gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want wij hebben geen Hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
Hebreeën 4:15-16
Welk hart kan het bevatten en welke tong kan het vertellen, wat al overwinningen de altijd zegevierende genade van de Heere Jezus Christus iedere dag en ieder uur behaalt? Wij zien ternauwernood een miljoenste deel van hetgeen Hij, als een Koning op Zijn troon, dagelijks doet, en nog zien wij genoeg om te weten dat Hij altijd leeft aan Gods rechterhand, en leeft om te redden en te zegenen. Wat een menigte behoeftige smekelingen omringt elk ogenblik Zijn troon! Wat al dringende behoeften en noden te herstellen; wat al bittere smart en leed te verzachten; wat al gebroken harten te verbinden; wat al gewonde gewetens te genezen; wat al ontelbare gebeden te verhoren; wat al ernstige smekingen in te willigen; wat al hardnekkige vijanden te onderwerpen; wat al schuldige vrezen te stillen! Welk een goedertierenheid, welk een goedheid, welk een geduld, welk een medelijden, welk een barmhartigheid, welk een liefde, en toch welk een macht en gezag spreidt die Almachtige Souverein ten toon!
Geen omstandigheid is te beuzelachtig, geen bedelaar te slecht gekleed, geen behoeftige te arm, geen smekeling te gering, geen zaak te zwaar, geen moeite te groot, geen zoeker te aanhoudend, geen schuldenaar te onvermogend, dat Hij hem niet zou helpen. Gezeten op Zijn troon van genade, ziet Zijn alziend oog allen, grijpt Zijn almachtige hand allen en omhelst Zijn liefhebbend hart allen die de Vader Hem bij Verbond gaf, die Hij Zelf verloste door Zijn bloeden, die de Heilige Geest door Zijn onoverwinnelijke kracht had levend gemaakt: de hopelozen, de hulpelozen die op het punt zijn om te komen, de treurenden in Zion, de verstotenen naar wie niemand omziet, de door onweder voortgedrevenen en ongetroosten, de beroofde weduwe, de klagende wees, de kranken naar het lichaam en nog krankeren naar het hart, de door uur na uur durende pijn gefolterden, de door koorts verteerde teringlijders, de worstelaar in de laatste doodsstrijd. O, wat beklagenswaardige voorwerpen omringen Zijn troon, en allen hebben behoefte aan een blik van Zijn oog, een woord van Zijn lippen, een glimlach van Zijn gelaat, een druk van Zijn hand! O, konden wij maar zien wat Zijn genade is, wat Zijn genade bevat, wat Zijn genade doet, en konden wij maar meer gevoelen wat zij in en voor onszelf doet, dan zouden wij een heerlijker gezicht hebben op dat rijk van genade van de hoge Koning van Zion, zittende op Zijn troon!
Wie heeft lust de Heer te vrezen,
’t allerhoogst en eeuwig goed?
Ps. 25:6
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u staat in die grote menigte van behoeftige smekelingen rondom de troon, en meent dat uw nood te gering is, of uw kleed te slecht, om opgemerkt te worden. Of voelt u zich zo hopeloos en hulpeloos, zo dicht bij het omkomen, dat u nauwelijks nog durft te naderen? Weet dan dat er geen omstandigheid te beuzelachtig is en geen behoeftige te arm, dat Hij hem niet zou helpen. Zijn alziend oog ziet ook u.
U hebt geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met uw zwakheden; Hij is in alle dingen verzocht geweest, gelijk als u, doch zonder zonde. Ga dan met vrijmoedigheid tot de troon der genade, met uw gebroken hart en uw gewond geweten. Eén blik van Zijn oog, één woord van Zijn lippen, één druk van Zijn hand is genoeg. Daar zult u barmhartigheid verkrijgen en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wij hebben geen Hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
Hebreeën 4:15-16
Welk hart kan het bevatten en welke tong kan het vertellen, hoeveel overwinningen de altijd zegevierende genade van de Heere Jezus Christus iedere dag en ieder uur behaalt? Wij zien nauwelijks een miljoenste deel van wat Hij als Koning op Zijn troon dagelijks doet, en toch zien wij genoeg om te weten dat Hij altijd leeft aan Gods rechterhand, en leeft om te redden en te zegenen. Wat een menigte behoeftige smekelingen omringt elk ogenblik Zijn troon! Hoeveel dringende behoeften en noden moeten er worden vervuld; hoeveel bittere smart en hoeveel leed moeten er worden verzacht; hoeveel gebroken harten moeten er worden verbonden; hoeveel gewonde gewetens moeten er worden genezen; hoeveel ontelbare gebeden moeten er worden verhoord; hoeveel ernstige smeekbeden moeten er worden ingewilligd; hoeveel hardnekkige vijanden moeten er worden onderworpen; hoeveel schuldige angsten moeten er worden gestild! Wat een goedertierenheid, wat een goedheid, wat een geduld, wat een medelijden, wat een barmhartigheid, wat een liefde, en tegelijk wat een macht en gezag toont die almachtige Soeverein!
Geen omstandigheid is te onbeduidend, geen bedelaar te armoedig gekleed, geen behoeftige te arm, geen smekeling te onbeduidend, geen zaak te moeilijk, geen moeite te groot, geen zoeker te aanhoudend, geen schuldenaar te onvermogend, of Hij zou hem helpen. Gezeten op Zijn troon van genade ziet Zijn alziend oog allen, grijpt Zijn almachtige hand allen en omhelst Zijn liefhebbend hart allen die de Vader Hem in het Verbond gaf, die Hij Zelf verloste door Zijn bloed, en die de Heilige Geest door Zijn onoverwinnelijke kracht levend had gemaakt: de hopelozen, de hulpelozen die op het punt staan om te komen, de treurenden in Sion, de verstotenen naar wie niemand omziet, de door storm voortgedrevenen en ongetroosten, de weduwe die haar man verloor, de wenende wees, wie ziek is naar het lichaam en nog zieker naar het hart, wie uur na uur door pijn gekweld wordt, de teringlijder die door koorts verteerd wordt, de worstelaar in de laatste doodsstrijd. O, wat een beklagenswaardige mensen omringen Zijn troon, en allen hebben een blik van Zijn oog nodig, een woord van Zijn lippen, een glimlach van Zijn aangezicht, een druk van Zijn hand! O, konden wij maar zien wat Zijn genade is en wat zij bevat en doet, en konden wij maar meer ervaren wat zij in en voor onszelf doet, dan zouden wij een heerlijker zicht hebben op dat rijk van genade van de hoge Koning van Sion, gezeten op Zijn troon!
Wie heeft lust de Heer te vrezen,
’t allerhoogst en eeuwig goed?
Ps. 25:6
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u staat in die grote menigte van behoeftige smekelingen rondom de troon, en denkt dat uw nood te gering is, of uw kleed te armoedig, om opgemerkt te worden. Of voelt u zich zo hopeloos en hulpeloos, zo dicht bij het omkomen, dat u nauwelijks nog durft te naderen? Weet dan dat geen omstandigheid te onbeduidend is en geen behoeftige te arm, of Hij zou hem helpen. Zijn alziend oog ziet ook u.
U hebt geen Hogepriester Die geen medelijden kan hebben met uw zwakheden; Hij is in alle dingen verzocht geweest zoals u, maar zonder zonde. Ga dan met vrijmoedigheid naar de troon der genade, met uw gebroken hart en uw gewond geweten. Eén blik van Zijn oog, één woord van Zijn lippen, één druk van Zijn hand is genoeg. Daar zult u barmhartigheid verkrijgen en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For we have not an High Priest which cannot be touched with the feeling of our infirmities; but was in all points tempted like as we are, yet without sin. Let us therefore come boldly unto the throne of grace, that we may obtain mercy, and find grace to help in time of need.
Hebrews 4:15-16
What heart can conceive or tongue recount the daily, hourly triumphs of the Lord Jesus Christ’s all-conquering grace? We see scarcely a millionth part of what He, as a King on His throne, is daily doing; and yet we see enough to know that He ever lives at God’s right hand, and lives to save and bless.
What a crowd of needy petitioners every moment surrounds His throne! What urgent needs and woes to answer; what cutting griefs and sorrows to assuage; what broken hearts to bind up; what wounded consciences to heal; what countless prayers to hear; what earnest petitions to grant; what stubborn foes to subdue; what guilty fears to quell! What grace, what kindness, what patience, what compassion, what mercy, what love, and yet what power and authority does this Almighty Sovereign display! No circumstance is too trifling; no petitioner too insignificant; no case too hard; no difficulty too great; no seeker too importunate; no beggar too ragged; no bankrupt too penniless; no debtor too insolvent, for Him not to notice and not to relieve.
Sitting on His throne of grace, His all-seeing eye views all, His almighty hand grasps all, and His loving heart embraces all whom the Father gave Him by covenant, whom He Himself redeemed by His blood, and whom the blessed Spirit has quickened into life by His invincible power. The hopeless, the helpless; the outcasts whom no man cares for; the tossed with tempest and not comforted; the ready to perish; the mourners in Zion; the bereaved widow; the wailing orphan; the sick in body, and still more sick in heart; the racked with hourly pain; the fevered consumptive; the wrestler with death’s last struggle—O what crowds of pitiable objects surround His throne; and all needing a look from His eye, a word from His lips, a smile from His face, a touch from His hand!
O could we but see what His grace is, what His grace has, what His grace does; and could we but feel more what it is doing in and for ourselves, we would have more exalted views of the reign of grace now exercised on high by Zion’s enthroned King!
To the reader…
It may be that you stand in that great crowd of needy petitioners around the throne, and think that your need is too small, or your garment too shabby, to be noticed. Or do you feel so hopeless and helpless, so near to perishing, that you hardly dare to draw near any more? Then know that no circumstance is too trifling and no beggar too poor for Him to help. His all-seeing eye sees you as well.
You do not have a High Priest Who cannot be touched with the feeling of your infirmities; He was in all points tempted like as you are, yet without sin. Come boldly, then, to the throne of grace, with your broken heart and your wounded conscience. One look from His eye, one word from His lips, one touch of His hand is enough. There you will obtain mercy and find grace to help in time of need.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque no tenemos un Pontífice que no se pueda compadecer de nuestras flaquezas; mas tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado. Lleguémonos pues confiadamente al trono de la gracia, para alcanzar misericordia, y hallar gracia para el oportuno socorro.
Hebreos 4:15-16
¿Qué corazón puede concebir o qué lengua puede contar los triunfos diarios, de cada hora, de la gracia todopoderosa del Señor Jesucristo? Apenas vemos una millonésima parte de lo que Él, como Rey en Su trono, hace cada día; y sin embargo vemos lo suficiente para saber que vive siempre a la diestra de Dios, y que vive para salvar y bendecir.
¡Qué multitud de suplicantes necesitados rodea Su trono en todo momento! ¡Cuántas necesidades y aflicciones urgentes que atender; cuántas penas y tristezas punzantes que aliviar; cuántos corazones quebrantados que vendar; cuántas conciencias heridas que sanar; cuántas oraciones innumerables que escuchar; cuántas peticiones fervientes que conceder; cuántos enemigos obstinados que someter; cuántos temores culpables que acallar! ¡Qué gracia, qué bondad, qué paciencia, qué compasión, qué misericordia, qué amor, y a la vez qué poder y autoridad despliega este Soberano Todopoderoso! Ninguna circunstancia es demasiado insignificante; ningún suplicante demasiado pequeño; ningún caso demasiado difícil; ninguna dificultad demasiado grande; ningún buscador demasiado insistente; ningún mendigo demasiado andrajoso; ningún arruinado demasiado sin un centavo; ningún deudor demasiado insolvente, para que Él no lo note y no lo socorra.
Sentado en Su trono de la gracia, Su ojo que todo lo ve lo contempla todo, Su mano todopoderosa lo abarca todo, y Su corazón amoroso abraza a todos los que el Padre Le dio por pacto, a quienes Él mismo redimió con Su sangre, y a quienes el bendito Espíritu ha vivificado por Su poder invencible. Los desesperanzados, los impotentes; los desechados de quienes nadie se cuida; los fatigados con tempestad, sin consuelo; los que están a punto de perecer; los enlutados de Sion; la viuda desconsolada; el huérfano que gime; los enfermos en el cuerpo, y aún más enfermos en el corazón; los atormentados por el dolor de cada hora; el tísico con fiebre; el que forcejea en la última lucha con la muerte: ¡oh, qué multitudes de seres dignos de lástima rodean Su trono, y todos necesitan una mirada de Su ojo, una palabra de Sus labios, una sonrisa de Su rostro, un toque de Su mano!
¡Oh, si pudiéramos ver lo que es Su gracia, lo que Su gracia tiene, lo que Su gracia hace; y si pudiéramos sentir más lo que está haciendo en nosotros y por nosotros, tendríamos ideas más elevadas del reinado de la gracia que ahora ejerce en lo alto el Rey entronizado de Sion!
Al lector…
Puede ser que usted esté en esa gran multitud de suplicantes necesitados alrededor del trono, y piense que su necesidad es demasiado pequeña, o su vestido demasiado raído, para que se fijen en usted. ¿O se siente tan desesperanzado e impotente, tan cerca de perecer, que apenas se atreve ya a acercarse? Entonces sepa que ninguna circunstancia es demasiado insignificante y ningún mendigo demasiado pobre para que Él le ayude. Su ojo que todo lo ve le ve también a usted.
Usted no tiene un Pontífice que no se pueda compadecer de sus flaquezas; Él fue tentado en todo según su semejanza, pero sin pecado. Llegue, pues, confiadamente al trono de la gracia, con su corazón quebrantado y su conciencia herida. Una mirada de Su ojo, una palabra de Sus labios, un toque de Su mano basta. Allí alcanzará misericordia y hallará gracia para el oportuno socorro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zie mij aan
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
Waar vraagt u God om in uw gebed? Ik veronderstel dat velen van u op de knieën vallen voor de voetbank van de genade. Waar vraagt u God om in uw gebed? Is het om een bijzondere zegening voor uw ziel? Is het om een openbaring van Jezus aan uw hart? Is het om de Heere te vragen Zelf op een schuldige worm neer te kijken en uw ziel zachtjes Zijn genade en liefde in te fluisteren? Dit zijn ware gebeden, dit zijn geestelijke zuchten; dit is de tussenkomst van de Geest in het gemoed van de zondaar, waarin het gekerm niet kan worden geuit.
Als u uit zielservaring weet wat het is om in nederigheid, in eenvoud, in oprechtheid, in ontroostbaarheid, in wroeging zo voor de voetbank van genade te liggen, en uit te roepen: „Zie mij aan.” „Mij”, die Uw genade volkomen onwaardig is. „Mij”, die voortdurend afvallig van U is geworden. „Mij”, die de meest verachtelijke onder de verachtelijken is, de meest schuldige onder de schuldigen, maar: „Zie mij aan”, want ik kan niet verdragen dat U me ongemerkt voorbij zou gaan, dat U mijn ziel niet zou aanzien, terwijl U Uw kinderen aanzag. Dit is een uitroep die vast en zeker wordt beantwoord.
Wees mij genadig. Wanneer zullen u en ik buiten het bereik van de genade komen? Zullen we ooit het verlangen te boven komen zolang we hier beneden ademen? God beware ons, die Zijn Naam vrezen, ervoor ooit maar een dag te leven zonder, in meer of mindere mate, naar de merkbare blijken van de genade te verlangen. „Maar,” zegt u, „u hebt genade gekregen; waarom hebt u haar weer nodig? Is één keer in uw leven niet genoeg?” Degene die dat zegt, kent zijn eigen hart niet, kent de geopenbaarde genade van God aan een zondaarsziel niet.
Als zonden overvloedig aanwezig zijn, als schuld wordt gevoeld, als het verderf aan de gang is, als het geweten is belast, als de zondigheid van het hart wordt blootgelegd, als ons hart wordt geopend in het licht van de Geest, voelen we dan niet voortdurend onze behoefte aan genade? Genade voor elke overspelige blik; genade voor elke begerige gedachte; genade voor elk lichtvaardig en zinloos woord; genade voor elke zondige beweging van ons verdorven hart; genade zolang we leven; en genade als we sterven; genade om ons elk ogenblik te vergezellen, met ons mee te gaan naar de poort van het graf, ons veilig door de gezwollen Jordaan te dragen en ons veilig neer te zetten voor de troon van de Heiland?
Lezen: Psalm 56
Aan de lezer…
Wie voor de voetbank der genade neerknielt, heeft iets te vragen. Waar vraagt u God om? Durft u nog te zeggen: „Zie mij aan; mij, die Uw genade volkomen onwaardig is, die voortdurend van U afgeweken is”? Misschien schaamt u zich dat u na zoveel jaren nog altijd om genade moet roepen, alsof u één keer genoeg had moeten hebben. Maar wie zo spreekt, kent zijn eigen hart niet.
Zolang het licht van de Geest de zondigheid van uw hart blootlegt, zult u genade nodig hebben voor elke blik, elke gedachte en elk lichtvaardig woord. Dat is geen teken dat u buiten de genade staat, maar dat u er niet buiten kunt. Laat uw roepen dan niet ophouden, want het is een uitroep die vast en zeker wordt beantwoord. Er is genade zolang u leeft, genade als u sterft, en genade om u veilig door de Jordaan te dragen tot voor de troon van de Heiland.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
Waar vraagt u God om in uw gebed? Ik neem aan dat velen van u op de knieën vallen voor de voetbank van de genade. Waar vraagt u God dan om in uw gebed? Is het om een bijzondere zegen voor uw ziel? Is het om een openbaring van Jezus aan uw hart? Is het om de Heere te vragen Zelf neer te zien op een schuldige worm en uw ziel zacht Zijn genade en liefde in te fluisteren? Dit zijn ware gebeden, dit zijn geestelijke zuchten. Dit is de voorbede van de Geest in het hart van de zondaar, met zuchtingen die niet kunnen worden uitgesproken.
Misschien weet u uit de bevinding van uw ziel wat het is om zo, in nederigheid, eenvoud, oprechtheid, ontroostbaarheid en verslagenheid, voor de voetbank van de genade te liggen en uit te roepen: „Zie mij aan.” „Mij”, die Uw genade volkomen onwaardig is. „Mij”, die steeds weer van U afgeweken is. „Mij”, die de verachtelijkste van de verachtelijken is, de schuldigste van de schuldigen; maar: „Zie mij aan”, want ik kan het niet verdragen dat U ongemerkt aan mij voorbij zou gaan, dat U mijn ziel niet zou aanzien terwijl U Uw kinderen aanziet. Dat is een roepen dat zeker verhoord wordt.
Wees mij genadig. Wanneer zullen u en ik buiten het bereik van de genade komen? Zullen we ooit boven het verlangen ernaar uitgroeien zolang we hier beneden ademen? God beware ons, die Zijn Naam vrezen, ervoor ook maar één dag te leven zonder in meerdere of mindere mate te verlangen naar de merkbare bewijzen van de genade. „Maar,” zegt u, „u hebt genade gekregen; waarom hebt u haar weer nodig? Is één keer in uw leven niet genoeg?” Wie dat zegt, kent zijn eigen hart niet en kent niet de genade die God aan de ziel van een zondaar openbaart.
Als de zonden overvloedig zijn, als de schuld gevoeld wordt, als het verderf werkt, als het geweten belast is, als de zondigheid van het hart wordt blootgelegd en ons hart in het licht van de Geest wordt geopend, voelen we dan niet voortdurend dat we genade nodig hebben? Genade voor elke overspelige blik, genade voor elke begerige gedachte, genade voor elk lichtvaardig en ijdel woord, genade voor elke zondige beweging van ons verdorven hart. Genade zolang we leven en genade als we sterven. Genade om ons elk ogenblik te vergezellen, met ons mee te gaan tot aan de poort van het graf, ons veilig door de gezwollen Jordaan te dragen en ons veilig neer te zetten voor de troon van de Heiland.
Lezen: Psalm 56
Aan de lezer…
Wie voor de voetbank van de genade neerknielt, heeft iets te vragen. Waar vraagt u God om? Durft u nog te zeggen: „Zie mij aan; mij, die Uw genade volkomen onwaardig is, die steeds weer van U afgeweken is”? Misschien schaamt u zich dat u na zoveel jaren nog altijd om genade moet roepen, alsof één keer genoeg had moeten zijn. Maar wie zo spreekt, kent zijn eigen hart niet.
Zolang het licht van de Geest de zondigheid van uw hart blootlegt, zult u genade nodig hebben voor elke blik, elke gedachte en elk lichtvaardig woord. Dat is geen teken dat u buiten de genade staat, maar dat u er niet buiten kunt. Laat uw roepen dan niet ophouden, want het is een roepen dat zeker verhoord wordt. Er is genade zolang u leeft, genade als u sterft, en genade om u veilig door de Jordaan te dragen tot voor de troon van de Heiland.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look Thou upon me, and be merciful unto me, as Thou usest to do unto those that love Thy Name.
Psalm 119:132
What do you ask God for in your prayer? I take it that many of you fall on your knees before the footstool of mercy. What, then, do you ask God for in your prayer? Is it for a special blessing for your soul? Is it for a revelation of Jesus to your heart? Is it to ask the Lord Himself to look down upon a guilty worm and gently whisper His mercy and love into your soul? These are true prayers, these are spiritual sighs. This is the intercession of the Spirit in the heart of the sinner, with groanings which cannot be uttered.
Perhaps you know from the experience of your soul what it is to lie thus, in humility, simplicity, sincerity, disconsolateness and contrition, before the footstool of mercy and cry out, “Look Thou upon me.” “Me,” who am altogether unworthy of Thy mercy. “Me,” who have again and again departed from Thee. “Me,” who am the vilest of the vile, the guiltiest of the guilty; but “Look Thou upon me,” for I cannot bear that Thou shouldest pass me by unnoticed, that Thou shouldest not look upon my soul while Thou lookest upon Thy children. That is a cry that will surely be answered.
Be merciful unto me. When will you and I get beyond the reach of mercy? Shall we ever outgrow the desire for it as long as we breathe here below? God keep us, who fear His Name, from living even one day without longing, in greater or less measure, for the sensible tokens of mercy. “But,” you say, “you have received mercy; why do you need it again? Is once in your life not enough?” Whoever says that does not know his own heart, and does not know the mercy that God reveals to a sinner’s soul.
When sins abound, when guilt is felt, when corruption works, when the conscience is burdened, when the sinfulness of the heart is laid bare and our heart is opened up in the light of the Spirit, do we not continually feel that we need mercy? Mercy for every adulterous look, mercy for every covetous thought, mercy for every light and vain word, mercy for every sinful movement of our depraved heart. Mercy as long as we live and mercy when we die. Mercy to accompany us every moment, to go with us to the gate of the grave, to carry us safely through the swellings of Jordan and to set us down safely before the throne of the Saviour.
Reading: Psalm 56
To the reader…
Whoever kneels before the footstool of mercy has something to ask. What do you ask God for? Do you still dare to say, “Look Thou upon me; me, who am altogether unworthy of Thy mercy, who have again and again departed from Thee”? Perhaps you are ashamed that after so many years you must still cry for mercy, as if once ought to have been enough. But whoever speaks like that does not know his own heart.
As long as the light of the Spirit lays bare the sinfulness of your heart, you will need mercy for every look, every thought and every light word. That is no sign that you stand outside of mercy, but that you cannot do without it. Do not let your crying cease, then, for it is a cry that will surely be answered. There is mercy as long as you live, mercy when you die, and mercy to carry you safely through Jordan to the throne of the Saviour.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mírame, y ten misericordia de mí, como acostumbras con los que aman Tu Nombre.
Salmo 119:132
¿Qué pide usted a Dios en su oración? Supongo que muchos de ustedes caen de rodillas ante el estrado de la misericordia. ¿Qué pide, pues, a Dios en su oración? ¿Es una bendición especial para su alma? ¿Es una revelación de Jesús a su corazón? ¿Es pedir al Señor mismo que mire desde lo alto a un gusano culpable y susurre suavemente Su misericordia y Su amor en su alma? Estas son oraciones verdaderas, estos son suspiros espirituales. Esta es la intercesión del Espíritu en el corazón del pecador, con gemidos indecibles.
Quizá sepa por la experiencia de su alma lo que es estar así postrado, en humildad, sencillez, sinceridad, desconsuelo y contrición, ante el estrado de la misericordia y clamar: “Mírame.” “A mí”, que soy del todo indigno de Tu misericordia. “A mí”, que una y otra vez me he apartado de Ti. “A mí”, que soy el más vil de los viles, el más culpable de los culpables; pero “Mírame”, porque no puedo soportar que pases a mi lado sin notarme, que no mires a mi alma mientras miras a Tus hijos. Ese es un clamor que con toda seguridad será respondido.
Ten misericordia de mí. ¿Cuándo llegaremos usted y yo a estar fuera del alcance de la misericordia? ¿Dejaremos alguna vez de desearla mientras respiremos aquí abajo? Dios nos guarde, a los que tememos Su Nombre, de vivir siquiera un día sin anhelar, en mayor o menor medida, las señales sensibles de la misericordia. “Pero”, dice usted, “usted ya ha recibido misericordia; ¿por qué la necesita otra vez? ¿No basta una vez en la vida?” Quien dice eso no conoce su propio corazón, ni conoce la misericordia que Dios revela al alma de un pecador.
Cuando abundan los pecados, cuando se siente la culpa, cuando obra la corrupción, cuando la conciencia está cargada, cuando la pecaminosidad del corazón queda al descubierto y nuestro corazón es abierto a la luz del Espíritu, ¿no sentimos continuamente que necesitamos misericordia? Misericordia por cada mirada adúltera, misericordia por cada pensamiento codicioso, misericordia por cada palabra ligera y vana, misericordia por cada movimiento pecaminoso de nuestro corazón depravado. Misericordia mientras vivamos y misericordia cuando muramos. Misericordia que nos acompañe en cada momento, que vaya con nosotros hasta la puerta del sepulcro, que nos lleve a salvo a través de la crecida del Jordán y nos deposite a salvo delante del trono del Salvador.
Lectura: Salmo 56
Al lector…
Quien se arrodilla ante el estrado de la misericordia tiene algo que pedir. ¿Qué pide usted a Dios? ¿Se atreve todavía a decir: “Mírame; a mí, que soy del todo indigno de Tu misericordia, que una y otra vez me he apartado de Ti”? Quizá se avergüenza de que después de tantos años todavía tenga que clamar por misericordia, como si una vez hubiera debido bastar. Pero quien habla así no conoce su propio corazón.
Mientras la luz del Espíritu ponga al descubierto la pecaminosidad de su corazón, necesitará misericordia por cada mirada, cada pensamiento y cada palabra ligera. Eso no es señal de que esté fuera de la misericordia, sino de que no puede vivir sin ella. No deje, pues, de clamar, porque es un clamor que con toda seguridad será respondido. Hay misericordia mientras viva, misericordia cuando muera, y misericordia para llevarle a salvo a través del Jordán hasta el trono del Salvador.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.
Mattheüs 5:6
Honger is een pijnlijke gewaarwording. Zij is niet slechts een trek naar voedsel, maar deze trek naar voedsel is vergezeld van smart. Zo is het in het geestelijke! Het is niet slechts een begeerte naar Christus die de geestelijke honger uitmaakt. „De luiaard begeert en heeft niet.” Maar het is een pijnlijke gewaarwording, die, tenzij de begeerte wordt vervuld, de ziel doet sterven. Dit is het rechte kenmerk van de geestelijke honger.
Velen zijn er die zeggen: „Ik heb een begeerte.” Zo het een geestelijke begeerte is, dan zal zij vervuld worden. Doch de geestelijke begeerte gaat altijd vergezeld van smartelijke gewaarwordingen, waarvan velen die belijden een begeerte te hebben, geheel onkundig zijn. „De begeerte des luiaards zal hem doden.” Waarom? Omdat hij zijn rust vindt in zijn begeerte en nooit het Koninkrijk der hemelen met geweld inneemt.
De uitdrukking „dorst” heeft een sterkere betekenis. Honger is draaglijker dan dorst. De mensen sterven vlugger wanneer zij water moeten missen dan wanneer zij voedsel moeten ontberen. Hevige dorst is misschien de smartelijkste gewaarwording die een mens kent. Daarom heeft de Geest van deze spreekwijze gebruikgemaakt om de hevige en smartelijke begeerte van een levende ziel uit te beelden.
Hij moet Christus hebben, of verloren gaan. Hij moet Zijn bloed gesprengd hebben op de consciëntie, of hij moet in zijn zonden sterven; hij moet Hem kennen en de kracht Zijner opstanding, of hij moet geworpen worden in de sombere kamers van een eeuwig wee. Hij moet de tegenwoordigheid van Jezus tasten en voelen, en de liefde Gods gevoelen, uitgestort in het hart, of anders is hij de ellendigste van alle mensen.
Aan de lezer…
Hongerige ziel, is uw begeerte naar Christus slechts een stille wens, waarin u rustig blijft zitten zoals de luiaard die begeert en niet heeft? Of is het een honger die pijn doet, een dorst die u geen rust laat? Misschien schrikt u van die smart en meent u dat er iets mis is met uw ziel, omdat u zo onvoldaan en zo behoeftig bent. Maar juist die smartelijke gewaarwording is het rechte kenmerk van de geestelijke honger.
Moet u Christus hebben, of verloren gaan? Kunt u niet leven zonder Zijn bloed op uw consciëntie, zonder Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding? Dan geldt u de zaligspreking van de Heere Zelf. Hij noemt niet de verzadigden zalig, maar hen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. En Hij heeft er de belofte aan verbonden: zij zullen verzadigd worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.
Mattheüs 5:6
Honger is een pijnlijk gevoel. Het is niet alleen een trek in voedsel, maar die trek in voedsel gaat gepaard met pijn. Zo is het ook in het geestelijke! Het is niet alleen een verlangen naar Christus dat de geestelijke honger vormt. „De luiaard begeert en heeft niet.” Maar het is een pijnlijk gevoel dat de ziel doet sterven als het verlangen niet vervuld wordt. Dat is het ware kenmerk van de geestelijke honger.
Er zijn er velen die zeggen: „Ik heb een begeerte.” Als het een geestelijke begeerte is, dan zal zij vervuld worden. Maar de geestelijke begeerte gaat altijd gepaard met pijnlijke gevoelens, waarvan velen die zeggen een begeerte te hebben, volkomen onkundig zijn. „De begeerte des luiaards zal hem doden.” Waarom? Omdat hij rust vindt in zijn begeerte en het Koninkrijk der hemelen nooit met geweld inneemt.
Het woord „dorst” heeft een sterkere betekenis. Honger is beter te verdragen dan dorst. Mensen sterven sneller wanneer zij water moeten missen dan wanneer zij voedsel moeten ontberen. Hevige dorst is misschien het pijnlijkste gevoel dat een mens kent. Daarom heeft de Geest deze uitdrukking gebruikt om de hevige en pijnlijke begeerte van een levende ziel uit te beelden.
Hij moet Christus hebben, of hij gaat verloren. Hij moet Zijn bloed op zijn geweten gesprenkeld hebben, of hij moet in zijn zonden sterven. Hij moet Hem kennen en de kracht van Zijn opstanding, of hij wordt geworpen in de sombere kamers van een eeuwig wee. Hij moet de tegenwoordigheid van Jezus tasten en voelen, en de liefde van God voelen, uitgestort in het hart; anders is hij de ellendigste van alle mensen.
Aan de lezer…
Hongerige ziel, is uw verlangen naar Christus alleen een stille wens, waarin u rustig blijft zitten zoals de luiaard die begeert en niet heeft? Of is het een honger die pijn doet, een dorst die u geen rust laat? Misschien schrikt u van die pijn en denkt u dat er iets mis is met uw ziel, omdat u zo onvoldaan en zo behoeftig bent. Maar juist dat pijnlijke gevoel is het ware kenmerk van de geestelijke honger.
Moet u Christus hebben, of gaat u verloren? Kunt u niet leven zonder Zijn bloed op uw geweten, zonder Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding? Dan geldt de zaligspreking van de Heere Zelf voor u. Hij noemt niet de verzadigden zalig, maar hen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. En Hij heeft er de belofte aan verbonden: zij zullen verzadigd worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Blessed are they which do hunger and thirst after righteousness: for they shall be filled.
Matthew 5:6
Hunger is a painful sensation. It is not merely an appetite for food; but an appetite for food attended with pain. So spiritually. It is not merely a desire after Christ that constitutes spiritual hunger. “The sluggard desires, and has nothing.” But it is a desire attended with pain; not merely a wish for spiritual food, but also with such painful sensations, that unless this appetite is satisfied, the soul must perish and die. Nothing short of this constitutes spiritual hunger.
There are many who say, “I have a desire.” If it be a spiritual desire, it will be granted. But spiritual desire is always attended with painful sensations which many are completely ignorant of who profess to have a desire. “The desire of the slothful kills him.” Why? Because he rests satisfied with a desire, and never takes the kingdom of heaven by violence.
The expression “thirst” conveys a still larger meaning. Hunger is more supportable than thirst. People die sooner when left without water than without food. Intense thirst is perhaps the most painful of all bodily sensations that a human being can know. The Spirit has therefore made use of this figure in order to convey the intense desire of a living soul—that he must have Christ, or perish—must feel His blood sprinkled upon the conscience, or die in his sins—must “know Him, and the power of His resurrection,” or pass into the gloomy chambers of eternal woe—must have the presence of Jesus sensibly realized, and the love of God shed abroad, or else of all men be the most miserable.
To the reader…
Hungry soul, is your longing for Christ only a quiet wish, in which you stay comfortably seated like the sluggard who desires and has nothing? Or is it a hunger that hurts, a thirst that gives you no rest? Perhaps that pain alarms you, and you think something is wrong with your soul because you are so unsatisfied and so needy. But that very painful feeling is the true mark of spiritual hunger.
Must you have Christ, or perish? Can you not live without His blood upon your conscience, without knowing Him and the power of His resurrection? Then the blessing of the Lord Himself is for you. He does not call the full blessed, but those who hunger and thirst after righteousness. And He has joined the promise to it: they shall be filled.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bienaventurados los que tienen hambre y sed de justicia: porque ellos serán hartos.
Mateo 5:6
El hambre es una sensación dolorosa. No es meramente un apetito de alimento, sino un apetito de alimento acompañado de dolor. Así es también en lo espiritual. No es meramente un deseo de Cristo lo que constituye el hambre espiritual. “Desea, y nada alcanza el alma del perezoso.” Sino que es un deseo acompañado de dolor; no meramente un anhelo de alimento espiritual, sino con sensaciones tan dolorosas que, a menos que este apetito sea satisfecho, el alma ha de perecer y morir. Nada menos que esto constituye el hambre espiritual.
Hay muchos que dicen: “Yo tengo un deseo”. Si es un deseo espiritual, será concedido. Pero el deseo espiritual siempre va acompañado de sensaciones dolorosas que desconocen por completo muchos de los que profesan tener un deseo. “El deseo del perezoso le mata.” ¿Por qué? Porque se queda satisfecho con un deseo, y nunca arrebata el reino de los cielos por la fuerza.
La expresión “sed” encierra un significado aún más amplio. El hambre es más soportable que la sed. Las personas mueren antes cuando se les deja sin agua que sin comida. La sed intensa es quizá la más dolorosa de todas las sensaciones corporales que un ser humano puede conocer. Por eso el Espíritu ha usado esta figura para expresar el deseo intenso de un alma viva: que tiene que tener a Cristo, o perecer; tiene que sentir Su sangre rociada sobre la conciencia, o morir en sus pecados; tiene que “conocerle, y la virtud de Su resurrección”, o pasar a las lóbregas cámaras del dolor eterno; tiene que tener la presencia de Jesús sensiblemente experimentada y el amor de Dios derramado en el corazón, o si no, ser el más miserable de todos los hombres.
Al lector…
Alma hambrienta, ¿es su anhelo de Cristo solo un deseo tranquilo, en el que se queda cómodamente sentado como el perezoso que desea y nada alcanza? ¿O es un hambre que duele, una sed que no le deja descansar? Quizá ese dolor le alarma, y piensa que algo anda mal en su alma porque está tan insatisfecho y tan necesitado. Pero precisamente ese sentimiento doloroso es la verdadera señal del hambre espiritual.
¿Tiene que tener a Cristo, o perecer? ¿No puede vivir sin Su sangre sobre su conciencia, sin conocerle a Él y la virtud de Su resurrección? Entonces la bienaventuranza del Señor mismo es para usted. Él no llama bienaventurados a los saciados, sino a los que tienen hambre y sed de justicia. Y ha unido a ello la promesa: ellos serán hartos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl