vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Daar is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond Gods uitgaat.
Mattheüs 4:4
„De mens zal bij brood alleen niet leven.” Er is een hemels voedsel om zijn ziel, zowel als natuurlijk voedsel om zijn lichaam te onderhouden. Zo een mens geestelijk gevoed wordt door alle woord dat door de mond Gods uitgaat, indien dit het enige voedsel is dat ’s Heeren Gemeente geniet, wat hebben zij dan weinig! Indien gij en ik niet meer godsvrucht hebben dan die komt van hetgeen God tot onze ziel gesproken heeft; indien dat het brood is waarvan onze ziel moet leven; indien dat de kracht van ons hart is; indien dat ons levende deel is en genoeg om te sterven, dan wordt onze godsvrucht in zulk een enge kring besloten, dat wij somtijds een vergrootglas behoeven om te zien of wij al dan niets hebben.
Maar dus leren wij deze les: „De mens zal bij brood alleen niet leven.” Hij kan niet leven door leerstellingen in het hoofd. Hij kan niet leven door lichamelijke bewegingen. Hij kan niet leven door instellingen, plechtigheden en vormen. Hij kan niet leven door iets uit het schepsel. Zijn leven is hem in de eerste plaats door God gegeven, en zijn leven wordt onderhouden door alle woord dat door de mond Gods uitgaat. Wat de Heere onderwijst, kent hij; wat de Heere werkt, gevoelt hij; wat de Heere geeft, bezit hij; wat de Heere tot zijn hart spreekt, heeft hij in zijn ziel als van de lippen van Zijn soevereine Majesteit Zelf.
Maar welk een enge weg is dit! Hoe wordt hier alle eigengerechtigheid afgesneden! Hoe vernedert het het schepsel diep in het stof! Met al uw godsvrucht hebt gij niets wat God niet geeft, noch kunt gij iets verkrijgen; want gij moet leven, niet bij brood alleen, maar bij alle woord dat door de mond Gods uitgaat. Hoe kunt gij dan geestelijk leven, zonder dat de Heere van tijd tot tijd een woord tot uw ziel spreekt?
Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heer,
uw oordeel rust op d’ allerbeste wetten.
Uw loon, uw straf beantwoordt aan uw eer.
Gij eist van ons, dat w’ op uw waarheid letten,
dat wij altoos op hoge prijs uw leer
en ’t heilig recht van uw getuig’nis zetten.
Ps. 119:69
Aan de lezer…
Hoe arm voelt het wanneer u soms een vergrootglas nodig hebt om in uw ziel iets van God te vinden! Valt het u zwaar dat u zo weinig hebt van wat Hij Zelf tot uw hart gesproken heeft, en zoveel van wat in het hoofd of in de vorm blijft steken? Dat is een enge weg en een vernederende les; zij snijdt alle eigengerechtigheid af en legt het schepsel in het stof.
Maar wanhoop daarom niet. Wat de Heere onderwijst, dat kent u werkelijk; wat Hij geeft, dat bezit u, al is het weinig. U leeft niet bij brood alleen, ook niet bij uw eigen godsvrucht, maar bij alle woord dat door de mond Gods uitgaat. Wacht dan op Hem en vraag dat Hij van tijd tot tijd een woord tot uw ziel spreekt. Eén zulk woord van Zijn lippen voedt meer dan al wat het schepsel u kan voorzetten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daar is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond Gods uitgaat.
Mattheüs 4:4
„De mens zal bij brood alleen niet leven.” Er is hemels voedsel om zijn ziel te onderhouden, zoals er natuurlijk voedsel is om zijn lichaam te onderhouden. Als een mens geestelijk gevoed wordt door alle woord dat door de mond Gods uitgaat, en als dit het enige voedsel is dat de Gemeente van de Heere geniet, wat hebben zij dan weinig! Stel dat u en ik niet meer godsvrucht hebben dan wat voortkomt uit wat God tot onze ziel gesproken heeft. Stel dat dit het brood is waarvan onze ziel moet leven, dat dit de kracht van ons hart is, ons levende deel en genoeg om mee te sterven. Dan is onze godsvrucht in zo’n nauwe kring besloten, dat wij soms een vergrootglas nodig hebben om te zien of wij iets hebben of niets.
Maar zo leren wij deze les: „De mens zal bij brood alleen niet leven.” Hij kan niet leven van leerstellingen in het hoofd. Hij kan niet leven van lichamelijke opwellingen. Hij kan niet leven van instellingen, plechtigheden en vormen. Hij kan niet leven van iets wat uit het schepsel komt. Zijn leven is hem in de eerste plaats door God gegeven, en zijn leven wordt onderhouden door alle woord dat door de mond Gods uitgaat. Wat de Heere onderwijst, dat kent hij; wat de Heere werkt, dat voelt hij; wat de Heere geeft, dat bezit hij; wat de Heere tot zijn hart spreekt, dat heeft hij in zijn ziel als van de lippen van Zijn soevereine Majesteit Zelf.
Maar wat een smalle weg is dit! Hoe wordt hier alle eigengerechtigheid afgesneden! Hoe diep wordt het schepsel hierdoor in het stof vernederd! Met al uw godsvrucht hebt u niets wat God niet geeft, en u kunt ook niets verkrijgen. Want u moet leven, niet bij brood alleen, maar bij alle woord dat door de mond Gods uitgaat. Hoe kunt u dan geestelijk leven zonder dat de Heere van tijd tot tijd een woord tot uw ziel spreekt?
Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heer,
uw oordeel rust op d’ allerbeste wetten.
Uw loon, uw straf beantwoordt aan uw eer.
Gij eist van ons, dat w’ op uw waarheid letten,
dat wij altoos op hoge prijs uw leer
en ’t heilig recht van uw getuig’nis zetten.
Ps. 119:69
Aan de lezer…
Hoe arm voelt het wanneer u soms een vergrootglas nodig hebt om in uw ziel iets van God te vinden! Valt het u zwaar dat u zo weinig hebt van wat Hij Zelf tot uw hart gesproken heeft, en zoveel van wat in het hoofd of in de vorm blijft steken? Dat is een smalle weg en een vernederende les; zij snijdt alle eigengerechtigheid af en legt het schepsel in het stof.
Maar wanhoop daarom niet. Wat de Heere onderwijst, dat kent u werkelijk; wat Hij geeft, dat bezit u, al is het weinig. U leeft niet bij brood alleen, en ook niet van uw eigen godsvrucht, maar bij alle woord dat door de mond Gods uitgaat. Wacht dan op Hem en vraag of Hij van tijd tot tijd een woord tot uw ziel wil spreken. Eén zo’n woord van Zijn lippen voedt meer dan alles wat het schepsel u kan voorzetten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Man shall not live by bread alone, but by every word that proceedeth out of the mouth of God.
Matthew 4:4
“Man shall not live by bread alone.” There is heavenly food to support his soul, as well as natural food to support his body. If a man is supported spiritually by every word that proceeds out of the mouth of God, if this be the only food the Lord’s people enjoy, how little they have! If you and I have no more religion than that which comes from what God has spoken into our soul; if that be the bread we are to live upon; if that be the strength of our heart; if that be our living portion and our dying sufficiency—how it narrows up our religion into so small a compass, that sometimes we seem to require a microscope to see whether we have any or not.
But thus we learn this lesson, “that man lives not by bread alone.” He cannot live by doctrines in the head. He cannot live by bodily gestures. He cannot live by rites and forms and ceremonies. He cannot live by anything that springs from the creature. His life is first given by God, and his life is maintained by every word that proceeds out of the mouth of God. What the Lord teaches, he knows; what the Lord works, he feels; what the Lord gives, he possesses; what the Lord speaks to his heart, he has in his soul, as from the lips of the sovereign Majesty Himself.
But what a narrow path is this! How it cuts up all creature righteousness! How it lays the creature low in the dust of abasement! With all your religion, you have none but what God gives, nor can you procure a grain; for you have to live, not by bread alone, as in your natural life, but on every word that proceeds out of the mouth of God. How then are you spiritually to live, except from time to time the Lord speak a word to your soul?
To the reader…
How poor it feels when at times you need a microscope to find anything of God in your soul! Does it weigh on you that you have so little of what He Himself has spoken to your heart, and so much of what stays stuck in the head or in the form? That is a narrow path and a humbling lesson; it cuts up all self-righteousness and lays the creature in the dust.
But do not despair because of it. What the Lord teaches, you truly know; what He gives, you possess, even if it is little. You do not live by bread alone, nor by your own religion, but by every word that proceeds out of the mouth of God. Wait, then, upon Him and ask Him to speak a word to your soul from time to time. One such word from His lips feeds more than all that the creature can set before you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No con solo el pan vivirá el hombre, mas con toda palabra que sale de la boca de Dios.
Mateo 4:4
“No con solo el pan vivirá el hombre”. Hay alimento celestial para sostener su alma, así como alimento natural para sostener su cuerpo. Si el hombre es sostenido espiritualmente por toda palabra que sale de la boca de Dios, si este es el único alimento que disfruta el pueblo del Señor, ¡qué poco tiene! Si usted y yo no tenemos más religión que la que procede de lo que Dios ha hablado a nuestra alma; si ese es el pan del que hemos de vivir; si esa es la fuerza de nuestro corazón; si esa es nuestra porción en la vida y nuestra suficiencia en la muerte, ¡cómo reduce nuestra religión a un espacio tan pequeño, que a veces parece que necesitamos un microscopio para ver si tenemos alguna o no!
Pero así aprendemos esta lección: “que no con solo el pan vivirá el hombre”. No puede vivir de doctrinas en la cabeza. No puede vivir de gestos corporales. No puede vivir de ritos, formas y ceremonias. No puede vivir de nada que brote de la criatura. Su vida le es dada primero por Dios, y su vida es mantenida por toda palabra que sale de la boca de Dios. Lo que el Señor enseña, él lo sabe; lo que el Señor obra, él lo siente; lo que el Señor da, él lo posee; lo que el Señor habla a su corazón, él lo tiene en su alma, como de los labios de la soberana Majestad misma.
Pero ¡qué senda tan estrecha es esta! ¡Cómo destroza toda justicia de la criatura! ¡Cómo abate a la criatura en el polvo de la humillación! Con toda su religión, usted no tiene ninguna sino la que Dios da, ni puede procurarse un solo grano; porque tiene que vivir, no solo de pan, como en su vida natural, sino de toda palabra que sale de la boca de Dios. ¿Cómo, pues, ha de vivir usted espiritualmente, si el Señor no habla de vez en cuando una palabra a su alma?
Al lector…
¡Qué pobre se siente uno cuando a veces necesita un microscopio para hallar algo de Dios en su alma! ¿Le pesa tener tan poco de lo que Él mismo ha hablado a su corazón, y tanto de lo que se queda atascado en la cabeza o en la forma? Es una senda estrecha y una lección humillante; destroza toda justicia propia y pone a la criatura en el polvo.
Pero no desespere por ello. Lo que el Señor enseña, usted lo sabe de veras; lo que Él da, usted lo posee, aunque sea poco. No vive usted solo de pan, ni de su propia religión, sino de toda palabra que sale de la boca de Dios. Espere, pues, en Él y pídale que hable de vez en cuando una palabra a su alma. Una sola palabra así de Sus labios alimenta más que todo lo que la criatura pueda ponerle delante.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Wendt u naar Mij toe
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
Deze uitnodiging: „Wendt u naar Mij toe, wordt behouden,” moet tot het hart worden gesproken, opdat er met de belofte kracht kan meekomen; en als er kracht met de uitnodiging meekomt, vallen de oogschellen af, wordt de sluier van het hart genomen en wordt sterkte gegeven om datgene te doen waartoe de tekst uitnodigt. Ze „wenden zich naar Hem toe,” ofschoon ze aan „de einden der aarde” zijn, en terwijl ze kijken, worden ze „verlicht, en hun gezichten worden niet beschaamd.” De genade van Jezus schijnt in de uitnodiging (want Hij is hier de spreker); en als dit in hun geweten komt, zien ze de Koning in Zijn schoonheid en aanschouwen ze het verafgelegen land. „Wendt u naar Mij toe,” zegt de Middelaar en Advocaat, de Vriend van de zondaren, de Verlosser van de verlorenen!
Op Zijn Woord zien ze, en wat zien ze in Hem? In de eerste plaats aanschouwen ze Zijn heerlijke Persoon, die goddelijke verborgenheid die in de woorden „Ik ben God!” ligt besloten. En wat is dit een groots onderwerp om te overpeinzen! De heerlijke Persoon, de Zoon van God! Dit is de grote verborgenheid der godzaligheid: God geopenbaard in het vlees! En wat ziet het geloof anders in de heerlijke Persoon van Christus dan de Middelaar, de Voorspreker, de Hogepriester, de Advocaat tussen een vertoornd God en een schuldige ziel?
Maar totdat we in ons zielsgevoel aan „de einden der aarde” zijn, hebben we geen ogen om te zien, geen oren om te horen, geen hart om te ervaren wat een heerlijke Middelaar aan de rechterhand van de Vader zit. Terwijl we in onze beleving zo ver van God zijn, worden we ertoe gebracht te zien en te ervaren dat Hij, Die ons alleen nabij kan brengen, Zelf God moet zijn, want we weten zeker dat alleen een almachtige arm ons van „de einden der aarde” kan trekken en ons nabij de Allerhoogste kan brengen. Onze eigen rechtvaardigheid, onze tranen, gebeden, beloften en besluiten kunnen ons, zo ervaren we, niet bij God brengen. En we komen achter de betekenis van de woorden: „En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre waart, en dien, die nabij waren. Want door Hem hebben wij beiden de toegang door één Geest tot de Vader” (Ef. 2:17).
Lezen: Efeze 2:11-22
Aan de lezer…
Dat woord „Wendt u naar Mij toe” klinkt ook voor wie ervaren heeft dat al zijn tranen, gebeden, beloften en besluiten hem niet nader tot God brachten. Staat u nog aan de einden der aarde, met een sluier over uw hart en geen kracht om te doen wat de uitnodiging vraagt? Wees niet verwonderd; juist daar leert de ziel dat Hij Die haar nabij moet brengen, Zelf God moet zijn. Een mindere arm kan u daar niet vandaan halen.
Maar luister dan naar Wie hier spreekt. Het is de Middelaar, de Vriend van zondaren, de Verlosser van de verlorenen, Die zegt: „Wendt u naar Mij toe, wordt behouden.” Bid dat dit woord met kracht tot uw hart kome, zodat de oogschellen afvallen en u de Koning in Zijn schoonheid ziet. Wie zo op Hem ziet, wordt verlicht, en zijn aangezicht wordt niet beschaamd; want door Hem is er toegang tot de Vader, ook voor wie verre waren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
Deze uitnodiging: „Wendt u naar Mij toe, wordt behouden,” moet tot het hart gesproken worden, zodat er kracht met de belofte meekomt. En als er kracht met de uitnodiging meekomt, vallen de schellen van de ogen, wordt het deksel van het hart weggenomen en wordt er kracht gegeven om te doen waartoe de tekst uitnodigt. Zij „wenden zich naar Hem toe,” hoewel zij aan „de einden der aarde” zijn, en terwijl zij opzien, worden zij „verlicht, en hun gezichten worden niet beschaamd.” De genade van Jezus schijnt in de uitnodiging (want Hij is hier de spreker), en wanneer die in hun geweten komt, zien zij de Koning in Zijn schoonheid en aanschouwen zij het land dat verre is. „Wendt u naar Mij toe,” zegt de Middelaar en Voorspraak, de Vriend van zondaren, de Verlosser van de verlorenen!
Op Zijn Woord zien zij op, en wat zien zij in Hem? In de eerste plaats aanschouwen zij Zijn heerlijke Persoon, die goddelijke verborgenheid die besloten ligt in de woorden „Ik ben God!” En wat is dat een groot onderwerp om te overdenken! De heerlijke Persoon, de Zoon van God! Dit is de grote verborgenheid der godzaligheid: God geopenbaard in het vlees! En wat ziet het geloof anders in de heerlijke Persoon van Christus dan de Middelaar, de Voorspreker, de Hogepriester, de Voorspraak tussen een vertoornd God en een schuldige ziel?
Maar zolang we in ons zielsgevoel niet aan „de einden der aarde” zijn, hebben we geen ogen om te zien, geen oren om te horen en geen hart om te ervaren wat een heerlijke Middelaar er aan de rechterhand van de Vader zit. Wanneer we in onze bevinding zo ver van God zijn, worden we ertoe gebracht te zien en te ervaren dat Hij, Die alleen ons nabij kan brengen, Zelf God moet zijn. Want we weten zeker dat alleen een almachtige arm ons van „de einden der aarde” kan trekken en ons nabij de Allerhoogste kan brengen. We ervaren dat onze eigen gerechtigheid, onze tranen, gebeden, beloften en voornemens ons niet bij God kunnen brengen. En dan gaan we de betekenis verstaan van de woorden: „En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre waart, en dien, die nabij waren. Want door Hem hebben wij beiden de toegang door één Geest tot de Vader” (Ef. 2:17).
Lezen: Efeze 2:11-22
Aan de lezer…
Dat woord „Wendt u naar Mij toe” klinkt ook voor wie ervaren heeft dat al zijn tranen, gebeden, beloften en voornemens hem niet nader tot God brachten. Staat u nog aan de einden der aarde, met een deksel over uw hart en zonder kracht om te doen wat de uitnodiging vraagt? Wees niet verwonderd; juist daar leert de ziel dat Hij Die haar nabij moet brengen, Zelf God moet zijn. Een mindere arm kan u daar niet vandaan halen.
Luister dan naar Wie hier spreekt. Het is de Middelaar, de Vriend van zondaren, de Verlosser van de verlorenen, Die zegt: „Wendt u naar Mij toe, wordt behouden.” Bid dat dit woord met kracht tot uw hart komt, zodat de schellen van uw ogen vallen en u de Koning in Zijn schoonheid ziet. Wie zo op Hem ziet, wordt verlicht, en zijn aangezicht wordt niet beschaamd; want door Hem is er toegang tot de Vader, ook voor wie ver weg waren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look unto Me, and be ye saved, all the ends of the earth: for I am God, and there is none else.
Isaiah 45:22
This invitation, “Look unto Me, and be ye saved,” must be spoken to the heart, so that power comes with the promise. And when power comes with the invitation, the scales fall from the eyes, the veil is taken away from the heart, and strength is given to do what the text invites. They “look unto Him,” though they are at “the ends of the earth,” and as they look they are “lightened: and their faces are not ashamed.” The grace of Jesus shines in the invitation (for He is the speaker here), and when it comes into their conscience they see the King in His beauty and behold the land that is very far off. “Look unto Me,” says the Mediator and Advocate, the Friend of sinners, the Redeemer of the lost!
At His Word they look, and what do they see in Him? In the first place they behold His glorious Person, that Divine mystery wrapped up in the words, “I am God!” And what a great subject this is for meditation! The glorious Person, the Son of God! This is the great mystery of godliness: God manifest in the flesh! And what else does faith see in the glorious Person of Christ but the Mediator, the Intercessor, the High Priest, the Advocate between an angry God and a guilty soul?
But as long as we are not in the feeling of our souls at “the ends of the earth,” we have no eyes to see, no ears to hear and no heart to feel what a glorious Mediator sits at the right hand of the Father. When we are in our experience so far from God, we are brought to see and feel that He Who alone can bring us near must Himself be God. For we know for certain that only an almighty arm can draw us from “the ends of the earth” and bring us near to the Most High. We feel that our own righteousness, our tears, prayers, promises and resolutions cannot bring us to God. And then we come to understand the meaning of the words, “And came and preached peace to you which were afar off, and to them that were nigh. For through Him we both have access by one Spirit unto the Father” (Eph. 2:17).
Reading: Ephesians 2:11-22
To the reader…
That word, “Look unto Me,” sounds also for the one who has found that all his tears, prayers, promises and resolutions did not bring him any nearer to God. Are you still standing at the ends of the earth, with a veil over your heart and no strength to do what the invitation asks? Do not be surprised; it is just there that the soul learns that He Who must bring her near must Himself be God. No lesser arm can fetch you from there.
Listen, then, to Who is speaking here. It is the Mediator, the Friend of sinners, the Redeemer of the lost, Who says, “Look unto Me, and be ye saved.” Pray that this word may come with power to your heart, so that the scales fall from your eyes and you see the King in His beauty. Whoever looks to Him in this way is lightened, and his face is not ashamed; for through Him there is access to the Father, even for those who were afar off.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mirad a Mí, y sed salvos, todos los términos de la tierra: porque Yo soy Dios, y no hay más.
Isaías 45:22
Esta invitación, “Mirad a Mí, y sed salvos”, tiene que ser hablada al corazón, de modo que venga poder con la promesa. Y cuando viene poder con la invitación, caen las escamas de los ojos, se quita el velo del corazón, y se da fuerza para hacer lo que el texto invita a hacer. Ellos “miran a Él”, aunque están en “los términos de la tierra”, y mientras miran “son alumbrados, y sus rostros no se avergüenzan”. La gracia de Jesús brilla en la invitación (porque Él es quien habla aquí), y cuando entra en su conciencia ven al Rey en Su hermosura y contemplan la tierra que está muy lejos. “Mirad a Mí”, dice el Mediador y Abogado, el Amigo de pecadores, el Redentor de los perdidos.
A Su Palabra miran, ¿y qué ven en Él? En primer lugar contemplan Su gloriosa Persona, ese misterio divino envuelto en las palabras: “¡Yo soy Dios!”. ¡Y qué gran tema es este para la meditación! ¡La gloriosa Persona, el Hijo de Dios! Este es el gran misterio de la piedad: ¡Dios manifestado en carne! ¿Y qué más ve la fe en la gloriosa Persona de Cristo sino al Mediador, al Intercesor, al Sumo Sacerdote, al Abogado entre un Dios airado y un alma culpable?
Pero mientras no estemos en el sentir de nuestras almas en “los términos de la tierra”, no tenemos ojos para ver, ni oídos para oír, ni corazón para sentir qué Mediador tan glorioso está sentado a la diestra del Padre. Cuando en nuestra experiencia estamos tan lejos de Dios, somos llevados a ver y sentir que Aquel que es el único que puede acercarnos tiene que ser Él mismo Dios. Porque sabemos con certeza que solo un brazo todopoderoso puede sacarnos de “los términos de la tierra” y acercarnos al Altísimo. Sentimos que nuestra propia justicia, nuestras lágrimas, oraciones, promesas y propósitos no pueden llevarnos a Dios. Y entonces llegamos a entender el significado de las palabras: “Y vino, y anunció la paz a vosotros que estabais lejos, y a los que estaban cerca: que por Él los unos y los otros tenemos entrada por un mismo Espíritu al Padre” (Efesios 2:17).
Lectura: Efesios 2:11-22
Al lector…
Esa palabra, “Mirad a Mí”, resuena también para aquel que ha hallado que todas sus lágrimas, oraciones, promesas y propósitos no le acercaron nada a Dios. ¿Está usted todavía en los términos de la tierra, con un velo sobre el corazón y sin fuerzas para hacer lo que la invitación pide? No se sorprenda; es precisamente allí donde el alma aprende que Aquel que ha de acercarla tiene que ser Él mismo Dios. Ningún brazo menor puede sacarle de allí.
Escuche, pues, Quién habla aquí. Es el Mediador, el Amigo de pecadores, el Redentor de los perdidos, Quien dice: “Mirad a Mí, y sed salvos”. Ore para que esta palabra venga con poder a su corazón, para que caigan las escamas de sus ojos y vea al Rey en Su hermosura. Quien mira a Él de esta manera es alumbrado, y su rostro no se avergüenza; porque por Él hay entrada al Padre, aun para los que estaban lejos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond.
Psalm 109:22
De nooddruftige is iemand die niet alleen arm, ledig en naakt voor God is, maar hij gevoelt ook zijn gebrek wat betreft de toepassing van geestelijke zegeningen aan zijn ziel. Sommige personen kunnen rusten op verzoekingen en nemen deze als bewijzen. Anderen bouwen op twijfelingen en vrezen, en rusten daarop als bewijzen. Sommigen nemen krachtige overtuigingen, hetzij verleden of tegenwoordig, en leunen daarop als bewijzen. Weer anderen kunnen zien op een belijdenis van de godsdienst en nemen die als een bewijs.
Maar een levend mens moeten hemelse zegeningen in de dadelijkheid van God aan hart en consciëntie medegedeeld zijn. Hem moet de verlossing aan zijn ziel in waarheid geopenbaard zijn; hij moet het bloed van Jezus met goddelijke kracht op zijn consciëntie vinden afgedrukt tot reiniging en heiliging van dode werken. Hij moet zijn ogen gezalfd hebben met ogenzalf om Jezus te zien; ja, zijn ziel snakt ernaar om in de zoete gemeenschap met Jezus geleid te worden. Hij wenst geestelijk met Jezus te verkeren, opdat hij Hem zien moge met de ogen zijner ziel, opdat hij op Hem blikken moge Die hij doorstoken heeft, en over, voor en met Hem moge rouwklagen; opdat hij enige zoete, geestelijke en bovennatuurlijke bewijzen hebbe van Zijn stervende liefde aan zijn ziel.
Een Christus in naam kan een nooddruftig zondaar niet vergenoegen, maar het moet de Christus Gods zijn, geestelijk door hem gekend, door de kracht des Heiligen Geestes zoet aan hem geopenbaard, en komende in zijn hart met Zijn gezegende kracht, gelijk de zon, Zijn gezegende stralen van genade en barmhartigheid in hem uitgietende. Niets behalve Hij zal ooit een ziel die leven in zich heeft, kunnen vergenoegen.
Aan de lezer…
Bent u zulk een nooddruftige, lezer? Niet alleen arm en ledig voor God, maar ook hongerig naar iets wat u niet uit uzelf kunt halen? Misschien hebt u geprobeerd te rusten op uw vrezen, op vroegere overtuigingen of op uw belijdenis, en gemerkt dat het uw hart niet stilde. Dat onvermogen is geen verloren tijd. Een levende ziel kan met minder dan Christus Zelf geen vrede hebben, en dat is een goed teken.
Snakt u ernaar Hem te zien Die u doorstoken hebt, en met Hem te verkeren? Houd dan aan, totdat Hij Zich door de kracht des Heiligen Geestes aan uw hart openbaart. Hij laat Zijn stralen van genade en barmhartigheid nog altijd vallen in de harten van ellendigen en nooddruftigen, gelijk de zon haar stralen uitgiet. Een Christus in naam is u te weinig; maar de Christus Gods is u genoeg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond.
Psalm 109:22
De nooddruftige is iemand die niet alleen arm, leeg en naakt is voor God, maar die ook zijn gebrek voelt wat betreft de toepassing van geestelijke zegeningen aan zijn ziel. Sommige mensen kunnen rusten op verzoekingen en nemen die als bewijzen. Anderen bouwen op twijfels en vrezen en rusten daarop als bewijzen. Sommigen nemen krachtige overtuigingen, uit het verleden of uit het heden, en leunen daarop als bewijzen. Weer anderen zien op een belijdenis van de godsdienst en nemen die als bewijs.
Maar aan een levend mens moeten hemelse zegeningen daadwerkelijk door God aan hart en geweten meegedeeld zijn. Aan hem moet de verlossing in waarheid aan zijn ziel geopenbaard zijn; hij moet het bloed van Jezus met goddelijke kracht op zijn geweten gedrukt vinden, tot reiniging en heiliging van dode werken. Zijn ogen moeten met ogenzalf gezalfd zijn om Jezus te zien; ja, zijn ziel snakt ernaar om in de zoete gemeenschap met Jezus geleid te worden.
Hij verlangt ernaar geestelijk met Jezus te verkeren, zodat hij Hem met de ogen van zijn ziel mag zien, zodat hij mag opzien naar Hem Die hij doorstoken heeft, en over Hem, voor Hem en met Hem mag rouwklagen; zodat hij enig zoet, geestelijk en bovennatuurlijk bewijs mag ontvangen van Zijn stervende liefde voor zijn ziel.
Een Christus in naam kan een nooddruftige zondaar niet tevredenstellen. Het moet de Christus van God zijn, Die hij geestelijk kent, Die door de kracht van de Heilige Geest zoet aan hem geopenbaard wordt, en Die met Zijn gezegende kracht in zijn hart komt, zoals de zon, en Zijn gezegende stralen van genade en barmhartigheid in hem uitgiet. Niets dan Hij alleen zal ooit een ziel die leven in zich heeft, kunnen tevredenstellen.
Aan de lezer…
Bent u zo’n nooddruftige, lezer? Niet alleen arm en leeg voor God, maar ook hongerig naar iets wat u niet uit uzelf kunt halen? Misschien hebt u geprobeerd te rusten op uw vrezen, op vroegere overtuigingen of op uw belijdenis, en gemerkt dat het uw hart niet tot rust bracht. Dat onvermogen is geen verloren tijd. Een levende ziel kan met minder dan Christus Zelf geen vrede hebben, en dat is een goed teken.
Snakt u ernaar Hem te zien Die u doorstoken hebt, en met Hem te verkeren? Houd dan aan, totdat Hij Zich door de kracht van de Heilige Geest aan uw hart openbaart. Hij laat Zijn stralen van genade en barmhartigheid nog altijd vallen in de harten van ellendigen en nooddruftigen, zoals de zon haar stralen uitgiet. Een Christus in naam is u te weinig; maar de Christus van God is u genoeg.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For I am poor and needy, and my heart is wounded within me.”
Psalm 109:22
The needy is a character who is not merely poor, empty, and naked before God, but who is feelingly in need of spiritual blessings applied to his soul. Some people can rest on temptations, and take temptations as evidences. Others can build on doubts and fears, and rest on doubts and fears as evidences. Some can take powerful past convictions, or present convictions, and lean on them as evidences. Others can look to a profession of religion, and take that as an evidence.
But a living soul must have heavenly blessings communicated immediately to his heart and conscience from the mouth of God. He must have deliverance manifested to his soul as a reality; he must have the blood of Jesus sprinkled on his conscience with divine power, to purge it from filth and dead works; he must have his eyes anointed with eye-salve to see Jesus; yes, his soul pants to be led up into sweet communion with Jesus; he needs to be taken spiritually into fellowship with Christ, that he may see Him with the eyes of his soul, that he may look upon Him Whom he has pierced, mourn over Him, and for Him, and with Him, and have some sweet, spiritual, and supernatural manifestation of His dying love to his soul.
A nominal Christ will never do for a needy sinner, but it must be Christ made spiritually known by the power of the Holy Spirit, sweetly revealed and coming into his heart with all His blessed efficacy, and shining into his soul like the sun in his strength, beaming forth blessed rays of grace and mercy. Nothing but this will ever satisfy a soul that has life in it.
To the reader…
Are you such a needy one, reader? Not only poor and empty before God, but also hungry for something you cannot draw out of yourself? Perhaps you have tried to rest on your fears, on past convictions or on your profession, and found that it did not bring your heart to rest. That inability is not wasted time. A living soul can have no peace with less than Christ Himself, and that is a good sign.
Do you long to see Him Whom you have pierced, and to have fellowship with Him? Then hold on, until He reveals Himself to your heart by the power of the Holy Spirit. He still lets His rays of grace and mercy fall into the hearts of the poor and needy, as the sun pours out its beams. A Christ in name is too little for you; but the Christ of God is enough for you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque yo estoy afligido y necesitado, y mi corazón está herido dentro de mí.”
Salmo 109:22
El necesitado es un carácter que no solo es pobre, vacío y desnudo delante de Dios, sino que siente su necesidad de bendiciones espirituales aplicadas a su alma. Algunos pueden descansar en las tentaciones, y tomar las tentaciones como evidencias. Otros pueden edificar sobre dudas y temores, y descansar en las dudas y temores como evidencias. Algunos pueden tomar fuertes convicciones pasadas, o convicciones presentes, y apoyarse en ellas como evidencias. Otros pueden mirar a una profesión de religión, y tomarla como evidencia.
Pero un alma viva debe tener bendiciones celestiales comunicadas inmediatamente a su corazón y su conciencia de la boca de Dios. Debe tener la liberación manifestada a su alma como una realidad; debe tener la sangre de Jesús rociada sobre su conciencia con poder divino, para limpiarla de inmundicia y de obras muertas; debe tener sus ojos ungidos con colirio para ver a Jesús; sí, su alma anhela ser llevada a una dulce comunión con Jesús; necesita ser introducida espiritualmente en la comunión con Cristo, para verle con los ojos del alma, para mirar a Aquel a quien traspasó, llorar por Él, y a causa de Él, y con Él, y tener alguna manifestación dulce, espiritual y sobrenatural de Su amor agonizante a su alma.
Un Cristo nominal nunca le bastará a un pecador necesitado; tiene que ser Cristo dado a conocer espiritualmente por el poder del Espíritu Santo, revelado dulcemente y entrando en su corazón con toda Su bendita eficacia, y brillando en su alma como el sol en su fuerza, irradiando benditos rayos de gracia y misericordia. Nada sino esto satisfará jamás a un alma que tiene vida en sí.
Al lector…
¿Es usted uno de esos necesitados, lector? ¿No solo pobre y vacío delante de Dios, sino también hambriento de algo que no puede sacar de sí mismo? Quizá haya intentado descansar en sus temores, en convicciones pasadas o en su profesión, y haya hallado que eso no traía descanso a su corazón. Esa incapacidad no es tiempo perdido. Un alma viva no puede tener paz con menos que Cristo mismo, y esa es una buena señal.
¿Anhela usted ver a Aquel a quien traspasó, y tener comunión con Él? Entonces persevere, hasta que Él se revele a su corazón por el poder del Espíritu Santo. Él todavía deja caer Sus rayos de gracia y misericordia en el corazón de los pobres y necesitados, como el sol derrama sus rayos. Un Cristo de nombre es demasiado poco para usted; pero el Cristo de Dios le basta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl