos en nuestro corazón la verdad como está en Jesús, y cuando creemos con fe viva lo que Dios ha dicho de Sí mismo en la Palabra, entonces conocemos el Nombre de Dios; y cada manifestación de la misericordia de Dios, cada prenda del favor de Dios y cada resplandor de las perfecciones de Dios es un descubrimiento en nuestro corazón, un levantar en nuestras almas el conocimiento del Nombre de Dios.
Al lector…
Quien conoce el Nombre del Señor no lo conoce solo de oídas, sino por experiencia en el alma. ¿Cómo está usted? Es posible saber todo lo que la Escritura dice de Dios y sin embargo no conocerle. Pero también es posible que usted conozca de Él más de lo que se atreve a creer: una manifestación de Su misericordia, una prenda de Su favor, un momento en que Cristo le fue precioso. Todo esto es un levantar en su alma el conocimiento del Nombre de Dios.
Porque el Nombre de Dios está en el Hijo de Su amor; en Él habita toda la plenitud de la divinidad corporalmente. Quien llega a conocerle aprende a confiar, porque “en Ti confiarán los que conocen Tu nombre”. Pida, pues, que el Espíritu revele a Cristo a su corazón y a su conciencia. Cuanto más le conozca, menos se apoyará en sí mismo, y más cantará con el salmista, para honra de Su gran Nombre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mozes’ zegen over Israël
Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere.
Deuteronomium 33:29
Overdenk de verlossing van Israël zoals tot stand gebracht door God de Zoon. De Zoon van God is vleesgeworden. De Zoon van God verenigde onze natuur met Zijn eigen goddelijke Persoon, en in die natuur heeft Hij geleden, gebloed, in doodsangst verkeerd en is Hij gestorven. Door Zijn gehoorzaamheid aan de wet heeft Hij een eeuwigdurende rechtvaardigheid tot stand gebracht en volvoerd, en door Zijn bloed aan het kruis te vergieten heeft Hij een zinvol offer gebracht. Kijk naar Israël en stel de vraag: „Wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere.”
Wat! Heeft God de Zoon u gerechtvaardigd door Zijn heerlijke gerechtigheid, en u in de fontein gewassen die Hij voor u heeft geopend in Zijn eigen kostbare bloed aan het kruis op Golgotha? Heeft God de Zoon gekermd, gezweet, gebloed en geleden en is Hij gestorven voor uw persoonlijke verlossing in dat lichaam dat de Vader voor Hem bereidde, en dat Hij vrijwillig aannam uit gehoorzaamheid? Wie is u dan gelijk?
En als u, die de toevlucht hebt genomen tot de hoop die u is voorgesteld, voor eeuwig een bewijs in uw eigen geweten hebt dat God de Zoon voor u persoonlijk, individueel heeft geleden in de hof en aan het kruis, wie is u dan gelijk? Wie zou u moeten benijden? Met wie zou u willen ruilen? Zou u, zoals Ezau, uw erfenis verkopen voor een schotel linzenmoes? Zou u uw hoop op het eeuwige leven opgeven voor welke beloning ook, of er tegen welke prijs ook afstand van doen?
Lezen: Exodus 15:1-19
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u op anderen ziet en hun gemak, hun voorspoed of hun zorgeloze dagen benijdt. Houd dan even stil bij wat de Zoon van God gedaan heeft. Hij heeft geleden, gebloed, in doodsangst verkeerd en is gestorven, en Hij heeft een fontein geopend in Zijn eigen kostbare bloed. Hebt u uw toevlucht genomen tot die hoop, dan is er niemand op aarde met wie u zou moeten willen ruilen.
Misschien durft u niet zo stellig te zeggen dat Hij voor u persoonlijk geleden heeft. Zie dan toch naar Hem, en niet naar uw twijfel. Hij nam vrijwillig het lichaam aan dat de Vader voor Hem bereidde, om Zijn volk te verlossen. Verkoop uw erfenis niet, zoals Ezau, voor een schotel linzenmoes; laat geen wereldse beloning u de hoop op het eeuwige leven afnemen. Wie door de Heere verlost is, mag met verwondering vragen: „Wie is u gelijk?”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere.
Deuteronomium 33:29
Overdenk de verlossing van Israël zoals die door God de Zoon tot stand is gebracht. De Zoon van God is vlees geworden. De Zoon van God heeft onze natuur met Zijn eigen goddelijke Persoon verenigd, en in die natuur heeft Hij geleden, gebloed, in doodsangst verkeerd en is Hij gestorven. Door Zijn gehoorzaamheid aan de wet heeft Hij een eeuwige gerechtigheid aangebracht en volbracht. En door Zijn bloed aan het kruis te vergieten heeft Hij een volkomen offer gebracht. Kijk naar Israël en stel de vraag: „Wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere.”
Wat! Heeft God de Zoon u gerechtvaardigd door Zijn heerlijke gerechtigheid, en u gewassen in de fontein die Hij voor u geopend heeft in Zijn eigen kostbaar bloed aan het kruis op Golgotha? Heeft God de Zoon gekermd, gezweet, gebloed en geleden, en is Hij gestorven voor uw persoonlijke verlossing, in het lichaam dat de Vader voor Hem bereidde en dat Hij vrijwillig, uit gehoorzaamheid, aannam? Wie is u dan gelijk?
U hebt uw toevlucht genomen tot de hoop die u voorgesteld is. Als u dan in uw eigen geweten een eeuwig bewijs hebt dat God de Zoon voor u persoonlijk, voor u als enkeling, geleden heeft in de hof en aan het kruis, wie is u dan gelijk? Wie zou u moeten benijden? Met wie zou u willen ruilen? Zou u, zoals Ezau, uw erfenis verkopen voor een schotel linzenmoes? Zou u uw hoop op het eeuwige leven opgeven voor welke beloning ook, of er tegen welke prijs ook afstand van doen?
Lezen: Exodus 15:1-19
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u naar anderen kijkt en hun gemak, hun voorspoed of hun zorgeloze dagen benijdt. Sta dan even stil bij wat de Zoon van God gedaan heeft. Hij heeft geleden, gebloed, in doodsangst verkeerd en is gestorven, en Hij heeft een fontein geopend in Zijn eigen kostbaar bloed. Hebt u uw toevlucht genomen tot die hoop, dan is er niemand op aarde met wie u zou moeten willen ruilen.
Misschien durft u niet zo stellig te zeggen dat Hij voor u persoonlijk geleden heeft. Zie dan toch naar Hem, en niet naar uw twijfel. Hij nam vrijwillig het lichaam aan dat de Vader voor Hem bereidde, om Zijn volk te verlossen. Verkoop uw erfenis niet, zoals Ezau, voor een schotel linzenmoes; laat geen wereldse beloning u de hoop op het eeuwige leven afnemen. Wie door de Heere verlost is, mag met verwondering vragen: „Wie is u gelijk?”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Happy art thou, O Israel: who is like unto thee, O people saved by the LORD.
Deuteronomy 33:29
Consider the salvation of Israel as accomplished by God the Son. The Son of God became flesh. The Son of God united our nature to His own divine Person, and in that nature He suffered, bled, agonised and died. By His obedience to the law He brought in and finished an everlasting righteousness. And by shedding His blood upon the cross He offered a complete sacrifice. Look at Israel and ask the question, “Who is like unto thee, O people saved by the LORD?”
What! Has God the Son justified you by His glorious righteousness, and washed you in the fountain which He opened for you in His own precious blood upon the cross at Calvary? Has God the Son groaned, sweated, bled and suffered, and has He died for your personal salvation, in the body which the Father prepared for Him and which He willingly, in obedience, assumed? Who then is like unto you?
You have fled for refuge to lay hold upon the hope set before you. If, then, you have in your own conscience an eternal witness that God the Son suffered for you personally, for you individually, in the garden and on the cross, who is like unto you? Who should you envy? With whom would you change places? Would you, like Esau, sell your birthright for a mess of pottage? Would you give up your hope of eternal life for any reward whatever, or part with it at any price?
Reading: Exodus 15:1-19
To the reader…
There are times when you look at others and envy their ease, their prosperity or their carefree days. Then pause a moment over what the Son of God has done. He suffered, bled, agonised and died, and He opened a fountain in His own precious blood. If you have fled for refuge to that hope, there is no one on earth with whom you should wish to change places.
Perhaps you dare not say so firmly that He suffered for you personally. Then look to Him all the same, and not to your doubts. He willingly took the body which the Father prepared for Him, in order to save His people. Do not sell your birthright, like Esau, for a mess of pottage; let no worldly reward rob you of the hope of eternal life. Whoever is saved by the Lord may ask in wonder, “Who is like unto thee?”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bienaventurado tú, oh Israel, ¿quién como tú, pueblo salvo por Jehová?
Deuteronomio 33:29
Considere la salvación de Israel tal como fue cumplida por Dios el Hijo. El Hijo de Dios se hizo carne. El Hijo de Dios unió nuestra naturaleza a Su propia Persona divina, y en esa naturaleza sufrió, sangró, agonizó y murió. Por Su obediencia a la ley introdujo y consumó una justicia eterna. Y derramando Su sangre en la cruz ofreció un sacrificio completo. Mire a Israel y haga la pregunta: “¿Quién como tú, pueblo salvo por Jehová?”.
¡Cómo! ¿Lo ha justificado Dios el Hijo por Su gloriosa justicia, y lo ha lavado en la fuente que Él abrió para usted en Su propia sangre preciosa en la cruz del Calvario? ¿Ha gemido, sudado, sangrado y sufrido Dios el Hijo, y ha muerto por su salvación personal, en el cuerpo que el Padre le preparó y que Él tomó voluntariamente, en obediencia? ¿Quién, pues, es como usted?
Usted se ha acogido a trabarse de la esperanza propuesta. Si, pues, tiene en su propia conciencia un testimonio eterno de que Dios el Hijo sufrió por usted personalmente, por usted individualmente, en el huerto y en la cruz, ¿quién es como usted? ¿A quién debería envidiar? ¿Con quién cambiaría su lugar? ¿Vendería usted, como Esaú, su primogenitura por un guisado? ¿Renunciaría a su esperanza de vida eterna por recompensa alguna, o se desharía de ella a cualquier precio?
Lectura: Éxodo 15:1-19
Al lector…
Hay tiempos en que usted mira a otros y envidia su comodidad, su prosperidad o sus días despreocupados. Deténgase entonces un momento en lo que ha hecho el Hijo de Dios. Él sufrió, sangró, agonizó y murió, y abrió una fuente en Su propia sangre preciosa. Si usted se ha acogido a esa esperanza, no hay nadie en la tierra con quien debiera desear cambiar su lugar.
Quizá no se atreve a decir con tanta firmeza que Él sufrió por usted personalmente. Mire entonces a Él de todos modos, y no a sus dudas. Él tomó voluntariamente el cuerpo que el Padre le preparó, para salvar a Su pueblo. No venda su primogenitura, como Esaú, por un guisado; no deje que ninguna recompensa del mundo le robe la esperanza de la vida eterna. Quien es salvo por el Señor puede preguntar maravillado: “¿Quién como tú?”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke en fundere ulieden.
1 Petrus 5:10
Er is geen christelijke volmaaktheid, geen Goddelijke bevestiging, geen geestelijke sterkte, geen waarachtige fundering dan alleen door het lijden. Maar nadat de ziel heeft geleden en de kastijdende hand Gods heeft gevoeld, ontwaart zij de vrucht daarvan tot volmaking, bevestiging, versterking en fundering. Door het lijden krijgt zij een gewisse overtuiging van de eigenschappen van Jehova, zoals deze in de Schrift worden geopenbaard en in zekere mate ook bevindelijk in de consciëntie worden afgedrukt.
Zij wordt gefundeerd in het geloof van een eeuwigdurend verbond, dat in alles welgeordineerd en bewaard is; en in de overreding dat voor degenen die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, voor degenen namelijk die naar Zijn voornemen geroepen zijn; en in de vaste overtuiging dat alles hier op aarde wordt afgewikkeld overeenkomstig de eeuwige raad Gods, ten goede voor Zijn volk en tot Gods eeuwige heerlijkheid.
Zij krijgt een diepe indruk van haar ellende, van de schuldigheid en ledigheid van het schepsel, en wordt overtuigd dat de wereld maar een schaduw is en dat de dingen van de tijd en het gevoel maar waterbellen zijn, die op hetzelfde ogenblik dat men ze aanraakt, uiteenspatten; dat van alle dingen de zonde het meest te vrezen is, en de gunst van God boven alle dingen uitgaat; dat niets in waarheid te achten is dan alleen Jezus Christus en Die gekruisigd; dat alle dingen verdwijnen en dat de ziel zeer snel wordt afgevoerd met de stroom des levens en haast zijn zal in de onmetelijke oceaan der eeuwigheid. Zo wordt zij gefundeerd in de kennis der waarheid, en zij ligt voor anker, opziende tot de Heere, dat Hij haar beware en haar in vrede veilig tot haar eeuwig huis brenge.
Aan de lezer…
Hoe dikwijls rijst de vraag waarom de weg zo door het lijden moet gaan! Misschien stelt u die vraag vandaag met tranen, onder de kastijdende hand Gods. Het is geen lichte zaak, en wij willen het niet mooier maken dan het is. Maar wie niet geleden heeft, kent ook niet de bevestiging en de fundering waarvan de tekst spreekt. In het lijden leert de ziel dat de wereld een schaduw is, dat de zonde het meest te vrezen is en dat de gunst van God boven alles uitgaat.
Zie dan op de God aller genade, Die u geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid, en let op het woordje „een weinig tijds”. De stroom des levens voert u snel naar de oceaan der eeuwigheid, en het lijden van nu is niet het laatste woord. Ligt uw ziel nog onrustig, vraag Hem dan dat Hij u volmake, bevestige, versterke en fundere, totdat u voor anker ligt in Jezus Christus en Die gekruisigd, en Hij u in vrede veilig thuisbrengt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke en fundere ulieden.
1 Petrus 5:10
Er is geen christelijke volmaaktheid, geen Goddelijke bevestiging, geen geestelijke sterkte en geen waarachtige fundering dan alleen door het lijden. Maar nadat de ziel geleden heeft en de kastijdende hand van God heeft gevoeld, merkt zij de vrucht daarvan: volmaking, bevestiging, versterking en fundering. Door het lijden krijgt zij een vaste overtuiging van de eigenschappen van Jehova, zoals die in de Schrift worden geopenbaard en in zekere mate ook bevindelijk in het geweten worden afgedrukt.
Zij wordt gefundeerd in het geloof in een eeuwig verbond, dat in alles welgeordend en bewaard is. Zij wordt gefundeerd in de overtuiging dat voor hen die God liefhebben alle dingen meewerken ten goede, namelijk voor hen die naar Zijn voornemen geroepen zijn. En zij wordt gefundeerd in de vaste overtuiging dat alles hier op aarde verloopt overeenkomstig de eeuwige raad van God, ten goede voor Zijn volk en tot Gods eeuwige heerlijkheid.
Zij krijgt een diepe indruk van haar ellende, van de schuld en de leegheid van het schepsel. Zij wordt ervan overtuigd dat de wereld maar een schaduw is en dat de dingen van de tijd en van het gevoel maar zeepbellen zijn, die op hetzelfde ogenblik dat men ze aanraakt uiteenspatten. Zij leert dat van alle dingen de zonde het meest te vrezen is en dat de gunst van God boven alle dingen uitgaat; dat niets werkelijk te achten is dan alleen Jezus Christus en Die gekruisigd; dat alle dingen verdwijnen en dat de ziel zeer snel wordt meegevoerd met de stroom van het leven en spoedig zal zijn in de onmetelijke oceaan van de eeuwigheid. Zo wordt zij gefundeerd in de kennis van de waarheid. Zij ligt voor anker en ziet op naar de Heere, dat Hij haar bewaart en haar in vrede veilig naar haar eeuwig huis brengt.
Aan de lezer…
Hoe vaak rijst de vraag waarom de weg zo door het lijden moet gaan! Misschien stelt u die vraag vandaag met tranen, onder de kastijdende hand van God. Het is geen lichte zaak, en wij willen het niet mooier maken dan het is. Maar wie niet geleden heeft, kent ook niet de bevestiging en de fundering waarover de tekst spreekt. In het lijden leert de ziel dat de wereld een schaduw is, dat de zonde het meest te vrezen is en dat de gunst van God boven alles uitgaat.
Zie dan op de God van alle genade, Die u geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid, en let op die woorden „een weinig tijds”. De stroom van het leven voert u snel naar de oceaan van de eeuwigheid, en het lijden van nu is niet het laatste woord. Is uw ziel nog onrustig, vraag Hem dan of Hij u wil volmaken, bevestigen, versterken en funderen, totdat u voor anker ligt in Jezus Christus en Die gekruisigd, en Hij u in vrede veilig thuisbrengt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But the God of all grace, who hath called us unto his eternal glory by Christ Jesus, after that ye have suffered a while, make you perfect, stablish, strengthen, settle you.”
1 Peter 5:10
There is no Christian perfection, no divine establishment, no spiritual strength, no solid settlement, except by suffering. But after the soul has suffered, after it has felt God’s chastising hand, the effect is to perfect, to establish, to strengthen, and to settle it. By suffering, a man becomes settled into a solemn conviction of the character of Jehovah as revealed in the Scripture, and in a measure made experimentally manifest in his conscience. He is settled in the belief of an “everlasting covenant, ordered in all things, and sure;” in the persuasion that “all things work together for good to those who love God, and are the called according to His purpose;” in the firm conviction that everything comes to pass according to God’s eternal purpose; and are all tending to the good of the Church, and to God’s eternal glory.
His soul, also, is settled down into a deep persuasion of the misery, wretchedness, and emptiness of the creature; into the conviction that the world is but a shadow, and that the things of time and sense are but bubbles that burst the moment they are grasped; that of all things sin is most to be dreaded, and the favor of God above all things most to be coveted; that nothing is really worth knowing except Jesus Christ and Him crucified; that all things are passing away, and that he himself is rapidly hurrying down the stream of life, and into the boundless ocean of eternity. Thus he becomes settled in a knowledge of the truth, and his soul remains at anchor, looking to the Lord to preserve him here, and bring him in peace and safety to his eternal home.
To the reader…
How often the question arises why the way must go through suffering! Perhaps you are asking that question today with tears, under the chastising hand of God. It is no light matter, and we do not wish to make it look better than it is. But whoever has not suffered does not know the establishing and settling of which the text speaks either. In suffering the soul learns that the world is a shadow, that sin is most to be dreaded, and that the favor of God surpasses everything.
Look, then, to the God of all grace, Who has called you unto His eternal glory, and mark those words “a while.” The stream of life carries you swiftly to the ocean of eternity, and the suffering of now is not the last word. If your soul is still restless, ask Him to make you perfect, to stablish, strengthen, and settle you, until you lie at anchor in Jesus Christ and Him crucified, and He brings you home in peace and safety.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Mas el Dios de toda gracia, que nos ha llamado á su gloria eterna por Jesucristo, después que hubiereis un poco de tiempo padecido, él mismo os perfeccione, confirme, corrobore y establezca.”
1 Pedro 5:10
No hay perfección cristiana, ni confirmación divina, ni fortaleza espiritual, ni asiento firme, sino por medio del padecimiento. Pero después que el alma ha padecido, después que ha sentido la mano castigadora de Dios, el efecto es perfeccionarla, confirmarla, corroborarla y establecerla. Por el padecimiento, el hombre queda establecido en una solemne convicción del carácter de Jehová tal como se revela en la Escritura, y en alguna medida se le hace manifiesto por experiencia en su conciencia. Queda establecido en la fe de un “pacto perpetuo, ordenado en todas las cosas, y será guardado”; en la persuasión de que “á los que á Dios aman, todas las cosas les ayudan á bien, es á saber, á los que conforme al propósito son llamados”; en la firme convicción de que todo sucede conforme al propósito eterno de Dios, y que todas las cosas tienden al bien de la Iglesia y a la gloria eterna de Dios.
Su alma, además, queda asentada en una honda persuasión de la miseria, desdicha y vaciedad de la criatura; en la convicción de que el mundo no es sino una sombra, y de que las cosas del tiempo y de los sentidos no son sino burbujas que estallan en el momento en que se las toma; de que de todas las cosas el pecado es lo que más se ha de temer, y el favor de Dios, sobre todas las cosas, lo que más se ha de codiciar; de que nada vale realmente la pena saber sino a Jesucristo, y a éste crucificado; de que todas las cosas pasan, y de que él mismo baja velozmente por la corriente de la vida hacia el océano sin límites de la eternidad. Así queda establecido en el conocimiento de la verdad, y su alma permanece anclada, mirando al Señor para que le preserve aquí y le lleve en paz y seguridad a su hogar eterno.
Al lector…
¡Cuántas veces surge la pregunta de por qué el camino ha de pasar por el padecimiento! Quizá usted hace hoy esa pregunta con lágrimas, bajo la mano castigadora de Dios. No es cosa liviana, y no queremos presentarla mejor de lo que es. Pero quien no ha padecido tampoco conoce el confirmar y el establecer de que habla el texto. En el padecimiento el alma aprende que el mundo es una sombra, que el pecado es lo que más se ha de temer y que el favor de Dios lo sobrepasa todo.
Mire, pues, al Dios de toda gracia, Que le ha llamado a Su gloria eterna, y fíjese en esas palabras: “un poco de tiempo”. La corriente de la vida le lleva velozmente al océano de la eternidad, y el padecimiento de ahora no es la última palabra. Si su alma aún está inquieta, pídale que le perfeccione, confirme, corrobore y establezca, hasta que esté anclado en Jesucristo, y a éste crucificado, y Él le lleve a casa en paz y seguridad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl