30 de abril
En zonder de wet zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.
Romeinen 7:9
De apostel beschrijft uit zijn eigen ervaring hoe hij de wet genegen was, alvorens de wet als een vloekvonnis in het hart geopenbaard werd. „En zonder de wet zo leefde ik eertijds.” De wet hing als een vloekrol over hem, als een bediening des doods, als een boodschapper van toorn, als een verterend vuur; maar hij zag en gevoelde er niets van. Gelijk als bij een onweder op verre afstand hoorde hij het zacht gerommel van de donder, die voorheen over Sinaï’s vurige top zich voortplantte, of zag hij mogelijk van verre het schouwspel der bliksemstralen, die haar top in een vurige gloed zetten. Maar voor tegenwoordig was het onweder veraf, en zo wandelde hij heen, zonder te denken of te vrezen, of zich er bezorgd over te maken of de wet zijn vriendin of wel zijn vijandin ware.
In waarheid beschouwde hij haar liever als zijn vriendin, want hij zag haar aan als een vriendelijke hulp om zijn eigen gerechtigheid op te bouwen. Hij was tot haar uitgegaan, maar zij was niet tot hem gekomen; hij kende haar vorm, maar niet haar geest; haar uitwendige bevelen, maar niet haar inwendige eisen. Derhalve sprak hij van zichzelf als te leven onder de wet, dat wil zeggen, zonder enige kennis van haar als een bediening des doods en der verdoemenis. Doch op Gods bepaalde tijd en wijze kwam het gebod tot hem; dat is, het kwam met kracht in zijn consciëntie. Hij bevond, dat hij al de geboden kon onderhouden, behalve het tiende, want volgens zijn bevatting en uitlegging gingen zij niet boven een uitwendige gehoorzaamheid.
Maar het tiende gebod: „Gij zult niet begeren”, het tastte hem aan in het binnenste van zijn ziel, want het was een verbod van de mond Gods van de verborgen begeerten des harten, en dat gebod was vergezeld van een vreselijke vloek. Onder deze slag werd de zonde, die tevoren als schijnbaar dood in zijn gemoed lag, opgewekt als een sluimerende slang. En wat was het gevolg? Zij stak hem dood, want hij zegt: „En ik ben gestorven; want het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden.” De zonde kon niet dulden dat zij gedwarsboomd of tegengestaan werd; zij rees derhalve in vijandschap op tegen God en nam zelfs gelegenheid uit het gebod om te rebelleren tegen de autoriteit van Jehova, en de schuld, die zich als gevolg van de zonde in de consciëntie openbaarde, welke onder dit alles teder werd, sloeg hem.
Het zou niet zo geweest zijn als er geen leven in zijn ziel geweest was, maar daar dit er juist was, zag en gevoelde hij de toorn Gods geopenbaard in het gebod toen de wet in zijn consciëntie kwam als een vonnis van een rechtvaardig en heilig God. En het gevolg daarvan was, dat hij een vonnis des doods in zichzelf ontving. En deze bevinding, die de apostel als die van zichzelf beschrijft, is hetgeen de wet doet en altijd doen moet, wanneer zij door de kracht Gods in de consciëntie wordt toegepast. Zij doodt, zij slaat de veroordeelde zondaar; zij is een vonnis des doods in iemands eigen consciëntie, die slechts het uur des doods en de dag des oordeels inwacht ter uitvoering van het vonnis.
Aan de lezer…
Hoe rustig hebt u misschien ook eens geleefd „zonder de wet”! U hoordet het onweder van Sinaï van verre, maar het raakte u niet, en u meendet dat de wet uw vriendin was. Is het nu anders geworden? Is het gebod met kracht in uw consciëntie gekomen, zodat de zonde als een slapende slang ontwaakte en u uzelf veroordeeld voelt? Dan verschrikt het u misschien, en u vraagt of het ooit nog goed kan komen.
Weet dan dit: zo ging het de apostel zelf. Dat u de toorn Gods in het gebod gevoelt, komt doordat er leven in uw ziel is; een dode voelt niets. De wet doodt en slaat, maar zij doet het werk dat God haar gaf, opdat u niet langer op uw eigen gerechtigheid zou bouwen. Laat dat vonnis des doods u dan niet in wanhoop drijven, maar u ledig maken van uzelf, totdat u leert uitzien naar Hem, bij Wie de veroordeelde zondaar leven vindt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En zonder de wet zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.
Romeinen 7:9
De apostel beschrijft uit eigen ervaring hoe hij de wet toegedaan was voordat de wet als een vloekvonnis in zijn hart werd geopenbaard. „En zonder de wet zo leefde ik eertijds.” De wet hing als een vloekrol boven hem, als een bediening van de dood, als een boodschapper van toorn, als een verterend vuur, maar hij zag en voelde er niets van. Zoals bij een onweer in de verte hoorde hij het zachte gerommel van de donder die zich vroeger over de vurige top van de Sinaï voortplantte, of zag hij misschien van verre het schouwspel van de bliksemstralen die die top in een vurige gloed zetten. Maar voorlopig was het onweer ver weg, en zo wandelde hij verder, zonder erover na te denken of te vrezen, en zonder zich er zorgen over te maken of de wet zijn vriendin of zijn vijandin was.
Eerlijk gezegd beschouwde hij haar eerder als zijn vriendin, want hij zag haar als een vriendelijke hulp om zijn eigen gerechtigheid op te bouwen. Hij was naar haar uitgegaan, maar zij was niet naar hem toe gekomen. Hij kende haar vorm, maar niet haar geest; haar uiterlijke bevelen, maar niet haar innerlijke eisen. Daarom sprak hij over zichzelf als iemand die onder de wet leefde, dat wil zeggen, zonder enige kennis van haar als een bediening van de dood en de verdoemenis. Maar op Gods bepaalde tijd en wijze kwam het gebod tot hem; dat wil zeggen: het kwam met kracht in zijn geweten. Hij merkte dat hij alle geboden kon houden, behalve het tiende, want volgens zijn opvatting en uitleg gingen die niet verder dan een uiterlijke gehoorzaamheid.
Maar het tiende gebod, „Gij zult niet begeren”, trof hem in het binnenste van zijn ziel, want het was een verbod uit de mond van God op de verborgen begeerten van het hart, en dat gebod ging vergezeld van een vreselijke vloek. Onder deze slag werd de zonde, die eerder schijnbaar dood in zijn gemoed lag, gewekt als een sluimerende slang. En wat was het gevolg? Zij stak hem dood, want hij zegt: „En ik ben gestorven; want het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden.” De zonde kon niet verdragen dat zij gedwarsboomd of tegengehouden werd. Daarom kwam zij in vijandschap tegen God in opstand en nam zij zelfs aanleiding uit het gebod om te rebelleren tegen het gezag van Jehovah. En de schuld die zich als gevolg van de zonde openbaarde in het geweten, dat onder dit alles teder werd, sloeg hem neer.
Dat zou niet zo zijn geweest als er geen leven in zijn ziel was geweest. Maar omdat dat er juist wel was, zag en voelde hij de toorn van God geopenbaard in het gebod, toen de wet in zijn geweten kwam als een vonnis van een rechtvaardig en heilig God. Het gevolg daarvan was dat hij een vonnis van de dood in zichzelf ontving. En deze ervaring, die de apostel als de zijne beschrijft, is wat de wet doet en altijd moet doen wanneer zij door de kracht van God in het geweten wordt toegepast. Zij doodt, zij slaat de veroordeelde zondaar neer; zij is een doodvonnis in het eigen geweten van de mens, die alleen nog wacht op het uur van de dood en de dag van het oordeel, wanneer het vonnis zal worden voltrokken.
Aan de lezer…
Hoe rustig hebt u misschien ook eens geleefd „zonder de wet”! U hoorde het onweer van de Sinaï in de verte, maar het raakte u niet, en u meende dat de wet uw vriendin was. Is het nu anders geworden? Is het gebod met kracht in uw geweten gekomen, zodat de zonde als een slapende slang ontwaakte en u zichzelf veroordeeld voelt? Dan schrikt u er misschien van, en vraagt u zich af of het ooit nog goed kan komen.
Weet dan dit: zo ging het de apostel zelf. Dat u de toorn van God in het gebod voelt, komt doordat er leven in uw ziel is; een dode voelt niets. De wet doodt en slaat neer, maar zij doet het werk dat God haar gaf, zodat u niet langer op uw eigen gerechtigheid zou bouwen. Laat dat doodvonnis u dan niet in wanhoop drijven, maar u leegmaken van uzelf, totdat u leert uitzien naar Hem bij Wie de veroordeelde zondaar leven vindt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For I was alive without the law once: but when the commandment came, sin revived, and I died.”
Romans 7:9
The Apostle describes in his own case how men are affected toward the law before it enters as a condemning sentence into their heart. “I was alive without the law once.” The law was hanging over him as a condemning sentence, as a minister of death, as a messenger of wrath, as a consuming fire, but he felt it not. As with a thunderstorm in the remote distance, he might hear the low mutterings of the thunder which once rolled over Sinai’s fiery mount, or might see from far the play of those lightnings which scorched its top. But at present the storm was in the distance.
He went about without thinking, or feeling, or fearing, or caring whether the law was his friend or enemy. In fact he rather viewed it as his friend, for he was using it as a friendly help to build up his own righteousness. He had gone to it, but it had not come to him; he knew its letter, but not its spirit; its outward commands, but not its inward demands. He therefore speaks of himself as being “alive without the law,” that is, without any knowledge of what it was as a ministration of condemnation and death.
But in God’s own appointed time and way, “the commandment came;” that is, it came with power into his conscience. He found that he could keep every one of the commandments but the tenth; for according to his apprehension and his interpretation of them, they did not extend beyond an external obedience. But the tenth commandment, “You shall not covet,” struck into the very depth of his conscience, for it was a prohibition from the mouth of God of the inward lusts of the heart, and that prohibition attended with a dreadful curse.
Under this stroke sin, which before lay seemingly dead in his breast, revived like a sleeping serpent; and what was the consequence? It stung him to death, for he says, “And I died;” for the commandment which was ordained unto life he found to be unto death! Sin could not brook to be thwarted or opposed; it therefore rose up in enmity against God, took advantage of the commandment to rebel against the authority of Jehovah, and its guilt in consequence falling upon his conscience, made tender in the fear of God, slew him.
It would not have done so had there been no life in his soul; but there being light to see and life to feel the anger of God revealed in the commandment, when the law came into his conscience as a sentence from a just and holy Jehovah, the effect was to produce a sentence of death in himself. And this experience which the Apostle describes as his own is what the law does and ever must do when applied to the conscience by the power of God. It kills, it slays the condemned sinner; it is a sentence of death in a man’s own conscience, which only awaits the hour of death and the day of judgment to be carried into execution.
To the reader…
How peacefully you may once have lived “without the law”! You heard the thunder of Sinai in the distance, but it did not touch you, and you thought the law was your friend. Has it changed now? Has the commandment come with power into your conscience, so that sin awoke like a sleeping serpent and you feel yourself condemned? Then perhaps you are alarmed by it, and you wonder whether it can ever be well again.
Know this, then: it was the same with the apostle himself. That you feel the wrath of God in the commandment is because there is life in your soul; a dead man feels nothing. The law kills and strikes down, but it does the work God gave it, so that you would no longer build on your own righteousness. Do not let that sentence of death drive you into despair, then, but let it empty you of yourself, until you learn to look to Him in Whom the condemned sinner finds life.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así que, yo sin la ley vivía por algún tiempo: mas venido el mandamiento, el pecado revivió, y yo morí.
Romanos 7:9
El apóstol describe en su propio caso cómo son afectados los hombres respecto de la ley antes de que ella entre como sentencia condenatoria en su corazón. “Yo sin la ley vivía por algún tiempo.” La ley pendía sobre él como sentencia condenatoria, como ministro de muerte, como mensajero de ira, como fuego consumidor, pero él no la sentía. Como con una tormenta en la lejanía, podía oír el sordo retumbar del trueno que una vez rodó sobre el monte ardiente del Sinaí, o ver de lejos el juego de aquellos relámpagos que abrasaron su cumbre. Pero por el momento la tormenta estaba en la distancia.
Andaba sin pensar, ni sentir, ni temer, ni preocuparse de si la ley era su amiga o su enemiga. De hecho, más bien la consideraba su amiga, porque la usaba como ayuda amistosa para edificar su propia justicia. Él había ido a ella, pero ella no había venido a él; conocía su letra, pero no su espíritu; sus mandatos exteriores, pero no sus exigencias interiores. Por eso habla de sí mismo como “viviendo sin la ley”, es decir, sin ningún conocimiento de lo que ella era como ministerio de condenación y de muerte.
Pero en el tiempo y de la manera señalados por Dios mismo, “vino el mandamiento”; es decir, vino con poder a su conciencia. Halló que podía guardar cada uno de los mandamientos excepto el décimo; porque, según su comprensión y su interpretación de ellos, no se extendían más allá de una obediencia exterior. Pero el décimo mandamiento, “No codiciarás”, hirió en lo más profundo de su conciencia, porque era una prohibición de la boca de Dios contra las concupiscencias interiores del corazón, y esa prohibición iba acompañada de una terrible maldición.
Bajo este golpe el pecado, que antes yacía aparentemente muerto en su pecho, revivió como una serpiente dormida; ¿y cuál fue la consecuencia? Le picó de muerte, porque dice: “Y yo morí”; ¡pues halló que el mandamiento, intimado para vida, para él era mortal! El pecado no podía tolerar ser contrariado ni resistido; por eso se levantó en enemistad contra Dios, se aprovechó del mandamiento para rebelarse contra la autoridad de Jehová, y su culpa, cayendo en consecuencia sobre su conciencia, hecha sensible en el temor de Dios, le mató.
No lo habría hecho si no hubiera habido vida en su alma; pero habiendo luz para ver y vida para sentir la ira de Dios revelada en el mandamiento, cuando la ley vino a su conciencia como sentencia de un Jehová justo y santo, el efecto fue producir en él mismo una sentencia de muerte. Y esta experiencia que el apóstol describe como suya es lo que la ley hace y siempre ha de hacer cuando es aplicada a la conciencia por el poder de Dios. Mata, da muerte al pecador condenado; es una sentencia de muerte en la propia conciencia del hombre, que solo aguarda la hora de la muerte y el día del juicio para ser ejecutada.
Al lector…
¡Con cuánta tranquilidad puede usted haber vivido una vez “sin la ley”! Oía a lo lejos el trueno del Sinaí, pero no le alcanzaba, y pensaba que la ley era su amiga. ¿Ha cambiado ahora? ¿Ha venido el mandamiento con poder a su conciencia, de modo que el pecado despertó como una serpiente dormida y usted se siente condenado? Entonces quizá esté alarmado por ello, y se pregunte si alguna vez podrá volver a estar bien.
Sepa, pues, esto: lo mismo le sucedió al apóstol. Que usted sienta la ira de Dios en el mandamiento se debe a que hay vida en su alma; un muerto no siente nada. La ley mata y derriba, pero hace la obra que Dios le dio, para que usted ya no edifique sobre su propia justicia. No deje, pues, que esa sentencia de muerte le arroje a la desesperación, sino deje que le vacíe de sí mismo, hasta que aprenda a mirar a Aquel en Quien el pecador condenado halla vida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl