6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de ere; en ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen.
Romeinen 4:20, 21
Dit dan was Abrahams geloof. Het was een vast vertrouwen op de beloften Gods, hem gedaan, en toch een geloof, dat leefde onder strijd, hoop tegen hoop, en ten volle overtuigd dat hetgeen God beloofd had, Hij ook zou doen. Ons geloof dan, zo het echt is, moet gelijken op dat van Abraham. Het moet geankerd zijn in de Waarheid Gods, die leven en Geest gaf aan onze ziel. Het moet aan elke tegenkanting van buiten en van binnen, aan de zonde, de Satan en de wereld; aan de natuur, het vlees en de rede tezamen verenigd, het hoofd bieden. Maar in spijt van alles moet ik hopen tegen hoop, en ten volle verzekerd zijn, dat wat God beloofd heeft, Hij in staat is het te volbrengen; en door volharding en geduldig verwachten, dat ik de overwinning behalen zal.
Neem een ander voorbeeld, dat van Mozes: zijn geloof was van deze aard. „Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Pharao’s dochter genaamd te worden; verkiezende liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben” (Hebreeën 11:24, 25). Het eigenaardig karakter van het geloof van Mozes was dit, dat, ofschoon hij hoog geplaatst was en al de schatten en vermaken van Egypte had kunnen genieten, hij stellig verkoos de verdrukking te lijden met het volk van God, dan alles te genieten wat rijkdom of vleselijk genot kan aanbieden; want „hij zag op de vergelding des loons.”
Al wat Hij Izak heeft gezworen,
heeft Hij ook aan zijn uitverkoren’,
aan Jakob, tot een wet gesteld,
van al ’t beloofde heil verzeld,
en aan gans Isrel toegezeid
tot zijn verbond in eeuwigheid.
Ps. 105:6
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u meent dat uw geloof niet echt kan zijn, omdat het zo vaak onder strijd moet leven. Zie dan naar Abraham. Zijn geloof was geen rustig bezit zonder tegenspraak; het was hopen tegen hoop, terwijl de natuur, het vlees en de rede allemaal tegen hem spraken. En toch gaf hij God de ere en hield hij vast dat wat God beloofd had, Hij ook machtig was te doen.
Ook Mozes koos niet het gemakkelijke. Hij had de schatten van Egypte kunnen hebben, maar verkoos liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, omdat hij zag op de vergelding des loons. Zo mag ook uw geloof, hoe zwak het u lijkt, geankerd zijn in de Waarheid Gods en niet in wat u ziet of voelt. Twijfel dan niet aan de belofte door ongeloof. Houd u aan Zijn Woord, wacht geduldig, en weet dat Hij Die belooft, ook doet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de ere; en ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen.
Romeinen 4:20, 21
Dit was dus het geloof van Abraham. Het was een vast vertrouwen op de beloften die God hem gedaan had, en toch een geloof dat leefde onder strijd: hopen tegen hoop, en ten volle overtuigd dat God wat Hij beloofd had, ook zou doen. Als ons geloof echt is, moet het dus lijken op dat van Abraham. Het moet verankerd zijn in de Waarheid van God, die leven en Geest aan onze ziel gaf. Het moet het hoofd bieden aan elke tegenstand van buiten en van binnen: aan de zonde, de satan en de wereld, aan de natuur, het vlees en de rede, die zich allemaal samen verenigen.
Maar ondanks alles moet ik hopen tegen hoop, en ten volle verzekerd zijn dat God wat Hij beloofd heeft, ook kan volbrengen. Ik moet verzekerd zijn dat ik door volharding en geduldig verwachten de overwinning zal behalen.
Neem een ander voorbeeld, dat van Mozes: zijn geloof was van dezelfde aard. „Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Pharao’s dochter genaamd te worden; verkiezende liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben” (Hebreeën 11:24, 25). Het bijzondere van het geloof van Mozes was dit: hoewel hij een hoge plaats innam en alle schatten en vermaken van Egypte had kunnen genieten, koos hij er vastberaden voor om de verdrukking te lijden met het volk van God, liever dan alles te genieten wat rijkdom of vleselijk genot kan bieden. Want „hij zag op de vergelding des loons.”
Al wat Hij Izak heeft gezworen,
heeft Hij ook aan zijn uitverkoren’,
aan Jakob, tot een wet gesteld,
van al ’t beloofde heil verzeld,
en aan gans Isrel toegezeid
tot zijn verbond in eeuwigheid.
Ps. 105:6
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u meent dat uw geloof niet echt kan zijn, omdat het zo vaak onder strijd moet leven. Kijk dan naar Abraham. Zijn geloof was geen rustig bezit zonder tegenspraak. Het was hopen tegen hoop, terwijl de natuur, het vlees en de rede allemaal tegen hem spraken. En toch gaf hij God de eer en hield hij vast dat God wat Hij beloofd had, ook kon doen.
Ook Mozes koos niet het gemakkelijke. Hij had de schatten van Egypte kunnen hebben, maar koos liever ervoor om met het volk van God kwalijk behandeld te worden, omdat hij zag op de vergelding van het loon. Zo mag ook uw geloof, hoe zwak het u ook lijkt, verankerd zijn in de Waarheid van God en niet in wat u ziet of voelt. Twijfel dan niet door ongeloof aan de belofte. Houd u aan Zijn Woord, wacht geduldig, en weet dat Hij Die belooft, het ook doet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
He staggered not at the promise of God through unbelief; but was strong in faith, giving glory to God; and being fully persuaded that, what he had promised, he was able also to perform.
Romans 4:20-21
This, then, was Abraham’s faith. It was a firm credence in the promise of God made to him, and yet a faith that lived under opposition, hoping against hope, and being fully persuaded that what God had promised He would perform. Our faith, then, if it be genuine, must resemble that of Abraham. It must anchor in the truth of God as made life and spirit to our soul. It must meet with every opposition from without and within; from sin, Satan, and the world; from nature and flesh and reason all combined against it. But in spite of all, it must hope against hope, and be fully persuaded that what God has promised He is able to perform; and thus by perseverance and patient waiting obtain the victory.
Take another example, that of Moses–his faith was of this nature. “By faith Moses, when he was come to years, refused to be called the son of Pharaoh’s daughter; choosing rather to suffer affliction with the people of God, than to enjoy the pleasures of sin for a season” (Heb. 11:24, 25). The peculiar character of the faith of Moses was this, that though he was highly exalted and might have enjoyed all the treasures and pleasures of Egypt, yet he deliberately preferred to suffer affliction with the people of God, than to enjoy all that wealth could offer or carnal pleasure present; “having respect to the recompense of the reward.”
To the reader…
It may be that you think your faith cannot be real, because it so often has to live under conflict. Then look at Abraham. His faith was no quiet possession without contradiction. It was hoping against hope, while nature, the flesh and reason all spoke against him. And yet he gave glory to God and held fast that what God had promised, He was able also to perform.
Moses, too, did not choose the easy way. He could have had the treasures of Egypt, but chose rather to suffer affliction with the people of God, because he had respect unto the recompense of the reward. So your faith also, however weak it may seem to you, may be anchored in the truth of God and not in what you see or feel. Do not stagger at the promise through unbelief, then. Hold fast to His Word, wait patiently, and know that He Who promises will also perform.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Tampoco en la promesa de Dios dudó con desconfianza: antes fue esforzado en fe, dando gloria a Dios, plenamente convencido de que todo lo que había prometido, era también poderoso para hacerlo.
Romanos 4:20-21
Esta era, pues, la fe de Abraham. Era un firme crédito dado a la promesa que Dios le había hecho, y sin embargo una fe que vivía bajo oposición, creyendo en esperanza contra esperanza, y plenamente convencida de que lo que Dios había prometido lo cumpliría. Nuestra fe, pues, si es genuina, debe parecerse a la de Abraham. Debe anclarse en la verdad de Dios hecha espíritu y vida a nuestra alma. Debe hacer frente a toda oposición de fuera y de dentro; del pecado, de Satanás y del mundo; de la naturaleza, la carne y la razón, todas combinadas contra ella. Pero a pesar de todo, debe esperar contra esperanza, y estar plenamente convencida de que lo que Dios ha prometido es poderoso para hacerlo; y así, por la perseverancia y la paciente espera, obtener la victoria.
Tome otro ejemplo, el de Moisés: su fe era de esta naturaleza. “Por fe Moisés, hecho ya grande, rehusó ser llamado hijo de la hija de Faraón; escogiendo antes ser afligido con el pueblo de Dios, que gozar de comodidades temporales de pecado” (Hebreos 11:24, 25). El carácter peculiar de la fe de Moisés era este: que aunque estaba muy encumbrado y podría haber gozado de todos los tesoros y placeres de Egipto, prefirió deliberadamente ser afligido con el pueblo de Dios antes que gozar de todo lo que la riqueza podía ofrecer o el placer carnal presentar; “porque miraba a la remuneración”.
Al lector…
Puede ser que usted piense que su fe no puede ser real, porque tan a menudo tiene que vivir bajo lucha. Entonces mire a Abraham. Su fe no era una posesión tranquila sin contradicción. Era esperar contra esperanza, mientras la naturaleza, la carne y la razón hablaban todas contra él. Y sin embargo dio gloria a Dios y se mantuvo firme en que lo que Dios había prometido era también poderoso para hacerlo.
Tampoco Moisés escogió el camino fácil. Podría haber tenido los tesoros de Egipto, pero escogió antes ser afligido con el pueblo de Dios, porque miraba a la remuneración. Así también su fe, por débil que le parezca, puede estar anclada en la verdad de Dios y no en lo que ve o siente. No dude, pues, de la promesa con desconfianza. Aférrese a Su Palabra, espere con paciencia, y sepa que Aquel que promete también cumplirá.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die overwint
Die overwint…
Openbaring 2:17
Het doel van de Heere is ervoor te zorgen dat we „overwinnen”; want de belofte geldt alleen „hem die overwint.” Maar het ligt in Zijn bedoeling ons te laten „overwinnen” in Zijn kracht alleen, en niet in eigen kracht. Dit leren wij doorgaans erg langzaam. We stellen ons de geboden voor ogen en we denken dat als we ons er ijverig aan houden, we uiteindelijk Gods genade zullen verkrijgen en veilig in de hemel komen.
Maar aangezien we voortdurend tekortschieten in onze gehoorzaamheid hieraan, terwijl we de strengheid van Gods geboden, de geestelijkheid van de wet, noch de reikwijdte van het voorschrift kennen, denken we dat de onvolkomenheid beslist in onszelf moet zitten — dat we niet goed hebben opgelet, noch voldoende acht hebben geslagen op de wegen van ons hart, noch hebben gedaan wat we echt hadden kunnen doen. Omdat we dan nog niet weten dat de ingewortelde verdorvenheid van de mens zodanig is dat hij zich nooit aan Gods wet kan houden; niet weten dat de Heere de bedoeling heeft om ons met deze middelen onze zwakheid te leren kennen, staan we weer op als iemand die viel en proberen we opnieuw aan de wedloop deel te nemen.
Maar tot onze verbazing zien we onze pogingen steeds mislukken; zien we dat we niet kunnen zijn wat we zouden willen zijn. We zouden rechtvaardig willen zijn; we zouden heilig willen zijn; we zouden niet willen zondigen; we zouden op onze ogen, oren en ons hart willen letten; we zouden aan de rechterkant niet willen afwijken, we zouden aan de linkerkant niet willen afwijken.
De Heere staat ons wellicht een tijdlang toe om op deze paden van vergeefse moeite voort te gaan; maar na enige tijd zal het tot een uitbraak komen; de een of andere verzoeking kan ons overvallen, die zo zoet is en zo goed uitkomt, dat we er meteen in verstrikt raken, en weg is al onze kracht; onze voornemens voor de toekomst zijn in één ogenblik verbroken; en langzaam beginnen we in te zien hoe uitermate zwak we zijn tegenover elke willekeurige verzoeking.
Lezen: Openbaring 2:1-11
Aan de lezer…
Wie de Heere zoekt, weet hoe vaak hij opnieuw begonnen is, en misschien geldt dat ook voor u. U naamt u voor beter te letten op uw ogen, uw oren en uw hart, niet af te wijken naar rechts of naar links, en toch viel u weer, soms bij de eerste de beste verzoeking. U dacht dat het aan uw ijver lag, en spande u nog meer in, en het werd niet beter. Misschien bent u er moe en moedeloos van geworden.
Wees dan niet al te bedroefd over dat mislukken. Langzaam, en vaak pijnlijk, leert de Heere u daarin wat u uit uzelf nooit zou geloven: hoe uitermate zwak u bent. Dat is geen nederlaag in Zijn ogen, maar een les die Hij u wil leren. Want Hij wil dat u overwint, maar niet in eigen kracht. Wie zijn eigen kracht ziet verbreken, wordt juist zo bereid gemaakt om alles van Hem te verwachten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die overwint…
Openbaring 2:17
Het doel van de Heere is ervoor te zorgen dat we „overwinnen”, want de belofte geldt alleen „hem die overwint.” Maar Hij heeft de bedoeling ons te laten „overwinnen” in Zijn kracht alleen, en niet in eigen kracht. Dat leren wij doorgaans erg langzaam. We houden ons de geboden voor ogen en denken dat we, als we ons er ijverig aan houden, uiteindelijk Gods genade zullen verkrijgen en veilig in de hemel zullen komen.
Maar we schieten voortdurend tekort in onze gehoorzaamheid daaraan. Omdat we de strengheid van Gods geboden, de geestelijkheid van de wet en de reikwijdte van het gebod niet kennen, denken we dat de onvolkomenheid beslist in onszelf moet zitten: dat we niet goed hebben opgelet, niet genoeg acht hebben geslagen op de wegen van ons hart, en niet hebben gedaan wat we werkelijk hadden kunnen doen. We weten dan nog niet dat de ingewortelde verdorvenheid van de mens zo groot is dat hij zich nooit aan Gods wet kan houden. We weten niet dat de Heere ons langs deze weg onze zwakheid wil leren kennen. Daarom staan we weer op als iemand die gevallen is, en proberen we opnieuw de wedloop te lopen.
Maar tot onze verbazing zien we onze pogingen steeds mislukken, en zien we dat we niet kunnen zijn wat we zouden willen zijn. We zouden rechtvaardig willen zijn; we zouden heilig willen zijn; we zouden niet willen zondigen; we zouden op onze ogen, oren en ons hart willen letten; we zouden niet naar rechts willen afwijken, en niet naar links.
De Heere laat ons misschien een tijdlang op deze paden van vergeefse moeite voortgaan, maar na enige tijd komt het tot een uitbarsting. De een of andere verzoeking kan ons overvallen die zo zoet is en zo goed uitkomt, dat we er meteen in verstrikt raken, en weg is al onze kracht. Onze voornemens voor de toekomst zijn in één ogenblik verbroken. En langzaam beginnen we in te zien hoe uitermate zwak we zijn tegenover elke willekeurige verzoeking.
Lezen: Openbaring 2:1-11
Aan de lezer…
Wie de Heere zoekt, weet hoe vaak hij opnieuw begonnen is, en misschien geldt dat ook voor u. U nam zich voor beter te letten op uw ogen, uw oren en uw hart, niet af te wijken naar rechts of naar links, en toch viel u weer, soms bij de eerste de beste verzoeking. U dacht dat het aan uw ijver lag, en u spande zich nog meer in, maar het werd niet beter. Misschien bent u er moe en moedeloos van geworden.
Wees dan niet al te bedroefd over dat mislukken. Langzaam, en vaak pijnlijk, leert de Heere u daarin wat u uit uzelf nooit zou geloven: hoe uitermate zwak u bent. Dat is geen nederlaag in Zijn ogen, maar een les die Hij u wil leren. Want Hij wil dat u overwint, maar niet in eigen kracht. Wie zijn eigen kracht ziet breken, wordt juist zo bereid gemaakt om alles van Hem te verwachten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
To him that overcometh…
Revelation 2:17
The Lord’s purpose is to make us “overcome,” for the promise is only “to him that overcometh.” But He means us to “overcome” in His strength alone, and not in our own. This we usually learn very slowly. We set the commandments before our eyes, and think that if we diligently keep them we shall at last obtain God’s favour and come safely to heaven.
But we continually fall short in our obedience to them. Because we do not know the strictness of God’s commandments, the spirituality of the law and the breadth of the commandment, we think that the imperfection must surely lie in ourselves: that we have not watched aright, have not paid enough attention to the ways of our heart, and have not done what we really might have done. We do not yet know that the rooted depravity of man is so great that he can never keep God’s law. We do not know that the Lord means in this way to teach us our weakness. So we rise up again like one that has fallen, and try once more to run the race.
But to our astonishment we see our efforts fail again and again, and see that we cannot be what we would be. We would be righteous; we would be holy; we would not sin; we would watch over our eyes, ears and heart; we would turn aside neither to the right hand nor to the left.
The Lord may let us go on for a time in these paths of fruitless labour, but after a while it comes to a crisis. Some temptation may come upon us so sweet and so well suited to us, that we are at once entangled in it, and all our strength is gone. Our resolutions for the future are broken in a single moment. And slowly we begin to see how exceedingly weak we are before any temptation whatever.
Reading: Revelation 2:1-11
To the reader…
Whoever seeks the Lord knows how often he has begun again, and perhaps that is true of you too. You resolved to watch more carefully over your eyes, your ears and your heart, to turn aside neither to the right nor to the left, and yet you fell again, sometimes at the very first temptation. You thought it depended on your diligence, and you exerted yourself still more, but it did not get better. Perhaps it has left you weary and disheartened.
Then do not grieve too much over that failure. Slowly, and often painfully, the Lord is teaching you in it what you would never believe of yourself: how exceedingly weak you are. That is no defeat in His eyes, but a lesson He wants to teach you. For He wants you to overcome, but not in your own strength. Whoever sees his own strength broken is just in that way made ready to expect everything from Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Al que venciere…
Apocalipsis 2:17
El propósito del Señor es hacernos “vencer”, porque la promesa es solo “al que venciere”. Pero Él quiere que “venzamos” solo en Su fuerza, y no en la nuestra. Esto lo aprendemos por lo general muy lentamente. Ponemos los mandamientos delante de nuestros ojos, y pensamos que si los guardamos diligentemente obtendremos al fin el favor de Dios y llegaremos sanos y salvos al cielo.
Pero continuamente nos quedamos cortos en nuestra obediencia a ellos. Como no conocemos la rigurosidad de los mandamientos de Dios, la espiritualidad de la ley y la anchura del mandamiento, pensamos que la imperfección debe estar sin duda en nosotros mismos: que no hemos velado como es debido, que no hemos prestado suficiente atención a los caminos de nuestro corazón, y que no hemos hecho lo que realmente podríamos haber hecho. Todavía no sabemos que la depravación arraigada del hombre es tan grande que nunca puede guardar la ley de Dios. No sabemos que el Señor quiere de este modo enseñarnos nuestra debilidad. Así nos levantamos de nuevo como quien ha caído, e intentamos una vez más correr la carrera.
Pero para nuestro asombro vemos fracasar nuestros esfuerzos una y otra vez, y vemos que no podemos ser lo que quisiéramos ser. Quisiéramos ser justos; quisiéramos ser santos; quisiéramos no pecar; quisiéramos velar sobre nuestros ojos, oídos y corazón; quisiéramos no apartarnos ni a diestra ni a siniestra.
El Señor puede dejarnos seguir por un tiempo en estas sendas de trabajo infructuoso, pero al cabo de un tiempo se llega a una crisis. Puede sobrevenirnos alguna tentación tan dulce y tan adecuada a nosotros, que al instante quedamos enredados en ella, y toda nuestra fuerza se desvanece. Nuestros propósitos para el futuro se quiebran en un solo momento. Y poco a poco comenzamos a ver cuán sumamente débiles somos ante cualquier tentación.
Lectura: Apocalipsis 2:1-11
Al lector…
Quien busca al Señor sabe cuántas veces ha vuelto a empezar, y quizá eso sea cierto también de usted. Se propuso velar con más cuidado sobre sus ojos, sus oídos y su corazón, no apartarse ni a diestra ni a siniestra, y sin embargo volvió a caer, a veces en la primera tentación. Pensaba que dependía de su diligencia, y se esforzó aún más, pero no mejoró. Quizá eso le ha dejado cansado y desanimado.
Entonces no se aflija demasiado por ese fracaso. Lentamente, y a menudo con dolor, el Señor le está enseñando en ello lo que usted nunca creería de sí mismo: cuán sumamente débil es. Eso no es una derrota a Sus ojos, sino una lección que Él quiere enseñarle. Porque Él quiere que usted venza, pero no en su propia fuerza. Quien ve quebrantada su propia fuerza es precisamente así preparado para esperarlo todo de Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En de vrucht der aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël.
Jesaja 4:2
Onder de „vrucht der aarde” kunnen wij verstaan die heerlijke en heilige vrucht, die groeit op de Spruite; en zij schijnt de „vrucht der aarde” genoemd te worden omdat zij op aarde gezien werd toen de Heere op aarde was. Zo worden hier bedoeld niet slechts de woorden, werken en daden, al de gelijkenissen, leerstellingen, bevelen en beloften, door de mond van de Zoon van God voortgebracht in de dagen Zijns vleses, maar ook al de weldaden en zegeningen, die in de weg der vrijkoping uit Zijn gezegende Persoon ontsproten, zo te zeggen als heilige vruchten uit Hem als de Spruite uitwiesen. Als daar zijn: Zijn verzoenend bloed, Zijn heerlijke rechtvaardigheid, Zijn stervende liefde, Zijn opstanding en hemelvaart en Zijn macht tot volkomen redding van al degenen, die door Hem tot God gaan. Dit alles kan beschouwd worden als de vrucht der aarde, omdat het door Hem gewrocht is op de aarde in de dagen Zijns vleses, toen Zijn gezegende voeten deze aarde bewandelden.
Deze vrucht is voortreffelijk voor diegenen, die het ontkomen zullen in Israël. Er wordt een Goddelijke voortreffelijkheid in waargenomen. Daarom is er geen feil of fout in. Zij is voortreffelijk in al haar delen, volmaakt in de hoogste graad, en daarom wordt ze zo voortreffelijk beschouwd, daar zij is tot heerlijkheid van God en zo gepast voor elk gebrek en het leed van degenen, die overgebleven zijn in Sion en overgelaten zijn in Jeruzalem.
En ook tot „versiering”. In Zijn lijden, bloedstorting, gehoorzaamheid, heilig leven en verzoenende dood is een alles overtreffende sierlijkheid, omdat in dit alles een Goddelijke glans en heerlijkheid doorstraalt. Het is hetzelfde woord dat vertaald is als „schoonheid” of „heerlijkheid”, zoals wij dit vinden in Exodus 28:2 ten opzichte van de heilige klederen van Aaron, door Mozes gemaakt; de klederen waarmee hij gekleed was in de dienst des Heeren, als hij in het heilige zou ingaan. Zo bedient nu onze grote Hogepriester, binnen het voorhangsel, Zijn ambten in heiligheid en schoonheid van Zijn verheerlijkte mensheid.
En wanneer dit door het geloof gezien en verstaan wordt, dan zingt de kerk: „Ik heb grote lust in Zijn schaduw en zit eronder; en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.” „Groot is Zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij Hem toegevoegd.”
Aan de lezer…
Arme ziel, voelt u zich als één van die weinigen „die het ontkomen zullen”, een overblijfsel, arm en klein, met veel gebrek en leed? Juist voor zulken is de vrucht der aarde bestemd. Alles wat de Zoon van God op deze aarde gewrocht heeft, toen Zijn gezegende voeten haar bewandelden, Zijn verzoenend bloed, Zijn heerlijke rechtvaardigheid, Zijn stervende liefde, is voortreffelijk en zonder feil, en zo gepast voor elk gebrek van de ellendigen in Sion.
U behoeft geen eigen sieraad mee te brengen om Hem te naderen. Zoals Aäron gekleed werd in heilige klederen tot heerlijkheid en sierlijkheid, zo bedient nu de grote Hogepriester binnen het voorhangsel Zijn ambt in heiligheid. Zijn schoonheid is de versiering van Zijn volk. Moge het geloof u dit doen zien, zodat u met de kerk mag zingen: „Ik heb grote lust in Zijn schaduw en zit eronder; en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de vrucht der aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël.
Jesaja 4:2
Onder de „vrucht der aarde” kunnen we die heerlijke en heilige vrucht verstaan die aan de Spruite groeit. Zij wordt blijkbaar de „vrucht der aarde” genoemd omdat zij op aarde gezien werd toen de Heere op aarde was. Hier worden dus niet alleen de woorden, werken en daden bedoeld, alle gelijkenissen, leerstellingen, geboden en beloften die de Zoon van God in de dagen van Zijn vlees met Zijn mond voortbracht. Ook alle weldaden en zegeningen zijn bedoeld die in de weg van de verlossing uit Zijn gezegende Persoon voortkwamen en als het ware als heilige vruchten uit Hem als de Spruite opgroeiden. Daartoe behoren Zijn verzoenend bloed, Zijn heerlijke rechtvaardigheid, Zijn stervende liefde, Zijn opstanding en hemelvaart, en Zijn macht om volkomen zalig te maken allen die door Hem tot God gaan. Dit alles kan beschouwd worden als de vrucht der aarde, omdat Hij het op aarde gewrocht heeft in de dagen van Zijn vlees, toen Zijn gezegende voeten over deze aarde gingen.
Deze vrucht is voortreffelijk voor hen die het ontkomen zullen in Israël. Men ziet er een Goddelijke voortreffelijkheid in. Daarom is er geen feil of fout in. Zij is voortreffelijk in al haar delen en volmaakt in de hoogste graad. Daarom wordt zij zo voortreffelijk geacht, omdat zij Gods heerlijkheid dient en zo goed past bij elk gebrek en elk leed van hen die overgebleven zijn in Sion en overgelaten zijn in Jeruzalem.
En zij is ook tot „versiering”. In Zijn lijden, Zijn bloedstorting, Zijn gehoorzaamheid, Zijn heilig leven en Zijn verzoenende dood ligt een alles overtreffende sierlijkheid, omdat in dit alles een Goddelijke glans en heerlijkheid doorstraalt. Het is hetzelfde woord dat vertaald is met „schoonheid” of „heerlijkheid”, zoals we dat vinden in Exodus 28:2 bij de heilige klederen van Aäron, die Mozes liet maken: de klederen waarmee hij gekleed was in de dienst van de Heere, wanneer hij het heilige binnenging. Zo bedient nu onze grote Hogepriester binnen het voorhangsel Zijn ambten in de heiligheid en schoonheid van Zijn verheerlijkte mensheid.
En wanneer dit door het geloof gezien en verstaan wordt, dan zingt de kerk: „Ik heb grote lust in Zijn schaduw en zit eronder; en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.” „Groot is Zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij Hem toegevoegd.”
Aan de lezer…
Arme ziel, voelt u zich als één van die weinigen „die het ontkomen zullen”, een overblijfsel, arm en klein, met veel gebrek en leed? Juist voor zulke mensen is de vrucht der aarde bestemd. Alles wat de Zoon van God op deze aarde gewrocht heeft, toen Zijn gezegende voeten erover gingen, Zijn verzoenend bloed, Zijn heerlijke rechtvaardigheid, Zijn stervende liefde, is voortreffelijk en zonder feil. Het past zo goed bij elk gebrek van de ellendigen in Sion.
U hoeft geen eigen sieraad mee te brengen om tot Hem te naderen. Zoals Aäron gekleed werd in heilige klederen tot heerlijkheid en sierlijkheid, zo bedient nu de grote Hogepriester binnen het voorhangsel Zijn ambt in heiligheid. Zijn schoonheid is de versiering van Zijn volk. Moge het geloof u dit laten zien, zodat u met de kerk mag zingen: „Ik heb grote lust in Zijn schaduw en zit eronder; en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And the fruit of the earth shall be excellent and comely for them that are escaped of Israel.
Isaiah 4:2
By “the fruit of the earth” we may understand that gracious and holy fruit which grew upon the Branch—and it seems to be called “the fruit of the earth,” because it appeared on earth when our Lord was there. Thus not only all His words, works, and ways, all the parables, doctrines, precepts, and promises uttered by the mouth of the Son of God in the days of His flesh, but all the benefits and blessings that spring in the way of redemption out of His complex Person, and grow as it were a holy fruit out of Him as the Branch, such as His atoning blood, His glorious righteousness, His dying love, His resurrection and ascension, and His power to save to the uttermost all that come unto God by Him, may all be considered as “the fruit of the earth,” because wrought by Him in and upon the earth, and done in the days of His flesh when His gracious feet were upon this earthly ball.
This fruit is “excellent” to the escaped of Israel. There is seen in it to be a divine excellency. Therefore, there is not a shadow of a fault to be found with it. It is perfect in all its parts; complete to the very center, and therefore seen to be excellent, as so glorifying to God, and so adapted to every need and woe of those that are left in Zion and remain in Jerusalem.
And “lovely” too. In His sufferings, in His blood shedding, obedience, holy life and expiatory death, there is a surpassing loveliness, because in them shine forth a divine glory and a heavenly beauty. It is indeed the same word as is translated “beauty” in the holy garments made for Aaron by Moses (Exod. 28:2), and clothed in which he ministered before the Lord when he went into the holy place. So our great High Priest now ministers within the veil in the holiness and beauty of His glorified humanity; and as this is seen and apprehended by faith, the Church sings, “I sat under His shadow with great delight, and His fruit was sweet to my taste.” “His glory is great in your salvation—honor and majesty have you laid upon Him.”
To the reader…
Poor soul, do you feel like one of those few “that are escaped,” a remnant, poor and small, full of need and sorrow? It is for just such people that the fruit of the earth is meant. All that the Son of God wrought on this earth when His blessed feet walked upon it, His atoning blood, His glorious righteousness, His dying love, is excellent and without flaw. It is so well suited to every need of the afflicted in Zion.
You need not bring any adornment of your own in order to draw near to Him. As Aaron was clothed in holy garments for glory and for beauty, so the great High Priest now ministers within the veil in holiness. His beauty is the adorning of His people. May faith let you see this, so that you may sing with the Church: “I sat down under His shadow with great delight, and His fruit was sweet to my taste.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y el fruto de la tierra para grandeza y honra, a los librados de Israel.
Isaías 4:2
Por “el fruto de la tierra” podemos entender ese fruto lleno de gracia y santo que creció en el Renuevo; y parece llamarse “el fruto de la tierra” porque apareció en la tierra cuando nuestro Señor estaba aquí. Así, no solo todas Sus palabras, obras y caminos, todas las parábolas, doctrinas, preceptos y promesas pronunciados por la boca del Hijo de Dios en los días de Su carne, sino también todos los beneficios y bendiciones que brotan por vía de redención de Su Persona compleja, y crecen, por así decirlo, como fruto santo de Él como el Renuevo —tales como Su sangre expiatoria, Su gloriosa justicia, Su amor hasta la muerte, Su resurrección y ascensión, y Su poder para salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios—, pueden considerarse “el fruto de la tierra”, porque fueron obrados por Él en la tierra y sobre ella, y hechos en los días de Su carne, cuando Sus pies llenos de gracia pisaban este globo terrenal.
Este fruto es “grandeza” para los librados de Israel. Se ve en él una excelencia divina. Por tanto, no hay en él ni sombra de falta que pueda hallarse. Es perfecto en todas sus partes, completo hasta el centro mismo, y por eso se ve que es excelente, porque glorifica tanto a Dios y se adapta tan bien a toda necesidad y aflicción de los que quedan en Sion y permanecen en Jerusalén.
Y también “honra”, es decir, hermosura. En Sus sufrimientos, en el derramamiento de Su sangre, en Su obediencia, Su vida santa y Su muerte expiatoria, hay una hermosura que todo lo supera, porque en ellos resplandecen una gloria divina y una hermosura celestial. Es, en efecto, la misma palabra que se traduce “hermosura” en las vestiduras santas hechas por Moisés para Aarón (Éxodo 28:2), vestido con las cuales ministraba delante del Señor cuando entraba en el lugar santo. Así nuestro gran Sumo Sacerdote ministra ahora dentro del velo en la santidad y hermosura de Su humanidad glorificada; y cuando esto es visto y aprehendido por la fe, la Iglesia canta: “Bajo la sombra del deseado me senté, y su fruto fue dulce en mi paladar.” “Grande es su gloria en tu salud: honra y majestad has puesto sobre él.”
Al lector…
Pobre alma, ¿se siente usted como uno de esos pocos “librados”, un remanente pobre y pequeño, lleno de necesidad y de tristeza? Precisamente para tales personas está destinado el fruto de la tierra. Todo lo que el Hijo de Dios obró en esta tierra cuando Sus benditos pies la pisaban —Su sangre expiatoria, Su gloriosa justicia, Su amor hasta la muerte— es excelente y sin defecto. Se adapta tan bien a toda necesidad de los afligidos en Sion.
No necesita usted traer adorno propio alguno para acercarse a Él. Así como Aarón fue vestido con vestiduras santas para honra y hermosura, así el gran Sumo Sacerdote ministra ahora en santidad dentro del velo. Su hermosura es el adorno de Su pueblo. Que la fe le permita ver esto, para que pueda cantar con la Iglesia: “Bajo la sombra del deseado me senté, y su fruto fue dulce en mi paladar.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl