5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn.
Johannes 15:8
Het dragen van veel vrucht verheerlijkt God niet alleen, maar toont ook dat dezulken die rijke vruchten dragen, in waarheid discipelen zijn van de Heere Jezus. Ofschoon er nu geen verdienste is in het dragen van vruchten, genieten zij er soms vertroosting van, daar het getuigt van een voortdurende vereniging met Christus. „Indien gij Mijn geboden bewaart, zult gij in Mijn liefde blijven; zoals Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb en blijf in Zijn liefde.” Er is geen blijven in de heilige gemeenschap der ziel dan door de gehoorzaamheid aan God; ook kan er geen ware geestelijke gemeenschap zijn met God zolang de schuld der ongehoorzaamheid hard en zwaar op het geweten drukt. Rechte paden voor onze voet te maken, in de vreze Gods te wandelen, te Zijner eer te leven, zijn niet alleen zoete kenmerken van het ware discipelschap, maar het geloof, de hoop en de liefde kunnen zonder deze niet bestaan.
En toch, zo wij niets kennen van de vrucht des Evangelies, en wat wij zijn als arme, vuile zondaars, moeten wij dan niet dikwijls onze mond in het stof steken? In plaats van ons te verheugen in onze vruchtbaarheid, moeten wij niet dikwijls klagen over onze dorheid, en uitroepen: „Mijn dorheid, mijn dorheid, wee over mij!” En toch, indien wij onze tekortkomingen hierin in onszelven en anderen zien en gevoelen, en zo wij onze harten, onze lippen en ons leven vergelijken met het Woord der Waarheid en wij ons schuldig moeten verklaren, zal ons dit dan ontmoedigen? Neen, diezelfde ontmoediging kan ons van dienst zijn.
Het is somtijds goed ontmoedigd te worden, omdat het ons leert dat wij „zonder Christus niets kunnen doen”, en dat wij alleen door Zijn genade vruchten kunnen voortbrengen ter Zijner verheerlijking. Daarom is het goed onze dorheid en onvruchtbaarheid te zien en te gevoelen; want juist dat zien en het bewustzijn van ons gebrek aan vruchten brengt ons tot een ernstig verlangen dat de Heere Jezus Christus in onze ziel het willen en het volbrengen naar Zijn welbehagen werke.
’t Rechtvaardig volk zal bloeien, gelijk op Libanon.
Ps. 92:7
Aan de lezer…
Klaagt u met de profeet: „Mijn dorheid, mijn dorheid, wee mij!”? Lieve lezer, als u uw hart, uw lippen en uw leven naast het Woord der waarheid legt, moet u wellicht uw mond in het stof steken. Wij kunnen dat niet mooier maken dan het is. Toch wil ik niet dat u daardoor ontmoedigd blijft liggen, want ook zulk ontmoedigd worden kan u van dienst zijn.
Het leert u dat u zonder Christus niets kunt doen, en dat er geen vrucht is dan uit vereniging met Hem. Zo drijft juist het gevoel van onvruchtbaarheid u tot een ernstig verlangen dat Hij in u werke het willen en het volbrengen naar Zijn welbehagen. Zoek dan geen verdienste in uw vruchten, maar blijf in Hem en in Zijn liefde. Waar Hij werkt, zal er vrucht zijn tot eer van de Vader, al ziet u die zelf nauwelijks.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn.
Johannes 15:8
Het dragen van veel vrucht verheerlijkt niet alleen God, maar laat ook zien dat wie rijke vruchten draagt, in waarheid een discipel is van de Heere Jezus. Hoewel er geen verdienste ligt in het dragen van vruchten, putten zij er soms troost uit, omdat het getuigt van een blijvende vereniging met Christus. „Indien gij Mijn geboden bewaart, zult gij in Mijn liefde blijven; zoals Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb en blijf in Zijn liefde.” Er is geen blijven in de heilige gemeenschap van de ziel dan door gehoorzaamheid aan God. Ook kan er geen ware geestelijke gemeenschap met God zijn zolang de schuld van ongehoorzaamheid hard en zwaar op het geweten drukt. Rechte paden maken voor onze voet, in de vreze Gods wandelen en tot Zijn eer leven, zijn niet alleen zoete kenmerken van het ware discipelschap; het geloof, de hoop en de liefde kunnen zonder deze ook niet bestaan.
En toch, als wij niets kennen van de vrucht van het Evangelie en van wat wij zijn als arme, vuile zondaars, moeten wij dan niet vaak onze mond in het stof steken? Moeten wij, in plaats van ons te verheugen in onze vruchtbaarheid, niet vaak klagen over onze dorheid en uitroepen: „Mijn dorheid, mijn dorheid, wee over mij!”? En toch, als wij onze tekortkomingen hierin bij onszelf en bij anderen zien en voelen, en als wij ons hart, onze lippen en ons leven vergelijken met het Woord der waarheid en ons schuldig moeten verklaren, zal dat ons dan ontmoedigen? Nee, juist die ontmoediging kan ons van dienst zijn.
Het is soms goed ontmoedigd te worden, omdat het ons leert dat wij „zonder Christus niets kunnen doen”, en dat wij alleen door Zijn genade vruchten kunnen voortbrengen tot Zijn verheerlijking. Daarom is het goed onze dorheid en onvruchtbaarheid te zien en te voelen. Want juist dat zien en het besef van ons gebrek aan vruchten brengt ons tot een ernstig verlangen dat de Heere Jezus Christus in onze ziel het willen en het volbrengen werkt naar Zijn welbehagen.
’t Rechtvaardig volk zal bloeien, gelijk op Libanon.
Ps. 92:7
Aan de lezer…
Klaagt u met de profeet: „Mijn dorheid, mijn dorheid, wee mij!”? Als u uw hart, uw lippen en uw leven naast het Woord der waarheid legt, moet u misschien uw mond in het stof steken. Wij kunnen dat niet mooier maken dan het is. Toch wil ik niet dat u daardoor ontmoedigd blijft liggen, want ook zulke ontmoediging kan u van dienst zijn.
Het leert u dat u zonder Christus niets kunt doen, en dat er geen vrucht is dan uit vereniging met Hem. Zo drijft juist het besef van onvruchtbaarheid u tot een ernstig verlangen dat Hij in u het willen en het volbrengen werkt naar Zijn welbehagen. Zoek dan geen verdienste in uw vruchten, maar blijf in Hem en in Zijn liefde. Waar Hij werkt, zal er vrucht zijn tot eer van de Vader, ook al ziet u die zelf nauwelijks.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Herein is My Father glorified, that ye bear much fruit; so shall ye be My disciples.
John 15:8
The bearing of much fruit not only brings glory to God, but proves such rich fruit-bearers to be genuine disciples of the Lord Jesus. Now, though there is no merit in their bearing fruit, they sometimes get comfort from it, as proving an abiding union with Christ. “If you keep My commandments, you shall abide in My love; even as I have kept My Father’s commandments and abide in His love.” There is no maintaining of holy confidence in the soul but by walking in godly obedience; nor can there be any true spiritual communion with God while the guilt of disobedience lies hard and heavy on the conscience. To make straight paths for our feet; to walk in the fear of God; to live to His glory, are not only sweet tests of genuine discipleship, but faith, hope, and love cannot be maintained without them.
And yet if we know anything of what gospel fruit is, and what we are as poor, vile sinners, must we not too often put our mouth in the dust? Instead of rejoicing in our fruitfulness, must we not often rather lament our barrenness, and cry out, “My leanness, my leanness, woe unto me!” Still, if we see and feel a deficiency in these points in ourselves and others, and, comparing our hearts, lips, and lives with the Word of truth, must plead guilty, shall this utterly discourage us? No. This very discouragement may prove of service to us.
It is good, at times, to be discouraged; because it makes us learn that “without Christ we can do nothing,” and that it is only by His grace that we can produce fruit to His glory. It is, therefore, good to see and feel our barrenness and unfruitfulness; for it is this very sight and sense of our own want of fruit that leads us in earnest desires to the Lord Jesus Christ to work in us to will and to do of His own good pleasure.
To the reader…
Do you lament with the prophet, “My leanness, my leanness, woe unto me!”? If you lay your heart, your lips and your life beside the Word of truth, you may have to put your mouth in the dust. We cannot make that look better than it is. Yet I do not want you to stay lying there discouraged, for even such discouragement can be of service to you.
It teaches you that without Christ you can do nothing, and that there is no fruit except from union with Him. In this way the very sense of barrenness drives you to an earnest longing that He would work in you to will and to do of His good pleasure. So do not seek merit in your fruits, but abide in Him and in His love. Where He works, there will be fruit to the glory of the Father, even if you yourself hardly see it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En esto es glorificado Mi Padre, en que llevéis mucho fruto, y seáis así Mis discípulos.
Juan 15:8
Llevar mucho fruto no solo da gloria a Dios, sino que demuestra que tales portadores de rico fruto son discípulos genuinos del Señor Jesús. Ahora bien, aunque no hay mérito en que lleven fruto, a veces sacan consuelo de ello, como prueba de una unión permanente con Cristo. “Si guardareis Mis mandamientos, estaréis en Mi amor; como Yo también he guardado los mandamientos de Mi Padre, y estoy en Su amor”. No hay manera de mantener la santa confianza en el alma sino andando en obediencia piadosa; ni puede haber verdadera comunión espiritual con Dios mientras la culpa de la desobediencia pesa dura y gravemente sobre la conciencia. Hacer sendas derechas para nuestros pies, andar en el temor de Dios, vivir para Su gloria, no son solo dulces pruebas de un discipulado genuino, sino que la fe, la esperanza y el amor no pueden mantenerse sin ellos.
Y sin embargo, si sabemos algo de lo que es el fruto del evangelio, y de lo que somos como pobres y viles pecadores, ¿no tenemos que poner con demasiada frecuencia nuestra boca en el polvo? En lugar de regocijarnos en nuestra fecundidad, ¿no tenemos a menudo que lamentar más bien nuestra esterilidad y clamar: “¡Mi flaqueza, mi flaqueza, ay de mí!”? Aun así, si vemos y sentimos una deficiencia en estos puntos en nosotros mismos y en otros, y, comparando nuestro corazón, nuestros labios y nuestra vida con la Palabra de verdad, tenemos que declararnos culpables, ¿habrá de desanimarnos esto por completo? No. Este mismo desánimo puede resultarnos de provecho.
Es bueno, a veces, estar desanimado; porque nos hace aprender que “sin Cristo nada podemos hacer”, y que solo por Su gracia podemos producir fruto para Su gloria. Es bueno, por tanto, ver y sentir nuestra esterilidad e infructuosidad; porque es precisamente esta vista y este sentido de nuestra propia falta de fruto lo que nos lleva con deseos fervientes al Señor Jesucristo, para que obre en nosotros así el querer como el hacer por Su buena voluntad.
Al lector…
¿Se lamenta usted con el profeta: “¡Mi flaqueza, mi flaqueza, ay de mí!”? Si pone su corazón, sus labios y su vida junto a la Palabra de verdad, puede que tenga que poner su boca en el polvo. No podemos hacer que eso parezca mejor de lo que es. Sin embargo, no quiero que se quede ahí tendido y desanimado, porque aun tal desánimo puede serle de provecho.
Le enseña que sin Cristo nada puede hacer, y que no hay fruto sino por la unión con Él. Así, el sentido mismo de la esterilidad le impulsa a un anhelo ferviente de que Él obre en usted así el querer como el hacer por Su buena voluntad. No busque, pues, mérito en sus frutos, sino permanezca en Él y en Su amor. Donde Él obra habrá fruto para la gloria del Padre, aunque usted mismo apenas lo vea.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het lijden en sterven van Christus
Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe.
Mattheüs 26:38
Waarlijk werd de Heere Jezus „als een lam ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open” (Jes. 53:7). Welk hart kan begrijpen, welke tong uitdrukken wat deze heilige ziel moest verdragen toen „de Heere de ongerechtigheden van ons allen op Hem legde”? Wat kreeg die heilige menselijke natuur in de hof van Gethsemané een lading schuld en zonde, en wat een ondraaglijke last van de toorn Gods te verdragen, totdat onder de druk van smart en pijn de bloeddruppels als zweet van Zijn voorhoofd neervielen. De menselijke natuur deinsde in haar zwakheid als het ware terug voor de beker smart die in Zijn hand was gegeven. Zijn lichaam kon de last die Hem neerdrukte nauwelijks dragen; Zijn ziel zonk, onder de golven van Gods toorn, in grondeloze modder waar men niet kon staan, en kwam in de diepte der wateren waar de vloed Hem overstroomde (Ps. 69:1,2).
En hoe zou het anders kunnen zijn toen die heilige menselijke natuur alle toorn Gods te verduren kreeg, de kwellingen van de hel onderging en in de diepste diepten van schuld en vrees waadde? Toen de gezegende Heere voor ons tot zonde werd gemaakt (of tot een zondeoffer), doorstond Hij in Zijn heilige ziel alle kwellingen van smart, afschuw, nood, ellende en schuld die de uitverkorenen eeuwig in de hel zouden hebben gevoeld, en niet alleen zoals een van hen afzonderlijk zou hebben gevoeld, maar zoals ze als verzameld geheel zouden hebben ervaren onder de uitstorting van de eeuwigdurende toorn Gods.
De smart, de nood, de duisternis, de verdoemenis, de schande, de schuld, de onuitsprekelijke ontsteltenis die een enkeling of allen van Zijn kinderen ooit hebben ondervonden onder iets van Gods toorn, de vloek van de wet en de verschrikkingen van de hel, zijn allemaal zwakke afspiegelingen van wat de Heere in de hof en aan het kruis voelde. Want er waren bijkomende omstandigheden in Zijn situatie die er bij hen niet zijn en zelfs niet kunnen zijn, en die de nood en kwelling van Zijn heilige ziel zodanig sterk en groot deden worden als alleen Hij kon ervaren en kennen.
Lezen: Mattheüs 26:36-56
Aan de lezer…
Kunt u, lezer, ooit peilen wat het voor de heilige ziel van de Heere Jezus was, toen de Heere de ongerechtigheden van ons allen op Hem legde? Wij kennen soms een weinig van schuld, van vrees en van de druk van Gods ongenoegen, en wij menen te bezwijken. Maar al wat Zijn kinderen daarvan ooit ondervonden hebben, is slechts een zwakke afspiegeling van wat Hij in de hof gevoeld heeft, toen de bloeddruppels van Zijn voorhoofd vielen en Hij zei: „Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe.”
Laat dit u niet terneerslaan, maar uw hart doen smelten. Hij werd als een lam ter slachting geleid en deed Zijn mond niet open, opdat u niet eeuwig zou dragen wat Hij daar droeg. Zinkt u in diepe wateren en drukt de last van uw zonde u neer? Zie dan op Hem, Die in grondeloze modder zonk voor zondaren zoals u. Uw smart is Hem niet vreemd; Hij is dieper gegaan dan u ooit zult komen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe.
Mattheüs 26:38
Waarlijk werd de Heere Jezus „als een lam ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open” (Jes. 53:7). Welk hart kan begrijpen, welke tong kan uitdrukken wat deze heilige ziel moest verdragen toen „de Heere de ongerechtigheden van ons allen op Hem legde”? Wat een lading schuld en zonde kreeg die heilige menselijke natuur in de hof van Gethsemané te dragen, en wat een ondraaglijke last van de toorn Gods! Onder de druk van smart en pijn vielen de bloeddruppels als zweet van Zijn voorhoofd. De menselijke natuur deinsde in haar zwakheid als het ware terug voor de beker van smart die Hem in de hand was gegeven. Zijn lichaam kon de last die Hem neerdrukte nauwelijks dragen. Zijn ziel zonk onder de golven van Gods toorn weg in grondeloze modder, waar men niet kon staan, en kwam in de diepte van de wateren, waar de vloed Hem overstroomde (Ps. 69:1,2).
En hoe zou het anders kunnen, toen die heilige menselijke natuur alle toorn Gods te verduren kreeg, de kwellingen van de hel onderging en door de diepste diepten van schuld en vrees ging? Toen de gezegende Heere voor ons tot zonde werd gemaakt (of tot een zondoffer), doorstond Hij in Zijn heilige ziel alle kwellingen van smart, afschuw, nood, ellende en schuld die de uitverkorenen eeuwig in de hel zouden hebben gevoeld. En niet alleen zoals ieder van hen die afzonderlijk zou hebben gevoeld, maar zoals zij die allen samen zouden hebben ervaren onder de uitstorting van de eeuwigdurende toorn Gods.
De smart, de nood, de duisternis, de verdoemenis, de schande, de schuld en de onuitsprekelijke ontsteltenis die een of meer van Zijn kinderen ooit hebben ondervonden onder iets van Gods toorn, de vloek van de wet en de verschrikkingen van de hel, zijn allemaal zwakke afspiegelingen van wat de Heere in de hof en aan het kruis voelde. Want in Zijn situatie waren er bijkomende omstandigheden die er bij hen niet zijn en ook niet kunnen zijn. Die maakten de nood en kwelling van Zijn heilige ziel zo sterk en zo groot als alleen Hij kon ervaren en kennen.
Lezen: Mattheüs 26:36-56
Aan de lezer…
Kunt u, lezer, ooit peilen wat het voor de heilige ziel van de Heere Jezus was, toen de Heere de ongerechtigheden van ons allen op Hem legde? Wij kennen soms een weinig van schuld, van vrees en van de druk van Gods ongenoegen, en wij menen te bezwijken. Maar alles wat Zijn kinderen daarvan ooit ondervonden hebben, is slechts een zwakke afspiegeling van wat Hij in de hof gevoeld heeft, toen de bloeddruppels van Zijn voorhoofd vielen en Hij zei: „Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe.”
Laat dit u niet terneerslaan, maar uw hart doen smelten. Hij werd als een lam ter slachting geleid en deed Zijn mond niet open, zodat u niet eeuwig zou hoeven dragen wat Hij daar droeg. Zinkt u in diepe wateren en drukt de last van uw zonde u neer? Zie dan op Hem, Die in grondeloze modder zonk voor zondaren zoals u. Uw smart is Hem niet vreemd; Hij is dieper gegaan dan u ooit zult komen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
My soul is exceeding sorrowful, even unto death.
Matthew 26:38
Truly the Lord Jesus was “brought as a lamb to the slaughter, and as a sheep before her shearers is dumb, so He openeth not His mouth” (Isa. 53:7). What heart can conceive, what tongue can express what this holy soul had to endure when “the Lord hath laid on Him the iniquity of us all”? What a load of guilt and sin that holy human nature had to bear in the garden of Gethsemane, and what an unbearable weight of the wrath of God! Under the pressure of sorrow and pain the drops of blood fell like sweat from His brow. The human nature in its weakness shrank back, as it were, from the cup of sorrow that was put into His hand.
His body could scarcely bear the load that pressed Him down. His soul sank under the waves of God’s wrath into deep mire, where there was no standing, and came into deep waters, where the floods overflowed Him (Ps. 69:1, 2).
And how could it be otherwise, when that holy human nature had to endure all the wrath of God, underwent the torments of hell and passed through the lowest depths of guilt and fear? When the blessed Lord was made sin for us (or a sin offering), He endured in His holy soul all the torments of sorrow, horror, distress, misery and guilt which the elect would have felt eternally in hell. And not only as each of them would have felt them individually, but as they would all have experienced them together under the outpouring of the everlasting wrath of God.
The sorrow, the distress, the darkness, the condemnation, the shame, the guilt and the unspeakable dismay which one or more of His children have ever known under some sense of God’s wrath, the curse of the law and the terrors of hell, are all but faint reflections of what the Lord felt in the garden and on the cross. For in His case there were attendant circumstances which are not, and cannot be, present in theirs. These made the distress and anguish of His holy soul as intense and as great as He alone could experience and know.
Reading: Matthew 26:36-56
To the reader…
Can you, reader, ever fathom what it was for the holy soul of the Lord Jesus when the Lord laid on Him the iniquity of us all? We sometimes know a little of guilt, of fear and of the pressure of God’s displeasure, and we think we shall sink under it. But all that His children have ever experienced of this is only a faint reflection of what He felt in the garden, when the drops of blood fell from His brow and He said, “My soul is exceeding sorrowful, even unto death.”
Do not let this cast you down, but let it melt your heart. He was brought as a lamb to the slaughter and opened not His mouth, so that you would not have to bear eternally what He bore there. Are you sinking in deep waters, and does the burden of your sin press you down? Then look to Him, Who sank in deep mire for sinners such as you. Your sorrow is no stranger to Him; He has gone deeper than you will ever go.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mi alma está muy triste hasta la muerte.
Mateo 26:38
Verdaderamente el Señor Jesús “como cordero fue llevado al matadero; y como oveja delante de sus trasquiladores, enmudeció, y no abrió Su boca” (Isa. 53:7). ¿Qué corazón puede concebir, qué lengua puede expresar lo que esta santa alma tuvo que soportar cuando “Jehová cargó en Él el pecado de todos nosotros”? ¡Qué carga de culpa y de pecado tuvo que llevar aquella santa naturaleza humana en el huerto de Getsemaní, y qué peso insoportable de la ira de Dios! Bajo la presión de la tristeza y del dolor, las gotas de sangre caían como sudor de Su frente. La naturaleza humana en su debilidad retrocedía, por así decirlo, ante la copa de dolor que le fue puesta en la mano.
Su cuerpo apenas podía soportar la carga que le oprimía. Su alma se hundió bajo las olas de la ira de Dios en cieno profundo, donde no había pie, y vino a abismos de aguas, donde la corriente le anegaba (Sal. 69:1, 2).
¿Y cómo podía ser de otro modo, cuando aquella santa naturaleza humana tuvo que soportar toda la ira de Dios, sufrió los tormentos del infierno y pasó por las más hondas profundidades de culpa y temor? Cuando el bendito Señor fue hecho pecado por nosotros (o una ofrenda por el pecado), soportó en Su santa alma todos los tormentos de tristeza, horror, angustia, miseria y culpa que los elegidos habrían sentido eternamente en el infierno. Y no solo como cada uno de ellos los habría sentido individualmente, sino como todos ellos juntos los habrían experimentado bajo el derramamiento de la ira eterna de Dios.
La tristeza, la angustia, las tinieblas, la condenación, la vergüenza, la culpa y el inefable espanto que uno o más de Sus hijos hayan conocido jamás bajo algún sentimiento de la ira de Dios, la maldición de la ley y los terrores del infierno, no son sino débiles reflejos de lo que el Señor sintió en el huerto y en la cruz. Porque en Su caso había circunstancias concomitantes que no están, ni pueden estar, presentes en el de ellos. Estas hicieron la angustia y la congoja de Su santa alma tan intensas y tan grandes como solo Él podía experimentarlas y conocerlas.
Lectura: Mateo 26:36-56
Al lector…
¿Puede usted, lector, sondear alguna vez lo que fue para la santa alma del Señor Jesús que Jehová cargara en Él el pecado de todos nosotros? A veces conocemos un poco de culpa, de temor y de la presión del desagrado de Dios, y pensamos que nos hundiremos bajo ello. Pero todo lo que Sus hijos han experimentado jamás de esto no es más que un débil reflejo de lo que Él sintió en el huerto, cuando las gotas de sangre caían de Su frente y dijo: “Mi alma está muy triste hasta la muerte”.
No deje que esto le abata, sino que le derrita el corazón. Él fue llevado como cordero al matadero y no abrió Su boca, para que usted no tuviera que llevar eternamente lo que Él llevó allí. ¿Se está hundiendo en abismos de aguas, y le oprime la carga de su pecado? Mire entonces a Él, que se hundió en cieno profundo por pecadores como usted. Su tristeza no le es extraña; Él ha bajado más hondo de lo que usted bajará jamás.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De eeuwige God zij u een woning.
Deut. 33:27
Wie is deze eeuwige God? Hij is de grote en heerlijke Jehova, eeuwig in Zijn drie-eenheid van Personen en in de eenheid van Zijn bestaan. Welk een diepte van zaligheid is er in deze God, zijnde een eeuwig God, en dat in en van deze eeuwigheid elk Persoon van de Godheid een gelijk aandeel heeft. Beschouw de liefde van de eeuwige God. Zij is van eeuwigheid; geen schepping in de tijd, noch werd zij op ons gevestigd toen wij een aanzijn kregen, noch ook uit Zijn boezem uitgaande toen wij tot een Goddelijk leven werden opgewekt; maar zij is een liefde van alle eeuwigheid, want zij is de liefde van een eeuwig God. „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.”
En hoe eeuwig zijn de gedachten Gods; gedachten des vredes en niet des kwaads. Zij waren eeuwige gedachten des vredes over de kerk; eeuwige gedachten der barmhartigheid over Zijn beminde volk; eeuwige gedachten van genade-openbaring in de Persoon en het werk van Zijn beminde Zoon; eeuwige uitvloeiselen van goedheid en liefde tot degenen die Hij verkoren had in Christus, opdat zij zouden één zijn met Hem en leden van dat heerlijke lichaam, van hetwelk Zijn beminde Zoon het Hoofd zou zijn. En eeuwige voornemens, die niet konden verijdeld worden, die de golven van de tijd niet kunnen breken; ook eeuwige wijsheid om uit te vinden en eeuwige kracht om te vervullen.
Wij blikken terug in de eeuwigheid en zien wat een God Hij van alle eeuwigheid was; en dan zien wij vooruit op hetgeen Hij tot in alle eeuwigheid zijn wil. En wij zien Hem onveranderlijk, zwijgend in Zijn liefde, zonder verandering of schaduw van omkering, hetzij in de eeuwigheid die achterligt, hetzij in de eeuwigheid die komt. Wij denken aan de geesten der volmaakt rechtvaardigen, wij volgen in geloof en hoop de zielen onzer beminde afgestorven vrienden; wij zien hen zich verzadigen van vreugde aan Zijn rechterhand voor eeuwig. En zo zullen zij daar tot in alle eeuwigheid zijn, zich voor altijd vermakende in de toelachingen van een eeuwig God, voor eeuwig levende in Zijn gunst, eeuwig gelijkvormig aan het heerlijk beeld van Zijn eeuwige Zoon en eeuwig verse teugen van liefde en zaligheid genietende in Zijn eeuwige tegenwoordigheid.
O, wat een eeuwige Vader in de diepten van Zijn Vaderlijke liefde in het geven van Zijn beminde Zoon! O de liefde, volkomen overgave en tederheid van deze eeuwige Zoon in de diepten van Zijn barmhartigheid en genade, betoond in het lijden en sterven voor arme, schuldige zondaren! O de wijsheid, kracht, genade en gewilligheid van deze eeuwige Geest in het uit de dingen van Christus te nemen en de Persoon van Jezus te verkondigen, Hem nabij te brengen, Hem aan de ziel openbarende, besprengend de consciëntie met Zijn bloed en in Hem te doen kennen en dierbaar achten! Welk een grote dankbaarheid is de verloste kerk voor eeuwig schuldig aan God, aan al de drie geheiligde Personen van de heerlijke en onscheidbare Drie-eenheid; en dit beide in Zijn drie-eenheid van Personen en in Zijn eenswezensheid, aan de eeuwige God, Die hun ter woning is.
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd waar u woont, wanneer alles om u heen wankelt en verandert. Huizen worden afgebroken, vrienden worden weggenomen, en het eigen hart is zo ongestadig. Maar hier wordt u een woning aangeboden die niet vergaat: de eeuwige God Zelf. Zijn liefde is geen schepping in de tijd, maar een liefde van alle eeuwigheid. „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.” Zijn gedachten over Zijn volk zijn gedachten des vredes en niet des kwaads, en de golven van de tijd kunnen Zijn voornemens niet breken.
Zie dan terug in de eeuwigheid en zie vooruit: Hij is onveranderlijk, zonder schaduw van omkering. De Vader gaf Zijn beminde Zoon, de Zoon leed en stierf voor arme, schuldige zondaren, en de Geest brengt Hem nabij en maakt Hem dierbaar. Vlucht met al uw onrust tot die drie-enige God. In Hem mag een moede ziel wonen, en Hij zal haar woning zijn tot in alle eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De eeuwige God zij u een woning.
Deut. 33:27
Wie is deze eeuwige God? Hij is de grote en heerlijke Jehovah, eeuwig in Zijn drie-eenheid van Personen en in de eenheid van Zijn wezen. Wat een diepte van zaligheid ligt er in het feit dat deze God een eeuwig God is, en dat elke Persoon van de Godheid in en aan deze eeuwigheid gelijk deel heeft. Beschouw de liefde van de eeuwige God. Zij is van eeuwigheid. Zij is geen schepping in de tijd; zij werd ook niet op ons gericht toen wij ons bestaan kregen, en zij ging ook niet pas uit Zijn boezem uit toen wij tot een goddelijk leven werden opgewekt. Nee, zij is een liefde van alle eeuwigheid, want zij is de liefde van een eeuwig God. „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.”
En hoe eeuwig zijn de gedachten van God: gedachten des vredes en niet des kwaads. Het waren eeuwige gedachten van vrede over de kerk, eeuwige gedachten van barmhartigheid over Zijn geliefde volk, eeuwige gedachten van genade, geopenbaard in de Persoon en het werk van Zijn geliefde Zoon. Het waren eeuwige uitingen van goedheid en liefde jegens hen die Hij in Christus verkoren had, opdat zij één met Hem zouden zijn en leden van dat heerlijke lichaam waarvan Zijn geliefde Zoon het Hoofd zou zijn. En het waren eeuwige voornemens die niet verijdeld konden worden en die de golven van de tijd niet kunnen breken; en ook eeuwige wijsheid om ze uit te denken en eeuwige kracht om ze te vervullen.
Wij kijken terug in de eeuwigheid en zien wat een God Hij van alle eeuwigheid was; en dan kijken wij vooruit naar wat Hij tot in alle eeuwigheid zal zijn. En wij zien Hem onveranderlijk, zwijgend in Zijn liefde, zonder verandering of schaduw van omkering, zowel in de eeuwigheid die achter ons ligt als in de eeuwigheid die komt. Wij denken aan de geesten van de volmaakt rechtvaardigen; wij volgen in geloof en hoop de zielen van onze geliefde overleden vrienden, en wij zien hoe zij zich voor eeuwig verzadigen met vreugde aan Zijn rechterhand. En zo zullen zij daar tot in alle eeuwigheid zijn: zich voor altijd verheugend in het vriendelijk lachen van een eeuwig God, voor eeuwig levend in Zijn gunst, eeuwig gelijkvormig aan het heerlijk beeld van Zijn eeuwige Zoon, en eeuwig nieuwe teugen van liefde en zaligheid genietend in Zijn eeuwige tegenwoordigheid.
O, wat een eeuwige Vader in de diepten van Zijn vaderlijke liefde, in het geven van Zijn geliefde Zoon! O, de liefde, de volkomen overgave en de tederheid van deze eeuwige Zoon in de diepten van Zijn barmhartigheid en genade, betoond in het lijden en sterven voor arme, schuldige zondaars! O, de wijsheid, kracht, genade en bereidheid van deze eeuwige Geest om uit de dingen van Christus te nemen en de Persoon van Jezus te verkondigen, Hem nabij te brengen, Hem aan de ziel te openbaren, het geweten met Zijn bloed te besprengen en Hem te doen kennen en dierbaar te doen achten! Wat een grote dankbaarheid is de verloste kerk voor eeuwig verschuldigd aan God, aan alle drie de heilige Personen van de heerlijke en onscheidbare Drie-eenheid; en dat zowel in Zijn drie-eenheid van Personen als in Zijn eenheid van wezen, aan de eeuwige God, Die hun een woning is.
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd waar u woont, wanneer alles om u heen wankelt en verandert. Huizen worden afgebroken, vrienden worden weggenomen, en het eigen hart is zo onstandvastig. Maar hier wordt u een woning aangeboden die niet vergaat: de eeuwige God Zelf. Zijn liefde is geen schepping in de tijd, maar een liefde van alle eeuwigheid. „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.” Zijn gedachten over Zijn volk zijn gedachten des vredes en niet des kwaads, en de golven van de tijd kunnen Zijn voornemens niet breken.
Kijk dan terug in de eeuwigheid en kijk vooruit: Hij is onveranderlijk, zonder schaduw van omkering. De Vader gaf Zijn geliefde Zoon, de Zoon leed en stierf voor arme, schuldige zondaars, en de Geest brengt Hem nabij en maakt Hem dierbaar. Vlucht met al uw onrust tot die drie-enige God. In Hem mag een vermoeide ziel wonen, en Hij zal haar woning zijn tot in alle eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The eternal God is thy refuge.”
Deuteronomy 33:27
Who is this eternal God? He is the great and glorious Jehovah, eternal in His Trinity of Persons and in the Unity of His Essence. And what a depth of blessedness there is in this God being an eternal God; and that in and of this eternity, each Person of the Godhead has an equal share. Look at the LOVE of the eternal God. How eternal was that—not a thing of time, not fixed upon us when first brought into being, not issuing out of His bosom first when we were quickened into divine life; but a love from all eternity, as being the love of an eternal God. “I have loved thee with an everlasting love: therefore with lovingkindness have I drawn thee.”
And how eternal are the THOUGHTS of God; those thoughts which were of good, not of evil. They were eternal thoughts of peace to the Church; eternal thoughts of mercy to His beloved family; eternal thoughts of manifesting His grace in the Person and work of His dear Son; eternal flowings forth of goodness and love to those whom He had chosen in Christ, that they might be one with Him, members of that glorious body of which His dear Son should be the Head. And eternal PURPOSES also that nothing could defeat, that all the waves of time could not break through; eternal WISDOM also to devise, and eternal POWER to accomplish.
Oh, this eternal God! We look back into eternity; we see what a God He was from all eternity; and then we look forward to what He will be to all eternity. And we see Him unchanging and unchangeable, resting in His love without variableness or the shadow of a turn, whether in eternity past, or in eternity to come. We think of the spirits of just men made perfect; we follow in faith and hope the souls of our dear departed friends; we view them drinking the pleasures which are at His right hand forever; and so they will be there to all eternity, ever basking in the smiles of an eternal God, ever living in His favor, ever conformed to the glorious image of His eternal Son, and ever drinking fresh draughts of love and bliss in His eternal presence.
Oh, this eternal Father in the depths of His fatherly love in the gift of His dear Son! Oh, the love, condescension, and tenderness of this eternal Son in the depths of His mercy and grace in suffering, bleeding, and dying for poor, guilty sinners! Oh, the wisdom, the power, the grace, and the blessedness of this eternal Spirit, in taking of the things of Christ, unfolding the Person of Jesus, bringing Him near, revealing Him to the soul, sprinkling the conscience with His blood, and making Him known and precious! What a depth of gratitude is everlastingly due from the redeemed Church of God, to all the three sacred Persons of the glorious and undivided Trinity, and that both in His Trinity of Persons and His Unity of Essence the eternal God should be their refuge!
To the reader…
Today you are asked where you dwell, when everything around you totters and changes. Houses are pulled down, friends are taken away, and our own heart is so unstable. But here you are offered a dwelling place that does not pass away: the eternal God Himself. His love is no creation of time, but a love from all eternity. “I have loved thee with an everlasting love.” His thoughts toward His people are thoughts of peace and not of evil, and the waves of time cannot break His purposes.
Look back, then, into eternity, and look forward: He is unchangeable, without shadow of turning. The Father gave His beloved Son, the Son suffered and died for poor, guilty sinners, and the Spirit brings Him near and makes Him precious. Flee with all your unrest to this triune God. In Him a weary soul may dwell, and He will be her dwelling place to all eternity.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El eterno Dios es tu refugio.
Deuteronomio 33:27
¿Quién es este Dios eterno? Es el grande y glorioso Jehová, eterno en Su Trinidad de Personas y en la Unidad de Su Esencia. ¡Y qué profundidad de bienaventuranza hay en que este Dios sea un Dios eterno, y en que de esta eternidad y en ella cada Persona de la Deidad tenga igual parte! Mire el AMOR del Dios eterno. ¡Cuán eterno fue! No una cosa del tiempo, no puesto sobre nosotros cuando fuimos traídos a la existencia, no brotando de Su seno por primera vez cuando fuimos vivificados a la vida divina, sino un amor desde toda la eternidad, por ser el amor de un Dios eterno. “Con amor eterno te he amado; por tanto te prolongué Mi misericordia.”
¡Y cuán eternos son los PENSAMIENTOS de Dios, aquellos pensamientos que eran de bien y no de mal! Eran pensamientos eternos de paz para la Iglesia; pensamientos eternos de misericordia para Su amada familia; pensamientos eternos de manifestar Su gracia en la Persona y la obra de Su amado Hijo; eternas efusiones de bondad y de amor hacia aquellos a quienes había escogido en Cristo, para que fuesen uno con Él, miembros de aquel glorioso cuerpo del cual Su amado Hijo había de ser la Cabeza. Y también PROPÓSITOS eternos que nada podía frustrar, que todas las olas del tiempo no podían quebrantar; también SABIDURÍA eterna para idear, y PODER eterno para realizar.
¡Oh, este Dios eterno! Miramos hacia atrás, a la eternidad; vemos qué Dios era Él desde toda la eternidad; y luego miramos hacia delante, a lo que Él será por toda la eternidad. Y lo vemos inmutable e invariable, reposando en Su amor sin mudanza ni sombra de variación, ya sea en la eternidad pasada o en la eternidad venidera. Pensamos en los espíritus de los justos hechos perfectos; seguimos con fe y esperanza las almas de nuestros queridos amigos que partieron; los contemplamos bebiendo las delicias que están a Su diestra para siempre; y así estarán allí por toda la eternidad, siempre gozándose en las sonrisas de un Dios eterno, siempre viviendo en Su favor, siempre conformados a la gloriosa imagen de Su Hijo eterno, y siempre bebiendo nuevos tragos de amor y de dicha en Su presencia eterna.
¡Oh, este Padre eterno en la profundidad de Su amor paternal al darnos a Su amado Hijo! ¡Oh, el amor, la condescendencia y la ternura de este Hijo eterno en la profundidad de Su misericordia y gracia al sufrir, sangrar y morir por pobres pecadores culpables! ¡Oh, la sabiduría, el poder, la gracia y la bienaventuranza de este Espíritu eterno al tomar de las cosas de Cristo, desplegando la Persona de Jesús, acercándolo, revelándolo al alma, rociando la conciencia con Su sangre, y haciéndolo conocido y precioso! ¡Qué profunda gratitud le debe eternamente la Iglesia redimida de Dios a las tres sagradas Personas de la gloriosa e indivisa Trinidad, por cuanto, tanto en Su Trinidad de Personas como en Su Unidad de Esencia, el Dios eterno es su refugio!
Al lector…
Hoy se le pregunta dónde mora usted cuando todo a su alrededor se tambalea y cambia. Las casas se derriban, los amigos nos son quitados, y nuestro propio corazón es tan inestable. Pero aquí se le ofrece una morada que no pasa: el Dios eterno mismo. Su amor no es una creación del tiempo, sino un amor desde toda la eternidad. “Con amor eterno te he amado.” Sus pensamientos hacia Su pueblo son pensamientos de paz y no de mal, y las olas del tiempo no pueden quebrantar Sus propósitos.
Mire, pues, hacia atrás, a la eternidad, y mire hacia delante: Él es inmutable, sin sombra de variación. El Padre dio a Su Hijo amado, el Hijo padeció y murió por pobres pecadores culpables, y el Espíritu lo acerca y lo hace precioso. Huya con toda su inquietud a este Dios trino. En Él puede morar un alma cansada, y Él será su morada por toda la eternidad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl