6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zoekt zachtmoedigheid.
Zefanja 2:3
Hoe kunnen wij die genade der zachtmoedigheid zoeken? Door het tegengestelde te leren. Hoe dikwijls hebben wij vals vuur aangezien voor het vuur en het licht van Gods Geest, en hebben wij meer gestreden voor onze eigen inzichten, in onze eigen geest, met vele stoute en ongepaste woorden, dan voor de ere Gods! Maar daarna leren wij inzien dat twist en strijd in onze eigen geest in strijd zijn met de geest en de aard van het Evangelie, en worden wij ertoe gebracht in te zien welk een zegenrijke genade de geest der zachtmoedigheid is. Ja, het gebrek hieraan, het opstijgen van ons geprikkeld gemoed, de toorn, de twist, de nijd en de afgunst die zo vaak in ons heersen, overtuigen ons hoe weinig wij nog kennen van „de zachtmoedigheid en lijdzaamheid van Christus”.
Aldus gevoelen wij welk een zegen het is zachtmoedig en lijdzaam te zijn gemaakt, en hoe onmogelijk het is in gemeenschap te komen met het verbroken hart van de Heere Jezus, tot de ziel enigermate zachtmoedig gemaakt is door Zijn Geest. Maar alleen door een reeks van beproevingen en kwelling leren wij of wij zachtmoedig zijn of niet. De echtgenoot kan zeer zachtmoedig zijn zolang zijn vrouw en kinderen alles doen om hem genoegen te geven; maar waar is zijn zachtmoedigheid wanneer zij hem dwarsbomen en kwellen? De meester kan zeer zachtmoedig zijn zolang zijn dienstknecht gehoorzaam, voorkomend en oplettend is; maar hoe is hij in het tegenovergestelde geval?
Dus doet de kennis der ziekte ons uitzien naar het geneesmiddel; en door de onaangename aandoeningen, veroorzaakt door toorn en kwade luim, worden wij ertoe gebracht het bezit te begeren dier zoete gevoelens die de zachtmoedigheid des Evangelies in ons geweten voortbrengt.
’t Zachtmoedig volk zal eens de volle vrede
genieten, in de zoetste rust verblijd,
en erven d’ aard’. Hoe ook de booz’ en wrede
op d’ onschuld loer’, de tanden kners’ van spijt,
hoe listig hij op haar zijn aanslag smede,
de Heer belacht het wrokken van die nijd.
Ps. 37:6
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u zich schaamt over uw geprikkeld gemoed: over de toorn die opsteeg toen men u dwarsboomde, over de stoute en ongepaste woorden waarmee u meer voor uw eigen inzichten streed dan voor de ere Gods. Het is bitter om te ontdekken hoe weinig wij van de zachtmoedigheid en lijdzaamheid van Christus kennen. Maar laat die ontdekking u niet doen wanhopen.
Zo leert de Heere Zijn volk door het tegengestelde. De kennis der ziekte doet ons uitzien naar het geneesmiddel, en de onrust die toorn en kwade luim in het geweten achterlaten, doet ons verlangen naar de zoete gevoelens die de zachtmoedigheid des Evangelies voortbrengt. Zoek die zachtmoedigheid dan bij Hem Die ze alleen door Zijn Geest kan geven, en bid dat u zo gemeenschap mag hebben met het verbroken hart van de Heere Jezus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zoekt zachtmoedigheid.
Zefanja 2:3
Hoe kunnen wij die genade van de zachtmoedigheid zoeken? Door het tegenovergestelde te leren kennen. Hoe vaak hebben wij vals vuur aangezien voor het vuur en het licht van Gods Geest, en hebben wij meer gestreden voor onze eigen inzichten, in onze eigen geest, met veel brutale en ongepaste woorden, dan voor de eer van God! Maar daarna leren wij inzien dat twist en strijd in onze eigen geest ingaan tegen de geest en de aard van het Evangelie, en worden wij ertoe gebracht te zien wat een gezegende genade de geest van de zachtmoedigheid is. Ja, het gebrek daaraan, het opvliegen van ons geprikkeld gemoed, de toorn, de twist, de nijd en de afgunst die zo vaak in ons heersen, overtuigen ons ervan hoe weinig wij nog kennen van „de zachtmoedigheid en lijdzaamheid van Christus”.
Zo voelen wij wat een zegen het is zachtmoedig en lijdzaam gemaakt te zijn, en hoe onmogelijk het is in gemeenschap te komen met het verbroken hart van de Heere Jezus, totdat de ziel in enige mate zachtmoedig gemaakt is door Zijn Geest. Maar alleen door een reeks van beproevingen en kwellingen leren wij of wij zachtmoedig zijn of niet. Een echtgenoot kan heel zachtmoedig zijn zolang zijn vrouw en kinderen alles doen om hem te behagen; maar waar is zijn zachtmoedigheid wanneer zij hem dwarsbomen en kwellen? Een meester kan heel zachtmoedig zijn zolang zijn knecht gehoorzaam, voorkomend en oplettend is; maar hoe is hij als het andersom is?
Zo doet de kennis van de ziekte ons uitzien naar het geneesmiddel. En door de onaangename gevoelens die toorn en een slecht humeur veroorzaken, worden wij ertoe gebracht te verlangen naar het bezit van de zoete gevoelens die de zachtmoedigheid van het Evangelie in ons geweten voortbrengt.
’t Zachtmoedig volk zal eens de volle vrede
genieten, in de zoetste rust verblijd,
en erven d’ aard’. Hoe ook de booz’ en wrede
op d’ onschuld loer’, de tanden kners’ van spijt,
hoe listig hij op haar zijn aanslag smede,
de Heer belacht het wrokken van die nijd.
Ps. 37:6
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u zich schaamt over uw geprikkeld gemoed: over de toorn die opkwam toen men u dwarsboomde, over de brutale en ongepaste woorden waarmee u meer voor uw eigen inzichten streed dan voor de eer van God. Het is bitter om te ontdekken hoe weinig wij kennen van de zachtmoedigheid en lijdzaamheid van Christus. Maar laat die ontdekking u niet doen wanhopen.
Zo leert de Heere Zijn volk door het tegenovergestelde. De kennis van de ziekte doet ons uitzien naar het geneesmiddel, en de onrust die toorn en een slecht humeur in het geweten achterlaten, doet ons verlangen naar de zoete gevoelens die de zachtmoedigheid van het Evangelie voortbrengt. Zoek die zachtmoedigheid dan bij Hem, Die haar alleen door Zijn Geest kan geven, en bid dat u zo gemeenschap mag hebben met het verbroken hart van de Heere Jezus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Seek meekness.
Zephaniah 2:3
How are we to follow after this grace of meekness? By learning the contrary. How often have we mistaken false fire for the light and fire of God’s Spirit! and have contended more for our own views, in our own spirit, with many rash and unbecoming words, rather than for the glory of God. But after a time we are led to see that strife and contention, in our own spirit, are contrary to the spirit and temper of the gospel, and are brought to see what a blessed grace the spirit of meekness is.
No, the very lack of it, the risings up of an excited temper, the anger, strife, envy, and jealousy that often work in our bosoms convince us how little we know of “the meekness and gentleness of Christ.” We thus feel what a blessing it is to be made humble and submissive; and how impossible it is to enter into communion with a broken-hearted Jesus, until the soul is in some measure meekened by His Spirit.
But it is by having a succession of things to try and provoke us, that we learn whether we have meekness or not. The husband can be very meek, while his wife and children are doing everything to please him; but where is his meekness when they thwart and provoke him? The master may be very meek, while the servant is obedient, obliging, and attentive, but how is he when things are different? Thus the knowledge of the disease makes us desire the remedy; and by the wretched sensations caused by wrath and evil temper, we are brought to desire an experience of those sweet feelings which gospel meekness produces in our consciences.
To the reader…
There are days when you are ashamed of your irritable temper: of the anger that rose up when you were crossed, of the rash and unbecoming words with which you contended more for your own views than for the glory of God. It is bitter to discover how little we know of the meekness and gentleness of Christ. But do not let that discovery make you despair.
This is how the Lord teaches His people by the contrary. The knowledge of the disease makes us look for the remedy, and the unrest that anger and evil temper leave behind in the conscience makes us long for the sweet feelings that gospel meekness produces. Seek that meekness, then, from Him Who alone can give it by His Spirit, and pray that so you may have communion with the broken heart of the Lord Jesus.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Buscad mansedumbre.
Sofonías 2:3
¿Cómo hemos de seguir esta gracia de la mansedumbre? Aprendiendo lo contrario. ¡Cuántas veces hemos confundido el fuego extraño con la luz y el fuego del Espíritu de Dios!, y hemos contendido más por nuestras propias opiniones, en nuestro propio espíritu, con muchas palabras temerarias e impropias, que por la gloria de Dios. Pero con el tiempo somos llevados a ver que la contienda y la disputa, en nuestro propio espíritu, son contrarias al espíritu y al carácter del evangelio, y somos traídos a ver qué gracia tan bendita es el espíritu de mansedumbre.
Más aún, la misma falta de ella, los arrebatos de un genio exaltado, la ira, la contienda, la envidia y los celos que a menudo obran en nuestro pecho, nos convencen de cuán poco sabemos de “la mansedumbre y modestia de Cristo”. Así sentimos qué bendición es ser hechos humildes y sumisos; y cuán imposible es entrar en comunión con un Jesús de corazón quebrantado, hasta que el alma es en alguna medida amansada por Su Espíritu.
Pero es teniendo una sucesión de cosas que nos prueben y nos provoquen como aprendemos si tenemos mansedumbre o no. El marido puede ser muy manso mientras su esposa y sus hijos hacen todo lo posible por agradarle; pero ¿dónde está su mansedumbre cuando le contrarían y le provocan? El amo puede ser muy manso mientras el criado es obediente, servicial y atento; pero ¿cómo es él cuando las cosas son de otra manera? Así, el conocimiento de la enfermedad nos hace desear el remedio; y por las miserables sensaciones que causan la ira y el mal genio, somos llevados a desear la experiencia de aquellos dulces sentimientos que la mansedumbre del evangelio produce en nuestra conciencia.
Al lector…
Hay días en que usted se avergüenza de su genio irritable: de la ira que se levantó cuando le contrariaron, de las palabras temerarias e impropias con que contendió más por sus propias opiniones que por la gloria de Dios. Es amargo descubrir cuán poco sabemos de la mansedumbre y modestia de Cristo. Pero no deje que ese descubrimiento le lleve a desesperar.
Así enseña el Señor a Su pueblo por lo contrario. El conocimiento de la enfermedad nos hace buscar el remedio, y la inquietud que la ira y el mal genio dejan en la conciencia nos hace anhelar los dulces sentimientos que produce la mansedumbre del evangelio. Busque, pues, esa mansedumbre en Aquel que es el único que puede darla por Su Espíritu, y ore para que así pueda tener comunión con el corazón quebrantado del Señor Jesús.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mijn hoop is op U
Verlos mij van al mijn overtredingen.
Psalm 39:9
Wat? „Al mijn overtredingen?” Ja! „Al mijn overtredingen.” U ziet dat David nog steeds slechts een zondaar was. Wat is overtreding? Het is over de grens stappen – ongehoorzaam zijn aan het Woord van God, de wil van God, de gedachten van God, de bevelen van de Geest in een gevoelig geweten, en de werkzaamheid van de godsvrucht in de ziel. Maar wat is dit? Hoe kan iemand deze houding hebben: „En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U”, en toch de werking van verachtelijke overtredingen in zijn hart ervaren?
Het is een verborgenheid, en zal altijd een verborgenheid blijven, behalve voor de geoefende kinderen van God. Dit is de bron van de verborgenheid: dat zij in hun borst een vervuilde en bezoedelde natuur omdragen; een volkomen ongeneeslijke natuur – een natuur die zo verzadigd is van het kwaad dat zij in dit leven absoluut ongeneeslijk is. Welnu, David voelde de werkingen van deze overtredingen. Hij wist wat het betekende om een wellustig oog te hebben, een afvallig hart, een vervuilde verbeelding, een dwalende, dolende en zinnelijke geest, en voortdurend Gods wil en woord te overtreden. Hij wist wat het was om een bedroefde gevangene, een arme ontroostbare ziel te zijn, die dagelijks en soms elk uur geoefend werd door een beproeving.
En hoe kon hij dit weten? Het was door de Heere te verwachten, waarbij hij licht ontving om te zien – het was door de Heere te verwachten, waarbij hij leven kreeg om het te ervaren. Het was door zijn hoop in de Heere te stellen en zijn anker daar te hebben, waardoor hij de deining van de zee van onrust in hem beter kon voelen. Maar de zonde was zijn last. Het was niet zijn vreugde – het was niet zijn eer. Hij kon zich als overtreder niet op zijn gemak voelen, noch gelukkig. Het was tot verwarring van zijn hart en tot verdriet van zijn ziel dat hij een overtreder was.
Lezen: Psalm 51
Aan de lezer…
Begrijpt u het niet van uzelf? U hebt uw hoop op de Heere gesteld, en toch voelt u in uw hart de werkingen van een wellustig oog, een afvallig hart, een dwalende en zinnelijke geest. Hoe kan dat samengaan? Het is een verborgenheid, maar geen vreemde zaak voor de geoefende kinderen van God. Zij dragen een natuur in hun borst die in dit leven ongeneeslijk is, en zij voelen het juist omdat zij licht en leven ontvangen hebben.
Want wie zijn anker in de Heere heeft, voelt de deining van de zee des te beter. Is de zonde uw last en niet uw vreugde, kunt u er niet gerust onder zijn, is het tot verwarring van uw hart en verdriet van uw ziel dat u een overtreder bent, dan staat u waar David stond. Breng het dan niet ter zijde, maar breng het tot de Heere en roep met hem: „Verlos mij van al mijn overtredingen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Verlos mij van al mijn overtredingen.
Psalm 39:9
Wat? „Al mijn overtredingen?” Ja! „Al mijn overtredingen.” U ziet dat David nog steeds slechts een zondaar was. Wat is overtreding? Het is over de grens stappen – ongehoorzaam zijn aan het Woord van God, de wil van God, de gedachten van God, de bevelen van de Geest in een teder geweten en de werkzaamheid van de godsvrucht in de ziel. Maar hoe zit dat? Hoe kan iemand deze gestalte hebben: „En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U”, en toch de werking van verachtelijke overtredingen in zijn hart ervaren?
Het is een verborgenheid en het zal altijd een verborgenheid blijven, behalve voor de geoefende kinderen van God. Dit is de oorzaak van de verborgenheid: zij dragen in hun binnenste een vervuilde en bezoedelde natuur mee; een volkomen ongeneeslijke natuur – een natuur die zo doortrokken is van het kwaad dat zij in dit leven volstrekt ongeneeslijk is. Welnu, David voelde de werkingen van deze overtredingen. Hij wist wat het betekende om een wellustig oog te hebben, een afvallig hart, een vervuilde verbeelding, een dwalende, zwervende en zinnelijke geest, en om voortdurend Gods wil en woord te overtreden. Hij wist wat het was om een bedroefde gevangene te zijn, een arme, ontroostbare ziel, die dagelijks en soms elk uur door beproeving geoefend werd.
En hoe kon hij dit weten? Doordat hij de Heere verwachtte, ontving hij licht om het te zien – doordat hij de Heere verwachtte, kreeg hij leven om het te ervaren. Doordat hij zijn hoop op de Heere stelde en zijn anker daar had, kon hij de deining van de zee van onrust in zich des te beter voelen. Maar de zonde was zijn last. Zij was niet zijn vreugde – zij was niet zijn eer. Als overtreder kon hij zich niet op zijn gemak voelen en niet gelukkig zijn. Het was tot verwarring van zijn hart en tot verdriet van zijn ziel dat hij een overtreder was.
Lezen: Psalm 51
Aan de lezer…
Begrijpt u het niet van uzelf? U hebt uw hoop op de Heere gesteld, en toch voelt u in uw hart de werkingen van een wellustig oog, een afvallig hart, een dwalende en zinnelijke geest. Hoe kan dat samengaan? Het is een verborgenheid, maar niets vreemds voor de geoefende kinderen van God. Zij dragen in hun binnenste een natuur die in dit leven ongeneeslijk is, en zij voelen dat juist omdat zij licht en leven ontvangen hebben.
Want wie zijn anker in de Heere heeft, voelt de deining van de zee des te beter. Is de zonde uw last en niet uw vreugde, kunt u er niet gerust onder zijn, is het tot verwarring van uw hart en verdriet van uw ziel dat u een overtreder bent, dan staat u waar David stond. Schuif het dan niet terzijde, maar breng het bij de Heere en roep met hem: „Verlos mij van al mijn overtredingen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Deliver me from all my transgressions.
Psalm 39:8
What? “All my transgressions?” Yes! “All my transgressions.” You see that David was still but a sinner. What is transgression? It is stepping over the line: disobeying the Word of God, the will of God, the mind of God, the commands of the Spirit in a tender conscience and the working of godly fear in the soul. But how is this? How can a man have this frame, “And now, Lord, what wait I for? my hope is in Thee”, and yet feel the working of vile transgressions in his heart?
It is a mystery, and it will always remain a mystery, except to the exercised children of God. This is the cause of the mystery: they carry within them a polluted and defiled nature; a nature wholly incurable, a nature so steeped in evil that in this life it is utterly incurable. Now David felt the workings of these transgressions. He knew what it meant to have a lustful eye, a backsliding heart, a polluted imagination, a wandering, roving and sensual mind, and to be continually transgressing God’s will and word. He knew what it was to be a mourning captive, a poor disconsolate soul, exercised daily and sometimes hourly by trial.
And how could he know this? Because he waited for the Lord, he received light to see it; because he waited for the Lord, he had life to feel it. Because he set his hope in the Lord and had his anchor there, he could feel all the better the swell of the sea of disquiet within him. But sin was his burden. It was not his joy; it was not his glory. As a transgressor he could not feel at ease or be happy. It was to the confusion of his heart and the grief of his soul that he was a transgressor.
Reading: Psalm 51
To the reader…
Do you not understand yourself? You have set your hope on the Lord, and yet you feel in your heart the workings of a lustful eye, a backsliding heart, a wandering and sensual mind. How can these go together? It is a mystery, but nothing strange to the exercised children of God. They carry within them a nature that is incurable in this life, and they feel it just because they have received light and life.
For whoever has his anchor in the Lord feels the swell of the sea all the more. If sin is your burden and not your joy, if you cannot be at ease under it, if it is to the confusion of your heart and the grief of your soul that you are a transgressor, then you stand where David stood. Do not push it aside, then, but bring it to the Lord and cry with him: “Deliver me from all my transgressions.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Líbrame de todas mis rebeliones.
Salmo 39:8
¿Cómo? ¿“Todas mis rebeliones”? ¡Sí! “Todas mis rebeliones.” Usted ve que David no era aún más que un pecador. ¿Qué es la rebelión o transgresión? Es pasar la raya: desobedecer la Palabra de Dios, la voluntad de Dios, el sentir de Dios, los mandatos del Espíritu en una conciencia tierna y la obra del temor piadoso en el alma. Pero ¿cómo es esto? ¿Cómo puede un hombre tener esta disposición: “Y ahora, Señor, ¿qué esperaré? Mi esperanza en Ti está”, y sin embargo sentir la obra de viles rebeliones en su corazón?
Es un misterio, y siempre seguirá siendo un misterio, excepto para los hijos ejercitados de Dios. Esta es la causa del misterio: llevan dentro de sí una naturaleza contaminada y manchada; una naturaleza enteramente incurable, una naturaleza tan empapada de mal que en esta vida es completamente incurable. Pues bien, David sentía la obra de estas rebeliones. Sabía lo que significaba tener un ojo lascivo, un corazón descarriado, una imaginación contaminada, una mente errante, vagabunda y sensual, y estar continuamente transgrediendo la voluntad y la palabra de Dios. Sabía lo que era ser un cautivo que se lamenta, un alma pobre y desconsolada, ejercitada diariamente, y a veces a cada hora, por la prueba.
¿Y cómo podía saber esto? Porque esperaba en el Señor, recibió luz para verlo; porque esperaba en el Señor, tenía vida para sentirlo. Porque puso su esperanza en el Señor y tenía allí su ancla, podía sentir tanto mejor el oleaje del mar de inquietud dentro de él. Pero el pecado era su carga. No era su gozo; no era su gloria. Como transgresor no podía sentirse tranquilo ni ser feliz. Era para confusión de su corazón y aflicción de su alma que era un transgresor.
Lectura: Salmo 51
Al lector…
¿No se entiende usted a sí mismo? Ha puesto su esperanza en el Señor, y sin embargo siente en su corazón la obra de un ojo lascivo, un corazón descarriado, una mente errante y sensual. ¿Cómo pueden ir juntas estas cosas? Es un misterio, pero nada extraño para los hijos ejercitados de Dios. Llevan dentro de sí una naturaleza que es incurable en esta vida, y la sienten precisamente porque han recibido luz y vida.
Porque quien tiene su ancla en el Señor siente tanto más el oleaje del mar. Si el pecado es su carga y no su gozo, si no puede estar tranquilo bajo él, si es para confusión de su corazón y aflicción de su alma que es usted un transgresor, entonces está donde estuvo David. No lo aparte, pues, sino tráigalo al Señor y clame con él: “Líbrame de todas mis rebeliones.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Uit genade zijt ge zalig geworden.
Efeze 2:5
O, wat al schatten van waarheid liggen er in deze weinige woorden opgesloten, als het ware uit des apostels volle borst ontboezemd, om een ogenblik lucht te geven aan de liefde der zaligheid door genade! Barmhartigheid, liefde en genade zijn alle in de boezem Gods tot Zijn volk; en toch verschillen deze de één van de ander. Maar hoe dan? Barmhartigheid aanschouwt de misdadige; liefde aanschouwt het voorwerp; genade is misschien een vermenging van de twee, de vereniging van barmhartigheid en liefde.
God bemint de heilige, niet de gevallen engelen; hier is een voorwerp van de liefde, waarin geen barmhartigheid voorkomt, want zij hebben nooit gezondigd en behoeven geen barmhartigheid. Wederom, God bewees geen barmhartigheid aan de gevallen engelen; hier hebben wij rechtvaardigheid en toorn, zonder barmhartigheid. Maar in het geval van de uitverkorenen der genade hebben wij niet alleen barmhartigheid en liefde, die in een stroom tot de kerk afvloeien, als de rivier van het water des levens, de zuivere kristallijnen rivier der genade. Genade, weet gij, betekent de zuivere gunst van God, en als zodanig is zij souverein, onderscheidend, vrij en zeer overvloedig.
Iedere eigenschap van Jehova is onderscheiden, en toch zó met de andere eigenschappen vermengd, dat zij blinken als één heldere straal. De stralen der zon, tezamen genomen, vormen een volmaakt lichaam van zuiver, helder licht, maar het prisma van de regenboog scheidt deze stralen in onderscheidene kleuren. Zo zijn de eigenschappen Gods niet vermengd, hoewel zij tezamen genomen alle schijnen als één zuivere glans des lichts. Maar dit is de bijzondere eigenschap der genade, dat elke inmenging van waarde of waardigheid de kracht der genade zou doen verloren gaan. Want indien het Evangelie naar verdienste vroeg, dan zouden wij even onvermijdelijk veroordeeld worden als dit door de wet geschiedt.
Dit ondervond Luther, gepijnigd en verscheurd door deze woorden: „De rechtvaardigheid Gods geopenbaard zonder de wet.” Toen riep hij uit in de angst zijner ziel: „Hoe? Ben ik veroordeeld niet slechts door de wet, maar ook door het Evangelie?” Deze zuivere, vrije, onvervalste genade is de blijdschap van elke ziel die ze mag ontvangen; want zij komt als een gezegende hartsterking wanneer de ziel zinkt en bezwijkt onder een gezicht en gevoel van de verdiende toorn Gods. Wanneer dan het zuivere Evangelie van de genade Gods als een hartsterking van de Allerhoogste komt, dan heft zij zijn neerhangend hoofd op, verlevendigt zijn bezwijkende ziel en giet zij olie en wijn in de bloedende wonden. Door deze genade worden wij gerechtvaardigd, wordt ons vergiffenis geschonken, en worden wij aangenomen, geheiligd en verlost met een eeuwigdurende verlossing.
O blijde tijding voor stervende zondaren! O gezegend nieuws voor degenen die wegzinken onder een gevoel van schuld en ellende, voor wie de wet Gods haar vloek opheft en daarvan ontslaat! Wanneer wij door het geloof mogen zien en een zoete proeve van de zuivere genade Gods mogen smaken, wat een balsem, wat een hartsterking, wat een zoete opwekkende teug is dit! Dit is het dat ons de vrije genade Gods zo zeer doet prijzen en zo blij doet verhogen, omdat zij zo vrij, zo rein, zo overvloedig geschonken wordt tegenover al de menigvuldigheid van zonde, schuld, onreinheid en dwaasheid.
Het kan nooit te duidelijk worden neergelegd, en er kan nooit te veel bij worden stilgestaan, dat wij verlost worden door genade, en door genade alleen. Indien de vrije genade aan uw ziel geschonken is, dan heeft zij u verlost; indien vrije genade in uw hart gekomen is, dan zijt gij gezegend geworden met een eeuwigdurende zaligheid, en gij zult het eenmaal ondervinden wanneer uw blijde ziel zich zal verenigen met de menigte der gezaligden.
Indien iets een neergebogen zondaar kan opheffen, een afkerige kan herstellen en wederbrengen, een hard hart verbreken, een stenen hart vermurwen, een lied des lofs kan doen voortbrengen en tranen van berouw kan doen schreien, Goddelijke droefheid over de zonde, een ootmoedige geest en een tedere consciëntie kan veroorzaken, dan is dit door de bevinding van de overvloedige genade Gods. Kunnen wij ze dan te veel verhogen? Kunnen wij ze te veel prijzen? Kunnen wij er te vast aankleven? Neen, naar verhouding wij onze ellende inleven, zullen wij met alle begeerten onzes harten aan de genade kleven, want zij behelst geheel onze zaligheid, zowel als de uitgangen van ons hart.
Aan de lezer…
Misschien zoekt u nog iets in uzelf om u bij God aan te bevelen. Een weinig waarde, een weinig waardigheid? Weet dan dat elke inmenging daarvan de kracht der genade zou doen verloren gaan. Vroeg het Evangelie naar verdienste, dan zouden wij even zeker veroordeeld worden als door de wet. Zinkt u weg onder een gevoel van schuld en ellende, en bezwijkt uw ziel onder de verdiende toorn Gods? Dan is juist voor u deze blijde tijding: uit genade bent u zalig geworden.
Want die genade komt als een hartsterking van de Allerhoogste; zij heft het neerhangend hoofd op en giet olie en wijn in de bloedende wonden. Zij kan een hard hart verbreken, een afkerige herstellen en tranen van berouw doen schreien. Kunt u haar te veel prijzen, of er te vast aankleven? Hoe meer u uw ellende inleeft, hoe meer u met alle begeerten uws harten aan haar zult kleven, want zij behelst geheel uw zaligheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Uit genade zijt ge zalig geworden.
Efeze 2:5
O, wat een schatten van waarheid liggen er in deze paar woorden besloten, die als het ware uit het volle hart van de apostel opwellen om even lucht te geven aan de liefde voor de zaligheid door genade! Barmhartigheid, liefde en genade zijn alle drie in de boezem van God voor Zijn volk, en toch verschillen zij van elkaar. Maar hoe dan? Barmhartigheid ziet op de schuldige; liefde ziet op het voorwerp; genade is misschien een samengaan van die twee, de vereniging van barmhartigheid en liefde.
God heeft de heilige engelen lief, niet de gevallen engelen. Hier is een voorwerp van liefde waarbij geen barmhartigheid te pas komt, want zij hebben nooit gezondigd en hebben geen barmhartigheid nodig. Verder bewees God geen barmhartigheid aan de gevallen engelen; hier hebben wij rechtvaardigheid en toorn zonder barmhartigheid. Maar bij de uitverkorenen van de genade hebben wij niet alleen barmhartigheid en liefde, die in één stroom naar de kerk vloeien, als de rivier van het water des levens, de zuivere kristallen rivier van de genade. Genade betekent, zoals u weet, de zuivere gunst van God, en als zodanig is zij soeverein, onderscheidend, vrij en zeer overvloedig.
Iedere eigenschap van Jehova is onderscheiden, en toch zo met de andere eigenschappen verweven dat zij samen schitteren als één heldere straal. De stralen van de zon vormen samen één volmaakt geheel van zuiver, helder licht, maar het prisma van de regenboog splitst die stralen in verschillende kleuren. Zo zijn de eigenschappen van God niet vermengd, hoewel zij samen allemaal schijnen als één zuivere glans van licht. Maar dit is de bijzondere eigenschap van de genade: elke vermenging met waarde of waardigheid zou de kracht van de genade tenietdoen. Want als het Evangelie naar verdienste vroeg, dan zouden wij even onvermijdelijk veroordeeld worden als door de wet.
Dat ervoer Luther, gekweld en verscheurd door deze woorden: „De rechtvaardigheid Gods geopenbaard zonder de wet.” Toen riep hij in de angst van zijn ziel uit: „Hoe? Ben ik veroordeeld niet slechts door de wet, maar ook door het Evangelie?” Deze zuivere, vrije, onvervalste genade is de blijdschap van elke ziel die haar mag ontvangen. Want zij komt als een gezegend hartversterkend middel wanneer de ziel wegzinkt en bezwijkt onder het zien en voelen van de verdiende toorn van God. Wanneer dan het zuivere Evangelie van de genade van God als een hartversterking van de Allerhoogste komt, heft het het neerhangende hoofd van de zondaar op, verlevendigt het zijn bezwijkende ziel en giet het olie en wijn in de bloedende wonden. Door deze genade worden wij gerechtvaardigd, wordt ons vergeving geschonken, en worden wij aangenomen, geheiligd en verlost met een eeuwige verlossing.
O blijde tijding voor stervende zondaren! O gezegend nieuws voor hen die wegzinken onder een besef van schuld en ellende, voor wie de wet van God haar vloek opheft en hen daarvan ontslaat! Wanneer wij door het geloof de zuivere genade van God mogen zien en er een zoete voorsmaak van mogen proeven, wat een balsem, wat een hartversterking, wat een zoete, opwekkende teug is dat! Dat is het wat ons de vrije genade van God zo doet prijzen en zo blij doet verheerlijken: dat zij zo vrij, zo rein, zo overvloedig geschonken wordt tegenover al de veelheid van zonde, schuld, onreinheid en dwaasheid.
Het kan nooit te duidelijk gezegd worden, en er kan nooit te lang bij stilgestaan worden, dat wij verlost worden door genade, en door genade alleen. Als de vrije genade aan uw ziel geschonken is, dan heeft zij u verlost. Als de vrije genade in uw hart gekomen is, dan bent u gezegend met een eeuwige zaligheid, en u zult het eenmaal ervaren wanneer uw blijde ziel zich zal voegen bij de menigte van de gezaligden.
Als iets een neergebogen zondaar kan oprichten, een afkerige kan herstellen en terugbrengen, een hard hart kan breken, een stenen hart kan vermurwen, een loflied kan doen opklinken en tranen van berouw kan doen vloeien, als iets Goddelijke droefheid over de zonde, een ootmoedige geest en een teder geweten kan werken, dan is het de ervaring van de overvloedige genade van God. Kunnen wij haar dan te veel verheerlijken? Kunnen wij haar te veel prijzen? Kunnen wij haar te vast vasthouden? Nee, naarmate wij onze ellende dieper beleven, zullen wij met alle begeerten van ons hart aan de genade vasthouden, want zij omvat heel onze zaligheid en ook het uitgaan van ons hart.
Aan de lezer…
Misschien zoekt u nog iets in uzelf om u bij God aan te bevelen: een beetje waarde, een beetje waardigheid? Weet dan dat elke vermenging daarmee de kracht van de genade zou tenietdoen. Vroeg het Evangelie naar verdienste, dan zouden wij even zeker veroordeeld worden als door de wet. Zinkt u weg onder een besef van schuld en ellende, en bezwijkt uw ziel onder de verdiende toorn van God? Dan is juist voor u deze blijde tijding: uit genade bent u zalig geworden.
Want die genade komt als een hartversterking van de Allerhoogste; zij heft het neerhangende hoofd op en giet olie en wijn in de bloedende wonden. Zij kan een hard hart breken, een afkerige herstellen en tranen van berouw doen vloeien. Kunt u haar te veel prijzen, of haar te vast vasthouden? Hoe dieper u uw ellende beleeft, hoe meer u met alle begeerten van uw hart aan haar zult vasthouden, want zij omvat heel uw zaligheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
By grace ye are saved.
Ephesians 2:5
Oh! the volumes of blessed truth that are couched in these few words; thrown in out of the Apostle’s full heart as if to give a moment’s vent to his love of salvation by grace! Mercy, love, and grace are all in the bosom of God toward His saints; and yet they differ from each other. But how? Mercy regards the criminal; love regards the object; grace, perhaps, is a blending of the two—the union of mercy and love.
God loves the holy unfallen angels; there is an object of love in which there is no mixture of mercy; for having never sinned, mercy they do not need. Again, God showed no mercy to the fallen angels; there we have justice and wrath, without mercy; but in the case of the saints of God, the election of grace, we have not only mercy and love, but we have the joint attribute, that uniting mercy and love in one stream flows onward to the Church, as the river of the water of life; the pure crystal river of grace.
Grace means, as you well know, the pure favor of God, and, as such, is sovereign, distinguishing, free, and super-abounding. Every attribute of Jehovah is distinct, and yet so blended that the whole shine forth in one glorious effulgence. The rays of the sun united form one complete body of pure, bright light; but the prism or the rainbow separates these rays into distinct colors. So the attributes of God are not confused though blended, and all shine forth in one pure bright glory.
But this is the peculiar character of grace, that any intermixture of worth or worthiness in the object would destroy it. For if the gospel require merit, we are damned by it as inevitably as by the law. This Luther felt when, racked and torn by the words “the righteousness of God without the law is manifested,” he cried out in the agony of his soul, “What! am I damned not only by the law, but damned by the gospel also!”
This pure, free, unadulterated grace is the joy of every soul that is able to receive it; for it comes as a blessed cordial when sinking and swooning under a sight and sense of the deserved wrath of God. When, then, the pure gospel of the grace of God comes as a cordial from the Most High, it lifts up his drooping head, revives his sinking soul, and pours oil and wine into his bleeding wounds. By this grace we are justified, pardoned, accepted, sanctified, and saved with an everlasting salvation. Oh! glad tidings to perishing sinners! Oh! blessed news to those who are sinking under a sense of guilt and misery, in whom the law of God is discharging its dreadful curse!
When we get a view by faith, and a sweet taste of the pure grace of God, what a balm, what a cordial, what a sweet reviving draught it is. It is this which makes us prize so highly, and exalt so gladly the free grace of God; because it is so pure, so free, and so super-abounding over all the aboundings of sin, guilt, filth, and folly. It never can be laid down too clearly, it never can be too much insisted on that “by grace,” and grace alone, “you are saved.” If free grace has reached your soul, it has saved your soul; if free grace has come into your heart, it has blessed you with an everlasting salvation, and you will live to prove it, when your happy soul joins the throng of the blessed.
If anything can lift up a drooping sinner, restore a backslider, break a hard, or soften a stony heart; draw forth songs of praise, and tears of contrition; produce repentance and godly sorrow for sin; a humble mind and a tender conscience; it is a sweet experience of the super-abounding grace of God. Can we then exalt it too much? Can we prize it too highly? Can we cleave to it too closely? No; in proportion as we feel our ruin and misery, we shall cleave to it with every desire of our soul; for it is all our salvation, as it is all our desire.
To the reader…
Perhaps you are still looking for something in yourself to commend you to God: a little worth, a little worthiness? Know, then, that any mixture of that would destroy the power of grace. If the gospel asked for merit, we would be condemned by it as surely as by the law. Are you sinking under a sense of guilt and misery, and is your soul fainting under the deserved wrath of God? Then this glad tidings is for you above all: by grace you are saved.
For that grace comes as a cordial from the Most High; it lifts up the drooping head and pours oil and wine into the bleeding wounds. It can break a hard heart, restore a backslider and draw forth tears of repentance. Can you prize it too much, or hold it too fast? The more deeply you feel your misery, the more you will cleave to it with every desire of your heart, for it is all your salvation.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por gracia sois salvos.
Efesios 2:5
¡Oh, los volúmenes de bendita verdad que se encierran en estas pocas palabras, intercaladas desde el corazón lleno del Apóstol como para dar por un momento salida a su amor por la salvación por gracia! La misericordia, el amor y la gracia están todos en el seno de Dios hacia Sus santos; y sin embargo difieren entre sí. Pero ¿cómo? La misericordia mira al culpable; el amor mira al objeto; la gracia es quizá una mezcla de ambos: la unión de la misericordia y el amor.
Dios ama a los santos ángeles que no cayeron; allí hay un objeto de amor en el cual no hay mezcla de misericordia; porque, no habiendo pecado nunca, no necesitan misericordia. Por otra parte, Dios no mostró misericordia a los ángeles caídos; allí tenemos justicia e ira, sin misericordia; pero en el caso de los santos de Dios, la elección de gracia, tenemos no solo misericordia y amor, sino el atributo conjunto que, uniendo misericordia y amor en una sola corriente, fluye hacia la Iglesia como el río de agua de vida; el río puro y cristalino de la gracia.
Gracia significa, como bien sabe usted, el puro favor de Dios, y, como tal, es soberana, distintiva, gratuita y sobreabundante. Cada atributo de Jehová es distinto, y sin embargo están tan entrelazados que todos resplandecen en un solo fulgor glorioso. Los rayos del sol, unidos, forman un solo cuerpo completo de luz pura y brillante; pero el prisma o el arco iris separa estos rayos en colores distintos. Así los atributos de Dios no se confunden aunque estén entrelazados, y todos resplandecen en una sola gloria pura y brillante.
Pero este es el carácter peculiar de la gracia: que cualquier mezcla de valor o mérito en el objeto la destruiría. Porque si el evangelio exigiera mérito, seríamos condenados por él tan inevitablemente como por la ley. Esto sintió Lutero cuando, atormentado y desgarrado por las palabras “sin la ley, la justicia de Dios se ha manifestado,” exclamó en la agonía de su alma: “¡Cómo! ¿Soy condenado no solo por la ley, sino también por el evangelio?”
Esta gracia pura, gratuita y sin adulterar es el gozo de toda alma que es capaz de recibirla; porque viene como un bendito cordial cuando el alma se hunde y desfallece bajo la vista y el sentir de la merecida ira de Dios. Cuando, pues, el puro evangelio de la gracia de Dios viene como un cordial del Altísimo, levanta la cabeza abatida del pecador, reaviva su alma que se hunde y derrama aceite y vino en sus heridas sangrantes. Por esta gracia somos justificados, perdonados, aceptados, santificados y salvados con salvación eterna. ¡Oh, buenas nuevas para los pecadores que perecen! ¡Oh, benditas noticias para los que se hunden bajo un sentir de culpa y miseria, en quienes la ley de Dios descarga su terrible maldición!
Cuando obtenemos una visión por la fe y un dulce gusto de la pura gracia de Dios, ¡qué bálsamo, qué cordial, qué dulce trago reanimador es! Es esto lo que nos hace apreciar tanto y exaltar con tanta alegría la gracia gratuita de Dios; porque es tan pura, tan gratuita y tan sobreabundante por encima de todas las abundancias del pecado, la culpa, la inmundicia y la necedad. Nunca puede exponerse con demasiada claridad, nunca puede insistirse demasiado en que “por gracia,” y solo por gracia, “sois salvos.” Si la gracia gratuita ha alcanzado su alma, ha salvado su alma; si la gracia gratuita ha entrado en su corazón, le ha bendecido con una salvación eterna, y usted vivirá para comprobarlo cuando su alma dichosa se una a la multitud de los bienaventurados.
Si algo puede levantar a un pecador abatido, restaurar al que se ha apartado, quebrantar un corazón duro o ablandar un corazón de piedra; arrancar cánticos de alabanza y lágrimas de contrición; producir arrepentimiento y tristeza piadosa por el pecado; una mente humilde y una conciencia tierna, es una dulce experiencia de la gracia sobreabundante de Dios. ¿Podemos, pues, exaltarla demasiado? ¿Podemos apreciarla demasiado? ¿Podemos aferrarnos a ella demasiado? No; en la medida en que sintamos nuestra ruina y miseria, nos aferraremos a ella con cada deseo de nuestra alma; porque es toda nuestra salvación, como es todo nuestro deseo.
Al lector…
¿Quizá todavía busca algo en usted mismo que le recomiende a Dios: un poco de valor, un poco de mérito? Sepa, pues, que cualquier mezcla de eso destruiría el poder de la gracia. Si el evangelio pidiera mérito, seríamos condenados por él tan ciertamente como por la ley. ¿Se hunde usted bajo un sentir de culpa y miseria, y desfallece su alma bajo la merecida ira de Dios? Entonces estas buenas nuevas son para usted sobre todo: por gracia es salvo.
Porque esa gracia viene como un cordial del Altísimo; levanta la cabeza abatida y derrama aceite y vino en las heridas sangrantes. Puede quebrantar un corazón duro, restaurar al que se ha apartado y arrancar lágrimas de arrepentimiento. ¿Puede usted apreciarla demasiado, o aferrarse a ella demasiado? Cuanto más hondo sienta su miseria, más se aferrará a ella con cada deseo de su corazón, porque es toda su salvación.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl