4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid.
Openb. 19:7
Wij hebben twee dingen nodig om ons naar de hemel te voeren: een aanspraak erop en bekwaamheid ertoe. Onze enige aanspraak op de hemel is het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God — dat bloed dat „reinigt van alle zonden”, en die gerechtigheid die ons „rechtvaardig maakt van alle dingen van welke wij niet konden gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes”. Niets onreins of bevlekts kan de hemel binnengaan. Dit is Gods eigen getuigenis: „En in haar zal niet inkomen iets dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams” (Openb. 21:27).
Maar behalve de aanspraak moet er ook een bekwaamheid zijn voor die hemelse stad, volgens het woord van de apostel: „Dankende de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben in de erve van de heiligen in het licht” (Kol. 1:12). Zo moeten wij dan hier beneden enige tonen leren zingen van dat vrolijk loflied, dat in volle onafgebroken harmonie zal opstijgen uit de harten en van de lippen van de verlosten in het koninkrijk hierboven, waar die verheerlijkte vergadering altijd juichen zal: „Halleluja! Zaligheid, en heerlijkheid, en eer en macht aan de Heere onze God.” Als wij met die gezegenden zullen aanzitten, die geroepen zijn tot de bruiloft van het Lam, moeten wij niet alleen „gekleed zijn, helder en wit, want het fijne linnen is de rechtvaardigmaking der heiligen”, maar wij moeten in onze harten hebben „het Koninkrijk Gods, hetwelk is rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap door de Heilige Geest” (Rom. 14:17).
Al wat Gij wrocht zal juichen tot Uw eer,
Uw gunstvolk zal verblijd U zeeg’nen, Heer,
en roemen van Uw Koninkrijk, Uw macht,
Uw heerlijkheid en goddelijke kracht,
om, waar zich ’t hart ooit voelt in leerzucht blaken;
Uw heerlijkheid, Uw macht bekend te maken,
en d’eer Uws rijks, zo groot, zo hoog verheven,
voor aller oor de hoogste roem te geven.
Ps. 145:4
Aan de lezer…
Hoe heerlijk is de bruiloft des Lams! Zult u daar aanzitten? Het is een vraag die geen mens ongestraft van zich af kan schuiven. Niets onreins kan de hemelse stad binnengaan, en wie zichzelf kent, weet dat hij van nature geen enkele aanspraak heeft. Daarom is het zo kostelijk wat hier gezegd wordt: onze enige aanspraak is het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God, dat bloed dat reinigt van alle zonden.
Maar er moet ook een bekwaamheid zijn, een hart dat hier beneden reeds enkele tonen leert van het lied der verlosten. Zucht u omdat uw lofzang nog zo zwak is, en uw hart zo weinig van de blijdschap door de Heilige Geest kent? Dan is het de Vader Die bekwaam maakt, niet uzelf. Wat Hij in u begonnen heeft, zal Hij voltooien, totdat u gekleed in fijn linnen, helder en wit, met al de gezegenden zult juichen: „Halleluja! Zaligheid, en heerlijkheid, en eer en macht aan de Heere onze God.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid.
Openb. 19:7
Wij hebben twee dingen nodig om ons naar de hemel te brengen: een aanspraak erop en bekwaamheid ervoor. Onze enige aanspraak op de hemel is het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God: dat bloed dat „reinigt van alle zonden”, en die gerechtigheid die ons „rechtvaardig maakt van alle dingen van welke wij niet konden gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes”. Niets wat onrein of bevlekt is, kan de hemel binnengaan. Dit is Gods eigen getuigenis: „En in haar zal niet inkomen iets dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams” (Openb. 21:27).
Maar behalve de aanspraak moet er ook een bekwaamheid zijn voor die hemelse stad, zoals de apostel zegt: „Dankende de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben in de erve van de heiligen in het licht” (Kol. 1:12). Daarom moeten wij hier beneden al enkele tonen leren zingen van dat vrolijke loflied. Dat lied zal in volle, onafgebroken harmonie opstijgen uit de harten en van de lippen van de verlosten in het koninkrijk hierboven, waar die verheerlijkte vergadering altijd zal juichen: „Halleluja! Zaligheid, en heerlijkheid, en eer en macht aan de Heere onze God.” Als wij zullen aanzitten met die gezegenden die geroepen zijn tot de bruiloft van het Lam, moeten wij niet alleen „gekleed zijn, helder en wit, want het fijne linnen is de rechtvaardigmaking der heiligen”. Wij moeten ook in ons hart hebben „het Koninkrijk Gods, hetwelk is rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap door de Heilige Geest” (Rom. 14:17).
Al wat Gij wrocht zal juichen tot Uw eer,
Uw gunstvolk zal verblijd U zeeg’nen, Heer,
en roemen van Uw Koninkrijk, Uw macht,
Uw heerlijkheid en goddelijke kracht,
om, waar zich ’t hart ooit voelt in leerzucht blaken;
Uw heerlijkheid, Uw macht bekend te maken,
en d’eer Uws rijks, zo groot, zo hoog verheven,
voor aller oor de hoogste roem te geven.
Ps. 145:4
Aan de lezer…
Hoe heerlijk is de bruiloft van het Lam! Zult u daar aanzitten? Het is een vraag die geen mens zonder gevolgen van zich af kan schuiven. Niets wat onrein is, kan de hemelse stad binnengaan, en wie zichzelf kent, weet dat hij van nature geen enkele aanspraak heeft. Daarom is het zo kostbaar wat hier gezegd wordt: onze enige aanspraak is het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God, dat bloed dat reinigt van alle zonden.
Maar er moet ook een bekwaamheid zijn: een hart dat hier beneden al enkele tonen leert van het lied van de verlosten. Zucht u omdat uw lofzang nog zo zwak is en uw hart zo weinig weet van de blijdschap door de Heilige Geest? Bedenk dan dat het de Vader is Die bekwaam maakt, niet uzelf. Wat Hij in u begonnen heeft, zal Hij voltooien, totdat u, gekleed in fijn linnen, helder en wit, met alle gezegenden zult juichen: „Halleluja! Zaligheid, en heerlijkheid, en eer en macht aan de Heere onze God.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Let us be glad and rejoice, and give honour to Him: for the marriage of the Lamb is come, and His wife hath made herself ready.
Revelation 19:7
We need two things to take us to heaven; a title to it, and a fitness for it. Our only title to heaven is the blood and righteousness of the Son of God—that blood which “cleanseth us from all sin,” and that righteousness which “justifies us from all things from which we could not be justified by the law of Moses.” Nothing unclean or defiled can enter heaven. This is God’s own testimony—“And there shall in no wise enter into it any thing that defileth, neither whatsoever worketh abomination, or maketh a lie: but they which are written in the Lamb’s book of life” (Rev. 21:27).
But besides the title, there must be also a fitness for this heavenly city, according to the words of the apostle—“Giving thanks unto the Father, which hath made us meet to be partakers of the inheritance of the saints in light” (Col. 1:12). While here below, then, we must learn to sing some notes of that joyous anthem which will issue in full, uninterrupted harmony from the hearts and lips of the redeemed in the realms above, when that glorious company will ever cry, “Alleluia! Salvation, and glory, and honour, and power, unto the Lord our God.”
If we are to sit down among those blessed ones who are called unto the marriage supper of the Lamb, not only must we be “arrayed in fine linen, clean and white: for the fine linen is the righteousness of saints,” but we must have had “the kingdom of God, which is righteousness, and peace, and joy in the Holy Ghost” (Rom. 14:17), set up in our hearts.
To the reader…
How glorious is the marriage of the Lamb! Will you sit down there? It is a question no one can brush aside without consequence. Nothing unclean can enter the heavenly city, and whoever knows himself knows that by nature he has no claim at all. That is why what is said here is so precious: our only title is the blood and righteousness of the Son of God, that blood which cleanses from all sin.
But there must also be a fitness: a heart that already learns a few notes of the song of the redeemed here below. Do you sigh because your praise is still so weak and your heart knows so little of joy in the Holy Ghost? Then remember that it is the Father Who makes meet, not you yourself. What He has begun in you He will complete, until, arrayed in fine linen, clean and white, you will rejoice with all the blessed: “Alleluia! Salvation, and glory, and honour, and power, unto the Lord our God.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Gocémonos y alegrémonos y démosle gloria; porque son venidas las bodas del Cordero, y Su esposa se ha aparejado.
Apocalipsis 19:7
Necesitamos dos cosas para llegar al cielo: un título para entrar en él y una idoneidad para él. Nuestro único título al cielo es la sangre y la justicia del Hijo de Dios: aquella sangre que “nos limpia de todo pecado”, y aquella justicia por la cual “de todo lo que por la ley de Moisés no pudisteis ser justificados”, somos justificados. Nada inmundo ni contaminado puede entrar en el cielo. Este es el propio testimonio de Dios: “No entrará en ella ninguna cosa sucia, o que hace abominación y mentira; sino solamente los que están escritos en el libro de la vida del Cordero” (Apocalipsis 21:27).
Pero además del título, ha de haber también una idoneidad para esta ciudad celestial, conforme a las palabras del apóstol: “Dando gracias al Padre que nos hizo aptos para participar de la suerte de los santos en luz” (Colosenses 1:12). Mientras estamos aquí abajo, pues, hemos de aprender a cantar algunas notas de aquel himno gozoso que brotará en plena e ininterrumpida armonía de los corazones y labios de los redimidos en las regiones de arriba, cuando aquella gloriosa compañía clame para siempre: “Aleluya: Salvación y honra y gloria y potencia al Señor Dios nuestro”.
Si hemos de sentarnos entre aquellos bienaventurados que son llamados a la cena de las bodas del Cordero, no solo hemos de estar “vestidos de lino fino, limpio y brillante: porque el lino fino son las justificaciones de los santos”, sino que tiene que haber sido establecido en nuestro corazón “el reino de Dios, que es justicia y paz y gozo por el Espíritu Santo” (Romanos 14:17).
Al lector…
¡Qué gloriosas son las bodas del Cordero! ¿Se sentará usted allí? Es una pregunta que nadie puede dejar a un lado sin consecuencias. Nada inmundo puede entrar en la ciudad celestial, y quien se conoce a sí mismo sabe que por naturaleza no tiene derecho alguno. Por eso es tan precioso lo que aquí se dice: nuestro único título es la sangre y la justicia del Hijo de Dios, aquella sangre que limpia de todo pecado.
Pero ha de haber también una idoneidad: un corazón que ya aquí abajo aprende algunas notas del cántico de los redimidos. ¿Suspira usted porque su alabanza es todavía tan débil y su corazón conoce tan poco del gozo en el Espíritu Santo? Recuerde entonces que es el Padre Quien hace aptos, no usted mismo. Lo que Él ha comenzado en usted lo perfeccionará, hasta que, vestido de lino fino, limpio y brillante, se regocije con todos los bienaventurados: “Aleluya: Salvación y honra y gloria y potencia al Señor Dios nuestro”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De loopbaan lopen
Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is.
Hebreeën 12:1
Ook uithoudingsvermogen is noodzakelijk. Dit is het belangrijkste vereiste voor de loper als de wedloop erg lang is. Hij kan de prijs alleen in de wacht slepen als hij, naast gewoon snelvoetig te zijn, een groot lichamelijk uithoudingsvermogen bezit en vooral vastberadenheid, zodat hij niet zal opgeven noch zal bezwijken, maar tot het allerlaatst zal volhouden. Dit vergt al zijn kracht, want een wedloop kan niet alleen door lichtvoetigheid en behendigheid worden gewonnen, maar door lichamelijk uithoudingsvermogen, krachtige longen en spieren, en bovenal door grote moed en door de vastbeslotenheid niet te worden verslagen.
Net zo is het met het lopen van de hemelse wedloop. Deze moet met veel uithoudingsvermogen worden gelopen. Men wint hem niet door eerst vlug voorwaarts te gaan en dan buiten adem en uitgeput voorover te vallen of uit de wedstrijd te moeten stappen omdat men niet verder kan. De hemelse wedstrijd is niet zoals een wedloop in het veld — een sprint van tien minuten — maar een wedloop voor het leven; een wedloop die zichzelf steeds vernieuwt en nooit eindigt tot de onsterfelijke kroon is behaald. Hij vergt alle genadige kracht, en kan alleen worden gewonnen door elk geestelijk vermogen met alle geduld en zonder ophouden in te zetten.
We zullen dit spoedig inzien als we naar de hindernissen en moeilijkheden kijken die de loper bijna elke stap tegenkomt. Kijk eens hoe we zelf uitgeput zijn, als we lang hebben gelopen; zie onze twijfelende, onzekere harten; ons eigen zwakke geloof, schamele hoop en wankelende liefde. Alles buiten ons, alles binnen ons, roept om rust en om te stoppen. Altijd op te letten, altijd te bidden, altijd te lezen en te luisteren; altijd de zonde en de duivel te weerstaan; het eigen ik te loochenen en het vlees te kruisigen; altijd te worden verleid, beproefd en geoefend; altijd een bezoeking van lichaam of geest, familie of omstandigheden te ondergaan; de hele dag te worden geplaagd en elke ochtend gekastijd; wat is er voor al deze dagelijkse ervaringen veel geduldig uithoudingsvermogen nodig! Hierin schieten allen tekort behalve Gods kinderen.
Lezen: Psalm 33:8-22
Aan de lezer…
Deze woorden roepen op om met lijdzaamheid te lopen. Bent u moe geworden onderweg? Alles buiten u en alles binnen u roept om rust en om te stoppen. Altijd waken, altijd bidden, altijd de zonde en de duivel weerstaan; de hele dag geplaagd en elke ochtend gekastijd. U kijkt naar uw twijfelende hart, uw zwakke geloof, uw schamele hoop en uw wankelende liefde, en vraagt u af hoe u dit ooit tot het einde zult volhouden.
Ik verzwijg het niet: de hemelse loopbaan is geen korte sprint, maar een wedloop voor het leven, die alle genadige kracht vergt. Maar juist daarom wordt hij niet gewonnen door een vlugge start in eigen kracht. Wie zichzelf leert kennen als zwak en uitgeput, leert ook roepen om geduld en uithoudingsvermogen van boven. Geef het dan niet op. Het is geen schande dat u moe bent; het is genade dat u nog loopt. En wat u nodig hebt voor de volgende stap, zal u gegeven worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is.
Hebreeën 12:1
Ook uithoudingsvermogen is nodig. Dat is het belangrijkste wat van de loper gevraagd wordt als de wedloop erg lang is. Hij kan de prijs alleen behalen als hij, behalve snel ter been, ook een groot lichamelijk uithoudingsvermogen heeft en vooral vastberadenheid, zodat hij niet opgeeft en niet bezwijkt, maar tot het allerlaatst volhoudt. Dit vraagt al zijn kracht. Een wedloop wordt immers niet alleen gewonnen door lichtvoetigheid en behendigheid, maar door lichamelijk uithoudingsvermogen, sterke longen en spieren, en bovenal door grote moed en door de vaste wil om zich niet te laten verslaan.
Zo is het ook met het lopen van de hemelse wedloop. Die moet met veel uithoudingsvermogen worden gelopen. Men wint haar niet door eerst snel vooruit te gaan en dan buiten adem en uitgeput voorover te vallen, of uit de wedstrijd te moeten stappen omdat men niet verder kan. De hemelse wedstrijd is niet als een wedloop in het veld, een sprint van tien minuten, maar een wedloop voor het leven; een wedloop die zich steeds vernieuwt en nooit eindigt voordat de onvergankelijke kroon is behaald. Zij vraagt alle kracht van de genade, en kan alleen worden gewonnen als elk geestelijk vermogen met alle geduld en zonder ophouden wordt ingezet.
We zien dit al snel als we kijken naar de hindernissen en moeilijkheden die de loper bijna bij elke stap tegenkomt. Kijk eens hoe uitgeput we zelf zijn als we lang hebben gelopen; zie onze twijfelende, onzekere harten, ons zwakke geloof, onze schamele hoop en onze wankelende liefde. Alles buiten ons en alles binnen ons roept om rust en om te stoppen. Altijd waken, altijd bidden, altijd lezen en luisteren; altijd de zonde en de duivel weerstaan; zichzelf verloochenen en het vlees kruisigen; altijd verzocht, beproefd en geoefend worden; altijd een bezoeking ondergaan naar lichaam of geest, in gezin of omstandigheden; de hele dag geplaagd en elke morgen gekastijd worden – wat is er voor al deze dagelijkse ervaringen veel geduldig uithoudingsvermogen nodig! Hierin schieten allen tekort, behalve Gods kinderen.
Lezen: Psalm 33:8-22
Aan de lezer…
Deze woorden roepen op om met lijdzaamheid te lopen. Bent u onderweg moe geworden? Alles buiten u en alles binnen u roept om rust en om te stoppen. Altijd waken, altijd bidden, altijd de zonde en de duivel weerstaan; de hele dag geplaagd en elke morgen gekastijd. U kijkt naar uw twijfelende hart, uw zwakke geloof, uw schamele hoop en uw wankelende liefde, en vraagt u af hoe u dit ooit tot het einde zult volhouden.
Ik verzwijg het niet: de hemelse loopbaan is geen korte sprint, maar een wedloop voor het leven, die alle kracht van de genade vraagt. Maar juist daarom wordt zij niet gewonnen door een snelle start in eigen kracht. Wie zichzelf leert kennen als zwak en uitgeput, leert ook roepen om geduld en uithoudingsvermogen van boven. Geef het dan niet op. Het is geen schande dat u moe bent; het is genade dat u nog loopt. En wat u nodig hebt voor de volgende stap, zal u gegeven worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore seeing we also are compassed about with so great a cloud of witnesses, let us lay aside every weight, and the sin which doth so easily beset us, and let us run with patience the race that is set before us.
Hebrews 12:1
Endurance, too, is needed. That is the chief thing required of the runner when the race is very long. He can win the prize only if, besides being swift of foot, he has great bodily endurance and above all determination, so that he does not give up or faint, but holds out to the very last. This calls for all his strength. For a race is not won by lightness of foot and agility alone, but by bodily endurance, sound lungs and muscles, and above all by great courage and by a firm resolve not to be beaten.
So it is also with running the heavenly race. It must be run with much patient endurance. It is not won by first going swiftly forward and then falling headlong, breathless and exhausted, or by having to leave the contest because one can go no further. The heavenly contest is not like a race in the field, a ten-minute sprint, but a race for life; a race that is ever renewed and never ends until the incorruptible crown is won. It calls for all the strength of grace, and can be won only when every spiritual faculty is put forth with all patience and without ceasing.
We soon see this when we look at the hindrances and difficulties which the runner meets at almost every step. Look how worn out we ourselves are when we have run a long while; see our doubting, uncertain hearts, our weak faith, our scanty hope and our wavering love. Everything without us and everything within us cries out for rest and for stopping. Always watching, always praying, always reading and hearing; always resisting sin and the devil; denying self and crucifying the flesh; always being tempted, tried and exercised; always undergoing some affliction in body or mind, in family or circumstances; plagued all the day long and chastened every morning – what patient endurance is needed for all these daily experiences! Herein all fall short but the children of God.
Reading: Psalm 33:8-22
To the reader…
These words call us to run with patience. Have you grown weary on the way? Everything without you and everything within you cries out for rest and for stopping. Always watching, always praying, always resisting sin and the devil; plagued all the day long and chastened every morning. You look at your doubting heart, your weak faith, your scanty hope and your wavering love, and you wonder how you will ever hold out to the end.
I will not hide it from you: the heavenly race is no short sprint, but a race for life, which calls for all the strength of grace. But that is exactly why it is not won by a swift start in one’s own strength. Whoever comes to know himself as weak and exhausted also learns to cry for patience and endurance from above. So do not give up. It is no shame that you are tired; it is grace that you are still running. And what you need for the next step will be given you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por tanto nosotros también, teniendo en derredor nuestro una tan grande nube de testigos, dejando todo el peso del pecado que nos rodea, corramos con paciencia la carrera que nos es propuesta.
Hebreos 12:1
También se necesita perseverancia. Eso es lo principal que se requiere del corredor cuando la carrera es muy larga. Solo puede ganar el premio si, además de ser ligero de pies, tiene gran resistencia corporal y sobre todo determinación, de modo que no se rinda ni desmaye, sino que aguante hasta el final. Esto exige toda su fuerza. Porque una carrera no se gana solo por la ligereza de pies y la agilidad, sino por la resistencia corporal, unos pulmones y músculos sanos, y sobre todo por un gran valor y una firme resolución de no ser vencido.
Así es también al correr la carrera celestial. Debe correrse con mucha paciencia y perseverancia. No se gana avanzando primero velozmente y luego cayendo de bruces, sin aliento y agotado, ni teniendo que abandonar la competición porque uno ya no puede más. La lucha celestial no es como una carrera en el campo, un esprint de diez minutos, sino una carrera por la vida; una carrera que se renueva siempre y nunca termina hasta que se gana la corona incorruptible. Exige toda la fuerza de la gracia, y solo puede ganarse cuando cada facultad espiritual se emplea con toda paciencia y sin cesar.
Pronto vemos esto cuando miramos los estorbos y dificultades que el corredor encuentra casi a cada paso. Mire cuán agotados estamos nosotros mismos cuando hemos corrido largo tiempo; vea nuestros corazones dudosos e inciertos, nuestra fe débil, nuestra escasa esperanza y nuestro amor vacilante. Todo lo que hay fuera de nosotros y todo lo que hay dentro clama por descanso y por detenerse. Siempre velando, siempre orando, siempre leyendo y oyendo; siempre resistiendo al pecado y al diablo; negándose a sí mismo y crucificando la carne; siempre siendo tentado, probado y ejercitado; siempre sufriendo alguna aflicción en el cuerpo o en la mente, en la familia o en las circunstancias; azotado todo el día y castigado cada mañana: ¡cuánta paciencia y perseverancia se necesitan para todas estas experiencias diarias! En esto todos fallan, excepto los hijos de Dios.
Lectura: Salmo 33:8-22
Al lector…
Estas palabras nos llaman a correr con paciencia. ¿Se ha cansado en el camino? Todo lo que hay fuera de usted y todo lo que hay dentro clama por descanso y por detenerse. Siempre velando, siempre orando, siempre resistiendo al pecado y al diablo; azotado todo el día y castigado cada mañana. Mira su corazón dudoso, su fe débil, su escasa esperanza y su amor vacilante, y se pregunta cómo podrá aguantar alguna vez hasta el fin.
No se lo ocultaré: la carrera celestial no es un esprint corto, sino una carrera por la vida, que exige toda la fuerza de la gracia. Pero precisamente por eso no se gana con un comienzo veloz en la propia fuerza. Quien llega a conocerse débil y agotado aprende también a clamar por paciencia y perseverancia de lo alto. No se rinda, pues. No es vergüenza que esté cansado; es gracia que todavía corra. Y lo que necesita para el siguiente paso le será dado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Wee de gerusten te Sion.
Amos 6:1
Bunyan zegt in zijn eenvoudige taal:
Een christenmens heeft zelden lang gemak.
Wanneer d’ene vrees verdwijnt, staat klaar een ander pak.
De zonde zal hem nooit lang met rust laten, en satan ook niet. Maar ook God laat hem niet lang met rust, en ook zijn eigen vrezen doen dit niet. Hij kan geen rust vinden, totdat zijn consciëntie is gereinigd door het bloed der besprenging; totdat zijn ziel is gezegend met de gevoelige tegenwoordigheid en de genieting van de liefde Gods; totdat hij de zoete bewijzen heeft van de verzoenende genade, de gezegende openbaring van Christus aan zijn ziel, door de stem en het getuigenis van de Geest in zijn gemoed. Dit is niet het op zijn heffe stil liggen van een Moab, Jeremia 48:11, maar een stil zijn, waarvan de psalmist spreekt: „Zijn ziel zal vernachten in het goede”, Psalm 25:13. Alle rust buiten dit is de slaap eens luiaards.
Vleselijke rust staat tegenover geestelijke. Wanneer hij dan valt in een vleselijke rust, en het voor een tijd schijnt dat de zonden hem niet plagen, noch satan hem verzoekt, noch de wereld hem vervolgt, dan wordt een christenmens gewaar dat het verkeerd gaat; hij heeft zijn pak verloren, maar niet op de rechte wijze, en hij zou liever zijn pak terug hebben, dan zijn ziel te hebben onder degenen die gerust zijn te Sion.
Aan de lezer…
Misschien verlangt u naar rust en verwondert u zich dat u die zo zelden vindt. De ene vrees is nauwelijks verdwenen of de volgende staat al klaar. Laat dat u niet ontmoedigen. Een kind van God kan geen ware rust vinden voordat zijn consciëntie gereinigd is door het bloed der besprenging en zijn ziel de liefde Gods mag genieten.
Erger is het wanneer alles stil wordt, wanneer zonde, satan en wereld u niet meer schijnen te deren, terwijl uw hart koud en zorgeloos blijft. Dat is de slaap van een luiaard, geen vrede van God. „Wee de gerusten te Sion.” Vraag dan liever om uw pak terug dan om zulk een valse rust, en zoek die stilte waarvan geschreven staat: „Zijn ziel zal vernachten in het goede.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wee de gerusten te Sion.
Amos 6:1
Bunyan zegt in zijn eenvoudige taal:
Een christenmens heeft zelden lang gemak.
Wanneer d’ene vrees verdwijnt, staat klaar een ander pak.
De zonde zal hem nooit lang met rust laten, en satan ook niet. Maar ook God laat hem niet lang met rust, en zijn eigen vrezen evenmin. Hij kan geen rust vinden totdat zijn consciëntie gereinigd is door het bloed der besprenging; totdat zijn ziel gezegend is met de voelbare tegenwoordigheid en het genieten van de liefde van God; totdat hij de zoete bewijzen heeft van de verzoenende genade, de gezegende openbaring van Christus aan zijn ziel, door de stem en het getuigenis van de Geest in zijn hart. Dit is niet het stil liggen op zijn droesem zoals Moab, Jeremia 48:11, maar een stil zijn waarvan de psalmist spreekt: „Zijn ziel zal vernachten in het goede”, Psalm 25:13. Alle rust buiten deze is de slaap van een luiaard.
Vleselijke rust staat tegenover geestelijke rust. Wanneer hij dan in een vleselijke rust valt, en het een tijd lang lijkt alsof de zonden hem niet plagen, satan hem niet verzoekt en de wereld hem niet vervolgt, dan merkt een christen dat het verkeerd gaat. Hij is zijn pak kwijtgeraakt, maar niet op de juiste manier. En hij zou zijn pak liever terug hebben dan dat zijn ziel behoort tot hen die gerust zijn in Sion.
Aan de lezer…
Misschien verlangt u naar rust en verwondert u zich dat u die zo zelden vindt. De ene vrees is nauwelijks verdwenen of de volgende staat al klaar. Laat dat u niet ontmoedigen. Een kind van God kan geen ware rust vinden voordat zijn consciëntie gereinigd is door het bloed der besprenging en zijn ziel de liefde van God mag genieten.
Erger is het wanneer alles stil wordt, wanneer zonde, satan en wereld u niet meer lijken te deren, terwijl uw hart koud en zorgeloos blijft. Dat is de slaap van een luiaard, geen vrede van God. „Wee de gerusten te Sion.” Vraag dan liever om uw pak terug dan om zo’n valse rust, en zoek die stilte waarvan geschreven staat: „Zijn ziel zal vernachten in het goede.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Woe to them that are at ease in Zion.
Amos 6:1
Bunyan says, in his plain, homely language—
“A Christian man is never long at ease;
When one fright’s gone, another does him seize.”
Sin will never let him rest long, nor Satan let him rest long, nor God let him rest long, nor his own fears let him rest long. He cannot be at ease until his conscience is purged with the blood of sprinkling; until his soul has been blessed with a feeling sense and enjoyment of the love of God; until he has sweet manifestations of pardoning mercy, blessed revelations of Christ to his soul, with the voice and witness of the Spirit in his breast. This is not the ease of Moab (Jer. 48:11), but the ease of which the Psalmist speaks when he says, “His soul shall dwell at ease” (Psalm 25:13). All ease but this is the sleep of the sluggard; carnal ease as opposed to spiritual.
If then he drops into carnal ease, and for a time sin does not seem to plague, nor Satan tempt, nor the world persecute, the Christian man feels that he is getting wrong; he has lost a burden, but not in the right way, and would rather have the burden back than be left to have his portion among those who are at ease in Zion.
To the reader…
Perhaps you long for rest and wonder why you so seldom find it. One fear has scarcely gone before the next is already waiting. Do not let that discourage you. A child of God can find no true rest until his conscience has been purged by the blood of sprinkling and his soul may enjoy the love of God.
It is worse when everything grows quiet, when sin, Satan and the world no longer seem to trouble you, while your heart remains cold and careless. That is the sleep of the sluggard, not the peace of God. “Woe to them that are at ease in Zion.” Ask rather to have your burden back than to have such a false rest, and seek that quietness of which it is written, “His soul shall dwell at ease.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¡Ay de los reposados en Sión!
Amós 6:1
Bunyan dice, en su lenguaje llano y sencillo:
“El cristiano nunca está mucho tiempo en reposo;
cuando se va un susto, otro le sobrecoge.”
El pecado nunca le dejará descansar mucho tiempo, ni Satanás le dejará descansar mucho tiempo, ni Dios le dejará descansar mucho tiempo, ni sus propios temores le dejarán descansar mucho tiempo. No puede estar en reposo hasta que su conciencia sea purificada con la sangre del rociamiento; hasta que su alma haya sido bendecida con un sentir y un gozar del amor de Dios; hasta que tenga dulces manifestaciones de la misericordia que perdona, benditas revelaciones de Cristo a su alma, con la voz y el testimonio del Espíritu en su pecho. Este no es el reposo de Moab (Jer. 48:11), sino el reposo del que habla el salmista cuando dice: “Su alma reposará en el bien” (Salmo 25:13). Todo otro reposo que no sea este es el sueño del perezoso; reposo carnal en contraste con el espiritual.
Si, pues, cae en el reposo carnal, y por un tiempo el pecado no parece atormentarle, ni Satanás tentarle, ni el mundo perseguirle, el cristiano siente que algo va mal en él; ha perdido una carga, pero no de la manera debida, y preferiría que le devolvieran la carga antes que ser dejado para tener su porción entre los reposados en Sión.
Al lector…
Quizá usted anhela descanso y se pregunta por qué lo encuentra tan pocas veces. Apenas se ha ido un temor cuando ya le espera el siguiente. No deje que eso le desanime. Un hijo de Dios no puede hallar verdadero reposo hasta que su conciencia haya sido purificada por la sangre del rociamiento y su alma pueda gozar del amor de Dios.
Peor es cuando todo se queda en calma, cuando el pecado, Satanás y el mundo ya no parecen molestarle, mientras su corazón permanece frío y descuidado. Ese es el sueño del perezoso, no la paz de Dios. “¡Ay de los reposados en Sión!” Pida más bien que le sea devuelta su carga antes que tener tal falso reposo, y busque aquella quietud de la que está escrito: “Su alma reposará en el bien.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl