March 30
De eeuwige God zij u een woning.
Deut. 33:27
Wie is deze eeuwige God? Hij is de grote en heerlijke Jehova, eeuwig in Zijn drie-eenheid van Personen en in de eenheid van Zijn bestaan. Welk een diepte van zaligheid is er in deze God, zijnde een eeuwig God, en dat in en van deze eeuwigheid elk Persoon van de Godheid een gelijk aandeel heeft. Beschouw de liefde van de eeuwige God. Zij is van eeuwigheid; geen schepping in de tijd, noch werd zij op ons gevestigd toen wij een aanzijn kregen, noch ook uit Zijn boezem uitgaande toen wij tot een Goddelijk leven werden opgewekt; maar zij is een liefde van alle eeuwigheid, want zij is de liefde van een eeuwig God. „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.”
En hoe eeuwig zijn de gedachten Gods; gedachten des vredes en niet des kwaads. Zij waren eeuwige gedachten des vredes over de kerk; eeuwige gedachten der barmhartigheid over Zijn beminde volk; eeuwige gedachten van genade-openbaring in de Persoon en het werk van Zijn beminde Zoon; eeuwige uitvloeiselen van goedheid en liefde tot degenen die Hij verkoren had in Christus, opdat zij zouden één zijn met Hem en leden van dat heerlijke lichaam, van hetwelk Zijn beminde Zoon het Hoofd zou zijn. En eeuwige voornemens, die niet konden verijdeld worden, die de golven van de tijd niet kunnen breken; ook eeuwige wijsheid om uit te vinden en eeuwige kracht om te vervullen.
Wij blikken terug in de eeuwigheid en zien wat een God Hij van alle eeuwigheid was; en dan zien wij vooruit op hetgeen Hij tot in alle eeuwigheid zijn wil. En wij zien Hem onveranderlijk, zwijgend in Zijn liefde, zonder verandering of schaduw van omkering, hetzij in de eeuwigheid die achterligt, hetzij in de eeuwigheid die komt. Wij denken aan de geesten der volmaakt rechtvaardigen, wij volgen in geloof en hoop de zielen onzer beminde afgestorven vrienden; wij zien hen zich verzadigen van vreugde aan Zijn rechterhand voor eeuwig. En zo zullen zij daar tot in alle eeuwigheid zijn, zich voor altijd vermakende in de toelachingen van een eeuwig God, voor eeuwig levende in Zijn gunst, eeuwig gelijkvormig aan het heerlijk beeld van Zijn eeuwige Zoon en eeuwig verse teugen van liefde en zaligheid genietende in Zijn eeuwige tegenwoordigheid.
O, wat een eeuwige Vader in de diepten van Zijn Vaderlijke liefde in het geven van Zijn beminde Zoon! O de liefde, volkomen overgave en tederheid van deze eeuwige Zoon in de diepten van Zijn barmhartigheid en genade, betoond in het lijden en sterven voor arme, schuldige zondaren! O de wijsheid, kracht, genade en gewilligheid van deze eeuwige Geest in het uit de dingen van Christus te nemen en de Persoon van Jezus te verkondigen, Hem nabij te brengen, Hem aan de ziel openbarende, besprengend de consciëntie met Zijn bloed en in Hem te doen kennen en dierbaar achten! Welk een grote dankbaarheid is de verloste kerk voor eeuwig schuldig aan God, aan al de drie geheiligde Personen van de heerlijke en onscheidbare Drie-eenheid; en dit beide in Zijn drie-eenheid van Personen en in Zijn eenswezensheid, aan de eeuwige God, Die hun ter woning is.
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd waar u woont, wanneer alles om u heen wankelt en verandert. Huizen worden afgebroken, vrienden worden weggenomen, en het eigen hart is zo ongestadig. Maar hier wordt u een woning aangeboden die niet vergaat: de eeuwige God Zelf. Zijn liefde is geen schepping in de tijd, maar een liefde van alle eeuwigheid. „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.” Zijn gedachten over Zijn volk zijn gedachten des vredes en niet des kwaads, en de golven van de tijd kunnen Zijn voornemens niet breken.
Zie dan terug in de eeuwigheid en zie vooruit: Hij is onveranderlijk, zonder schaduw van omkering. De Vader gaf Zijn beminde Zoon, de Zoon leed en stierf voor arme, schuldige zondaren, en de Geest brengt Hem nabij en maakt Hem dierbaar. Vlucht met al uw onrust tot die drie-enige God. In Hem mag een moede ziel wonen, en Hij zal haar woning zijn tot in alle eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De eeuwige God zij u een woning.
Deut. 33:27
Wie is deze eeuwige God? Hij is de grote en heerlijke Jehovah, eeuwig in Zijn drie-eenheid van Personen en in de eenheid van Zijn wezen. Wat een diepte van zaligheid ligt er in het feit dat deze God een eeuwig God is, en dat elke Persoon van de Godheid in en aan deze eeuwigheid gelijk deel heeft. Beschouw de liefde van de eeuwige God. Zij is van eeuwigheid. Zij is geen schepping in de tijd; zij werd ook niet op ons gericht toen wij ons bestaan kregen, en zij ging ook niet pas uit Zijn boezem uit toen wij tot een goddelijk leven werden opgewekt. Nee, zij is een liefde van alle eeuwigheid, want zij is de liefde van een eeuwig God. „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.”
En hoe eeuwig zijn de gedachten van God: gedachten des vredes en niet des kwaads. Het waren eeuwige gedachten van vrede over de kerk, eeuwige gedachten van barmhartigheid over Zijn geliefde volk, eeuwige gedachten van genade, geopenbaard in de Persoon en het werk van Zijn geliefde Zoon. Het waren eeuwige uitingen van goedheid en liefde jegens hen die Hij in Christus verkoren had, opdat zij één met Hem zouden zijn en leden van dat heerlijke lichaam waarvan Zijn geliefde Zoon het Hoofd zou zijn. En het waren eeuwige voornemens die niet verijdeld konden worden en die de golven van de tijd niet kunnen breken; en ook eeuwige wijsheid om ze uit te denken en eeuwige kracht om ze te vervullen.
Wij kijken terug in de eeuwigheid en zien wat een God Hij van alle eeuwigheid was; en dan kijken wij vooruit naar wat Hij tot in alle eeuwigheid zal zijn. En wij zien Hem onveranderlijk, zwijgend in Zijn liefde, zonder verandering of schaduw van omkering, zowel in de eeuwigheid die achter ons ligt als in de eeuwigheid die komt. Wij denken aan de geesten van de volmaakt rechtvaardigen; wij volgen in geloof en hoop de zielen van onze geliefde overleden vrienden, en wij zien hoe zij zich voor eeuwig verzadigen met vreugde aan Zijn rechterhand. En zo zullen zij daar tot in alle eeuwigheid zijn: zich voor altijd verheugend in het vriendelijk lachen van een eeuwig God, voor eeuwig levend in Zijn gunst, eeuwig gelijkvormig aan het heerlijk beeld van Zijn eeuwige Zoon, en eeuwig nieuwe teugen van liefde en zaligheid genietend in Zijn eeuwige tegenwoordigheid.
O, wat een eeuwige Vader in de diepten van Zijn vaderlijke liefde, in het geven van Zijn geliefde Zoon! O, de liefde, de volkomen overgave en de tederheid van deze eeuwige Zoon in de diepten van Zijn barmhartigheid en genade, betoond in het lijden en sterven voor arme, schuldige zondaars! O, de wijsheid, kracht, genade en bereidheid van deze eeuwige Geest om uit de dingen van Christus te nemen en de Persoon van Jezus te verkondigen, Hem nabij te brengen, Hem aan de ziel te openbaren, het geweten met Zijn bloed te besprengen en Hem te doen kennen en dierbaar te doen achten! Wat een grote dankbaarheid is de verloste kerk voor eeuwig verschuldigd aan God, aan alle drie de heilige Personen van de heerlijke en onscheidbare Drie-eenheid; en dat zowel in Zijn drie-eenheid van Personen als in Zijn eenheid van wezen, aan de eeuwige God, Die hun een woning is.
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd waar u woont, wanneer alles om u heen wankelt en verandert. Huizen worden afgebroken, vrienden worden weggenomen, en het eigen hart is zo onstandvastig. Maar hier wordt u een woning aangeboden die niet vergaat: de eeuwige God Zelf. Zijn liefde is geen schepping in de tijd, maar een liefde van alle eeuwigheid. „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.” Zijn gedachten over Zijn volk zijn gedachten des vredes en niet des kwaads, en de golven van de tijd kunnen Zijn voornemens niet breken.
Kijk dan terug in de eeuwigheid en kijk vooruit: Hij is onveranderlijk, zonder schaduw van omkering. De Vader gaf Zijn geliefde Zoon, de Zoon leed en stierf voor arme, schuldige zondaars, en de Geest brengt Hem nabij en maakt Hem dierbaar. Vlucht met al uw onrust tot die drie-enige God. In Hem mag een vermoeide ziel wonen, en Hij zal haar woning zijn tot in alle eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The eternal God is thy refuge.”
Deuteronomy 33:27
Who is this eternal God? He is the great and glorious Jehovah, eternal in His Trinity of Persons and in the Unity of His Essence. And what a depth of blessedness there is in this God being an eternal God; and that in and of this eternity, each Person of the Godhead has an equal share. Look at the LOVE of the eternal God. How eternal was that—not a thing of time, not fixed upon us when first brought into being, not issuing out of His bosom first when we were quickened into divine life; but a love from all eternity, as being the love of an eternal God. “I have loved thee with an everlasting love: therefore with lovingkindness have I drawn thee.”
And how eternal are the THOUGHTS of God; those thoughts which were of good, not of evil. They were eternal thoughts of peace to the Church; eternal thoughts of mercy to His beloved family; eternal thoughts of manifesting His grace in the Person and work of His dear Son; eternal flowings forth of goodness and love to those whom He had chosen in Christ, that they might be one with Him, members of that glorious body of which His dear Son should be the Head. And eternal PURPOSES also that nothing could defeat, that all the waves of time could not break through; eternal WISDOM also to devise, and eternal POWER to accomplish.
Oh, this eternal God! We look back into eternity; we see what a God He was from all eternity; and then we look forward to what He will be to all eternity. And we see Him unchanging and unchangeable, resting in His love without variableness or the shadow of a turn, whether in eternity past, or in eternity to come. We think of the spirits of just men made perfect; we follow in faith and hope the souls of our dear departed friends; we view them drinking the pleasures which are at His right hand forever; and so they will be there to all eternity, ever basking in the smiles of an eternal God, ever living in His favor, ever conformed to the glorious image of His eternal Son, and ever drinking fresh draughts of love and bliss in His eternal presence.
Oh, this eternal Father in the depths of His fatherly love in the gift of His dear Son! Oh, the love, condescension, and tenderness of this eternal Son in the depths of His mercy and grace in suffering, bleeding, and dying for poor, guilty sinners! Oh, the wisdom, the power, the grace, and the blessedness of this eternal Spirit, in taking of the things of Christ, unfolding the Person of Jesus, bringing Him near, revealing Him to the soul, sprinkling the conscience with His blood, and making Him known and precious! What a depth of gratitude is everlastingly due from the redeemed Church of God, to all the three sacred Persons of the glorious and undivided Trinity, and that both in His Trinity of Persons and His Unity of Essence the eternal God should be their refuge!
To the reader…
Today you are asked where you dwell, when everything around you totters and changes. Houses are pulled down, friends are taken away, and our own heart is so unstable. But here you are offered a dwelling place that does not pass away: the eternal God Himself. His love is no creation of time, but a love from all eternity. “I have loved thee with an everlasting love.” His thoughts toward His people are thoughts of peace and not of evil, and the waves of time cannot break His purposes.
Look back, then, into eternity, and look forward: He is unchangeable, without shadow of turning. The Father gave His beloved Son, the Son suffered and died for poor, guilty sinners, and the Spirit brings Him near and makes Him precious. Flee with all your unrest to this triune God. In Him a weary soul may dwell, and He will be her dwelling place to all eternity.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El eterno Dios es tu refugio.
Deuteronomio 33:27
¿Quién es este Dios eterno? Es el grande y glorioso Jehová, eterno en Su Trinidad de Personas y en la Unidad de Su Esencia. ¡Y qué profundidad de bienaventuranza hay en que este Dios sea un Dios eterno, y en que de esta eternidad y en ella cada Persona de la Deidad tenga igual parte! Mire el AMOR del Dios eterno. ¡Cuán eterno fue! No una cosa del tiempo, no puesto sobre nosotros cuando fuimos traídos a la existencia, no brotando de Su seno por primera vez cuando fuimos vivificados a la vida divina, sino un amor desde toda la eternidad, por ser el amor de un Dios eterno. “Con amor eterno te he amado; por tanto te prolongué Mi misericordia.”
¡Y cuán eternos son los PENSAMIENTOS de Dios, aquellos pensamientos que eran de bien y no de mal! Eran pensamientos eternos de paz para la Iglesia; pensamientos eternos de misericordia para Su amada familia; pensamientos eternos de manifestar Su gracia en la Persona y la obra de Su amado Hijo; eternas efusiones de bondad y de amor hacia aquellos a quienes había escogido en Cristo, para que fuesen uno con Él, miembros de aquel glorioso cuerpo del cual Su amado Hijo había de ser la Cabeza. Y también PROPÓSITOS eternos que nada podía frustrar, que todas las olas del tiempo no podían quebrantar; también SABIDURÍA eterna para idear, y PODER eterno para realizar.
¡Oh, este Dios eterno! Miramos hacia atrás, a la eternidad; vemos qué Dios era Él desde toda la eternidad; y luego miramos hacia delante, a lo que Él será por toda la eternidad. Y lo vemos inmutable e invariable, reposando en Su amor sin mudanza ni sombra de variación, ya sea en la eternidad pasada o en la eternidad venidera. Pensamos en los espíritus de los justos hechos perfectos; seguimos con fe y esperanza las almas de nuestros queridos amigos que partieron; los contemplamos bebiendo las delicias que están a Su diestra para siempre; y así estarán allí por toda la eternidad, siempre gozándose en las sonrisas de un Dios eterno, siempre viviendo en Su favor, siempre conformados a la gloriosa imagen de Su Hijo eterno, y siempre bebiendo nuevos tragos de amor y de dicha en Su presencia eterna.
¡Oh, este Padre eterno en la profundidad de Su amor paternal al darnos a Su amado Hijo! ¡Oh, el amor, la condescendencia y la ternura de este Hijo eterno en la profundidad de Su misericordia y gracia al sufrir, sangrar y morir por pobres pecadores culpables! ¡Oh, la sabiduría, el poder, la gracia y la bienaventuranza de este Espíritu eterno al tomar de las cosas de Cristo, desplegando la Persona de Jesús, acercándolo, revelándolo al alma, rociando la conciencia con Su sangre, y haciéndolo conocido y precioso! ¡Qué profunda gratitud le debe eternamente la Iglesia redimida de Dios a las tres sagradas Personas de la gloriosa e indivisa Trinidad, por cuanto, tanto en Su Trinidad de Personas como en Su Unidad de Esencia, el Dios eterno es su refugio!
Al lector…
Hoy se le pregunta dónde mora usted cuando todo a su alrededor se tambalea y cambia. Las casas se derriban, los amigos nos son quitados, y nuestro propio corazón es tan inestable. Pero aquí se le ofrece una morada que no pasa: el Dios eterno mismo. Su amor no es una creación del tiempo, sino un amor desde toda la eternidad. “Con amor eterno te he amado.” Sus pensamientos hacia Su pueblo son pensamientos de paz y no de mal, y las olas del tiempo no pueden quebrantar Sus propósitos.
Mire, pues, hacia atrás, a la eternidad, y mire hacia delante: Él es inmutable, sin sombra de variación. El Padre dio a Su Hijo amado, el Hijo padeció y murió por pobres pecadores culpables, y el Espíritu lo acerca y lo hace precioso. Huya con toda su inquietud a este Dios trino. En Él puede morar un alma cansada, y Él será su morada por toda la eternidad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl