vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
Hebreeën 7:25
Zo de genadige Heere niet leefde om ons tot Voorspraak te zijn, kon Hij nauwelijks gezegd worden ons volkomen zalig te maken. Maar daar Hij altijd is aan de rechterhand Gods en altijd tussenbeide treedt, altijd de wierook van Zijn aanneembaar Middelaarsoffer aanbiedt, geeft dit een zeker onderpand van Zijn liefde, Zijn medelijden en Zijn macht. Is dit niet bemoedigend voor allen die door Hem tot God komen? En kunnen wij niet zeggen: „Zo zijn wij, o Heere! Wij komen dagelijks tot U door Jezus Christus”? En hebben wij al de bemoediging niet nodig die God ons daaruit schenken kan? Want door verzoeking en beproeving en menigvuldige bezoekingen op onze weg zinken wij dikwijls zeer laag.
Hoe zalig is het dan, zo gij slechts dit teken van genade in uw ziel kunt vinden, wanneer alle andere geheel voor het oog verloren schijnen. Indien gij iets weet van het werk in uw gemoed, dan weet gij dit: of gij door de Heere Jezus Christus tot God gekomen zijt, of gij door Hem steeds tot God komt. Het is zeer eenvoudig en toch veelbetekenend. Zijt gij gekomen als een verworpeling? Zijt gij gekomen als iemand die op het punt was om te komen? Want van de zodanigen wordt uitdrukkelijk gesproken: welke komen op die dag, als de grote bazuin zal slaan; de grote en roemrijke bazuin des Evangelies, want haar feesttonen klinken uitsluitend voor hen.
Zijt gij gekomen in het geloof? Zijt gij gekomen in hope? Zijt gij gekomen in liefde? En hebt gij in uw eigen boezem enigermate iets gevonden dat sprak van aanneming en goedkeuring? „Ja”, zeggen enigen, „met al mijn twijfel en mijn vrees kan ik, gevraagd wordende, op uw vraag met een eerlijk hart en opgeheven hoofd antwoorden dat ik door Jezus Christus tot God gekomen ben en dat ik de zaligheid daarvan ondervonden heb.” Dan zult gij iets gekend hebben of zult gij iets kennen van het „volkomen zaligmaken”; en hoe meer gij van dat „volkomen zaligmaken” weet, des te meer zult gij roemen in de zaligheid door de genade; des te meer zult gij u vastklemmen aan de Zone Gods; des te meer zult gij u hechten aan Zijn volbracht werk, en des te meer zult gij zien op Hem, Die zo vriendelijk gezegd heeft: „Ziet op Mij en wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God, en niemand meer.”
Ps. 118:7
Aan de lezer…
Misschien zinkt u soms zo laag door verzoeking en beproeving, dat ieder teken van genade u ontvalt. Houd dan dit ene vast: komt u door Jezus Christus tot God? Misschien komt u als een verworpeling, als iemand die op het punt was om te komen, met veel twijfel en vrees. Het is zeer eenvoudig, en toch is het veelbetekenend; want juist voor zulken klinken de feesttonen van de bazuin des Evangelies.
Hij leeft altijd om voor hen te bidden. Hij staat aan de rechterhand Gods en biedt daar de wierook van Zijn Middelaarsoffer aan, en dat is een zeker onderpand van Zijn liefde, Zijn medelijden en Zijn macht. Daarom kan Hij volkomen zalig maken. Kleef dan aan Hem, hecht u aan Zijn volbracht werk, en zie op Hem Die zegt: „Ziet op Mij en wordt behouden.” Hoe meer u dat volkomen zaligmaken leert kennen, des te meer zult u roemen in de genade.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
Hebreeën 7:25
Als de genadige Heere niet leefde om onze Voorspraak te zijn, zou men nauwelijks kunnen zeggen dat Hij ons volkomen zalig maakt. Maar omdat Hij altijd aan de rechterhand van God is en altijd voor ons tussenbeide treedt, en altijd de wierook van Zijn aangenaam Middelaarsoffer aanbiedt, is dat een zeker onderpand van Zijn liefde, Zijn medelijden en Zijn macht. Is dit niet bemoedigend voor allen die door Hem tot God komen? En kunnen wij niet zeggen: „Zo zijn wij, o Heere! Wij komen dagelijks tot U door Jezus Christus”? En hebben wij niet alle bemoediging nodig die God ons daaruit kan schenken? Want door verzoeking en beproeving en de vele bezoekingen op onze weg zinken wij vaak heel diep.
Hoe heerlijk is het dan als u alleen dit teken van genade in uw ziel kunt vinden, wanneer alle andere helemaal uit het oog verloren lijken. Als u iets weet van het werk in uw hart, dan weet u dit: of u door de Heere Jezus Christus tot God gekomen bent, en of u door Hem steeds tot God komt. Het is heel eenvoudig en toch veelbetekenend. Bent u gekomen als een verworpene? Bent u gekomen als iemand die op het punt stond om te vergaan? Want over zulken wordt uitdrukkelijk gesproken: zij komen op die dag, wanneer met de grote bazuin geblazen wordt; de grote en roemrijke bazuin van het Evangelie, want haar feesttonen klinken uitsluitend voor hen.
Bent u gekomen in het geloof? Bent u gekomen in hoop? Bent u gekomen in liefde? En hebt u in uw eigen binnenste enigszins iets gevonden dat sprak van aanneming en goedkeuring? „Ja”, zeggen sommigen, „met al mijn twijfel en mijn vrees kan ik, gevraagd wordende, op uw vraag met een eerlijk hart en opgeheven hoofd antwoorden dat ik door Jezus Christus tot God gekomen ben en dat ik de zaligheid daarvan ondervonden heb.” Dan zult u iets gekend hebben, of zult u iets kennen, van het „volkomen zaligmaken”. En hoe meer u van dat „volkomen zaligmaken” weet, hoe meer zult u roemen in de zaligheid door genade; hoe meer zult u zich vastklemmen aan de Zoon van God; hoe meer zult u zich hechten aan Zijn volbrachte werk; en hoe meer zult u zien op Hem Die zo vriendelijk gezegd heeft: „Ziet op Mij en wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God, en niemand meer.”
Ps. 118:7
Aan de lezer…
Misschien zinkt u soms zo diep door verzoeking en beproeving, dat elk teken van genade u ontvalt. Houd dan dit ene vast: komt u door Jezus Christus tot God? Misschien komt u als een verworpene, als iemand die op het punt stond om te vergaan, met veel twijfel en vrees. Het is heel eenvoudig, en toch is het veelbetekenend; want juist voor zulke mensen klinken de feesttonen van de bazuin van het Evangelie.
Hij leeft altijd om voor hen te bidden. Hij staat aan de rechterhand van God en biedt daar de wierook van Zijn Middelaarsoffer aan, en dat is een zeker onderpand van Zijn liefde, Zijn medelijden en Zijn macht. Daarom kan Hij volkomen zalig maken. Klem u dan aan Hem vast, hecht u aan Zijn volbrachte werk, en zie op Hem Die zegt: „Ziet op Mij en wordt behouden.” Hoe meer u dat volkomen zaligmaken leert kennen, hoe meer u zult roemen in de genade.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore He is able also to save them to the uttermost that come unto God by Him, seeing He ever liveth to make intercession for them.
Hebrews 7:25
If the gracious Lord did not live to make intercession for us, He could hardly be said to save us to the uttermost. But as He ever lives at God’s right hand and is ever interceding, ever presenting the perfume of His acceptable mediation, this gives us a certain pledge of His love, His pity, and His power. Is not this very encouraging to all who come unto God by Him? and may we not say, “Such are we, O Lord; we do come, we daily come to You by Jesus Christ?” And do we not need all the encouragement that God may give us out of it? for we often sink very low through temptation and trial and the manifold afflictions of the way.
How blessed, then, it is if you can only trace this mark of grace in your soul when others seem almost lost out of sight. If you know anything of internal work, you know this—whether you have come—whether you are coming to God by Jesus Christ. It is very simple, yet very expressive. Have you come as an outcast? Have you come as ready to perish? for these are expressly spoken of as coming in that day when the great trumpet is blown, the great and glorious trumpet of the gospel, for its jubilee notes are sounded specially for them.
Have you come in faith? have you come in hope? have you come in love? and have you found any measure of acceptance and approbation in your own bosom? “Yes,” say some, “with all my doubts, fears, and questioning, I can answer your question with an honest heart and a firm front, that I have come to God by Jesus Christ, and have felt the blessedness of so doing.”
Then you have known something or will know something about the uttermost; and the more you know about the uttermost, the more you will prize salvation by grace, the more you will cleave to the Son of God, the more you will hang upon His finished work, and the more you will look unto Him Who has so kindly said, “Look unto Me and be saved, all the ends of the earth; for I am God, and there is none else.”
To the reader…
Perhaps you sometimes sink so low through temptation and trial that every mark of grace slips away from you. Then hold fast to this one thing: do you come to God by Jesus Christ? Perhaps you come as an outcast, as one ready to perish, with many doubts and fears. It is very simple, and yet very expressive; for it is for just such people that the jubilee notes of the gospel trumpet sound.
He ever lives to make intercession for them. He stands at the right hand of God and presents there the perfume of His mediation, and that is a certain pledge of His love, His pity and His power. That is why He is able to save to the uttermost. Cleave to Him, then, hang upon His finished work, and look to Him Who says, “Look unto Me, and be ye saved.” The more you come to know that saving to the uttermost, the more you will glory in grace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por lo cual puede también salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios, viviendo siempre para interceder por ellos.
Hebreos 7:25
Si el bondadoso Señor no viviera para interceder por nosotros, difícilmente podría decirse que nos salva hasta lo sumo. Pero como Él vive siempre a la diestra de Dios y siempre intercede, presentando siempre el perfume de Su aceptable mediación, esto nos da una prenda segura de Su amor, de Su compasión y de Su poder. ¿No es esto muy alentador para todos los que por Él se allegan a Dios? ¿Y no podemos decir: “Tales somos nosotros, oh Señor; sí venimos, venimos cada día a Ti por Jesucristo”? ¿Y no necesitamos todo el aliento que Dios pueda darnos de ello? Porque a menudo nos hundimos muy bajo por la tentación y la prueba y las múltiples aflicciones del camino.
¡Qué bienaventurado es, pues, si usted puede siquiera trazar esta marca de la gracia en su alma cuando otras parecen casi perdidas de vista! Si sabe algo de la obra interior, sabe esto: si ha venido, si está viniendo a Dios por Jesucristo. Es muy sencillo, y sin embargo muy expresivo. ¿Ha venido usted como un desterrado? ¿Ha venido como quien está a punto de perecer? Porque de estos se dice expresamente que vendrán en aquel día en que se toque la gran trompeta, la grande y gloriosa trompeta del evangelio, pues sus notas de jubileo suenan especialmente para ellos.
¿Ha venido usted con fe? ¿Ha venido con esperanza? ¿Ha venido con amor? ¿Y ha hallado alguna medida de aceptación y aprobación en su propio pecho? “Sí”, dicen algunos, “con todas mis dudas, temores y cuestionamientos, puedo responder a su pregunta con un corazón honrado y con firmeza que he venido a Dios por Jesucristo, y he sentido la bienaventuranza de hacerlo”.
Entonces usted ha conocido algo, o conocerá algo, de ese “hasta lo sumo”; y cuanto más conozca de ese “hasta lo sumo”, tanto más apreciará la salvación por gracia, tanto más se aferrará al Hijo de Dios, tanto más se colgará de Su obra consumada, y tanto más mirará a Aquel que tan bondadosamente ha dicho: “Mirad a Mí, y sed salvos, todos los términos de la tierra: porque Yo soy Dios, y no hay más”.
Al lector…
Quizá a veces se hunde usted tan bajo por la tentación y la prueba que toda marca de la gracia se le escapa. Aférrese entonces a esta sola cosa: ¿viene usted a Dios por Jesucristo? Tal vez venga como un desterrado, como quien está a punto de perecer, con muchas dudas y temores. Es muy sencillo, y sin embargo muy expresivo; porque es precisamente para tales personas que suenan las notas de jubileo de la trompeta del evangelio.
Él vive siempre para interceder por ellos. Está a la diestra de Dios y presenta allí el perfume de Su mediación, y esa es una prenda segura de Su amor, de Su compasión y de Su poder. Por eso puede salvar hasta lo sumo. Aférrese, pues, a Él, cuélguese de Su obra consumada y mire a Aquel que dice: “Mirad a Mí, y sed salvos”. Cuanto más llegue a conocer ese salvar hasta lo sumo, tanto más se gloriará en la gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Hebt de wereld niet lief
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
1 Johannes 2:15-17
Sommigen van u zeggen wellicht: „Ik houd er erg van als het evangelie getrouw wordt gepredikt, en ik zou grif een grote afstand lopen om een bekwame, ervaren predikant te horen, een echte dienaar van Jezus Christus, die met smaak, vuur en kracht predikt. Ik heb vele jaren beweerd de dingen Gods voor mezelf te kennen, en ik houd er erg van als de waarheid in overeenstemming met mijn gevoelens wordt verkondigd.” Dit klinkt allemaal erg goed, en is zeker min of meer wat degenen zeggen die de waarheid kennen en liefhebben. Maar woorden zijn op zijn best slechts woorden; en velen spreken erg mooi, maar handelen er niet naar. Pas deze beproeving eens op uw hart en uw leven toe.
Hebt u de wereld lief, de tijdelijke en zintuiglijke dingen? Zijn ze verstrengeld met uw gevoelens? Nemen ze de voornaamste plaats in uw hart in? Wat zijn uw bezigheden, als u ze ongehinderd kunt nastreven? Ik zeg bezigheden, want ik bedoel geen noodzakelijke verplichtingen. Wie zijn uw metgezellen? Aan welk gezelschap geeft u de voorkeur? Dat van lichte, ijdele en onbeduidende, vleselijke en wereldse mensen, of dat van de beproefde, bezochte, geoefende kinderen van God? Welk onderwerp houdt u in gedachten het meest bezig, blijft dag en nacht bij u, is voor u uw alles? Zijn het de dingen Gods, of hetgeen in de wereld is?
Waaraan wilt u de meeste aandacht schenken en wat wilt u het liefst verwerven? Is het de openbaring van de goedheid en barmhartigheid van de Heere, het binnendringen van Zijn vergevende liefde, het toepassen van Zijn verzoenende bloed, de verborgen fluisteringen van Zijn genegenheid voor u, en het genieten van Zijn aanwezigheid? Of bent u tevreden zonder deze goddelijke werkelijkheden, en gaan er uren en dagen voorbij zonder dat u er ooit naar verlangt of ernaar uitziet? Welnu, als dit zo is, is de liefde van de Vader zeer zeker niet in u. Praat zo lang en luid als u wilt over vroomheid, dit ene zal alles met „Tekel” bestempelen: in weegschalen gewogen, is het te licht bevonden. Als u de wereld liefhebt, en hetgeen in de wereld is, is de liefde van God niet in uw hart.
Lezen: Psalm 119:105-120
Aan de lezer…
Hier worden u enkele vragen gesteld; schrik er niet voor terug, maar laat ze in de stilte tot uw hart spreken. Waar gaan uw gedachten heen wanneer niets ze tegenhoudt? Welk gezelschap zoekt u, en waarnaar strekt uw ziel zich het meest uit? Woorden zijn slechts woorden; de Heere weegt het hart. Misschien moet u bekennen dat er uren en dagen voorbijgaan zonder dat u naar Hem verlangt. Verberg dat niet; breng het eerlijk voor Hem.
Want het is juist de ziel die zich in de weegschaal te licht bevindt, die leert zuchten om wat zij mist: om de openbaring van Zijn goedheid, de toepassing van Zijn verzoenend bloed, de verborgen fluisteringen van Zijn liefde. Kunt u zeggen dat u daarnaar uitziet, al bezit u het nog weinig? Houd dan aan bij Hem, Die het geven kan, en bid dat de liefde tot de wereld wijke voor de liefde des Vaders in uw hart.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
1 Johannes 2:15-17
Sommigen van u zeggen misschien: „Ik houd er erg van als het evangelie getrouw wordt gepredikt, en ik zou grif een grote afstand lopen om een bekwame, ervaren predikant te horen, een echte dienaar van Jezus Christus, die met smaak, vuur en kracht predikt. Ik heb vele jaren beweerd de dingen Gods voor mezelf te kennen, en ik houd er erg van als de waarheid in overeenstemming met mijn gevoelens wordt verkondigd.” Dit klinkt allemaal heel goed, en het is zeker min of meer wat zij zeggen die de waarheid kennen en liefhebben. Maar woorden zijn op hun best slechts woorden, en velen spreken heel mooi, maar handelen er niet naar. Leg deze toets eens aan uw hart en uw leven.
Hebt u de wereld lief, de tijdelijke en zichtbare dingen? Zijn ze met uw genegenheden verweven? Nemen ze de voornaamste plaats in uw hart in? Wat zijn uw bezigheden, wanneer u ze ongehinderd kunt volgen? Ik zeg bezigheden, want ik bedoel geen noodzakelijke verplichtingen. Wie zijn uw metgezellen? Aan welk gezelschap geeft u de voorkeur? Aan dat van lichtzinnige, ijdele en oppervlakkige, vleselijke en wereldse mensen, of aan dat van de beproefde, bezochte, geoefende kinderen van God? Welk onderwerp houdt uw gedachten het meest bezig, blijft dag en nacht bij u en is voor u alles? Zijn het de dingen van God, of wat in de wereld is?
Waaraan wilt u de meeste aandacht schenken en wat wilt u het liefst verkrijgen? Is het de openbaring van de goedheid en barmhartigheid van de Heere, het indringen van Zijn vergevende liefde, de toepassing van Zijn verzoenend bloed, de verborgen fluisteringen van Zijn genegenheid voor u, en het genieten van Zijn tegenwoordigheid? Of bent u tevreden zonder deze goddelijke werkelijkheden, en gaan er uren en dagen voorbij zonder dat u er ooit naar verlangt of naar uitziet? Welnu, als dat zo is, dan is de liefde van de Vader zeer zeker niet in u. Praat zo lang en luid als u wilt over vroomheid; dit ene zal over alles „Tekel” schrijven: in weegschalen gewogen en te licht bevonden. Als u de wereld liefhebt en wat in de wereld is, is de liefde van God niet in uw hart.
Lezen: Psalm 119:105-120
Aan de lezer…
Hier worden u enkele vragen gesteld; schrik er niet voor terug, maar laat ze in de stilte tot uw hart spreken. Waar gaan uw gedachten heen wanneer niets ze tegenhoudt? Welk gezelschap zoekt u, en waarnaar strekt uw ziel zich het meest uit? Woorden zijn slechts woorden; de Heere weegt het hart. Misschien moet u bekennen dat er uren en dagen voorbijgaan zonder dat u naar Hem verlangt. Verberg dat niet; breng het eerlijk bij Hem.
Want juist de ziel die in de weegschaal te licht bevonden wordt, leert zuchten om wat zij mist: om de openbaring van Zijn goedheid, de toepassing van Zijn verzoenend bloed, de verborgen fluisteringen van Zijn liefde. Kunt u zeggen dat u daarnaar uitziet, al bezit u er nog weinig van? Blijf dan aanhouden bij Hem, Die het geven kan, en bid dat de liefde tot de wereld wijkt voor de liefde van de Vader in uw hart.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Love not the world, neither the things that are in the world. If any man love the world, the love of the Father is not in him. For all that is in the world, the lust of the flesh, and the lust of the eyes, and the pride of life, is not of the Father, but is of the world. And the world passeth away, and the lust thereof: but he that doeth the will of God abideth for ever.
1 John 2:15-17
Some of you perhaps say, “I dearly love to hear the gospel faithfully preached, and I would gladly walk a long way to hear an able, experienced minister, a real servant of Jesus Christ, who preaches with savour, unction and power. I have professed for many years to know the things of God for myself, and I dearly love to hear the truth preached in accordance with my feelings.” This all sounds very well, and it is certainly more or less what those say who know and love the truth. But words at best are but words, and many speak very fairly but do not act accordingly. Apply this test to your heart and life.
Do you love the world, the things of time and sense? Are they interwoven with your affections? Do they hold the chief place in your heart? What are your pursuits, when you can follow them without hindrance? I say pursuits, for I do not mean necessary duties. Who are your companions? Whose company do you prefer? That of light, vain and frivolous, carnal and worldly people, or that of the tried, afflicted, exercised children of God? What subject most occupies your thoughts, stays with you day and night and is everything to you? Is it the things of God, or the things that are in the world?
To what would you most give your attention and what would you most like to obtain? Is it the manifestation of the goodness and mercy of the Lord, the coming in of His pardoning love, the application of His atoning blood, the secret whispers of His favour to you, and the enjoyment of His presence? Or are you satisfied without these divine realities, and do hours and days pass by without your ever longing or looking for them? Well, if that is so, then the love of the Father is most certainly not in you.
Talk as long and as loudly as you will about religion; this one thing will write “Tekel” upon it all: weighed in the balances and found wanting. If you love the world and the things that are in the world, the love of God is not in your heart.
Reading: Psalm 119:105-120
To the reader…
Some questions are put to you here; do not shrink from them, but let them speak to your heart in the quiet. Where do your thoughts go when nothing holds them back? Whose company do you seek, and after what does your soul reach out most? Words are but words; the Lord weighs the heart. Perhaps you must confess that hours and days go by without your longing for Him. Do not hide it; bring it honestly to Him.
For it is just the soul that is found wanting in the balances that learns to sigh for what it lacks: for the manifestation of His goodness, the application of His atoning blood, the secret whispers of His love. Can you say that you look for these things, though you possess but little of them as yet? Then keep on waiting upon Him, Who is able to give it, and pray that the love of the world may give way to the love of the Father in your heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No améis al mundo, ni las cosas que están en el mundo. Si alguno ama al mundo, el amor del Padre no está en él. Porque todo lo que hay en el mundo, la concupiscencia de la carne, y la concupiscencia de los ojos, y la soberbia de la vida, no es del Padre, mas es del mundo. Y el mundo se pasa, y su concupiscencia; mas el que hace la voluntad de Dios, permanece para siempre.
1 Juan 2:15-17
Algunos de ustedes quizás digan: “Me encanta oír el evangelio predicado fielmente, y con gusto caminaría un largo trecho para oír a un ministro capaz y experimentado, un verdadero siervo de Jesucristo, que predica con sabor, unción y poder. Hace muchos años que profeso conocer por mí mismo las cosas de Dios, y me encanta oír la verdad predicada conforme a mis sentimientos”. Todo esto suena muy bien, y ciertamente es más o menos lo que dicen los que conocen y aman la verdad. Pero las palabras, en el mejor de los casos, no son más que palabras, y muchos hablan muy bien pero no obran en consecuencia. Aplique esta prueba a su corazón y a su vida.
¿Ama usted al mundo, las cosas del tiempo y de los sentidos? ¿Están entretejidas con sus afectos? ¿Ocupan el lugar principal en su corazón? ¿Cuáles son sus ocupaciones, cuando puede seguirlas sin impedimento? Digo ocupaciones, porque no me refiero a los deberes necesarios. ¿Quiénes son sus compañeros? ¿Qué compañía prefiere? ¿La de gente ligera, vana y frívola, carnal y mundana, o la de los hijos de Dios probados, afligidos y ejercitados? ¿Qué asunto ocupa más sus pensamientos, le acompaña día y noche y lo es todo para usted? ¿Son las cosas de Dios, o las cosas que están en el mundo?
¿A qué dedicaría más su atención y qué desearía más obtener? ¿Es la manifestación de la bondad y la misericordia del Señor, la entrada de Su amor perdonador, la aplicación de Su sangre expiatoria, los susurros secretos de Su favor hacia usted, y el gozo de Su presencia? ¿O está satisfecho sin estas realidades divinas, y pasan horas y días sin que nunca las anhele ni las busque? Pues bien, si es así, entonces el amor del Padre ciertamente no está en usted.
Hable cuanto quiera y tan alto como quiera de religión; esta sola cosa escribirá “Tekel” sobre todo ello: pesado en balanza y hallado falto. Si ama al mundo y las cosas que están en el mundo, el amor de Dios no está en su corazón.
Lectura: Salmo 119:105-120
Al lector…
Aquí se le hacen algunas preguntas; no las rehúya, sino deje que hablen a su corazón en la quietud. ¿Adónde van sus pensamientos cuando nada los retiene? ¿Qué compañía busca, y hacia qué se extiende más su alma? Las palabras no son más que palabras; el Señor pesa el corazón. Quizás deba confesar que pasan horas y días sin que le anhele a Él. No lo oculte; tráigalo sinceramente a Él.
Porque es precisamente el alma que es hallada falta en la balanza la que aprende a suspirar por lo que le falta: por la manifestación de Su bondad, la aplicación de Su sangre expiatoria, los susurros secretos de Su amor. ¿Puede decir que busca estas cosas, aunque todavía posea poco de ellas? Entonces siga esperando en Él, Quien puede darlo, y ore para que el amor al mundo ceda ante el amor del Padre en su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja zij zal niet zijn, totdat Hij kome, Die daartoe recht heeft, en Die Ik dat geven zal.
Ezechiël 21:27
Er moet dan Iemand komen Die daartoe recht heeft. Er is een Koning Die recht heeft op de troon en op de troon Zijner onderdanen; een recht op al wat zij zijn en op alles wat zij hebben. Maar vanwaar heeft Hij dit recht verkregen? „Totdat Hij komt, Die daartoe recht heeft.” Het is dan Zijn recht, eerst door schenking en gift; de Vader heeft aan de Zoon al de uitverkorenen gegeven. „Zie hier Ik, en de kinderen, die Gij Mij gegeven hebt.” „Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” Dus voor zover wij Zijne zijn, heeft Jezus een recht op onze personen; en in dit recht op onze personen heeft Hij door dezelfde oorspronkelijke schenking van God de Vader een recht op onze harten en genegenheden.
Maar Hij heeft een ander recht, en dat is door koping en verlossing. Hij heeft Zijn volk verlost door Zijn eigen bloed. Hij heeft Zijn leven voor hen afgelegd en hen dus gekocht, en alzo een recht op hen gevestigd door de volle en volkomen prijs die Hij Zelf voor hen heeft opgebracht aan het kruis. Dit tweevoudige recht oefent Hij telkens wanneer Hij een plechtige vordering doet op eenieder van Zijn volk, die Hij gekocht heeft. En deze vordering doet Hij wanneer de gezegende Geest in de ziel komt om haar te arresteren en te grijpen als een vat der barmhartigheid en haar brengt aan Zijn voeten, opdat Hij als Koning en Heere in haar genegenheden gekroond worde.
Want men dient in acht te nemen dat het bezit van het hart, met al deszelfs genegenheden, Zijn recht is, en dat Hij Zijn eer aan geen ander geven zal. Hij wil Zijn eigendom niet in andere handen zien; het is Hem niet genoeg dat Hij alleen een recht heeft op de personen van Zijn beminde volk: Hij moet hun harten hebben. En in het oefenen van Zijn recht op hun genegenheden beoogt Hij als de Allerhoogste te regeren, duldt Hij geen mededinger en staat Hij geen medewerking toe, in welke vorm dan ook, maar wil Hij als Koning en Heere daar erkend worden.
Maar waar is de ziel vóór Hij inkomt met kracht, in liefelijkheid, in schoonheid, in dierbaarheid? Wat en waar is zij? Een ruïne! En niemand kende ooit veel van de dierbaarheid van Christus, wiens ziel in de gewaarwording niet een puinhoop was en bij wie het eigen ik niet omvergestoten is geworden. Neen, niemand kan ooit vurig verlangen dat de Heere van leven en heerlijkheid zijn hart met Zijn zaligheid zal bezoeken, zal inkomen met de kracht Zijner opstanding, in de heerlijkheid van Zijn gerechtigheid, in de dierbaarheid van Zijn tegenwoordigheid; niemand kan geestelijk verlangen, zuchten, roepen, smeken, bidden en vragen om de openbaring van Christus aan zijn ziel, die niet een ellendige puinhoop voor God geworden is, en in wie niet het eigen ik in zoverre ten onder gegaan is dat het één grote puinhoop voor God geworden is, of zover is afgebroken dat de macht des mensen niet één steen op zijn plaats kan zetten om het vorige gebouw weer te kunnen oprichten.
Aan de lezer…
Ziet u in uw ziel niets anders dan een ruïne? Is uw eigen ik zo omvergestoten dat u geen steen meer op zijn plaats kunt zetten om het oude gebouw weer op te richten? Dat is bitter, en het voelt als verlies. Maar juist zulk een puinhoop is de plaats waar de Koning wil inkomen, met de kracht Zijner opstanding en de dierbaarheid van Zijn tegenwoordigheid.
Hij heeft recht op u: de Vader heeft u Hem gegeven, en Hij heeft u gekocht met Zijn eigen bloed. Hij is niet tevreden met uw persoon alleen; Hij wil uw hart, en Hij duldt daar geen mededinger. Laat dan uw zuchten en roepen om Zijn openbaring niet ophouden. Die het recht heeft, zal komen, en Hij zal als Koning en Heere in uw genegenheden gekroond worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja zij zal niet zijn, totdat Hij kome, Die daartoe recht heeft, en Die Ik dat geven zal.
Ezechiël 21:27
Er moet dus Iemand komen Die daartoe recht heeft. Er is een Koning Die recht heeft op de troon en op de troon van Zijn onderdanen; recht op alles wat zij zijn en op alles wat zij hebben. Maar waar heeft Hij dit recht vandaan? „Totdat Hij komt, Die daartoe recht heeft.” Het is dus Zijn recht, ten eerste door schenking en gave: de Vader heeft alle uitverkorenen aan de Zoon gegeven. „Zie hier Ik, en de kinderen, die Gij Mij gegeven hebt.” „Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” Voor zover wij de Zijnen zijn, heeft Jezus dus recht op onze personen; en met dit recht op onze personen heeft Hij, door dezelfde oorspronkelijke schenking van God de Vader, ook recht op ons hart en onze genegenheden.
Maar Hij heeft nog een ander recht, en dat is door koop en verlossing. Hij heeft Zijn volk verlost door Zijn eigen bloed. Hij heeft Zijn leven voor hen afgelegd en hen zo gekocht, en daarmee recht op hen verkregen door de volle en volkomen prijs die Hij Zelf aan het kruis voor hen heeft betaald. Dit tweevoudige recht oefent Hij uit telkens wanneer Hij plechtig aanspraak maakt op ieder van Zijn volk dat Hij gekocht heeft. En die aanspraak maakt Hij wanneer de gezegende Geest in de ziel komt om haar aan te houden en te grijpen als een vat van barmhartigheid, en haar aan Zijn voeten brengt, zodat Hij als Koning en Heere in haar genegenheden gekroond wordt.
Want men moet bedenken dat het bezit van het hart, met al zijn genegenheden, Zijn recht is, en dat Hij Zijn eer aan geen ander zal geven. Hij wil Zijn eigendom niet in andere handen zien. Het is Hem niet genoeg alleen recht te hebben op de personen van Zijn geliefde volk: Hij moet hun hart hebben. En wanneer Hij Zijn recht op hun genegenheden uitoefent, wil Hij daar als de Allerhoogste regeren. Hij duldt geen mededinger en staat geen medewerking toe, in welke vorm dan ook, maar wil daar als Koning en Heere erkend worden.
Maar waar is de ziel voordat Hij binnenkomt met kracht, in lieflijkheid, in schoonheid, in dierbaarheid? Wat en waar is zij? Een ruïne! En niemand heeft ooit veel geweten van de dierbaarheid van Christus wiens ziel naar zijn gevoel geen puinhoop was en bij wie het eigen ik niet was omvergeworpen. Nee, niemand kan ooit vurig verlangen dat de Heere van leven en heerlijkheid zijn hart zal bezoeken met Zijn zaligheid, zal binnenkomen met de kracht van Zijn opstanding, in de heerlijkheid van Zijn gerechtigheid, in de dierbaarheid van Zijn tegenwoordigheid. Niemand kan geestelijk verlangen, zuchten, roepen, smeken, bidden en vragen om de openbaring van Christus aan zijn ziel, die niet voor God een ellendige puinhoop geworden is, en in wie het eigen ik niet zo ten onder gegaan is dat het één grote puinhoop voor God geworden is, of zo ver is afgebroken dat geen mensenmacht ook maar één steen op zijn plaats kan zetten om het vroegere gebouw weer op te richten.
Aan de lezer…
Ziet u in uw ziel niets anders dan een ruïne? Is uw eigen ik zo omvergeworpen dat u geen steen meer op zijn plaats kunt zetten om het oude gebouw weer op te richten? Dat is bitter, en het voelt als verlies. Maar juist zo’n puinhoop is de plaats waar de Koning wil binnenkomen, met de kracht van Zijn opstanding en de dierbaarheid van Zijn tegenwoordigheid.
Hij heeft recht op u: de Vader heeft u aan Hem gegeven, en Hij heeft u gekocht met Zijn eigen bloed. Hij is niet tevreden met uw persoon alleen; Hij wil uw hart, en Hij duldt daar geen mededinger. Laat dan uw zuchten en roepen om Zijn openbaring niet ophouden. Hij Die het recht heeft, zal komen, en Hij zal als Koning en Heere in uw genegenheden gekroond worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“I will overturn, overturn, overturn, it: and it shall be no more, until he come whose right it is; and I will give it him.”
Ezekiel 21:27
There is one then to come, “whose right it is;” there is a King Who has a right to the throne, and to the allegiance of His subjects; a right to all that they are and to all that they have. But whence has He gained this right? “Until He comes whose right it is.” It is His right then, first, by original donation and gift, the Father having given to the Son all the elect. “Here am I,” says Jesus, “and the children that You have given Me.” “All that the Father gives Me shall come to Me.” Then, so far as we are His, Jesus has a right to our persons; and in having a right to our persons, He has, by the same original donation of God the Father, a right to our hearts and affections.
But He has another right, and that is by purchase and redemption, He having redeemed His people with His own blood, having laid down His life for them, and thus bought and purchased them, and so established a right to them by the full and complete price which He Himself paid down upon the cross for them. This twofold right He exercises every time that He lays a solemn claim to any one of the people whom He has purchased. And this claim He lays when the blessed Spirit comes into the soul to arrest and apprehend a vessel of mercy, and bring it to His feet, that He may be enthroned as King and Lord in its affections.
For be it remembered, that the possession of the heart with all its affections is His right; and “His glory He will not give to another;” His property He will not allow to pass into other hands; He is not satisfied with merely having a right to the persons of His dear people, He must have their hearts; and in exercising His right to their affections, He will reign and rule supreme, allowing no rival, admitting no co-operation with SELF in any shape or form, but He Himself to be established as King and Lord there.
Then where is the soul before He comes into it in power, in sweetness, in beauty, in preciousness? What and where is it? A heap of ruins. And no man ever knew much of the preciousness of Christ, whose soul was not a heap of ruins, and in whom self had not been overturned and cast to the ground. No; no man ever ardently panted that the Lord of life and glory should visit his heart with His salvation, should come in the power of His resurrection, in the glory of His righteousness, in the preciousness of His presence; no man ever spiritually desired, sighed, cried, groaned, sued, and begged for the manifestation of Christ to his soul, who was not a ruined wretch before God, and in whom self had not been overturned so as to be a desolate heap, so overthrown that all the power of man could not put any one stone in its place, or rebuild the former edifice.
To the reader…
Do you see nothing in your soul but a ruin? Has your own self been so overturned that you cannot put a single stone back in its place to raise the old building again? That is bitter, and it feels like loss. But just such a heap of ruins is the place where the King wants to come in, with the power of His resurrection and the preciousness of His presence.
He has a right to you: the Father has given you to Him, and He has bought you with His own blood. He is not satisfied with your person alone; He wants your heart, and He tolerates no rival there. So do not let your sighs and cries for His manifestation cease. He Whose right it is will come, and He will be crowned as King and Lord in your affections.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Del revés, del revés, del revés la tornaré; y no será esta más, hasta que venga Aquel cuyo es el derecho, y yo se lo entregaré.”
Ezequiel 21:27
Hay, pues, Uno que ha de venir, “cuyo es el derecho”; hay un Rey que tiene derecho al trono y a la lealtad de Sus súbditos; derecho a todo lo que ellos son y a todo lo que tienen. ¿Pero de dónde le viene este derecho? “Hasta que venga Aquel cuyo es el derecho.” Es Su derecho, pues, en primer lugar, por donación y dádiva original, habiendo dado el Padre al Hijo a todos los escogidos. “He aquí yo”, dice Jesús, “y los hijos que me dio Dios.” “Todo lo que el Padre me da, vendrá a Mí.” Así pues, en cuanto somos Suyos, Jesús tiene derecho a nuestras personas; y al tener derecho a nuestras personas, tiene, por la misma donación original de Dios Padre, derecho a nuestros corazones y afectos.
Pero tiene otro derecho, y es por compra y redención, habiendo redimido a Su pueblo con Su propia sangre, habiendo puesto Su vida por ellos, y así comprándolos y adquiriéndolos, y estableciendo de este modo un derecho sobre ellos por el precio pleno y completo que Él mismo pagó por ellos en la cruz. Este doble derecho lo ejerce cada vez que hace valer solemnemente Su reclamo sobre alguno del pueblo que ha comprado. Y este reclamo lo hace valer cuando el bendito Espíritu entra en el alma para detener y prender a un vaso de misericordia, y traerlo a Sus pies, para que Él sea entronizado como Rey y Señor en sus afectos.
Porque recuérdese que la posesión del corazón con todos sus afectos es derecho Suyo; y “a otro no dará Su gloria”; no permitirá que Su propiedad pase a otras manos; no se contenta con tener meramente derecho a las personas de Su amado pueblo: tiene que tener sus corazones; y al ejercer Su derecho sobre sus afectos, reinará y gobernará supremo, sin permitir rival alguno, sin admitir cooperación alguna con el YO en ninguna forma o manera, sino que Él mismo ha de ser establecido allí como Rey y Señor.
¿Dónde está, pues, el alma antes de que Él entre en ella con poder, con dulzura, con hermosura, con preciosidad? ¿Qué es y dónde está? Un montón de ruinas. Y ningún hombre conoció jamás mucho de la preciosidad de Cristo cuya alma no fuera un montón de ruinas, y en quien el yo no hubiera sido trastornado y echado por tierra. No; ningún hombre anheló jamás ardientemente que el Señor de vida y de gloria visitara su corazón con Su salvación, que viniera en el poder de Su resurrección, en la gloria de Su justicia, en la preciosidad de Su presencia; ningún hombre deseó, suspiró, clamó, gimió, suplicó y rogó jamás espiritualmente por la manifestación de Cristo a su alma, que no fuera un miserable arruinado delante de Dios, y en quien el yo no hubiera sido trastornado hasta quedar hecho un montón desolado, tan derribado que todo el poder del hombre no podría poner ni una sola piedra en su lugar ni reedificar el antiguo edificio.
Al lector…
¿No ve usted en su alma nada más que una ruina? ¿Ha sido su propio yo tan trastornado que no puede volver a poner ni una sola piedra en su lugar para levantar de nuevo el antiguo edificio? Eso es amargo, y se siente como una pérdida. Pero precisamente un montón de ruinas así es el lugar donde el Rey quiere entrar, con el poder de Su resurrección y la preciosidad de Su presencia.
Él tiene derecho a usted: el Padre le ha dado a usted a Él, y Él le ha comprado con Su propia sangre. No se contenta solo con su persona; quiere su corazón, y allí no tolera rival. No deje, pues, que cesen sus suspiros y clamores por Su manifestación. Aquel cuyo es el derecho vendrá, y será coronado como Rey y Señor en sus afectos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl