2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan? Zullen ze U loven? Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden? Uw getrouwheid in het verderf?
Psalm 88:11, 12
Dit is niet de taal van de ziel die dood is in ongerechtigheid en zonde, maar het is de ademtocht van een levende ziel, strijdende en worstelende met de dood. Welk een onderscheid is er waar het leven werkende is in en onder de dood, en waar de dood onbepaalde heerschappij voert; tussen de levendgemaakte ziel en die waarin niets dan de dood is; de dood zonder een sprankje van geestelijk leven; de dood zonder een enkele straal van hemels licht. Daar waar de ziel geheel dood is, is geen gekerm, geen zucht, geen klacht, geen droevig vragen, geen uitstorting van het hart voor God, geen leven en adem meer dan in een lichaam in het graf. Maar waar het leven is ingeplant uit de Fontein des levens, daar kermt dat leven onder de dood.
Het zucht vanuit het graf; het hijgt naar adem onder het lichaam dat het bedekt, en tracht zich op te heffen van onder het gewicht des doods, van onder die verpletterende massa van vleselijkheid die het in zijn verstijfde en kille armen heeft omkneld; het tracht aan dat lichaam der zonde en des doods te ontworstelen, dat het met zijn koude en verstijfde massa geheel omvat, zodat het buiten staat is zich op te richten. Verstaat gij zodanige werkingen des levens? Het zwoegen, het hijgen, het zich oprichten van het leven Gods in uw ziel; het leven dat is neergedrukt, overstelpt, overweldigd, maar toch niet verstikt door die vleselijke, dode, dorre, aardse, duivelse natuur die er als een last op ligt? Rekent erop: zo gij nooit hebt ervaren wat het zegt te snakken en te hijgen en te kermen en te zuchten onder de last van een lichaam der zonde en des doods, dan kent gij nog niets van de levendmakende kracht des Heiligen Geestes in uw geweten.
’k Denk aan U, o God, in ’t klagen
uit de landstreek der Jordaan.
Van mijn leed doe ’k Hermon wagen,
’k roep van ’t klein gebergt’ U aan.
Ps. 42:4
Aan de lezer…
Soms schrikt u wellicht van uw eigen hart. Ligt er een last van doodsheid, aardsgezindheid en koude op u, zodat u nauwelijks meer kunt bidden en meent dat er in u niets van God te vinden is? Hoor dan wat hier gezegd wordt: waar de dood volkomen heerst, daar is geen gekerm, geen zucht en geen klacht. Dat u onder die last zucht, dat u naar adem hijgt en met de psalmist vraagt: „Zult Gij wonder doen aan de doden?”, dat is zelf een teken van leven.
Het leven dat uit de Fontein des levens is ingeplant, kan neergedrukt en overstelpt worden, maar het wordt niet verstikt. Kermen onder het lichaam der zonde is geen bewijs dat de Geest u verlaten heeft, maar dat Hij in u werkt. Stort dan uw hart uit voor God, ook al is het met niet meer dan een zucht uit het graf. Hij hoort zulke klachten, en Zijn goedertierenheid zal niet in het verderf verloren gaan voor wie tot Hem roept.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan? Zullen ze U loven? Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden? Uw getrouwheid in het verderf?
Psalm 88:11, 12
Dit is niet de taal van een ziel die dood is in ongerechtigheid en zonde. Het is de ademtocht van een levende ziel die strijdt en worstelt met de dood. Wat een verschil is er tussen een ziel waarin het leven werkt in en onder de dood, en een ziel waarin de dood onbeperkt heerst! Wat een verschil tussen de levendgemaakte ziel en de ziel waarin niets dan de dood is: de dood zonder een sprankje geestelijk leven, de dood zonder een enkele straal hemels licht. Waar de ziel geheel dood is, is geen gekerm, geen zucht, geen klacht, geen droevig vragen en geen uitstorten van het hart voor God; er is niet meer leven en adem dan in een lichaam in het graf. Maar waar het leven is ingeplant uit de Fontein des levens, daar kermt dat leven onder de dood.
Het zucht vanuit het graf. Het hijgt naar adem onder het lichaam dat het bedekt, en probeert zich op te heffen onder het gewicht van de dood, onder die verpletterende massa van vleselijkheid die het in haar verstijfde en kille armen heeft omkneld. Het probeert zich los te worstelen uit dat lichaam der zonde en des doods, dat het met zijn koude en verstijfde massa geheel omvat, zodat het niet in staat is zich op te richten. Begrijpt u zulke werkingen van het leven? Kent u het zwoegen, het hijgen, het zich oprichten van het leven van God in uw ziel? Het leven dat neergedrukt, overstelpt en overweldigd is, maar toch niet verstikt wordt door die vleselijke, dode, dorre, aardse, duivelse natuur die er als een last op ligt? Reken er maar op: als u nooit hebt ervaren wat het betekent te snakken, te hijgen, te kermen en te zuchten onder de last van een lichaam der zonde en des doods, dan kent u nog niets van de levendmakende kracht van de Heilige Geest in uw geweten.
’k Denk aan U, o God, in ’t klagen
uit de landstreek der Jordaan.
Van mijn leed doe ’k Hermon wagen,
’k roep van ’t klein gebergt’ U aan.
Ps. 42:4
Aan de lezer…
Soms schrikt u misschien van uw eigen hart. Ligt er een last van doodsheid, aardsgezindheid en kilte op u, zodat u nauwelijks meer kunt bidden en meent dat er in u niets van God te vinden is? Luister dan naar wat hier gezegd wordt: waar de dood volkomen heerst, daar is geen gekerm, geen zucht en geen klacht. Dat u onder die last zucht, dat u naar adem hijgt en met de psalmist vraagt: „Zult Gij wonder doen aan de doden?”, dat is zelf al een teken van leven.
Het leven dat uit de Fontein des levens is ingeplant, kan neergedrukt en overstelpt worden, maar het wordt niet verstikt. Kermen onder het lichaam der zonde is geen bewijs dat de Geest u verlaten heeft, maar dat Hij in u werkt. Stort dan uw hart uit voor God, ook al is het met niet meer dan een zucht uit het graf. Hij hoort zulke klachten, en Zijn goedertierenheid zal niet in het verderf verloren gaan voor wie tot Hem roept.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wilt Thou shew wonders to the dead? shall the dead arise and praise Thee? Selah. Shall Thy lovingkindness be declared in the grave? or Thy faithfulness in destruction?
Psalm 88:10-11
This is not the language of a soul dead in trespasses and sins, but it is the breathing of a living soul struggling and grappling with death. What a difference there is, where there is life working in and under death, and where death reigns absolutely! between the quickened soul and that in which there is nothing but death—death without one spark of spiritual life, death without one ray of heavenly teaching. There is no groan, no sigh, no lamentation, no piteous inquiry, no pouring out of the heart before God, where the soul is utterly dead, any more than there is life and breath in a corpse in the tomb.
But wherever spiritual life is implanted in the soul from the Fountain of life, that life groans under death. It sighs from out of the grave; it gasps for breath, under the corpse which overlies it; and seeks to heave itself up from that dead weight, from that overlying mass of carnality which clasps it in its rigid and chilling embrace; it endeavors to uplift and extricate itself from that body of sin and death which spreads its cold and torpid mass all round it so that it is unable to arise.
Do you know the workings of spiritual life in this way? the heavings, the gaspings, the uprisings of the life of God in your soul, pressed, overlain, overwhelmed, and all but suffocated by that carnal, dead, barren, earthly, devilish nature, which lies as a weight upon you? Depend upon it—if you have never known what it is to gasp and pant and groan and sigh under the weight of a body of sin and death, you know nothing of the vital operations of the Holy Spirit in your conscience.
To the reader…
Perhaps you are sometimes frightened by your own heart. Does a weight of deadness, earthly-mindedness and coldness lie upon you, so that you can hardly pray any more and think that nothing of God is to be found in you? Then listen to what is said here: where death reigns completely, there is no groaning, no sighing and no complaint. That you sigh under this burden, that you gasp for breath and ask with the psalmist, “Wilt Thou shew wonders to the dead?”—that in itself is already a sign of life.
The life that is planted from the Fountain of life can be pressed down and overwhelmed, but it is not smothered. Groaning under the body of sin is no proof that the Spirit has left you, but that He is at work in you. Pour out your heart before God, then, even if it is with no more than a sigh from the grave. He hears such complaints, and His lovingkindness will not be lost in destruction for the one who cries to Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Harás Tú milagro a los muertos? ¿Levantaránse los muertos para alabarte? (Selah.) ¿Será contada en el sepulcro Tu misericordia? ¿O Tu verdad en la perdición?
Salmo 88:10-11
Este no es el lenguaje de un alma muerta en delitos y pecados, sino el aliento de un alma viviente que lucha y forcejea con la muerte. ¡Qué diferencia hay entre donde hay vida obrando en y bajo la muerte, y donde la muerte reina por completo! ¡Entre el alma vivificada y aquella en la que no hay nada sino muerte: muerte sin una chispa de vida espiritual, muerte sin un rayo de enseñanza celestial! No hay gemido, ni suspiro, ni lamento, ni pregunta lastimera, ni derramamiento del corazón delante de Dios, donde el alma está enteramente muerta, como tampoco hay vida ni aliento en un cadáver en la tumba.
Pero dondequiera que la vida espiritual es implantada en el alma desde la Fuente de la vida, esa vida gime bajo la muerte. Suspira desde el sepulcro; jadea por aire bajo el cadáver que la oprime; y procura levantarse de ese peso muerto, de esa masa de carnalidad que la cubre y la estrecha en su abrazo rígido y helado; se esfuerza por alzarse y librarse de ese cuerpo de pecado y de muerte que extiende su masa fría y entumecida todo alrededor, de modo que no puede levantarse.
¿Conoce usted de este modo las operaciones de la vida espiritual? ¿Los esfuerzos, los jadeos, los levantamientos de la vida de Dios en su alma, oprimida, cubierta, abrumada y casi sofocada por esa naturaleza carnal, muerta, estéril, terrenal y diabólica que yace como un peso sobre usted? Téngalo por seguro: si nunca ha sabido lo que es jadear, anhelar, gemir y suspirar bajo el peso de un cuerpo de pecado y de muerte, nada sabe de las operaciones vitales del Espíritu Santo en su conciencia.
Al lector…
Quizá a veces se asusta usted de su propio corazón. ¿Pesa sobre usted una carga de muerte, de mente terrenal y de frialdad, de modo que apenas puede orar ya y piensa que en usted no se halla nada de Dios? Entonces escuche lo que aquí se dice: donde la muerte reina por completo no hay gemido, ni suspiro, ni queja. Que usted suspire bajo esta carga, que jadee por aire y pregunte con el salmista: “¿Harás Tú milagro a los muertos?”, eso mismo ya es una señal de vida.
La vida que es plantada desde la Fuente de la vida puede ser oprimida y abrumada, pero no es sofocada. Gemir bajo el cuerpo de pecado no es prueba de que el Espíritu le haya dejado, sino de que Él obra en usted. Derrame, pues, su corazón delante de Dios, aunque no sea más que con un suspiro desde el sepulcro. Él oye tales quejas, y Su misericordia no se perderá en la perdición para quien clama a Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Leer mij Uw paden
Heere! Maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.
Psalm 25:4
Het pad waarop de verlosten wandelen is een pad van zelfverloochening, want als iemand niet zijn kruis opneemt en zichzelf verloochent, kan hij, volgens het zeggen van de Heere Zelf, geen volgeling van Jezus Christus zijn. Hij moet derhalve een pad van zelfverloochening bewandelen om tot een ware en begenadigde volgeling van het Lam te worden gemaakt en als zodanig te worden geopenbaard. Ook is het een pad van beproeving, want we lezen dat het door vele verdrukkingen is dat we het koninkrijk binnengaan. Als we geen beproeving meemaken, hebben we beslist een Schriftuurlijk bewijs minder van degenen die het koninkrijk Gods binnengaan.
Het is tevens een pad van verzoeking, want Gods kinderen zijn voor het merendeel een in verzoeking gebracht, geoefend en gekweld volk. Het is een pad van veel tegenstand, want de wereld heeft een hekel aan krachtige godvruchtigheid, en erger nog, de vleselijke geest heeft er ook een hekel aan. We zouden het met de vijandschap van de buitenwereld kunnen stellen, als we niet de vijandschap van de vleselijke geest vanbinnen hadden. Een paar woorden van buitenaf doen ons niet veel pijn; woorden van binnenuit snijden diep. Eén verrader in het garnizoen kan meer kwaad doen dan een horde vijanden.
Tevens is het een pad van gebed, want de Heere brengt Zijn kinderen tot die smeekbeden en verlangens naar Hemzelf, die de uitstorting van de Geest in het bijzonder kenmerken. Het is ook een pad van waakzaamheid, want tenzij we voortdurend opletten, zullen we spoedig in een strik van de duivel geraken. Het is ook een pad van overpeinzing, want we moeten diep nadenken over Gods omgang met de ziel, zowel in de voorzienigheid als in de genade, alsmede over Zijn heilig Woord der Waarheid. En het is een pad van nauwe omgang met God, want hierin zit het voornaamste geheim van krachtige godvruchtigheid, het ware kenmerk van oprechte vroomheid.
Lezen: Lukas 14:25-35
Aan de lezer…
Misschien, lezer, verwondert u zich erover dat uw weg zo zwaar is: een pad van zelfverloochening, van beproeving en verzoeking, van tegenstand van buiten en, wat erger is, van vijandschap in uw eigen hart. Een paar woorden van buitenaf doen weinig pijn, maar die verrader in het garnizoen snijdt diep. Denk dan niet dat u daarom van de weg bent afgeraakt.
Het is juist het pad waarop de verlosten wandelen. Door vele verdrukkingen gaan wij het koninkrijk binnen, en wie zijn kruis niet opneemt, kan de Heere Jezus niet volgen. Maar het is ook een pad van gebed, van waakzaamheid en overpeinzing, en bovenal van nauwe omgang met God. Laat de strijd u daarom drijven tot smeken, en zoek Zijn nabijheid; daarin ligt het geheim van een oprechte en krachtige godsvrucht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heere! Maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.
Psalm 25:4
Het pad waarop de verlosten wandelen is een pad van zelfverloochening. Want als iemand niet zijn kruis opneemt en zichzelf verloochent, kan hij volgens het woord van de Heere Zelf geen volgeling van Jezus Christus zijn. Daarom moet hij een pad van zelfverloochening gaan om een ware en begenadigde volgeling van het Lam te worden en als zodanig openbaar te worden. Het is ook een pad van beproeving, want we lezen dat we door vele verdrukkingen het koninkrijk binnengaan. Als we geen beproeving meemaken, missen we beslist één Schriftuurlijk kenmerk van hen die het koninkrijk Gods binnengaan.
Het is tevens een pad van verzoeking, want Gods kinderen zijn meestal een verzocht, geoefend en gekweld volk. Het is een pad van veel tegenstand, want de wereld heeft een hekel aan krachtige godsvrucht, en erger nog, de vleselijke geest heeft er ook een hekel aan. We zouden het met de vijandschap van de wereld buiten ons wel kunnen stellen, als we niet de vijandschap van de vleselijke geest binnen in ons hadden. Een paar woorden van buitenaf doen ons niet veel pijn; woorden van binnenuit snijden diep. Eén verrader in het garnizoen kan meer kwaad doen dan een horde vijanden.
Ook is het een pad van gebed, want de Heere brengt Zijn kinderen tot die smeekbeden en dat verlangen naar Hem die in het bijzonder kenmerkend zijn voor de uitstorting van de Geest. Het is ook een pad van waakzaamheid, want tenzij we voortdurend opletten, raken we spoedig in een strik van de duivel. Het is ook een pad van overpeinzing, want we moeten diep nadenken over Gods omgang met de ziel, zowel in de voorzienigheid als in de genade, en ook over Zijn heilig Woord der waarheid. En het is een pad van nauwe omgang met God, want daarin ligt het voornaamste geheim van krachtige godsvrucht, het ware kenmerk van oprechte vroomheid.
Lezen: Lukas 14:25-35
Aan de lezer…
Misschien, lezer, verwondert u zich erover dat uw weg zo zwaar is: een pad van zelfverloochening, van beproeving en verzoeking, van tegenstand van buiten en, wat erger is, van vijandschap in uw eigen hart. Een paar woorden van buitenaf doen weinig pijn, maar die verrader in het garnizoen snijdt diep. Denk dan niet dat u daarom van de weg bent afgeraakt.
Het is juist het pad waarop de verlosten wandelen. Door vele verdrukkingen gaan wij het koninkrijk binnen, en wie zijn kruis niet opneemt, kan de Heere Jezus niet volgen. Maar het is ook een pad van gebed, van waakzaamheid en overpeinzing, en bovenal van nauwe omgang met God. Laat de strijd u daarom drijven tot smeken, en zoek Zijn nabijheid; daarin ligt het geheim van een oprechte en krachtige godsvrucht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Shew me Thy ways, O LORD; teach me Thy paths.
Psalm 25:4
The path in which the redeemed walk is a path of self-denial. For unless a man takes up his cross and denies himself, he cannot, by the Lord’s own word, be a follower of Jesus Christ. He must therefore walk a path of self-denial to become, and to be made manifest as, a true and gracious follower of the Lamb. It is also a path of trial, for we read that we must through much tribulation enter into the kingdom. If we know no trial, we certainly lack one scriptural mark of those who enter the kingdom of God.
It is likewise a path of temptation, for the children of God are for the most part a tempted, exercised and afflicted people. It is a path of much opposition, for the world hates vital godliness, and, worse still, the carnal mind hates it too. We could well bear the enmity of the world without us, if we had not the enmity of the carnal mind within us. A few words from without do not hurt us much; words from within cut deep. One traitor in the garrison can do more mischief than a host of enemies.
It is also a path of prayer, for the Lord brings His children to those supplications and that longing after Him which are especially characteristic of the outpouring of the Spirit. It is also a path of watchfulness, for unless we are continually on our guard, we soon fall into a snare of the devil. It is also a path of meditation, for we must think deeply on God’s dealings with the soul, both in providence and in grace, and also on His holy Word of truth. And it is a path of close communion with God, for in this lies the chief secret of vital godliness, the true mark of sincere piety.
Reading: Luke 14:25-35
To the reader…
Perhaps, dear reader, you wonder that your way is so hard: a path of self-denial, of trial and temptation, of opposition from without and, what is worse, of enmity in your own heart. A few words from without hurt but little, but that traitor in the garrison cuts deep. Do not think, then, that you have therefore strayed from the way.
It is the very path in which the redeemed walk. Through much tribulation we enter the kingdom, and whoever does not take up his cross cannot follow the Lord Jesus. But it is also a path of prayer, of watchfulness and meditation, and above all of close communion with God. Let the conflict therefore drive you to supplication, and seek His nearness; in this lies the secret of a sincere and vital godliness.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Muéstrame, oh Jehová, Tus caminos; enséñame Tus sendas.
Salmo 25:4
La senda por la que andan los redimidos es una senda de negación de sí mismo. Porque si un hombre no toma su cruz y se niega a sí mismo, no puede, según la propia palabra del Señor, ser seguidor de Jesucristo. Debe, por tanto, andar por una senda de negación de sí mismo para llegar a ser, y para ser manifestado como, un verdadero y bondadoso seguidor del Cordero. Es también una senda de prueba, porque leemos que es menester que por muchas tribulaciones entremos en el reino. Si no conocemos ninguna prueba, ciertamente nos falta una señal bíblica de los que entran en el reino de Dios.
Es asimismo una senda de tentación, porque los hijos de Dios son en su mayor parte un pueblo tentado, ejercitado y afligido. Es una senda de mucha oposición, porque el mundo aborrece la piedad vital y, peor aún, también la mente carnal la aborrece. Bien podríamos soportar la enemistad del mundo fuera de nosotros, si no tuviéramos la enemistad de la mente carnal dentro de nosotros. Unas pocas palabras de fuera no nos hacen mucho daño; las palabras de dentro hieren profundamente. Un solo traidor en la guarnición puede hacer más daño que una hueste de enemigos.
Es también una senda de oración, porque el Señor lleva a Sus hijos a aquellas súplicas y a aquel anhelo de Él que son especialmente característicos del derramamiento del Espíritu. Es también una senda de vigilancia, porque si no estamos continuamente en guardia, pronto caemos en un lazo del diablo. Es también una senda de meditación, porque debemos pensar profundamente en los tratos de Dios con el alma, tanto en la providencia como en la gracia, y también en Su santa Palabra de verdad. Y es una senda de íntima comunión con Dios, porque en esto está el principal secreto de la piedad vital, la verdadera señal de una piedad sincera.
Lectura: Lucas 14:25-35
Al lector…
Quizá, querido lector, se extraña de que su camino sea tan duro: una senda de negación de sí mismo, de prueba y tentación, de oposición de fuera y, lo que es peor, de enemistad en su propio corazón. Unas pocas palabras de fuera hacen poco daño, pero ese traidor en la guarnición hiere profundamente. No piense, pues, que por eso se ha apartado del camino.
Es precisamente la senda por la que andan los redimidos. Por muchas tribulaciones entramos en el reino, y quien no toma su cruz no puede seguir al Señor Jesús. Pero es también una senda de oración, de vigilancia y meditación, y sobre todo de íntima comunión con Dios. Deje, pues, que la lucha le lleve a la súplica, y busque Su cercanía; en esto está el secreto de una piedad sincera y vital.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Ik zal de goedertierenheid des Heeren eeuwiglijk zingen.
Psalm 89:1
Wij zijn omringd met goedertierenheden. Goedertierenheden voor het lichaam en goedertierenheden voor de ziel. Er zijn inderdaad tijden wanneer al Gods goedertierenheden, beide in voorzienigheid en in genade, voor onze ogen schijnen verborgen te zijn. Als de zonde in ons gaat heersen, opstand en ongeloof zich gaan verheffen, en wij daarbij een doornig pad in de wereld, een ruwe, beproevende weg in de ziel moeten bewandelen, dan zien wij weinig van de goedertierenheden des Heeren, ofschoon wij ervan omringd zijn. Dan is het gelijk met Elisa’s knecht: de berg moge omringd zijn door paarden en vurige wagenen, en de engelen Gods mogen rondom ons zijn, dan kunnen evenwel onze ogen gesloten gehouden worden, zodat wij ze niet zien.
En op hetzelfde ogenblik bewijst God ons Zijn goedertierenheden en bereidt voor ons andere of volgende bewijzen Zijner barmhartigheden, door een of andere beproevende weg, terwijl wij misschien vervuld zijn met murmurering en opstand en uitroepen: „Zal dan de Heere in eeuwigheid verstoten en voortaan niet meer goedgunstig zijn?” Dit is ons gebrek, onze zwakheid, doch dit verhindert de uitlatingen van Gods goedertierenheden evenmin als het dorstige veld de vallende regen verhindert. De goedertierenheden Gods zijn Zijn Wezen eigen, zijn oneindig, en Hij doet ze Zijn kerk en volk rijkelijk ondervinden. Zij worden vrij geschonken, gelijk de stralen van de zon zich in het luchtruim uitspreiden; als de rivier die nooit ophoudt te vloeien.
Alles getuigt van de goedertierenheden Gods voor degenen wier ogen gezalfd zijn om te kunnen zien en die er belang in stellen. Aan die allen roept alles in de natuur, in de voorzienigheid en in de genade als in één adem uit: „De goedertierenheden des Heeren zijn tot in eeuwigheid!” Nu, wanneer deze goedertierenheden Gods in de ziel worden waargenomen, vertederen, vernederen en overwinnen zij de geest en doen hem smelten in de gehoorzaamheid des geloofs en verwekken daarin de tederheid der liefde. Daardoor worden wij bekwaam gemaakt om de schoonheid en zegen van het voorschrift, als een volledig gedeelte van het Evangelie, te bezien.
Wanneer ik over de goedertierenheden Gods heen zie, ik er geen belang in stel en ze niet persoonlijk kan toe-eigenen, dan verzet ik mij misschien even halsstarrig tegen het voorschrift, als zijnde te hard en te streng. Het juk is te zwaar voor mijn hals om het te kunnen dragen. Mijn Joodse geest, mijn halsstarrige aard deinst terug voor de gehoorzaamheid aan Gods Woord. Doch laat mijn ziel begunstigd worden met een zoete ontdekking van de goedertierenheden Gods; laat ze indruk maken op mijn hart, mijn geest vermurwen en vernederen, dan is er geen kruis te zwaar om het op te nemen, geen beproeving te hard om te kunnen verduren, geen lijdensweg en smart waarop wij niet geduldig en met blijdschap kunnen wandelen. De reden waarom wij het voorschrift (de bevelen van het Evangelie) niet gehoorzamen, is omdat wij de goedertierenheden Gods niet opmerken. Liefde en gehoorzaamheid vergezellen elkander gelijk de schaduw wacht op de zon.
Aan de lezer…
Misschien, lezer, ziet u op dit ogenblik weinig van de goedertierenheden des Heeren. De weg is doornig, het hart opstandig, en u bent geneigd uit te roepen: „Zal dan de Heere in eeuwigheid verstoten?” Toch bent u er misschien meer door omringd dan u beseft. Uw ogen kunnen gesloten zijn, terwijl de goedheid des Heeren rondom u is, zoals de regen valt, ook al is het veld dor.
Vraag dan om gezalfde ogen. Want wanneer die goedertierenheden in de ziel worden waargenomen, vertederen en vernederen zij het hart, en doen zij het smelten in de gehoorzaamheid des geloofs. Dan is geen kruis te zwaar en geen weg te hard. Liefde en gehoorzaamheid gaan samen als de schaduw met de zon. Moge de Heere u zo Zijn goedheid doen smaken, dat ook u zult zeggen: „Ik zal de goedertierenheid des Heeren eeuwiglijk zingen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zal de goedertierenheid des Heeren eeuwiglijk zingen.
Psalm 89:1
Wij zijn omringd door goedertierenheden. Goedertierenheden voor het lichaam en goedertierenheden voor de ziel. Er zijn inderdaad tijden waarin al Gods goedertierenheden, zowel in de voorzienigheid als in de genade, voor onze ogen verborgen lijken te zijn. Als de zonde in ons gaat heersen, als opstand en ongeloof de kop opsteken, en wij daarbij een doornig pad in de wereld en een ruwe, beproevende weg in de ziel moeten gaan, dan zien wij weinig van de goedertierenheden van de Heere, hoewel wij erdoor omringd zijn. Dan is het zoals met de knecht van Elisa: de berg mag omringd zijn door paarden en vurige wagens, en de engelen van God mogen rondom ons zijn, maar toch kunnen onze ogen gesloten gehouden worden, zodat wij ze niet zien.
En op datzelfde ogenblik bewijst God ons Zijn goedertierenheden en bereidt Hij voor ons nieuwe bewijzen van Zijn barmhartigheden, langs een of andere beproevende weg, terwijl wij misschien vol zijn van gemor en opstand en uitroepen: „Zal dan de Heere in eeuwigheid verstoten en voortaan niet meer goedgunstig zijn?” Dat is ons gebrek, onze zwakheid, maar het houdt de uitstortingen van Gods goedertierenheden net zo min tegen als het dorstige veld de vallende regen tegenhoudt. De goedertierenheden van God horen bij Zijn Wezen, zij zijn oneindig, en Hij laat Zijn kerk en volk ze rijkelijk ervaren. Zij worden vrij geschonken, zoals de stralen van de zon zich door het luchtruim verspreiden; als de rivier die nooit ophoudt te stromen.
Alles getuigt van de goedertierenheden van God voor hen van wie de ogen gezalfd zijn om te kunnen zien en die er deel aan hebben. Tot hen allen roept alles in de natuur, in de voorzienigheid en in de genade als met één stem: „De goedertierenheden des Heeren zijn tot in eeuwigheid!” Wanneer deze goedertierenheden van God in de ziel worden waargenomen, vertederen, vernederen en overwinnen zij de geest. Zij doen hem smelten in de gehoorzaamheid van het geloof en wekken daarin de tederheid van de liefde. Daardoor worden wij bekwaam gemaakt om de schoonheid en de zegen van het voorschrift te zien, als een volwaardig deel van het Evangelie.
Wanneer ik aan de goedertierenheden van God voorbijzie, er geen deel aan heb en ze niet persoonlijk kan toe-eigenen, dan verzet ik mij misschien even halsstarrig tegen het voorschrift, omdat het te hard en te streng zou zijn. Het juk is te zwaar voor mijn hals om het te kunnen dragen. Mijn Joodse geest, mijn halsstarrige aard deinst terug voor de gehoorzaamheid aan Gods Woord. Maar laat mijn ziel begunstigd worden met een zoete ontdekking van de goedertierenheden van God; laat ze indruk maken op mijn hart en mijn geest vermurwen en vernederen. Dan is geen kruis te zwaar om op te nemen, geen beproeving te hard om te verduren, en is er geen lijdensweg of smart waarop wij niet geduldig en met blijdschap kunnen wandelen. De reden waarom wij het voorschrift (de bevelen van het Evangelie) niet gehoorzamen, is dat wij de goedertierenheden van God niet opmerken. Liefde en gehoorzaamheid gaan samen zoals de schaduw de zon volgt.
Aan de lezer…
Misschien, lezer, ziet u op dit ogenblik weinig van de goedertierenheden van de Heere. De weg is doornig, het hart opstandig, en u bent geneigd uit te roepen: „Zal dan de Heere in eeuwigheid verstoten?” Toch bent u er misschien meer door omringd dan u beseft. Uw ogen kunnen gesloten zijn, terwijl de goedheid van de Heere rondom u is, zoals de regen valt, ook al is het veld dor.
Vraag dan om gezalfde ogen. Want wanneer die goedertierenheden in de ziel worden waargenomen, vertederen en vernederen zij het hart en doen zij het smelten in de gehoorzaamheid van het geloof. Dan is geen kruis te zwaar en geen weg te hard. Liefde en gehoorzaamheid gaan samen, zoals de schaduw met de zon. Moge de Heere u Zijn goedheid zo laten smaken, dat ook u zult zeggen: „Ik zal de goedertierenheid des Heeren eeuwiglijk zingen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will sing of the mercies of the LORD for ever.
Psalm 89:1
We are surrounded with mercies; mercies for the body, and mercies for the soul. There are indeed times and seasons when all the mercies of God, both in providence and grace, seem hidden from our eyes, when, what with the workings of sin, rebellion, and unbelief, with a thorny path in the world, and a rough, trying road in the soul, we see little of the mercies of God, though surrounded by them. Like Elisha’s servant, though the mountain is surrounded by the horses and chariots of fire, and the angels of God are round about us, yet our eyes are blinded, we cannot see them; and at the very moment when God is already showering mercies upon us, and preparing others in reserve, through some trying dispensation, we are filled, perhaps, with murmuring and rebellion, and cry, “Is His mercy clean gone forever, will He be favorable no more?”
This is our infirmity, our weakness; but it no more arrests the shower of God’s mercies than the parched field arrests the falling rain. The mercies of God, like Himself, are infinite, and He showers them in rich profusion upon His Church and people. They come freely as the beams of the sun shining in the sky; as the breezes of the air we breathe; as the river that never ceases to flow. Everything testifies of the mercy of God to those whose eyes are anointed to see it, and are interested in it. To them all things in nature, in providence, and in grace, proclaim with one united harmonious voice, “The mercy of the Lord endures forever.”
Now, as these mercies of God are sensibly felt in the soul, they soften, meeken, and subdue the spirit, melt it into the obedience of faith, and raise up in it the tenderness of love. By this we are prepared to enter into the beauty and blessedness of the precept as an integral part of the gospel. If I take a review of the mercies of God, and feel no saving interest in them; if they are not personally and individually mine, I slight, perhaps even rebel, against the precept as too hard and severe. The yoke is too heavy for my neck to bear. My Jewish mind, my stiff-necked disposition, shrinks from obedience to God’s Word.
But let my soul be favored with a sweet discovery of the mercies of God; let them reach my heart, soften and subdue my spirit, then there is no cross too heavy to be taken up, no trial too hard to be endured, no path of suffering and sorrow in which we cannot patiently, if not gladly, walk. The reason why the precepts are not obeyed is because the mercies of God are not felt. Love and obedience attend each other as the shadow waits upon the sun.
To the reader…
Perhaps, dear reader, you see little of the Lord’s mercies at this moment. The way is thorny, the heart rebellious, and you are inclined to cry out, “Will the Lord cast off for ever?” Yet you may be surrounded by them more than you realise. Your eyes may be closed while the goodness of the Lord is all around you, just as the rain falls even though the field is parched.
Ask, then, for anointed eyes. For when those mercies are felt in the soul, they soften and humble the heart and melt it into the obedience of faith. Then no cross is too heavy and no road too hard. Love and obedience go together, as the shadow with the sun. May the Lord so let you taste His goodness that you too will say, “I will sing of the mercies of the LORD for ever.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Las misericordias de Jehová cantaré perpetuamente.
Salmo 89:1
Estamos rodeados de misericordias; misericordias para el cuerpo y misericordias para el alma. Hay, en verdad, tiempos y temporadas en que todas las misericordias de Dios, tanto en la providencia como en la gracia, parecen ocultas a nuestros ojos; cuando, entre las obras del pecado, de la rebelión y de la incredulidad, con un sendero espinoso en el mundo y un camino áspero y difícil en el alma, vemos poco de las misericordias de Dios, aunque estemos rodeados de ellas. Como el criado de Eliseo, aunque el monte esté lleno de gente de a caballo y de carros de fuego, y los ángeles de Dios estén alrededor de nosotros, nuestros ojos están cegados y no podemos verlos; y en el mismo momento en que Dios ya derrama misericordias sobre nosotros y prepara otras en reserva por medio de alguna dispensación dolorosa, quizá estamos llenos de murmuración y rebelión, y clamamos: “¿Hase acabado para siempre Su misericordia? ¿Y no volverá más a amar?”
Esta es nuestra flaqueza, nuestra debilidad; pero no detiene la lluvia de las misericordias de Dios más de lo que el campo reseco detiene la lluvia que cae. Las misericordias de Dios, como Él mismo, son infinitas, y Él las derrama con rica abundancia sobre Su iglesia y Su pueblo. Vienen libremente como los rayos del sol que brilla en el cielo; como las brisas del aire que respiramos; como el río que nunca deja de fluir. Todo da testimonio de la misericordia de Dios a aquellos cuyos ojos han sido ungidos para verla y que tienen parte en ella. Para ellos todas las cosas en la naturaleza, en la providencia y en la gracia proclaman con una sola voz unida y armoniosa: “Para siempre es Su misericordia.”
Ahora bien, cuando estas misericordias de Dios se sienten de manera sensible en el alma, ablandan, amansan y someten el espíritu, lo derriten en la obediencia de la fe y despiertan en él la ternura del amor. Por ello somos preparados para entrar en la belleza y bienaventuranza del precepto como parte integrante del evangelio. Si repaso las misericordias de Dios y no siento tener en ellas una parte salvadora; si no son mías personal e individualmente, desprecio el precepto, y quizá hasta me rebelo contra él, como demasiado duro y severo. El yugo es demasiado pesado para que mi cuello lo lleve. Mi mente judaica, mi disposición de dura cerviz, retrocede ante la obediencia a la Palabra de Dios.
Pero sea favorecida mi alma con un dulce descubrimiento de las misericordias de Dios; lleguen ellas a mi corazón, ablanden y sometan mi espíritu, y entonces no hay cruz demasiado pesada para tomarla, ni prueba demasiado dura para soportarla, ni senda de sufrimiento y tristeza por la que no podamos andar con paciencia, si no con alegría. La razón por la que no se obedecen los preceptos es que no se sienten las misericordias de Dios. El amor y la obediencia se acompañan como la sombra sigue al sol.
Al lector…
Quizá, querido lector, usted ve poco de las misericordias del Señor en este momento. El camino es espinoso, el corazón rebelde, y se siente inclinado a clamar: “¿Desechará el Señor para siempre?” Sin embargo, puede estar más rodeado de ellas de lo que se da cuenta. Sus ojos pueden estar cerrados mientras la bondad del Señor está a su alrededor, así como la lluvia cae aunque el campo esté reseco.
Pida, pues, ojos ungidos. Porque cuando esas misericordias se sienten en el alma, ablandan y humillan el corazón y lo derriten en la obediencia de la fe. Entonces ninguna cruz es demasiado pesada y ningún camino demasiado duro. El amor y la obediencia van juntos, como la sombra con el sol. Que el Señor le haga gustar de tal manera Su bondad que también usted diga: “Las misericordias de Jehová cantaré perpetuamente.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl