6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.
Johannes 16:33
Is onze weg niet min of meer een pad van verdrukkingen geweest, sedert het de Heere behaagde onze voeten het eerst op het enge pad te zetten? Maar hebben wij altijd vrede in Jezus gevonden en vinden wij die altijd in Hem? Wensen wij daar vrede te vinden? Zien wij uit, verwachten wij vrede te genieten van een andere kant? Durven wij slechts één ogenblik denken aan vrede in onszelf, vrede in de wereld, vrede in de zonde? Is ons hart zo aan Jezus gehecht, is ons oog zo op Hem gericht, gaan de begeerten onzer ziel zo uit naar de openbaringen Zijner barmhartigheden en liefde, dat wij zeker zijn, dat er geen vrede, die de naam verdient, gevonden wordt dan in Hem?
Onze tijden van vrede mogen niet zeer lang geweest zijn — zij mogen kortstondig, zeer kortstondig geweest zijn, en toch waren ze zoet, zolang ze duurden, en toch voldoende om te tonen wat ware vrede is, genoegzaam om ons vuriger te doen verlangen naar een duidelijker openbaring en een voller genot des vredes. En toch vat de Heere het alles samen in deze plechtige en gezegende verklaring, dat, ofschoon wij op ons aangewezen pad in de wereld verdrukking hebben, Hij de wereld overwonnen heeft; de zonde zal over ons niet heersen; de wereld zal ons niet overweldigen; de dingen des tijds en der zinnen zullen geen zegepraal op ons behalen; Hij geeft ons de liefelijke verzekering, dat Hij onze strijd zal strijden en ons meer dan overwinnaar zal doen zijn.
Laat ons alom zijn lof ontvouwen!
In Hem verblijdt zich ons gemoed,
omdat wij op zijn naam vertrouwen,
die naam zo heilig, groot en goed.
Goedertieren Vader, milde zegenader,
Stel Uw vriend’lijk hart, op welks gunst wij hopen,
eeuwig voor ons open;
Weer steeds alle smart.
Ps. 33:11
Aan de lezer…
Hoe vaak is uw weg een pad van verdrukking geweest, sinds de Heere uw voeten op het enge pad zette? Dat zal niet vreemd zijn, want Hij heeft het Zelf gezegd. Maar waar zoekt u dan uw vrede? Misschien nog een beetje in uzelf, of in de wereld, of in iets wat u liever niet noemt. Zeker, daar is geen vrede die de naam verdient.
Uw tijden van vrede in Jezus waren misschien kort, heel kort. Maar weet u nog hoe zoet zij waren? Zij waren genoeg om u te tonen wat ware vrede is, en om u vuriger te doen verlangen. Laat die herinnering u niet moedeloos maken, maar u terugdrijven naar Hem. Hij heeft de wereld overwonnen. De zonde zal niet over u heersen, en de wereld zal u niet overweldigen, want Hij zal uw strijd strijden. Hebt dan goede moed, niet in uzelf, maar in Hem.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.
Johannes 16:33
Is onze weg niet min of meer een pad van verdrukkingen geweest, sinds het de Heere behaagde onze voeten voor het eerst op het enge pad te zetten? Maar hebben wij altijd vrede in Jezus gevonden, en vinden wij die altijd in Hem? Wensen wij daar vrede te vinden? Zien wij uit naar vrede van een andere kant, verwachten wij die daar te genieten? Durven wij ook maar één ogenblik te denken aan vrede in onszelf, vrede in de wereld, vrede in de zonde? Is ons hart zo aan Jezus gehecht, is ons oog zo op Hem gericht, gaan de begeerten van onze ziel zo uit naar de openbaringen van Zijn barmhartigheden en liefde, dat wij zeker weten dat er geen vrede die die naam verdient te vinden is dan in Hem?
Onze tijden van vrede zijn misschien niet erg lang geweest. Zij waren misschien kort, heel kort, en toch waren ze zoet zolang ze duurden. Ze waren genoeg om te laten zien wat ware vrede is, en genoeg om ons vuriger te laten verlangen naar een duidelijker openbaring en een voller genieten van de vrede. En toch vat de Heere het alles samen in deze plechtige en gezegende verklaring: hoewel wij op ons aangewezen pad in de wereld verdrukking hebben, heeft Hij de wereld overwonnen. De zonde zal niet over ons heersen, de wereld zal ons niet overweldigen, de dingen van de tijd en van de zinnen zullen over ons niet zegevieren. Hij geeft ons de lieflijke verzekering dat Hij onze strijd zal strijden en ons meer dan overwinnaar zal maken.
Laat ons alom zijn lof ontvouwen!
In Hem verblijdt zich ons gemoed,
omdat wij op zijn naam vertrouwen,
die naam zo heilig, groot en goed.
Goedertieren Vader, milde zegenader,
Stel Uw vriend’lijk hart, op welks gunst wij hopen,
eeuwig voor ons open;
Weer steeds alle smart.
Ps. 33:11
Aan de lezer…
Hoe vaak is uw weg een pad van verdrukking geweest, sinds de Heere uw voeten op het enge pad zette? Dat is niet vreemd, want Hij heeft het Zelf gezegd. Maar waar zoekt u dan uw vrede? Misschien nog een beetje in uzelf, of in de wereld, of in iets wat u liever niet noemt. Daar is zeker geen vrede die die naam verdient.
Uw tijden van vrede in Jezus waren misschien kort, heel kort. Maar weet u nog hoe zoet zij waren? Zij waren genoeg om u te laten zien wat ware vrede is, en om u vuriger te laten verlangen. Laat die herinnering u niet moedeloos maken, maar u terugdrijven naar Hem. Hij heeft de wereld overwonnen. De zonde zal niet over u heersen en de wereld zal u niet overweldigen, want Hij zal uw strijd strijden. Heb dan goede moed, niet in uzelf, maar in Hem.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In the world ye shall have tribulation: but be of good cheer; I have overcome the world.
John 16:33
Has not our path been one of tribulation, more or less, since the Lord was first pleased to turn our feet into the narrow way? But have we found, do we ever find, peace in Jesus? Do we desire to find peace there? Do we look for peace, do we expect to enjoy peace, from any other quarter? Dare we think, for a single moment, of peace in SELF, peace in the world, or peace in sin?
Is our heart so fixed upon Jesus, our eyes so up unto Him, the desires of our soul so after the manifestations of His mercy and love, that we are sure there is no peace worth the name except what is found in Him? Our seasons of peace may not have been long–they may have been transient, very transient; yet sweet while they lasted, and sufficient to show what true peace is, sufficient to give us longings after a clearer manifestation of it, and make us desire a fuller enjoyment of it. And yet the Lord winds it all up with the solemn and blessed declaration that though our appointed path is one of tribulation in the world, yet He has overcome it; sin shall not be our master, the world shall not be our conqueror, the things of time and sense shall not gain a victory over us. May He give us a sweet assurance that He will fight our battles, and bring us off more than conquerors.
To the reader…
How often has your way been a path of tribulation since the Lord set your feet on the narrow way? That is not strange, for He said so Himself. But where, then, do you look for your peace? Perhaps still a little in yourself, or in the world, or in something you would rather not name. There is certainly no peace there worthy of the name.
Your seasons of peace in Jesus may have been short, very short. But do you remember how sweet they were? They were enough to show you what true peace is, and to make you long for it more earnestly. Do not let that memory discourage you, but let it drive you back to Him. He has overcome the world. Sin shall not have dominion over you and the world shall not overwhelm you, for He will fight your battles. Be of good cheer, then, not in yourself, but in Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En el mundo tendréis aflicción: mas confiad, Yo he vencido al mundo.
Juan 16:33
¿No ha sido nuestro camino un camino de aflicción, más o menos, desde que al Señor le plugo por primera vez volver nuestros pies al camino estrecho? Pero ¿hemos hallado, hallamos alguna vez, paz en Jesús? ¿Deseamos hallar paz allí? ¿Buscamos paz, esperamos gozar de paz, de alguna otra parte? ¿Nos atrevemos a pensar, por un solo momento, en paz en el YO, paz en el mundo o paz en el pecado?
¿Está nuestro corazón tan fijo en Jesús, nuestros ojos tan levantados a Él, los deseos de nuestra alma tan dirigidos a las manifestaciones de Su misericordia y amor, que estamos seguros de que no hay paz digna de ese nombre sino la que se halla en Él? Nuestras temporadas de paz quizá no hayan sido largas; quizá hayan sido pasajeras, muy pasajeras; pero dulces mientras duraron, y suficientes para mostrar lo que es la verdadera paz, suficientes para darnos anhelos de una manifestación más clara de ella y hacernos desear un goce más pleno de ella. Y aun así, el Señor lo concluye todo con la solemne y bendita declaración de que, aunque nuestro camino señalado es de aflicción en el mundo, Él lo ha vencido; el pecado no será nuestro amo, el mundo no será nuestro vencedor, las cosas del tiempo y de los sentidos no obtendrán la victoria sobre nosotros. Que Él nos dé la dulce seguridad de que peleará nuestras batallas y nos hará salir más que vencedores.
Al lector…
¿Cuántas veces ha sido su camino un sendero de aflicción desde que el Señor puso sus pies en el camino estrecho? No es extraño, porque Él mismo lo dijo. Pero ¿dónde busca entonces su paz? Quizá todavía un poco en usted mismo, o en el mundo, o en algo que preferiría no nombrar. Ciertamente allí no hay paz digna de ese nombre.
Sus temporadas de paz en Jesús quizá hayan sido cortas, muy cortas. Pero ¿recuerda cuán dulces fueron? Bastaron para mostrarle lo que es la verdadera paz y para hacerle anhelarla con más fervor. No deje que ese recuerdo le desanime, sino que le haga volver a Él. Él ha vencido al mundo. El pecado no se enseñoreará de usted y el mundo no le vencerá, porque Él peleará sus batallas. Confíe, pues, no en usted mismo, sino en Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die overwint
Die overwint…
Openbaring 2:17
Ik ken geen treffender en belangrijker stuk van Gods Woord dan datgene wat in de eerste drie hoofdstukken van het Boek der Openbaring staat. Met welk een ernstig visioen werd Johannes begunstigd toen de Heere des levens en der heerlijkheid aan hem verscheen op de wijze die in het eerste hoofdstuk wordt beschreven! Ofschoon Johannes de apostel der liefde was, en zelfs op de borst van de Heere had gelegen toen Hij op aarde was, had dit heerlijke visioen zo’n uitwerking op hem dat hij „als dood aan Zijn voeten viel.” Dit visioen was de voorbereiding op de boodschappen die de Heere hem gaf voor de zeven gemeenten in Klein-Azië.
Het is het waard om op te merken dat in elke boodschap drie dingen herhaald worden voor elke gemeente. Tot alle gemeenten zegt de Heere: „Ik weet uw werken”; tot alle gemeenten verklaart Hij: „Die oren heeft, hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt”, en aan alle gemeenten wordt een belofte gedaan, ofschoon die voor iedere gemeente anders van aard is: „Die overwint…”
Wat leren we uit deze drie kenmerken die aldus op elke boodschap aan de gemeenten worden gestempeld? We leren, ten eerste, dat de Verlosser alle harten doorziet en de nieren proeft. We leren, ten tweede, het grote belang van de boodschap die Hij geeft, en die echter niemand wil horen en wil volgen, behalve degenen die God een oor gegeven heeft om te horen. En we leren, ten derde, wat een zoete beloften de Heere doet aan hem die overwint in de geestelijke strijd.
Lezen: Openbaring 1:9-20
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u ervan schrikt dat de Heere zegt: „Ik weet uw werken.” Hij doorziet de harten en proeft de nieren; niets is voor Hem verborgen. Zelfs Johannes, die op Zijn borst had gelegen, viel als dood aan Zijn voeten toen hij Hem in Zijn heerlijkheid zag. Het is goed dat wij zo met ontzag voor Hem leren staan, want dan pas leren wij ook naar Zijn stem te luisteren.
Maar Die zo alles weet, spreekt niet alleen om te ontdekken. Aan iedere gemeente geeft Hij een zoete belofte: „Die overwint…” Voelt u zich zwak in de strijd, en hebt u meer van nederlagen dan van overwinningen gezien? Heeft God u een oor gegeven om te horen, dan is die belofte ook voor u bedoeld. Hij Die uw werken kent, kent ook uw worsteling, en Hij zal de strijder niet vergeten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die overwint…
Openbaring 2:17
Ik ken geen treffender en belangrijker gedeelte van Gods Woord dan wat er in de eerste drie hoofdstukken van het boek Openbaring staat. Met wat een ernstig gezicht werd Johannes begunstigd, toen de Heere van het leven en van de heerlijkheid aan hem verscheen op de wijze die in het eerste hoofdstuk wordt beschreven! Hoewel Johannes de apostel van de liefde was en zelfs aan de borst van de Heere had gelegen toen Hij op aarde was, had dit heerlijke gezicht zo’n uitwerking op hem dat hij „als dood aan Zijn voeten viel.” Dit gezicht was de voorbereiding op de boodschappen die de Heere hem gaf voor de zeven gemeenten in Klein-Azië.
Het is opmerkelijk dat in elke boodschap aan iedere gemeente drie dingen herhaald worden. Tot alle gemeenten zegt de Heere: „Ik weet uw werken”; tot alle gemeenten verklaart Hij: „Die oren heeft, hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt”; en aan alle gemeenten wordt een belofte gedaan, hoewel die voor iedere gemeente anders van aard is: „Die overwint…”
Wat leren we uit deze drie kenmerken die zo op elke boodschap aan de gemeenten gestempeld zijn? We leren ten eerste dat de Verlosser alle harten doorziet en de nieren proeft. We leren ten tweede hoe groot het belang is van de boodschap die Hij geeft, een boodschap die toch niemand wil horen en opvolgen, behalve zij aan wie God een oor gegeven heeft om te horen. En we leren ten derde wat een zoete beloften de Heere doet aan hem die overwint in de geestelijke strijd.
Lezen: Openbaring 1:9-20
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u ervan schrikt dat de Heere zegt: „Ik weet uw werken.” Hij doorziet de harten en proeft de nieren; niets is voor Hem verborgen. Zelfs Johannes, die aan Zijn borst had gelegen, viel als dood aan Zijn voeten toen hij Hem in Zijn heerlijkheid zag. Het is goed dat wij zo met ontzag voor Hem leren staan, want pas dan leren wij ook naar Zijn stem te luisteren.
Maar Hij Die zo alles weet, spreekt niet alleen om te ontdekken. Aan iedere gemeente geeft Hij een zoete belofte: „Die overwint…” Voelt u zich zwak in de strijd, en hebt u meer nederlagen dan overwinningen gezien? Heeft God u een oor gegeven om te horen, dan is die belofte ook voor u bedoeld. Hij Die uw werken kent, kent ook uw worsteling, en Hij zal de strijder niet vergeten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
To him that overcometh…
Revelation 2:17
I know no more striking and important portion of God’s Word than what we find in the first three chapters of the book of Revelation. With what a solemn vision was John favoured, when the Lord of life and glory appeared to him in the manner described in the first chapter! Though John was the apostle of love and had even leaned on the Lord’s bosom when He was upon earth, this glorious vision had such an effect upon him that he “fell at His feet as dead.” This vision was the preparation for the messages which the Lord gave him for the seven churches in Asia Minor.
It is remarkable that in every message to each church three things are repeated. To all the churches the Lord says, “I know thy works”; to all the churches He declares, “He that hath an ear, let him hear what the Spirit saith unto the churches”; and to all the churches a promise is made, though it differs in character for each church: “To him that overcometh…”
What do we learn from these three marks so stamped upon every message to the churches? We learn, first, that the Redeemer searches all hearts and tries the reins. We learn, secondly, how great is the importance of the message which He gives, a message which yet none will hear and obey except those to whom God has given an ear to hear. And we learn, thirdly, what sweet promises the Lord makes to him that overcometh in the spiritual warfare.
Reading: Revelation 1:9-20
To the reader…
There are times when it startles you that the Lord says, “I know thy works.” He searches the hearts and tries the reins; nothing is hidden from Him. Even John, who had leaned on His bosom, fell at His feet as dead when he saw Him in His glory. It is good for us to learn to stand before Him in such awe, for only then do we also learn to listen to His voice.
But He Who knows all things in this way does not speak only to lay bare. To every church He gives a sweet promise: “To him that overcometh…” Do you feel weak in the battle, and have you seen more defeats than victories? If God has given you an ear to hear, that promise is meant for you as well. He Who knows your works knows your wrestling too, and He will not forget the one who fights.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Al que venciere…
Apocalipsis 2:17
No conozco porción más impresionante e importante de la Palabra de Dios que la que hallamos en los tres primeros capítulos del libro del Apocalipsis. ¡Con qué visión tan solemne fue favorecido Juan, cuando el Señor de la vida y de la gloria se le apareció de la manera descrita en el primer capítulo! Aunque Juan era el apóstol del amor y aun se había recostado en el pecho del Señor cuando Él estaba en la tierra, esta gloriosa visión tuvo tal efecto sobre él que “cayó como muerto a Sus pies”. Esta visión fue la preparación para los mensajes que el Señor le dio para las siete iglesias de Asia Menor.
Es notable que en cada mensaje a cada iglesia se repiten tres cosas. A todas las iglesias el Señor dice: “Yo sé tus obras”; a todas las iglesias declara: “El que tiene oído, oiga lo que el Espíritu dice a las iglesias”; y a todas las iglesias se hace una promesa, aunque difiere en carácter para cada iglesia: “Al que venciere…”
¿Qué aprendemos de estas tres señales así estampadas en cada mensaje a las iglesias? Aprendemos, en primer lugar, que el Redentor escudriña todos los corazones y prueba los riñones. Aprendemos, en segundo lugar, cuán grande es la importancia del mensaje que Él da, un mensaje que sin embargo nadie oirá ni obedecerá, sino aquellos a quienes Dios ha dado oído para oír. Y aprendemos, en tercer lugar, qué dulces promesas hace el Señor al que vence en la guerra espiritual.
Lectura: Apocalipsis 1:9-20
Al lector…
Hay momentos en que le sobresalta que el Señor diga: “Yo sé tus obras”. Él escudriña los corazones y prueba los riñones; nada le está oculto. Aun Juan, que se había recostado en Su pecho, cayó como muerto a Sus pies cuando le vio en Su gloria. Es bueno que aprendamos a estar delante de Él con tal reverencia, porque solo entonces aprendemos también a escuchar Su voz.
Pero Aquel que así lo sabe todo no habla solo para dejar al descubierto. A cada iglesia le da una dulce promesa: “Al que venciere…” ¿Se siente débil en la batalla, y ha visto más derrotas que victorias? Si Dios le ha dado oído para oír, esa promesa es también para usted. Aquel que conoce sus obras conoce también su lucha, y no olvidará al que combate.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Te dien dage zal des Heeren Spruite zijn tot sieraad en tot heerlijkheid.
Jesaja 4:2
Waar in de hemel of op aarde kan er zulk een beminnelijk Voorwerp gevonden worden als de Zoon van God? „Wat is uw Liefste meer dan eens anders liefste?” vragen de gezellinnen van de bruid. Maar zij antwoordt: „Mijn Liefste is blank en rood; Hij draagt de banier boven tienduizend.” Indien gij nooit enige schoonheid in Jezus gezien hebt, dan hebt gij Jezus nooit gezien. Hij heeft Zichzelf nooit aan u geopenbaard; gij hebt nooit een blikje van Zijn beminnelijk aangezicht ontvangen, noch een gevoel van Zijn tegenwoordigheid gesmaakt, noch een woord van Zijn lippen gehoord, ook heeft Zijn hand u niet aangeraakt.
Doch als gij Hem gezien hebt met het oog des geloofs en Hij Zich, al is het door een kiertje, aan u heeft ontdekt, dan hebt gij een schoonheid in Hem waargenomen, die boven alles uitgaat, want het is een heilige schoonheid, een Goddelijke schoonheid, de schoonheid van Zijn hemelse genade, de schoonheid van Zijn ongeschapen en eeuwige heerlijkheid. Een schoonheid, die op aarde niet kan worden aangetroffen, noch kan bezeten worden door enig man of vrouw, zelfs niet bezeten werd door Adam in zijn onschuld vóór de val, of door zijn schone metgezellin Eva met al haar deugd, genade en waardigheid. Want het is de schoonheid van de heerlijke Zoon van God, die Hij voor altijd draagt als de Zoon van de Vader, in waarheid en liefde.
En zo schoon Hij is, zo „heerlijk” is Hij ook. O, wat een heerlijkheid ziet het geloof somtijds in Zijn eeuwige Godheid, in Zijn Goddelijk Zoonschap, in wat Hij in Zichzelf is als het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, en in hetgeen Hij ons geworden is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Hoe heerlijk vertoont Hij Zich te zijn in Zijn verzoenend bloed en stervende liefde. Zelfs zo Hij daar grote druppelen bloeds zweette in Gethsémané’s donkere hof, zo Hij daar hing in pijn en doodsstrijd op het kruis, ziet het geloof een schoonheid in de heerlijke Verlosser, ook in de diepe diepten van schande en schaamte.
Was er niet een heerlijkheid in Zijn nederige gehoorzaamheid, in Zijn lijdzaamheid onder het lijden, in Zijn onderwerping aan Zijns Vaders wil; in Zijn berusting, dat wil zeggen, in Zijn gelatenheid onder de zwaarste slagen van de wrekende gerechtigheid; in het dragen van onze zonden in Zijn heilig lichaam op het hout, waardoor Hij de zonde tenietdeed door Zijns Zelfs offerande? Maar meer in het bijzonder ziet het geloof Hem heerlijk herrijzen uit de dood en opvaren ten hemel en zitten aan de rechterhand des Vaders, gekroond met eer en heerlijkheid en alle dingen onder Zijn voeten gesteld.
Aan de lezer…
Hebt u ooit, al was het maar door een kiertje, iets van de schoonheid van Christus gezien? Dat is een ernstige vraag, waarde lezer, want wie nooit schoonheid in Jezus zag, heeft Jezus nooit gezien. Maar is uw hart weleens uitgegaan naar Hem, zodat u met de bruid moest zeggen: „Mijn Liefste is blank en rood; Hij draagt de banier boven tienduizend”? Dan heeft Hij Zich aan u ontdekt, hoe klein dat blikje ook was.
Wees dan niet bedroefd dat het zo weinig is en zo zelden komt. Wat u zag, was geen aardse schoonheid, maar de heilige schoonheid van de Zoon van God, des Heeren Spruite, tot sieraad en tot heerlijkheid. Het geloof ziet die heerlijkheid zelfs in Gethsémané en aan het kruis, in Zijn diepe vernedering voor zondaren. En dezelfde Verlosser zit nu aan de rechterhand des Vaders, gekroond met eer. Zoek Hem dan opnieuw; Die Zich eens liet zien, kan en wil Zich weer openbaren aan wie naar Hem verlangt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Te dien dage zal des Heeren Spruite zijn tot sieraad en tot heerlijkheid.
Jesaja 4:2
Waar in de hemel of op aarde kan zo’n beminnelijk Voorwerp gevonden worden als de Zoon van God? „Wat is uw Liefste meer dan eens anders liefste?” vragen de gezellinnen van de bruid. Maar zij antwoordt: „Mijn Liefste is blank en rood; Hij draagt de banier boven tienduizend.” Als u nooit enige schoonheid in Jezus gezien hebt, dan hebt u Jezus nooit gezien. Dan heeft Hij Zichzelf nooit aan u geopenbaard. U hebt dan nooit een glimp van Zijn beminnelijk aangezicht ontvangen, nooit iets van Zijn tegenwoordigheid gesmaakt en nooit een woord van Zijn lippen gehoord, en ook heeft Zijn hand u niet aangeraakt.
Maar als u Hem gezien hebt met het oog van het geloof, en Hij Zich, al was het maar door een kiertje, aan u heeft ontdekt, dan hebt u in Hem een schoonheid waargenomen die alles te boven gaat. Want het is een heilige schoonheid, een Goddelijke schoonheid, de schoonheid van Zijn hemelse genade, de schoonheid van Zijn ongeschapen en eeuwige heerlijkheid. Het is een schoonheid die op aarde niet te vinden is en die door geen man of vrouw bezeten kan worden. Zelfs Adam bezat haar niet in zijn onschuld vóór de val, en ook zijn schone metgezellin Eva niet, met al haar deugd, bevalligheid en waardigheid. Want het is de schoonheid van de heerlijke Zoon van God, die Hij voor altijd draagt als de Zoon van de Vader, in waarheid en liefde.
En zo schoon als Hij is, zo „heerlijk” is Hij ook. O, wat een heerlijkheid ziet het geloof soms in Zijn eeuwige Godheid, in Zijn Goddelijk Zoonschap, in wat Hij in Zichzelf is als het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn zelfstandigheid, en in wat Hij voor ons geworden is: wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Hoe heerlijk toont Hij Zich in Zijn verzoenend bloed en stervende liefde! Zelfs wanneer Hij in de donkere hof van Gethsémané grote druppels bloed zweette, en wanneer Hij in pijn en doodsstrijd aan het kruis hing, ziet het geloof schoonheid in de heerlijke Verlosser, ook in de diepste diepten van schande en schaamte.
Was er geen heerlijkheid in Zijn nederige gehoorzaamheid, in Zijn geduld onder het lijden, in Zijn onderwerping aan de wil van Zijn Vader? In Zijn berusting, dat wil zeggen, in Zijn gelatenheid onder de zwaarste slagen van de wrekende gerechtigheid? In het dragen van onze zonden in Zijn heilig lichaam op het hout, waardoor Hij de zonde tenietdeed door de offerande van Zichzelf? Maar vooral ziet het geloof Hem heerlijk opstaan uit de dood, opvaren naar de hemel en zitten aan de rechterhand van de Vader, gekroond met eer en heerlijkheid, terwijl alle dingen onder Zijn voeten gesteld zijn.
Aan de lezer…
Hebt u ooit, al was het maar door een kiertje, iets van de schoonheid van Christus gezien? Dat is een ernstige vraag, want wie nooit schoonheid in Jezus zag, heeft Jezus nooit gezien. Maar is uw hart weleens naar Hem uitgegaan, zodat u met de bruid moest zeggen: „Mijn Liefste is blank en rood; Hij draagt de banier boven tienduizend”? Dan heeft Hij Zich aan u ontdekt, hoe klein die glimp ook was.
Wees dan niet bedroefd dat het zo weinig is en zo zelden komt. Wat u zag, was geen aardse schoonheid, maar de heilige schoonheid van de Zoon van God, des Heeren Spruite, tot sieraad en tot heerlijkheid. Het geloof ziet die heerlijkheid zelfs in Gethsémané en aan het kruis, in Zijn diepe vernedering voor zondaren. En dezelfde Verlosser zit nu aan de rechterhand van de Vader, gekroond met eer. Zoek Hem dan opnieuw. Hij Die Zich eens liet zien, kan en wil Zich weer openbaren aan wie naar Hem verlangt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In that day shall the Branch of the LORD be beautiful and glorious.
Isaiah 4:2
Where in heaven or on earth can there be found such a lovely Object as the Son of God? “What is your beloved more than another beloved?” ask the companions of the Bride. But she answers, “My Beloved is white and ruddy, the chief among ten thousand.” If, then, you have never seen any beauty in Jesus, you have never seen Jesus; He has never revealed Himself to you; you never had a glimpse of His lovely face, nor a sense of His presence, nor a word from His lips, nor a touch from His hand.
But if you have seen Him by the eye of faith, and He has revealed Himself to you even in a small measure, you have seen a beauty in Him beyond all other beauties, for it is a holy beauty, a divine beauty, the beauty of His heavenly grace, the beauty of His uncreated and eternal glory, such as no earthly countenance can wear, nor man or woman, no, not Adam, in all his unfallen innocency, nor his fair partner Eve, with all her virtue, grace, and dignity, ever could show, for it is the beauty of the glorious Son of God, which He forever wears as the Son of the Father in truth and love.
And as He is “beautiful,” so is He “glorious.” Oh, what a glory does faith see sometimes in His eternal Deity, in His divine Sonship, in what He is in Himself as the brightness of the Father’s glory and the express image of His Person, and in what He is as made unto us wisdom and righteousness, sanctification and redemption! How glorious does He show Himself to be in His atoning blood and dying love. Even as sweating great drops of blood in Gethsemane’s gloomy garden, and as hanging in torture and agony upon Calvary’s cross, faith can see a beauty in the glorious Redeemer, even in the lowest depths of ignominy and shame.
Was there not a glory in His meek obedience, in His suffering patience, in His submission to His Father’s holy will, in His uncomplaining resignation to the heaviest strokes of vindictive justice, in bearing our sins in His own body on the tree, and thus putting away sin by the sacrifice of Himself? But more especially does faith see Him glorious as rising from the dead and going up on high, and sitting down at the right hand of the Father, crowned with glory and honor, and all things put under His feet.
To the reader…
Have you ever seen, if only through a narrow chink, something of the beauty of Christ? That is a serious question, for whoever never saw beauty in Jesus has never seen Jesus. But has your heart at times gone out to Him, so that you had to say with the Bride: “My Beloved is white and ruddy, the chiefest among ten thousand”? Then He has revealed Himself to you, however small that glimpse may have been.
Do not be downcast, then, that it is so little and comes so seldom. What you saw was no earthly beauty, but the holy beauty of the Son of God, the Branch of the Lord, beautiful and glorious. Faith sees that glory even in Gethsemane and on the cross, in His deep humiliation for sinners. And the same Redeemer now sits at the right hand of the Father, crowned with honour. Seek Him, then, once more. He Who once let Himself be seen can and will reveal Himself again to the one who longs for Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En aquel tiempo el renuevo de Jehová será para hermosura y gloria.
Isaías 4:2
¿Dónde, en el cielo o en la tierra, puede hallarse un Objeto tan hermoso como el Hijo de Dios? “¿Qué es tu amado más que otro amado?”, preguntan las compañeras de la Esposa. Pero ella responde: “Mi amado es blanco y rubio, señalado entre diez mil.” Si, pues, nunca ha visto usted hermosura alguna en Jesús, nunca ha visto a Jesús; Él nunca Se le ha revelado; nunca ha tenido un vislumbre de Su hermoso rostro, ni un sentir de Su presencia, ni una palabra de Sus labios, ni un toque de Su mano.
Pero si Le ha visto con el ojo de la fe, y Él Se le ha revelado aunque sea en pequeña medida, ha visto en Él una hermosura que supera a todas las demás, porque es una hermosura santa, una hermosura divina, la hermosura de Su gracia celestial, la hermosura de Su gloria increada y eterna, tal como ningún semblante terrenal puede llevar, ni hombre ni mujer; no, ni Adán en toda su inocencia antes de la caída, ni su hermosa compañera Eva con toda su virtud, gracia y dignidad, jamás pudieron mostrar; porque es la hermosura del glorioso Hijo de Dios, que Él lleva para siempre como el Hijo del Padre en verdad y amor.
Y así como Él es “hermosura”, así es también “gloria”. ¡Oh, qué gloria ve a veces la fe en Su Deidad eterna, en Su Filiación divina, en lo que Él es en Sí mismo como el resplandor de la gloria del Padre y la misma imagen de Su sustancia, y en lo que Él es como hecho para nosotros sabiduría y justificación, santificación y redención! ¡Cuán glorioso Se muestra en Su sangre expiatoria y en Su amor hasta la muerte! Aun cuando sudaba grandes gotas de sangre en el sombrío huerto de Getsemaní, y cuando colgaba en tormento y agonía de la cruz del Calvario, la fe puede ver una hermosura en el glorioso Redentor, aun en las más hondas profundidades de la ignominia y la vergüenza.
¿No había gloria en Su mansa obediencia, en Su paciencia en el sufrimiento, en Su sumisión a la santa voluntad de Su Padre, en Su resignación sin queja a los más pesados golpes de la justicia vindicadora, en llevar nuestros pecados en Su cuerpo sobre el madero, y quitar así el pecado por el sacrificio de Sí mismo? Pero sobre todo Le ve la fe glorioso al resucitar de los muertos y subir a lo alto, y sentarse a la diestra del Padre, coronado de gloria y de honra, y todas las cosas sujetas debajo de Sus pies.
Al lector…
¿Ha visto usted alguna vez, aunque solo sea por una estrecha rendija, algo de la hermosura de Cristo? Es una pregunta seria, porque quien nunca vio hermosura en Jesús nunca ha visto a Jesús. Pero ¿se ha ido su corazón a veces tras Él, de modo que tuvo que decir con la Esposa: “Mi amado es blanco y rubio, señalado entre diez mil”? Entonces Él Se le ha revelado, por pequeño que haya sido ese vislumbre.
No se desanime, pues, porque sea tan poco y venga tan rara vez. Lo que usted vio no fue una hermosura terrenal, sino la santa hermosura del Hijo de Dios, el Renuevo de Jehová, para hermosura y gloria. La fe ve esa gloria aun en Getsemaní y en la cruz, en Su profunda humillación por los pecadores. Y el mismo Redentor está ahora sentado a la diestra del Padre, coronado de honra. Búsquele, pues, una vez más. Aquel que una vez Se dejó ver puede y quiere revelarse otra vez a quien Le anhela.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl