6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Leid mij in Uw Waarheid, en leer mij.
Psalm 25:5
Welke wonderbare dingen vertoont God ons somtijds in Zijn Woord! Hoe schijnt het dikwijls alsof onze ogen gezalfd zijn met ogenzalf, „om de wondere dingen Gods te aanschouwen”. Soms gebeurt het, als wij een hoofdstuk lezen, dat wij er zulk een schoonheid, zulk een volheid, zulk een liefelijkheid, zulk een heerlijkheid in opmerken, dat onze harten als geheel ervan vervuld zijn. En wat onze zielen behoeven (mijn ziel althans behoeft het, en het is mijn voortdurend roepen in stilte tot de Heere het te mogen gevoelen) is, dat die gezegende Waarheid uit Gods Woord genomen en op onze harten toegepast en bezegeld worde door de Geest Gods.
Ik wens geen nieuwe openbaring. Ik word er dagelijks meer in bevestigd, dat alle zaligende Waarheid is in het Woord van God. Ik zoek geen gezichten, ik vraag geen dromen, ik wil geen visioenen in de lucht; maar als mijn hart maar liggen mag aan de voetbank der genade, schijnt dit het vurig, hijgend verlangen mijner ziel te zijn om, bij ervaring en geestelijk de gezegende waarheden te doen kennen, die mijn oog in Gods Woord ziet, ze geopend te zien voor mijn verstand, gebracht in mijn hart, gegrift in mijn ziel, toegepast aan mijn geweten, en met zulk een bovennatuurlijke en hemelse kracht geopenbaard, dat de Waarheid, zoals ze in Jezus is, in mij een plechtige en zaligende werkelijkheid worde, die met zich zulk een Goddelijke zegen brengt, dat mijn ziel vervuld worde met genade, mijn hart verruimd door het genot van het Evangelie, mijn lendenen omgord met geestelijke kracht, het geloof geschonken en vermeerderd, de hoop medegedeeld en bemoedigd, de liefde uitgestort en verspreid, en ik zelf vervuld met blijdschap en vrede, door het geloof.
Laat Uw gena ons met haar troost verrijken,
en laat Uw werk aan Uwe knechten blijken,
Uw heerlijkheid niet van hun kind’ren wijken,
Uw liefd’, Uw macht behoed’ ons voor bezwijken.
Sterk onze hand en zegen onze
vlijt, bekroon ons werk zo nu als t’ alle tijd’!
Ps. 90:9
Aan de lezer…
Kent u dat? Er zijn ogenblikken waarin een hoofdstuk uit de Schrift ineens opengaat, en de schoonheid en volheid ervan uw hart vervullen. En kent u ook de tijden waarin u leest en leest, en het blijft dicht en koud? Dan bent u niet alleen. Ook ik roep voortdurend in stilte tot de Heere dat de waarheid die mijn oog ziet, in mijn hart gebracht mag worden.
Zoek dan geen gezichten of dromen, en verwacht ook niets buiten het Woord. Alle zaligende Waarheid is daarin. Wat u nodig hebt, is dat de Geest Gods die waarheid neemt en op uw geweten toepast en bezegelt, zodat zij een levende werkelijkheid wordt. Leg u daarom neer aan de voetbank der genade, met de Bijbel open, en bid eenvoudig: „Leid mij in Uw Waarheid, en leer mij.” Hij Die de ogen zalft, kan ook uw hart verruimen en u vervullen met blijdschap en vrede door het geloof.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Leid mij in Uw Waarheid, en leer mij.
Psalm 25:5
Wat een wonderbare dingen laat God ons soms in Zijn Woord zien! Hoe vaak lijkt het alsof onze ogen gezalfd zijn met ogenzalf, „om de wondere dingen Gods te aanschouwen”. Soms gebeurt het dat wij bij het lezen van een hoofdstuk er zo’n schoonheid, zo’n volheid, zo’n lieflijkheid, zo’n heerlijkheid in opmerken, dat ons hart er als het ware helemaal van vervuld is. En wat onze ziel nodig heeft (mijn ziel heeft het in elk geval nodig, en het is mijn voortdurende stille roep tot de Heere om het te mogen voelen), is dat die gezegende Waarheid uit Gods Woord genomen wordt en door de Geest van God op ons hart wordt toegepast en bezegeld.
Ik wens geen nieuwe openbaring. Ik word er dagelijks meer in bevestigd dat alle zaligmakende Waarheid in het Woord van God is. Ik zoek geen gezichten, ik vraag geen dromen, ik wil geen visioenen in de lucht. Maar wanneer mijn hart maar aan de voetbank van de genade mag liggen, lijkt dit het vurige, hijgende verlangen van mijn ziel te zijn: dat ik de gezegende waarheden die mijn oog in Gods Woord ziet, bij ervaring en geestelijk mag kennen. Ik verlang ze geopend te zien voor mijn verstand, gebracht in mijn hart, gegrift in mijn ziel, toegepast op mijn geweten, en geopenbaard met zo’n bovennatuurlijke en hemelse kracht, dat de Waarheid zoals die in Jezus is, in mij een plechtige en zaligmakende werkelijkheid wordt. Die werkelijkheid brengt dan zo’n Goddelijke zegen met zich mee, dat mijn ziel vervuld wordt met genade, mijn hart verruimd door het genieten van het Evangelie, mijn lendenen omgord met geestelijke kracht, het geloof geschonken en vermeerderd, de hoop meegedeeld en bemoedigd, de liefde uitgestort en verspreid, en ikzelf vervuld met blijdschap en vrede door het geloof.
Laat Uw gena ons met haar troost verrijken,
en laat Uw werk aan Uwe knechten blijken,
Uw heerlijkheid niet van hun kind’ren wijken,
Uw liefd’, Uw macht behoed’ ons voor bezwijken.
Sterk onze hand en zegen onze
vlijt, bekroon ons werk zo nu als t’ alle tijd’!
Ps. 90:9
Aan de lezer…
Kent u dat? Er zijn ogenblikken waarin een hoofdstuk uit de Schrift ineens opengaat, en de schoonheid en volheid ervan uw hart vervullen. En kent u ook de tijden waarin u leest en leest, en het blijft gesloten en koud? Dan bent u niet alleen. Ook ik roep voortdurend in stilte tot de Heere dat de waarheid die mijn oog ziet, in mijn hart gebracht mag worden.
Zoek dan geen gezichten of dromen, en verwacht ook niets buiten het Woord. Alle zaligmakende Waarheid is daarin. Wat u nodig hebt, is dat de Geest van God die waarheid neemt en op uw geweten toepast en bezegelt, zodat zij een levende werkelijkheid wordt. Leg u daarom neer aan de voetbank van de genade, met de Bijbel open, en bid eenvoudig: „Leid mij in Uw Waarheid, en leer mij.” Hij Die de ogen zalft, kan ook uw hart verruimen en u vervullen met blijdschap en vrede door het geloof.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Lead me in Thy truth, and teach me.
Psalm 25:5
What wonderful things does God sometimes show us in His Word! How our eyes sometimes seem to be anointed with eye-salve “to behold wondrous things out of God’s law!” (Psalm 119:18.) Sometimes in reading a chapter we see such beauty, such fullness, such sweetness, such glory in it, that it seems, as it were, to fill our very hearts. And what our souls need (I am sure my soul needs it, and it is my frequent cry to the Lord in secret that I may feel it) is to have this blessed truth taken out of the Word of God, and applied to and sealed upon our hearts by the Spirit of God.
I need no ‘new revelation’. Day by day I seem more satisfied of this, and more established in it—that all saving truth is in the Word of God. I seek no visions, I desire no dreams, I want no airy speculations; but when my heart is brought to lie at the footstool of mercy, this seems to be the panting and breathing of my soul—to know experimentally and spiritually the blessed truths that my eyes see in the Word of God, to have them opened up to my understanding, brought into my heart, grafted into my soul, applied to my conscience, and revealed with such supernatural and heavenly power that the truth as it is in Jesus may be in me a solemn and saving reality, that it may bring with it such a divine blessing as to fill me with grace, enlarge my heart into the enjoyment of the gospel, gird up my loins with spiritual strength, give and increase faith, communicate and encourage hope, shed abroad and draw forth love, and fill me with joy and peace in believing.
To the reader…
Do you know this? There are moments when a chapter of Scripture suddenly opens up, and its beauty and fulness fill your heart. And do you also know the times when you read and read, and it stays closed and cold? Then you are not alone. I too cry continually to the Lord in secret that the truth my eye sees may be brought into my heart.
So do not look for visions or dreams, and do not expect anything outside the Word either. All saving truth is in it. What you need is for the Spirit of God to take that truth and apply it to your conscience and seal it there, so that it becomes a living reality. So lie down at the footstool of mercy, with the Bible open, and pray simply: “Lead me in Thy truth, and teach me.” He Who anoints the eyes can also enlarge your heart and fill you with joy and peace in believing.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Encamíname en Tu verdad, y enséñame.
Salmo 25:5
¡Qué cosas maravillosas nos muestra Dios a veces en Su Palabra! ¡Cómo nuestros ojos parecen a veces ungidos con colirio para mirar “las maravillas de Tu ley”! (Salmo 119:18). A veces, al leer un capítulo, vemos en él tal hermosura, tal plenitud, tal dulzura, tal gloria, que parece, por así decirlo, llenar nuestro mismo corazón. Y lo que nuestras almas necesitan (estoy seguro de que mi alma lo necesita, y es mi frecuente clamor al Señor en secreto que pueda sentirlo) es que esta bendita verdad sea tomada de la Palabra de Dios, y aplicada y sellada en nuestros corazones por el Espíritu de Dios.
No necesito ninguna ‘nueva revelación’. De día en día parezco más satisfecho de esto, y más afirmado en ello: que toda verdad salvadora está en la Palabra de Dios. No busco visiones, no deseo sueños, no quiero especulaciones vaporosas; pero cuando mi corazón es llevado a postrarse ante el estrado de la misericordia, este parece ser el anhelo y el aliento de mi alma: conocer experimental y espiritualmente las benditas verdades que mis ojos ven en la Palabra de Dios; que sean abiertas a mi entendimiento, introducidas en mi corazón, injertadas en mi alma, aplicadas a mi conciencia, y reveladas con tal poder sobrenatural y celestial que la verdad, tal como está en Jesús, sea en mí una realidad solemne y salvadora; que traiga consigo una bendición divina tal que me llene de gracia, ensanche mi corazón en el goce del evangelio, ciña mis lomos con fuerza espiritual, dé y aumente la fe, comunique y aliente la esperanza, derrame y avive el amor, y me llene de gozo y paz en el creer.
Al lector…
¿Conoce usted esto? Hay momentos en que un capítulo de la Escritura se abre de pronto, y su hermosura y plenitud llenan su corazón. ¿Y conoce también los tiempos en que lee y lee, y permanece cerrado y frío? Entonces no está solo. Yo también clamo continuamente al Señor en secreto para que la verdad que ve mi ojo sea introducida en mi corazón.
No busque, pues, visiones ni sueños, ni espere tampoco nada fuera de la Palabra. Toda verdad salvadora está en ella. Lo que usted necesita es que el Espíritu de Dios tome esa verdad, la aplique a su conciencia y la selle allí, para que llegue a ser una realidad viva. Póstrese, pues, ante el estrado de la misericordia, con la Biblia abierta, y ore sencillamente: “Encamíname en Tu verdad, y enséñame”. Aquel que unge los ojos puede también ensanchar su corazón y llenarle de gozo y paz en el creer.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Vervolgen de Heere te kennen
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de HEERE te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
Laat mij alles nog eens kort samenvatten en nagaan wat ik van de bedoeling van de tekst probeerde uiteen te zetten. Er is een vervolgen de Heere te kennen, nadat de ziel werd getroffen, verwond en verslagen, en hij die zo vervolgt de Heere te kennen onder alle moeiten en benauwdheden van de weg, zal Hem zeker kennen tot zijn eeuwige blijdschap, want Zijn uitgang is bereid als de zon, die op de bestemde tijd moet opgaan. En niet alleen zal Hij uitgaan als het licht van de morgen, wanneer de zon opgaat, ja een onbewolkte morgen, maar Hij zal ook komen als de spade en de vroege regen des lands. Hij zal komen tot elke afgematte ziel, die zichzelf ervaart als een dorre wildernis, als de spade en de vroege regen om de opgeploegde voren ruim te bevochtigen, met druppels te verzachten en het jonge plantje te zegenen, opdat de dalen bedekt worden met koren en zij mogen juichen en zingen.
Deze woorden zijn dus niet bedoeld ter bemoediging van vleselijke mensen, om te vervolgen de Heere te kennen en zichzelf godsdienstig te maken, of God nu in hen werkt of niet. Nee, de woorden zijn bedoeld voor hen, die een zekere bevinding hebben gehad, voor wie een gelukkige uitkomst verzekerd is. Al die mensen hebben kennis van de dingen waarvan ik heb gesproken. Zij weten iets van de moeilijkheden van de weg, maar ook van het vervolgen ondanks alle hindernissen.
En op sommige tijden weten zij ook, door zalige overtuiging van de ziel, dat zij het einde van hun beproevingen en de reden van de Heere zullen kennen, want zij geloven, door het innerlijke getuigenis van de Geest in hun harten, dat de uitgang van de Heere is bereid als de dageraad, en dat Hij op Zijn tijd en wijze zal komen als de spade en de vroege regen des lands.
Lezen: Psalm 65
Aan de lezer…
Deze woorden, voor wie zijn ze eigenlijk? Niet voor hen die zichzelf godsdienstig willen maken, alsof het vervolgen een eigen werk is. Maar wel voor de ziel die getroffen, verwond en verslagen is, en die toch, onder alle moeiten en benauwdheden van de weg, niet kan ophouden de Heere te zoeken. Ervaart u uzelf als een dorre wildernis, en gaat u toch voort? Dan spreekt de tekst tot u.
Dan mag u ook geloven dat de uitkomst zeker is. Zijn uitgang is bereid als de dageraad, en Hij zal komen als de spade en de vroege regen des lands, om de opgeploegde voren te bevochtigen en het jonge plantje te zegenen. U kent de hindernissen; u zult ook het einde van uw beproevingen kennen. Hij komt op Zijn tijd en op Zijn wijze, en dan zullen ook uw dalen juichen en zingen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de HEERE te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
Laat mij alles nog eens kort samenvatten en nagaan wat ik van de bedoeling van de tekst heb proberen uiteen te zetten. Er is een vervolgen om de Heere te kennen, nadat de ziel getroffen, verwond en verslagen is. Wie zo vervolgt om de Heere te kennen, onder alle moeiten en benauwdheden van de weg, zal Hem zeker kennen tot zijn eeuwige blijdschap. Want Zijn uitgang is bereid als de zon, die op de bestemde tijd moet opgaan. En Hij zal niet alleen uitgaan als het licht van de morgen wanneer de zon opgaat, ja, een onbewolkte morgen, maar Hij zal ook komen als de spade en de vroege regen des lands. Hij zal komen tot elke afgematte ziel die zichzelf als een dorre wildernis ervaart, als de spade en de vroege regen, om de opgeploegde voren ruim te bevochtigen, met druppels te verzachten en het jonge plantje te zegenen, zodat de dalen met koren bedekt worden en juichen en zingen.
Deze woorden zijn dus niet bedoeld om vleselijke mensen aan te moedigen te vervolgen om de Heere te kennen en zichzelf godsdienstig te maken, of God nu in hen werkt of niet. Nee, de woorden zijn bedoeld voor hen die een zekere bevinding hebben gehad, en voor wie een gelukkige uitkomst verzekerd is. Al die mensen kennen de dingen waarover ik heb gesproken. Zij weten iets van de moeilijkheden van de weg, maar ook van het vervolgen ondanks alle hindernissen.
En op sommige tijden weten zij ook, door een zalige overtuiging in de ziel, dat zij het einde van hun beproevingen en de reden van de Heere zullen kennen. Want zij geloven, door het innerlijke getuigenis van de Geest in hun hart, dat de uitgang van de Heere bereid is als de dageraad, en dat Hij op Zijn tijd en op Zijn wijze zal komen als de spade en de vroege regen des lands.
Lezen: Psalm 65
Aan de lezer…
Deze woorden, voor wie zijn ze eigenlijk? Niet voor hen die zichzelf godsdienstig willen maken, alsof het vervolgen een eigen werk is. Wel voor de ziel die getroffen, verwond en verslagen is, en die toch, onder alle moeiten en benauwdheden van de weg, niet kan ophouden de Heere te zoeken. Ervaart u uzelf als een dorre wildernis, en gaat u toch voort? Dan spreekt de tekst tot u.
Dan mag u ook geloven dat de uitkomst zeker is. Zijn uitgang is bereid als de dageraad, en Hij zal komen als de spade en de vroege regen des lands, om de opgeploegde voren te bevochtigen en het jonge plantje te zegenen. U kent de hindernissen; u zult ook het einde van uw beproevingen kennen. Hij komt op Zijn tijd en op Zijn wijze, en dan zullen ook uw dalen juichen en zingen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then shall we know, if we follow on to know the LORD: His going forth is prepared as the morning; and He shall come unto us as the rain, as the latter and former rain unto the earth.
Hosea 6:3
Let me briefly sum it all up once more and review what I have tried to set forth of the meaning of the text. There is a following on to know the Lord, after the soul has been struck, wounded and cast down. Whoever thus follows on to know the Lord, under all the troubles and distresses of the way, shall surely know Him to his eternal joy. For His going forth is prepared as the sun, which must rise at the appointed time. And He will not only go forth as the light of the morning when the sun riseth, even a morning without clouds, but He will also come as the latter and former rain unto the earth. He will come to every weary soul who feels himself a barren wilderness, as the latter and former rain, to water abundantly the ploughed furrows, to make them soft with showers and to bless the springing thereof, so that the valleys are covered over with corn and shout for joy and sing.
These words, then, are not meant to encourage carnal men to follow on to know the Lord and to make themselves religious, whether God works in them or not. No, the words are meant for those who have had a certain experience, and to whom a happy issue is assured. All such people know the things of which I have spoken. They know something of the difficulties of the way, but also of following on in spite of every hindrance.
And at some times they also know, by a blessed persuasion in the soul, that they shall know the end of their trials and the Lord’s reason for them. For they believe, by the inward witness of the Spirit in their heart, that the going forth of the Lord is prepared as the morning, and that in His time and in His way He will come as the latter and former rain unto the earth.
Reading: Psalm 65
To the reader…
For whom, really, are these words? Not for those who want to make themselves religious, as though following on were a work of their own. But for the soul that has been struck, wounded and cast down, and that yet, under all the troubles and distresses of the way, cannot stop seeking the Lord. Do you feel yourself a barren wilderness, and yet go on? Then the text speaks to you.
Then you may also believe that the issue is certain. His going forth is prepared as the morning, and He will come as the latter and former rain unto the earth, to water the ploughed furrows and to bless the young plant. You know the hindrances; you will also know the end of your trials. He comes in His time and in His way, and then your valleys too will shout for joy and sing.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y conoceremos, y proseguiremos en conocer a Jehová: como el alba está aparejada Su salida, y vendrá a nosotros como la lluvia, como la lluvia tardía y temprana a la tierra.
Oseas 6:3
Permítame resumirlo todo brevemente una vez más y repasar lo que he procurado exponer del sentido del texto. Hay un proseguir en conocer al Señor, después de que el alma ha sido herida, llagada y abatida. Quien así prosigue en conocer al Señor, bajo todas las aflicciones y angustias del camino, ciertamente le conocerá para su gozo eterno. Porque Su salida está aparejada como el sol, que debe salir a la hora señalada. Y no solo saldrá como la luz de la mañana cuando sale el sol, de la mañana sin nubes, sino que también vendrá como la lluvia tardía y temprana a la tierra. Vendrá a toda alma cansada que se siente un desierto estéril, como la lluvia tardía y temprana, para empapar abundantemente los surcos arados, para ablandarlos con lluvias y bendecir sus renuevos, de modo que los valles se cubren de grano, dan voces de júbilo y aun cantan.
Estas palabras, pues, no tienen por objeto animar a los hombres carnales a proseguir en conocer al Señor y a hacerse religiosos, obre Dios en ellos o no. No; las palabras son para los que han tenido una cierta experiencia, y a quienes se les asegura un desenlace feliz. Todas esas personas conocen las cosas de las que he hablado. Conocen algo de las dificultades del camino, pero también del proseguir a pesar de todo obstáculo.
Y en algunos momentos saben también, por una bendita persuasión en el alma, que conocerán el fin de sus pruebas y la razón que el Señor tiene en ellas. Porque creen, por el testimonio interior del Espíritu en su corazón, que la salida del Señor está aparejada como el alba, y que a Su tiempo y a Su manera vendrá como la lluvia tardía y temprana a la tierra.
Lectura: Salmo 65
Al lector…
¿Para quién son, en realidad, estas palabras? No para los que quieren hacerse religiosos, como si el proseguir fuera obra propia. Sino para el alma que ha sido herida, llagada y abatida, y que sin embargo, bajo todas las aflicciones y angustias del camino, no puede dejar de buscar al Señor. ¿Se siente usted un desierto estéril, y aun así sigue adelante? Entonces el texto le habla a usted.
Entonces puede creer también que el desenlace es seguro. Como el alba está aparejada Su salida, y vendrá como la lluvia tardía y temprana a la tierra, para empapar los surcos arados y bendecir la planta tierna. Usted conoce los obstáculos; conocerá también el fin de sus pruebas. Él viene a Su tiempo y a Su manera, y entonces también sus valles darán voces de júbilo y aun cantarán.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En zonder de wet zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.
Romeinen 7:9
De apostel beschrijft uit zijn eigen ervaring hoe hij de wet genegen was, alvorens de wet als een vloekvonnis in het hart geopenbaard werd. „En zonder de wet zo leefde ik eertijds.” De wet hing als een vloekrol over hem, als een bediening des doods, als een boodschapper van toorn, als een verterend vuur; maar hij zag en gevoelde er niets van. Gelijk als bij een onweder op verre afstand hoorde hij het zacht gerommel van de donder, die voorheen over Sinaï’s vurige top zich voortplantte, of zag hij mogelijk van verre het schouwspel der bliksemstralen, die haar top in een vurige gloed zetten. Maar voor tegenwoordig was het onweder veraf, en zo wandelde hij heen, zonder te denken of te vrezen, of zich er bezorgd over te maken of de wet zijn vriendin of wel zijn vijandin ware.
In waarheid beschouwde hij haar liever als zijn vriendin, want hij zag haar aan als een vriendelijke hulp om zijn eigen gerechtigheid op te bouwen. Hij was tot haar uitgegaan, maar zij was niet tot hem gekomen; hij kende haar vorm, maar niet haar geest; haar uitwendige bevelen, maar niet haar inwendige eisen. Derhalve sprak hij van zichzelf als te leven onder de wet, dat wil zeggen, zonder enige kennis van haar als een bediening des doods en der verdoemenis. Doch op Gods bepaalde tijd en wijze kwam het gebod tot hem; dat is, het kwam met kracht in zijn consciëntie. Hij bevond, dat hij al de geboden kon onderhouden, behalve het tiende, want volgens zijn bevatting en uitlegging gingen zij niet boven een uitwendige gehoorzaamheid.
Maar het tiende gebod: „Gij zult niet begeren”, het tastte hem aan in het binnenste van zijn ziel, want het was een verbod van de mond Gods van de verborgen begeerten des harten, en dat gebod was vergezeld van een vreselijke vloek. Onder deze slag werd de zonde, die tevoren als schijnbaar dood in zijn gemoed lag, opgewekt als een sluimerende slang. En wat was het gevolg? Zij stak hem dood, want hij zegt: „En ik ben gestorven; want het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden.” De zonde kon niet dulden dat zij gedwarsboomd of tegengestaan werd; zij rees derhalve in vijandschap op tegen God en nam zelfs gelegenheid uit het gebod om te rebelleren tegen de autoriteit van Jehova, en de schuld, die zich als gevolg van de zonde in de consciëntie openbaarde, welke onder dit alles teder werd, sloeg hem.
Het zou niet zo geweest zijn als er geen leven in zijn ziel geweest was, maar daar dit er juist was, zag en gevoelde hij de toorn Gods geopenbaard in het gebod toen de wet in zijn consciëntie kwam als een vonnis van een rechtvaardig en heilig God. En het gevolg daarvan was, dat hij een vonnis des doods in zichzelf ontving. En deze bevinding, die de apostel als die van zichzelf beschrijft, is hetgeen de wet doet en altijd doen moet, wanneer zij door de kracht Gods in de consciëntie wordt toegepast. Zij doodt, zij slaat de veroordeelde zondaar; zij is een vonnis des doods in iemands eigen consciëntie, die slechts het uur des doods en de dag des oordeels inwacht ter uitvoering van het vonnis.
Aan de lezer…
Hoe rustig hebt u misschien ook eens geleefd „zonder de wet”! U hoordet het onweder van Sinaï van verre, maar het raakte u niet, en u meendet dat de wet uw vriendin was. Is het nu anders geworden? Is het gebod met kracht in uw consciëntie gekomen, zodat de zonde als een slapende slang ontwaakte en u uzelf veroordeeld voelt? Dan verschrikt het u misschien, en u vraagt of het ooit nog goed kan komen.
Weet dan dit: zo ging het de apostel zelf. Dat u de toorn Gods in het gebod gevoelt, komt doordat er leven in uw ziel is; een dode voelt niets. De wet doodt en slaat, maar zij doet het werk dat God haar gaf, opdat u niet langer op uw eigen gerechtigheid zou bouwen. Laat dat vonnis des doods u dan niet in wanhoop drijven, maar u ledig maken van uzelf, totdat u leert uitzien naar Hem, bij Wie de veroordeelde zondaar leven vindt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En zonder de wet zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.
Romeinen 7:9
De apostel beschrijft uit eigen ervaring hoe hij de wet toegedaan was voordat de wet als een vloekvonnis in zijn hart werd geopenbaard. „En zonder de wet zo leefde ik eertijds.” De wet hing als een vloekrol boven hem, als een bediening van de dood, als een boodschapper van toorn, als een verterend vuur, maar hij zag en voelde er niets van. Zoals bij een onweer in de verte hoorde hij het zachte gerommel van de donder die zich vroeger over de vurige top van de Sinaï voortplantte, of zag hij misschien van verre het schouwspel van de bliksemstralen die die top in een vurige gloed zetten. Maar voorlopig was het onweer ver weg, en zo wandelde hij verder, zonder erover na te denken of te vrezen, en zonder zich er zorgen over te maken of de wet zijn vriendin of zijn vijandin was.
Eerlijk gezegd beschouwde hij haar eerder als zijn vriendin, want hij zag haar als een vriendelijke hulp om zijn eigen gerechtigheid op te bouwen. Hij was naar haar uitgegaan, maar zij was niet naar hem toe gekomen. Hij kende haar vorm, maar niet haar geest; haar uiterlijke bevelen, maar niet haar innerlijke eisen. Daarom sprak hij over zichzelf als iemand die onder de wet leefde, dat wil zeggen, zonder enige kennis van haar als een bediening van de dood en de verdoemenis. Maar op Gods bepaalde tijd en wijze kwam het gebod tot hem; dat wil zeggen: het kwam met kracht in zijn geweten. Hij merkte dat hij alle geboden kon houden, behalve het tiende, want volgens zijn opvatting en uitleg gingen die niet verder dan een uiterlijke gehoorzaamheid.
Maar het tiende gebod, „Gij zult niet begeren”, trof hem in het binnenste van zijn ziel, want het was een verbod uit de mond van God op de verborgen begeerten van het hart, en dat gebod ging vergezeld van een vreselijke vloek. Onder deze slag werd de zonde, die eerder schijnbaar dood in zijn gemoed lag, gewekt als een sluimerende slang. En wat was het gevolg? Zij stak hem dood, want hij zegt: „En ik ben gestorven; want het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden.” De zonde kon niet verdragen dat zij gedwarsboomd of tegengehouden werd. Daarom kwam zij in vijandschap tegen God in opstand en nam zij zelfs aanleiding uit het gebod om te rebelleren tegen het gezag van Jehovah. En de schuld die zich als gevolg van de zonde openbaarde in het geweten, dat onder dit alles teder werd, sloeg hem neer.
Dat zou niet zo zijn geweest als er geen leven in zijn ziel was geweest. Maar omdat dat er juist wel was, zag en voelde hij de toorn van God geopenbaard in het gebod, toen de wet in zijn geweten kwam als een vonnis van een rechtvaardig en heilig God. Het gevolg daarvan was dat hij een vonnis van de dood in zichzelf ontving. En deze ervaring, die de apostel als de zijne beschrijft, is wat de wet doet en altijd moet doen wanneer zij door de kracht van God in het geweten wordt toegepast. Zij doodt, zij slaat de veroordeelde zondaar neer; zij is een doodvonnis in het eigen geweten van de mens, die alleen nog wacht op het uur van de dood en de dag van het oordeel, wanneer het vonnis zal worden voltrokken.
Aan de lezer…
Hoe rustig hebt u misschien ook eens geleefd „zonder de wet”! U hoorde het onweer van de Sinaï in de verte, maar het raakte u niet, en u meende dat de wet uw vriendin was. Is het nu anders geworden? Is het gebod met kracht in uw geweten gekomen, zodat de zonde als een slapende slang ontwaakte en u zichzelf veroordeeld voelt? Dan schrikt u er misschien van, en vraagt u zich af of het ooit nog goed kan komen.
Weet dan dit: zo ging het de apostel zelf. Dat u de toorn van God in het gebod voelt, komt doordat er leven in uw ziel is; een dode voelt niets. De wet doodt en slaat neer, maar zij doet het werk dat God haar gaf, zodat u niet langer op uw eigen gerechtigheid zou bouwen. Laat dat doodvonnis u dan niet in wanhoop drijven, maar u leegmaken van uzelf, totdat u leert uitzien naar Hem bij Wie de veroordeelde zondaar leven vindt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For I was alive without the law once: but when the commandment came, sin revived, and I died.”
Romans 7:9
The Apostle describes in his own case how men are affected toward the law before it enters as a condemning sentence into their heart. “I was alive without the law once.” The law was hanging over him as a condemning sentence, as a minister of death, as a messenger of wrath, as a consuming fire, but he felt it not. As with a thunderstorm in the remote distance, he might hear the low mutterings of the thunder which once rolled over Sinai’s fiery mount, or might see from far the play of those lightnings which scorched its top. But at present the storm was in the distance.
He went about without thinking, or feeling, or fearing, or caring whether the law was his friend or enemy. In fact he rather viewed it as his friend, for he was using it as a friendly help to build up his own righteousness. He had gone to it, but it had not come to him; he knew its letter, but not its spirit; its outward commands, but not its inward demands. He therefore speaks of himself as being “alive without the law,” that is, without any knowledge of what it was as a ministration of condemnation and death.
But in God’s own appointed time and way, “the commandment came;” that is, it came with power into his conscience. He found that he could keep every one of the commandments but the tenth; for according to his apprehension and his interpretation of them, they did not extend beyond an external obedience. But the tenth commandment, “You shall not covet,” struck into the very depth of his conscience, for it was a prohibition from the mouth of God of the inward lusts of the heart, and that prohibition attended with a dreadful curse.
Under this stroke sin, which before lay seemingly dead in his breast, revived like a sleeping serpent; and what was the consequence? It stung him to death, for he says, “And I died;” for the commandment which was ordained unto life he found to be unto death! Sin could not brook to be thwarted or opposed; it therefore rose up in enmity against God, took advantage of the commandment to rebel against the authority of Jehovah, and its guilt in consequence falling upon his conscience, made tender in the fear of God, slew him.
It would not have done so had there been no life in his soul; but there being light to see and life to feel the anger of God revealed in the commandment, when the law came into his conscience as a sentence from a just and holy Jehovah, the effect was to produce a sentence of death in himself. And this experience which the Apostle describes as his own is what the law does and ever must do when applied to the conscience by the power of God. It kills, it slays the condemned sinner; it is a sentence of death in a man’s own conscience, which only awaits the hour of death and the day of judgment to be carried into execution.
To the reader…
How peacefully you may once have lived “without the law”! You heard the thunder of Sinai in the distance, but it did not touch you, and you thought the law was your friend. Has it changed now? Has the commandment come with power into your conscience, so that sin awoke like a sleeping serpent and you feel yourself condemned? Then perhaps you are alarmed by it, and you wonder whether it can ever be well again.
Know this, then: it was the same with the apostle himself. That you feel the wrath of God in the commandment is because there is life in your soul; a dead man feels nothing. The law kills and strikes down, but it does the work God gave it, so that you would no longer build on your own righteousness. Do not let that sentence of death drive you into despair, then, but let it empty you of yourself, until you learn to look to Him in Whom the condemned sinner finds life.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así que, yo sin la ley vivía por algún tiempo: mas venido el mandamiento, el pecado revivió, y yo morí.
Romanos 7:9
El apóstol describe en su propio caso cómo son afectados los hombres respecto de la ley antes de que ella entre como sentencia condenatoria en su corazón. “Yo sin la ley vivía por algún tiempo.” La ley pendía sobre él como sentencia condenatoria, como ministro de muerte, como mensajero de ira, como fuego consumidor, pero él no la sentía. Como con una tormenta en la lejanía, podía oír el sordo retumbar del trueno que una vez rodó sobre el monte ardiente del Sinaí, o ver de lejos el juego de aquellos relámpagos que abrasaron su cumbre. Pero por el momento la tormenta estaba en la distancia.
Andaba sin pensar, ni sentir, ni temer, ni preocuparse de si la ley era su amiga o su enemiga. De hecho, más bien la consideraba su amiga, porque la usaba como ayuda amistosa para edificar su propia justicia. Él había ido a ella, pero ella no había venido a él; conocía su letra, pero no su espíritu; sus mandatos exteriores, pero no sus exigencias interiores. Por eso habla de sí mismo como “viviendo sin la ley”, es decir, sin ningún conocimiento de lo que ella era como ministerio de condenación y de muerte.
Pero en el tiempo y de la manera señalados por Dios mismo, “vino el mandamiento”; es decir, vino con poder a su conciencia. Halló que podía guardar cada uno de los mandamientos excepto el décimo; porque, según su comprensión y su interpretación de ellos, no se extendían más allá de una obediencia exterior. Pero el décimo mandamiento, “No codiciarás”, hirió en lo más profundo de su conciencia, porque era una prohibición de la boca de Dios contra las concupiscencias interiores del corazón, y esa prohibición iba acompañada de una terrible maldición.
Bajo este golpe el pecado, que antes yacía aparentemente muerto en su pecho, revivió como una serpiente dormida; ¿y cuál fue la consecuencia? Le picó de muerte, porque dice: “Y yo morí”; ¡pues halló que el mandamiento, intimado para vida, para él era mortal! El pecado no podía tolerar ser contrariado ni resistido; por eso se levantó en enemistad contra Dios, se aprovechó del mandamiento para rebelarse contra la autoridad de Jehová, y su culpa, cayendo en consecuencia sobre su conciencia, hecha sensible en el temor de Dios, le mató.
No lo habría hecho si no hubiera habido vida en su alma; pero habiendo luz para ver y vida para sentir la ira de Dios revelada en el mandamiento, cuando la ley vino a su conciencia como sentencia de un Jehová justo y santo, el efecto fue producir en él mismo una sentencia de muerte. Y esta experiencia que el apóstol describe como suya es lo que la ley hace y siempre ha de hacer cuando es aplicada a la conciencia por el poder de Dios. Mata, da muerte al pecador condenado; es una sentencia de muerte en la propia conciencia del hombre, que solo aguarda la hora de la muerte y el día del juicio para ser ejecutada.
Al lector…
¡Con cuánta tranquilidad puede usted haber vivido una vez “sin la ley”! Oía a lo lejos el trueno del Sinaí, pero no le alcanzaba, y pensaba que la ley era su amiga. ¿Ha cambiado ahora? ¿Ha venido el mandamiento con poder a su conciencia, de modo que el pecado despertó como una serpiente dormida y usted se siente condenado? Entonces quizá esté alarmado por ello, y se pregunte si alguna vez podrá volver a estar bien.
Sepa, pues, esto: lo mismo le sucedió al apóstol. Que usted sienta la ira de Dios en el mandamiento se debe a que hay vida en su alma; un muerto no siente nada. La ley mata y derriba, pero hace la obra que Dios le dio, para que usted ya no edifique sobre su propia justicia. No deje, pues, que esa sentencia de muerte le arroje a la desesperación, sino deje que le vacíe de sí mismo, hasta que aprenda a mirar a Aquel en Quien el pecador condenado halla vida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl