vandaag verschenen
Een medelijdende Hogepriester en een troon der genade
Over Hebreeën 4:15,16: Christus, onze grote Hogepriester, kan medelijden hebben met onze zwakheden en is in alles verzocht, maar zonder zonde. Juist wie zijn zwakheden en verzoekingen voelt, wordt aangespoord…
7 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
2 weken geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
3 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De Heere is God, Die ons licht gegeven heeft.
Psalm 118:27
Indien de Heere God ons licht heeft doen zien, heeft Hij het ons getoond, zowel met betrekking tot Zichzelf als met betrekking tot ons. Met betrekking tot Zichzelf toonde Hij ons wie Hij is; Hij heeft iets van Zich aan ons geweten verzegeld; Hij heeft iets van Zijn heerlijke natuur aan onze zielen ontdekt en ons, onder de leiding des Heiligen Geestes, in Zijn tegenwoordigheid gebracht, om daar mededelingen ten leven te ontvangen uit de onuitputtelijke volheid van Christus. Dus zien wij in dit licht dat wij te doen hebben met een God Die de harten doorzoekt; in dit licht zien en gevoelen wij met een God te doen te hebben Die de zonde haat, met een God Die Zich niet laat bespotten; in dit licht zien en gevoelen wij dat elk geheim van ons hart, elke werking van onze geest open voor Hem ligt; en in dit licht zien wij, zover het Hem behaagt ons te doen zien, dat wij in Zijn heilige ogen niets meer zijn dan één massa zonde, onreinheid en bederf, zonder hulp, zonder kracht, zonder verstand, zonder rechtvaardigheid, zonder enige bekoorlijkheid van het schepsel, zonder iets waarvan wij kunnen zeggen dat het geestelijk goed is.
Nog eens, God de Heere heeft, door ons het licht te doen zien, ons meer of min de weg gewezen tot zaligheid door Jezus Christus. Hij heeft ons niet alleen doen zien wat wij van nature zijn, maar Hij heeft Zich in zekere mate verwaardigd ons te tonen wat wij zijn door genade. Hij heeft niet alleen in ons hart enige kennis gegeven van Zichzelf als een God van volmaakte rechtvaardigheid, maar ook heeft Hij meer of min aan onze ziel enige kennis gegeven van Zichzelf als een God van genade, en ons aldus Hem leren kennen als de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft; en aldus in onze ziel een bron doen ontstaan van een enigszins geestelijk leven, elk naar zijn mate.
Heer, onze Heer, grootmachtig Opperwezen,
hoe billijk wordt uw grote naam geprezen!
Hoe heerlijk rolt uit aller vromen mond
die grote naam door ’t ganse wereldrond!
Ps. 8:9
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat het licht van God u toont wie u in Zijn heilige ogen bent: zonder kracht, zonder rechtvaardigheid, zonder iets waarvan u kunt zeggen dat het geestelijk goed is. Dat is een smartelijk gezicht, en menigeen meent daarom dat God tegen hem is. Maar wie heeft u die blik gegeven? Het is de Heere, Die u licht gegeven heeft; van nature zou niemand zichzelf zo zien.
En Hij Die u toonde wat u van nature bent, wil u ook tonen wat u door genade bent. Hij laat Zich niet alleen kennen als een God van volmaakte rechtvaardigheid, maar ook als een God van genade in Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft. Al is uw geestelijk leven nog maar zwak, het is een bron die Hij Zelf deed ontstaan. Wacht dan in dat licht op meer licht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Heere is God, Die ons licht gegeven heeft.
Psalm 118:27
Als de Heere God ons licht heeft laten zien, heeft Hij het ons getoond zowel met betrekking tot Zichzelf als met betrekking tot ons. Met betrekking tot Zichzelf toonde Hij ons wie Hij is. Hij heeft iets van Zichzelf aan ons geweten verzegeld, Hij heeft iets van Zijn heerlijke natuur aan onze zielen ontdekt, en Hij heeft ons onder de leiding van de Heilige Geest in Zijn tegenwoordigheid gebracht, om daar mededelingen ten leven te ontvangen uit de onuitputtelijke volheid van Christus. Zo zien wij in dit licht dat wij te maken hebben met een God Die de harten doorzoekt. In dit licht zien en voelen wij dat wij te maken hebben met een God Die de zonde haat, met een God Die Zich niet laat bespotten. In dit licht zien en voelen wij dat elk geheim van ons hart en elke beweging van onze geest open voor Hem ligt. En in dit licht zien wij, voor zover het Hem behaagt het ons te laten zien, dat wij in Zijn heilige ogen niets meer zijn dan één massa zonde, onreinheid en bederf: zonder hulp, zonder kracht, zonder verstand, zonder gerechtigheid, zonder enige bekoorlijkheid van het schepsel, zonder iets waarvan wij kunnen zeggen dat het geestelijk goed is.
Verder heeft God de Heere, door ons het licht te laten zien, ons in meer of mindere mate de weg gewezen tot de zaligheid door Jezus Christus. Hij heeft ons niet alleen laten zien wat wij van nature zijn, maar Hij heeft Zich tot op zekere hoogte verwaardigd ons te tonen wat wij door genade zijn. Hij heeft in ons hart niet alleen enige kennis gegeven van Zichzelf als een God van volmaakte gerechtigheid, maar Hij heeft onze ziel in meer of mindere mate ook enige kennis gegeven van Zichzelf als een God van genade. Zo heeft Hij ons Hem leren kennen als de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft. En zo heeft Hij in onze ziel een bron laten ontstaan van een zeker geestelijk leven, ieder naar zijn mate.
Heer, onze Heer, grootmachtig Opperwezen,
hoe billijk wordt uw grote naam geprezen!
Hoe heerlijk rolt uit aller vromen mond
die grote naam door ’t ganse wereldrond!
Ps. 8:9
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat het licht van God u toont wie u in Zijn heilige ogen bent: zonder kracht, zonder gerechtigheid, zonder iets waarvan u kunt zeggen dat het geestelijk goed is. Dat is een pijnlijk gezicht, en menigeen meent daarom dat God tegen hem is. Maar wie heeft u die blik gegeven? Het is de Heere, Die u licht gegeven heeft; van nature zou niemand zichzelf zo zien.
En Hij Die u toonde wat u van nature bent, wil u ook tonen wat u door genade bent. Hij laat Zich niet alleen kennen als een God van volmaakte gerechtigheid, maar ook als een God van genade in Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft. Al is uw geestelijk leven nog maar zwak, het is een bron die Hij Zelf liet ontstaan. Wacht dan in dat licht op meer licht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is the LORD, which hath shewed us light.
Psalm 118:27
If God the Lord has showed us light, He has showed us light both with respect to Himself and with respect to ourselves. He has showed us with respect to Himself Who He is; He has stamped something of Himself upon our consciences; He has discovered something of His glorious character to our souls; and brought us, under the operation of the Holy Spirit, into His presence, there to receive communications of life out of Christ’s inexhaustible fullness. Thus in this light we see and feel that we have to do with a heart-searching God; in this light we see and feel that we have to do with a sin-hating God; with a God Who will not be mocked nor trifled with.
In this light we see and feel that every secret of our heart, every working of our mind is open before Him; and in this light, so far as He is pleased to manifest it, we see what we are in His holy and pure eyes–a mass of sin, filth, and corruption, without help, without strength, wisdom, or righteousness, without creature loveliness, without anything of which we can say that it is spiritually good.
Again, God the Lord, showing us light, has showed us more or less of the way of salvation through Jesus Christ. He has not only showed us what we are by nature, but He has in a measure condescended to show us what we are by grace; not merely brought into our hearts some acquaintance with Himself as a God of perfect justice, but He has also brought, more or less, into our souls some acquaintance with Him as a God of mercy; and has thus brought us, in some solemn measure, to know Him, the only true God, and Jesus Christ, Whom He has sent; and, thus, to have the springing up of spiritual life more or less, each according to his measure, in our souls.
To the reader…
There are times when the light of God shows you what you are in His holy eyes: without strength, without righteousness, without anything of which you can say that it is spiritually good. That is a painful sight, and many think because of it that God is against them. But who gave you that view? It is the Lord Who has shewed you light; by nature no one would see himself like that.
And He Who showed you what you are by nature also wants to show you what you are by grace. He makes Himself known not only as a God of perfect justice, but also as a God of grace in Jesus Christ, Whom He has sent. Even if your spiritual life is still weak, it is a spring that He Himself caused to rise. Wait, then, in that light for more light.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Dios es Jehová que nos ha resplandecido.
Salmo 118:27
Si Dios el Señor nos ha mostrado luz, nos ha mostrado luz tanto respecto de Sí mismo como respecto de nosotros. Respecto de Sí mismo nos ha mostrado Quién es Él; ha estampado algo de Sí mismo sobre nuestras conciencias; ha descubierto a nuestras almas algo de Su glorioso carácter; y nos ha traído, bajo la operación del Espíritu Santo, a Su presencia, para recibir allí comunicaciones de vida de la plenitud inagotable de Cristo. Así, en esta luz vemos y sentimos que tenemos que ver con un Dios que escudriña los corazones; en esta luz vemos y sentimos que tenemos que ver con un Dios que aborrece el pecado; con un Dios que no puede ser burlado ni tratado con ligereza.
En esta luz vemos y sentimos que cada secreto de nuestro corazón y cada movimiento de nuestra mente están descubiertos delante de Él; y en esta luz, en la medida en que a Él le place manifestarlo, vemos lo que somos ante Sus ojos santos y puros: una masa de pecado, inmundicia y corrupción, sin ayuda, sin fuerza, sabiduría ni justicia, sin hermosura de criatura, sin nada de lo cual podamos decir que es espiritualmente bueno.
Además, Dios el Señor, al mostrarnos luz, nos ha mostrado en mayor o menor medida el camino de la salvación por Jesucristo. No solo nos ha mostrado lo que somos por naturaleza, sino que en cierta medida se ha dignado mostrarnos lo que somos por gracia; no solo ha traído a nuestros corazones algún conocimiento de Sí mismo como un Dios de perfecta justicia, sino que también ha traído, más o menos, a nuestras almas algún conocimiento de Él como un Dios de misericordia; y así nos ha llevado, en alguna solemne medida, a conocerle a Él, el solo Dios verdadero, y a Jesucristo, al cual ha enviado; y así a tener, más o menos, cada uno según su medida, el brotar de la vida espiritual en nuestras almas.
Al lector…
Hay momentos en que la luz de Dios le muestra lo que usted es ante Sus ojos santos: sin fuerza, sin justicia, sin nada de lo cual pueda decir que es espiritualmente bueno. Es una vista dolorosa, y muchos piensan por ello que Dios está contra ellos. Pero ¿quién le dio esa vista? Es el Señor quien le ha mostrado luz; por naturaleza nadie se vería así a sí mismo.
Y Aquel que le mostró lo que usted es por naturaleza quiere mostrarle también lo que es por gracia. Él se da a conocer no solo como un Dios de perfecta justicia, sino también como un Dios de gracia en Jesucristo, al cual ha enviado. Aunque su vida espiritual sea todavía débil, es un manantial que Él mismo hizo brotar. Espere, pues, en esa luz más luz.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Door Christus tot God gaan
Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
Hebreeën 7:25
Als zij met pasverlichte ogen om zich heen kijkt, ziet de levende ziel dat de wereld van zonde en smart is vervuld; dat Gods oorspronkelijke vloek over de aarde elk aards goed heeft verbitterd; dat deze de meest nabije en geliefde sociale relaties heeft bedorven; dat beproeving en bezoeking, verliezen, kruizen, sterfgevallen, boosheden en teleurstellingen elk huis binnendringen, en vooral daar waar God wordt gevreesd; dat te midden van deze taferelen van smart en verwarring alle menselijke hulp of hoop vergeefs is; dat zij stervende is in een stervende wereld en spoedig moet verdwijnen uit deze tijdstoestand, waar alles schaduw is, tot in de eeuwigheid, waar alles stof is. Als het de Heere belieft om aan haar iets van Zichzelf te openbaren, iets van Zijn goedheid en barmhartigheid, verzoenende bloed en stervende liefde uit te storten, gaat zij steeds meer verlangen naar de onthulling van die zegeningen die alleen in Hem gevonden kunnen worden. Want Zijn zegeningen zijn niet zoals de slechts tijdelijke weldaden die we van Hem ontvangen, die allemaal tenietgaan door het gebruik ervan, maar ze zijn voor eeuwig en altijd, en als ze eenmaal zijn gegeven, worden ze nooit meer afgenomen.
Aldus worden ze voorproeven van eeuwige vreugden, want ze zijn absoluut onomkeerbaar. Toen Izak eens Jakob in Gods naam had gezegend, kon de zegening, ofschoon zij door bedrog was verkregen, omdat ze eenmaal was gegeven, niet meer worden herroepen. Hij zei daarom tegen Ezau: ‘Ik heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen’ (Gen. 27:33). Dus als de Heere Zijn kinderen met een geestelijke zegening heeft gezegend die in Zijn onuitputtelijke volheid ligt opgeslagen, zijn deze zegeningen als Hijzelf: onveranderlijk en onveranderbaar. Want ‘is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren’ (Job 23:13); Hij ‘is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid’ (Hebr. 13:8). Degenen die Hij liefheeft, heeft Hij tot het einde lief; ‘want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk’ (Rom. 11:29), want Hij betreurt nooit dat Hij ze heeft gegeven, omdat eeuwige liefde hun onveranderlijke, onophoudelijke bron is.
Lezen: Romeinen 11:22-36
Aan de lezer…
Ervaart u hoe kruizen, verliezen en teleurstellingen ook uw huis binnendringen, en hoe alle menselijke hulp te midden daarvan vergeefs blijkt? Het is een stervende wereld, en wij zijn er stervenden in. Al wat de Heere ons hier aan tijdelijke weldaden geeft, gaat teniet door het gebruik. Dat is een bittere les, maar zij drijft de ziel uit naar betere zegeningen.
Want wat de Heere met Zijn geestelijke zegen geeft, neemt Hij nooit weer af. Zoals Izak zei: „Ik heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen”, zo blijft ook Zijn zegen staan, want Hij is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid. Hebt u ooit iets van Zijn verzoenende bloed en stervende liefde geproefd? Hij betreurt nooit dat Hij het gaf. Ga dan door Christus tot God om meer, want de bron is eeuwige liefde, en die raakt niet uitgeput.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
Hebreeën 7:25
Wanneer de levende ziel met pas geopende ogen om zich heen kijkt, ziet zij dat de wereld vol zonde en smart is. Zij ziet dat Gods oorspronkelijke vloek over de aarde elk aards goed heeft verbitterd en de naaste en dierbaarste betrekkingen tussen mensen heeft bedorven. Zij ziet dat beproeving en bezoeking, verliezen, kruisen, sterfgevallen, ergernissen en teleurstellingen elk huis binnendringen, en vooral daar waar God gevreesd wordt; dat te midden van deze tonelen van smart en verwarring alle menselijke hulp en hoop vergeefs is; dat zij een stervende is in een stervende wereld en spoedig moet heengaan uit de tijd, waar alles schaduw is, naar de eeuwigheid, waar alles werkelijkheid is. Wanneer het de Heere behaagt haar iets van Zichzelf te openbaren, iets van Zijn goedheid en barmhartigheid, Zijn verzoenend bloed en stervende liefde in haar uit te storten, gaat zij steeds meer verlangen naar de ontdekking van die zegeningen die alleen in Hem te vinden zijn. Want Zijn zegeningen zijn niet zoals de tijdelijke weldaden die we van Hem ontvangen, die allemaal vergaan door het gebruik, maar ze zijn voor eeuwig en altijd, en als ze eenmaal gegeven zijn, worden ze nooit meer teruggenomen.
Zo worden ze een voorsmaak van eeuwige vreugden, want ze zijn volstrekt onherroepelijk. Toen Izak eenmaal Jakob in Gods Naam had gezegend, kon die zegen, hoewel hij door bedrog verkregen was, niet meer worden herroepen, omdat hij eenmaal gegeven was. Daarom zei hij tegen Ezau: „Ik heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen” (Gen. 27:33). Zo is het ook wanneer de Heere Zijn kinderen gezegend heeft met een geestelijke zegen die in Zijn onuitputtelijke volheid ligt opgeslagen: deze zegeningen zijn als Hijzelf, onveranderlijk en onveranderbaar. Want „is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren” (Job 23:13); Hij „is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid” (Hebr. 13:8). Wie Hij liefheeft, heeft Hij lief tot het einde; „want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk” (Rom. 11:29). Hij heeft er nooit berouw over dat Hij ze gegeven heeft, omdat eeuwige liefde hun onveranderlijke, nooit opdrogende bron is.
Lezen: Romeinen 11:22-36
Aan de lezer…
Ervaart u hoe kruisen, verliezen en teleurstellingen ook uw huis binnendringen, en hoe alle menselijke hulp te midden daarvan vergeefs blijkt? Het is een stervende wereld, en wij zijn er stervenden in. Al wat de Heere ons hier aan tijdelijke weldaden geeft, vergaat door het gebruik. Dat is een bittere les, maar zij drijft de ziel uit naar betere zegeningen.
Want wat de Heere met Zijn geestelijke zegen geeft, neemt Hij nooit meer terug. Zoals Izak zei: „Ik heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen”, zo blijft ook Zijn zegen staan, want Hij is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid. Hebt u ooit iets van Zijn verzoenend bloed en stervende liefde geproefd? Hij heeft er nooit berouw over dat Hij het gaf. Ga dan door Christus tot God om meer, want de bron is eeuwige liefde, en die raakt nooit uitgeput.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore He is able also to save them to the uttermost that come unto God by Him, seeing He ever liveth to make intercession for them.
Hebrews 7:25
When the living soul looks around with newly opened eyes, it sees that the world is full of sin and sorrow. It sees that God’s original curse upon the earth has embittered every earthly good and spoiled the nearest and dearest relationships between men. It sees that trial and affliction, losses, crosses, bereavements, vexations and disappointments enter every house, and especially where God is feared; that in the midst of these scenes of sorrow and confusion all human help and hope are vain; that it is a dying creature in a dying world and must soon pass out of time, where all is shadow, into eternity, where all is reality. When it pleases the Lord to reveal something of Himself to it, to pour into it something of His goodness and mercy, His atoning blood and dying love, it comes to long more and more for the discovery of those blessings which are to be found in Him alone.
For His blessings are not like the temporal mercies we receive from Him, which all perish with the using, but they are for ever and ever, and once given they are never taken back. So they become a foretaste of eternal joys, for they are utterly irrevocable. When Isaac had once blessed Jacob in God’s Name, that blessing, though obtained by deceit, could no longer be revoked, because it had once been given. Therefore he said to Esau, “I … have blessed him? yea, and he shall be blessed” (Gen. 27:33).
So it is also when the Lord has blessed His children with a spiritual blessing laid up in His inexhaustible fulness: these blessings are like Himself, unchanging and unchangeable. For “He is in one mind, and who can turn Him?” (Job 23:13); He is “Jesus Christ the same yesterday, and to day, and for ever” (Heb. 13:8). Whom He loves, He loves unto the end; “for the gifts and calling of God are without repentance” (Rom. 11:29). He never repents of having given them, because eternal love is their unchanging, never-failing source.
Reading: Romans 11:22-36
To the reader…
Do you find how crosses, losses and disappointments enter your house too, and how all human help proves vain in the midst of them? It is a dying world, and we are dying creatures in it. All the temporal mercies the Lord gives us here perish with the using. That is a bitter lesson, but it drives the soul out after better blessings.
For what the Lord gives with His spiritual blessing He never takes back. Just as Isaac said, “I have blessed him; yea, and he shall be blessed,” so His blessing stands, for He is the same yesterday, and to day, and for ever. Have you ever tasted something of His atoning blood and dying love? He has never repented of giving it. Come unto God by Christ, then, for more, for the source is eternal love, and that is never exhausted.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por lo cual puede también salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios, viviendo siempre para interceder por ellos.
Hebreos 7:25
Cuando el alma viviente mira alrededor con ojos recién abiertos, ve que el mundo está lleno de pecado y de dolor. Ve que la maldición original de Dios sobre la tierra ha amargado todo bien terrenal y ha echado a perder las relaciones más cercanas y queridas entre los hombres. Ve que la prueba y la aflicción, las pérdidas, las cruces, los duelos, las contrariedades y los desengaños entran en toda casa, y especialmente donde se teme a Dios; que en medio de estas escenas de dolor y confusión toda ayuda y esperanza humana es vana; que es una criatura que muere en un mundo que muere y que pronto ha de pasar del tiempo, donde todo es sombra, a la eternidad, donde todo es realidad. Cuando al Señor le place revelarle algo de Sí mismo, derramar en ella algo de Su bondad y misericordia, de Su sangre expiatoria y Su amor agonizante, llega a anhelar más y más el descubrimiento de aquellas bendiciones que solo se hallan en Él.
Porque Sus bendiciones no son como las misericordias temporales que recibimos de Él, que todas perecen con el uso, sino que son por siempre jamás, y una vez dadas nunca se retiran. Así llegan a ser un anticipo de los gozos eternos, pues son del todo irrevocables. Cuando Isaac hubo bendecido una vez a Jacob en el Nombre de Dios, esa bendición, aunque obtenida con engaño, ya no podía revocarse, porque había sido dada una vez. Por eso dijo a Esaú: “Yo… le bendije, y será bendito” (Gén. 27:33).
Así es también cuando el Señor ha bendecido a Sus hijos con una bendición espiritual guardada en Su plenitud inagotable: estas bendiciones son como Él mismo, invariables e inmutables. Porque “si Él se determina en una cosa, ¿quién lo apartará?” (Job 23:13); Él es “Jesucristo el mismo ayer, y hoy, y por los siglos” (Heb. 13:8). A los que ama, los ama hasta el fin; “porque sin arrepentimiento son las mercedes y la vocación de Dios” (Rom. 11:29). Él nunca se arrepiente de haberlas dado, porque el amor eterno es su fuente invariable y que nunca falla.
Lectura: Romanos 11:22-36
Al lector…
¿Halla usted cómo las cruces, las pérdidas y los desengaños entran también en su casa, y cómo toda ayuda humana resulta vana en medio de ellos? Es un mundo que muere, y somos en él criaturas que mueren. Todas las misericordias temporales que el Señor nos da aquí perecen con el uso. Es una lección amarga, pero empuja al alma a buscar mejores bendiciones.
Porque lo que el Señor da con Su bendición espiritual nunca lo retira. Así como Isaac dijo: “Yo le bendije, y será bendito”, así Su bendición permanece, porque Él es el mismo ayer, y hoy, y por los siglos. ¿Ha gustado usted alguna vez algo de Su sangre expiatoria y de Su amor agonizante? Él nunca se ha arrepentido de darlo. Allégese, pues, a Dios por Cristo para recibir más, porque la fuente es el amor eterno, y este nunca se agota.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En Hij is een verzoening voor onze zonden.
1 Johannes 2:2
Wat is verzoening? Onder verzoening verstaan wij een offerande die de Heere aangenaam is; door welke God, of liever de eigenschappen Gods, verzoend worden; waardoor God Zijn gunst kan uitlaten, waardoor barmhartigheid, genade en vergeving kunnen medegedeeld worden. Welnu, de zonde, en de wet die de zonde veroordeelt, sluiten de gunst van God uit. Zij werden een beletsel tegenover de liefde Gods. Want God, als God, kan de zonde noch de zondaar liefhebben. De zonde des mensen en de heilige wet van God, als het afschrift van Zijn oneindige en eeuwige heiligheid, stoten, om zo te spreken, de gunst van God af.
Het was dan noodzakelijk dat de sluitboom zou worden weggenomen, opdat een kanaal mocht geopend worden waardoor genade, gunst en barmhartigheid van God tot de zondaar konden afvloeien. In één woord: dat de zonde mocht worden uitgewist en dat de wet genoeg gedaan en vervuld zou worden in al haar strenge eisen, en God, rechtvaardig zijnde en behoudende elk van Zijn rechtvaardige eigenschappen, geen van Zijn heilige volmaaktheden zou behoeven op te offeren, en evenwel zijn en blijven de Rechtvaardige, volkomen Rechtvaardige, en niettemin de Rechtvaardiger van degenen die in Jezus geloven. Maar hoe moest dit tot stand gebracht worden? Geen serafijn noch engel kon daartoe een weg hebben uitgedacht. Het lag van eeuwigheid opgesloten in de boezem van de drieënige God; en dit was, dat de eniggeboren Zoon van God, Die van alle eeuwigheid in de schoot des Vaders was, het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, een bloedend Lam worden zou: het Lam, geslacht van vóór de grondlegging der wereld. Dat Hij in vereniging met Zijn Goddelijk Persoon de menselijke natuur aannemen zou, het vlees en bloed der kinderen, zuiver, onbesmet en heilig; en die natuur, het lichaam hetwelk God voor Hem bereid had, tot een heilige offerande zou opofferen.
Toen Hij in de wereld kwam, begon Zijn opoffering reeds, en elke heilige gedachte, elk heilig woord en elke heilige handeling in het lijden en uitvoeren, die Zijn ziel doorkruiste, van Zijn lippen droop of verricht werd door de handen van de eniggeboren Zoon van God, was een deel van die offerande. Doch de grote voltooiing daarvan (inzonderheid de opoffering van het lichaam) was toen Hij aan het vervloekte hout genageld was en Zijn bloed vergoten werd tot wegneming van de zonde. Nu, dit is de verzoening, de verlossing, de offerande, de weg, de enige weg waardoor de zonde is verzoend, de weg, de enige weg waardoor de zonde vergeven is. Maar zal de gezegende offerande en verzoening tot ons overgaan, zodat haar waarde, haar kracht, werking en zegen in onze consciëntie mogen worden waargenomen, dan moet het in onze ziel gewerkt worden om het te kunnen omhelzen.
De enige zaligheid voor onze zielen is de verzoening, door Jezus teweeggebracht aan het kruis. Er is geen andere offerande voor de zonde buiten deze. Maar hoe kan deze in onze harten overgebracht worden? Hoe wordt de kracht van deze verzoenende offerande persoonlijk de onze? Het is door het geloof. Verklaart niet de Heilige Geest dit door de mond van de apostel? Hij zegt: „Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed.” Nu, dit is het keerpunt in de zaligheid der ziel. Dit is de voorname, beslissende zaak in des mensen consciëntie voor God.
Dit is de kaap die moet worden omgevaren door een ieder die zich begeeft op de zee der verlossing. Alvorens hij deze kaap kan omzeilen, wordt hij door stormen teruggedreven en door winden geschud; ook vreest hij menigmaal dat hij door de baren zal verslonden worden. Doch wanneer hij door het levend geloof in staat wordt gesteld deze kaap te omzeilen en te zien op de verzoening door het bloed des Lams, en gewaar te worden dat hart en ziel ernaar uitgaan en erop leunen, en hij een zekere, zoete rust en vrede geniet in het bloed der offerande, geofferd op Calvarië’s kruin, dan heeft hij „Kaap de Goede Hoop” omzeild en is hij vanuit de Atlantische Oceaan in de Stille Zuidzee gekomen, en begint hij in zijn consciëntie de gunst en genade van de Heere, de almachtige God, te smaken.
Aan de lezer…
Misschien bent u nog op zee, door stormen teruggedreven en door winden geschud, en vreest u menigmaal dat de baren u zullen verslinden. Ligt de zonde, en de wet die haar veroordeelt, als een sluitboom tussen u en de gunst van God? U behoeft dat niet te verbloemen. Geen engel kon een weg vinden, en u kunt die ook niet vinden; maar God heeft hem gevonden in Zijn eniggeboren Zoon, het Lam dat aan het vervloekte hout Zijn bloed vergoot.
Daar is de enige weg waardoor de zonde vergeven wordt. Zie dan op dat bloed, ook al is uw geloof zwak; vraag de Heere of Hij uw hart erop wil doen leunen. Wanneer Hij u dat geeft, zult u de kaap omzeilen en in stiller water komen, en de zoete rust smaken die in het bloed der offerande ligt. Hij is een verzoening voor onze zonden; laat die waarheid het anker van uw hoop zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Hij is een verzoening voor onze zonden.
1 Johannes 2:2
Wat is verzoening? Onder verzoening verstaan wij een offerande die de Heere aangenaam is; een offerande waardoor God, of liever de eigenschappen van God, verzoend worden; waardoor God Zijn gunst kan bewijzen, en waardoor barmhartigheid, genade en vergeving kunnen worden meegedeeld. Welnu, de zonde, en de wet die de zonde veroordeelt, sluiten de gunst van God uit. Zij werden een belemmering voor de liefde van God. Want God kan, als God, de zonde en de zondaar niet liefhebben. De zonde van de mens en de heilige wet van God, als het afschrift van Zijn oneindige en eeuwige heiligheid, stoten om zo te zeggen de gunst van God af.
Het was dus noodzakelijk dat de slagboom werd weggenomen, zodat er een kanaal geopend kon worden waardoor genade, gunst en barmhartigheid van God naar de zondaar konden toestromen. In één woord: de zonde moest worden uitgewist en de wet moest worden voldaan en vervuld in al haar strenge eisen. En God, Die rechtvaardig is en al Zijn rechtvaardige eigenschappen handhaaft, zou geen van Zijn heilige volmaaktheden hoeven op te offeren, en toch de Rechtvaardige zijn en blijven, de volkomen Rechtvaardige, en tegelijk de Rechtvaardigmaker van hen die in Jezus geloven. Maar hoe moest dat tot stand komen? Geen serafijn of engel had daar een weg voor kunnen bedenken. Het lag van eeuwigheid besloten in de boezem van de drie-enige God. En het was dit: dat de eniggeboren Zoon van God, Die van alle eeuwigheid in de schoot van de Vader was, het afschijnsel van Zijn heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn zelfstandigheid, een bloedend Lam zou worden: het Lam, geslacht van vóór de grondlegging der wereld. Hij zou in vereniging met Zijn Goddelijke Persoon de menselijke natuur aannemen, het vlees en bloed van de kinderen, zuiver, onbesmet en heilig, en die natuur, het lichaam dat God voor Hem bereid had, als een heilige offerande opofferen.
Toen Hij in de wereld kwam, begon Zijn offer al. Elke heilige gedachte, elk heilig woord en elke heilige daad in lijden en doen, die door de ziel van de eniggeboren Zoon van God ging, van Zijn lippen vloeide of door Zijn handen verricht werd, was een deel van die offerande. Maar de grote voltooiing ervan (vooral het offer van het lichaam) vond plaats toen Hij aan het vervloekte hout genageld was en Zijn bloed vergoten werd om de zonde weg te nemen. Dit nu is de verzoening, de verlossing, de offerande, de weg, de enige weg waardoor de zonde verzoend is, de weg, de enige weg waardoor de zonde vergeven is. Maar zal deze gezegende offerande en verzoening op ons overgaan, zodat haar waarde, haar kracht, werking en zegen in ons geweten worden ervaren, dan moet er in onze ziel gewerkt worden om haar te kunnen omhelzen.
De enige zaligheid voor onze ziel is de verzoening die Jezus aan het kruis tot stand bracht. Er is geen ander offer voor de zonde dan dit. Maar hoe kan dit in ons hart worden overgebracht? Hoe wordt de kracht van deze verzoenende offerande persoonlijk de onze? Door het geloof. Verklaart de Heilige Geest dat niet door de mond van de apostel? Hij zegt: „Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed.” Dit is het keerpunt in de zaligheid van de ziel. Dit is de voornaamste, beslissende zaak in het geweten van de mens voor God.
Dit is de kaap die ieder moet omvaren die zich op de zee van de verlossing begeeft. Voordat hij deze kaap kan ronden, wordt hij door stormen teruggedreven en door winden heen en weer geslingerd, en vaak vreest hij dat de golven hem zullen verslinden. Maar wanneer hij door het levend geloof in staat wordt gesteld deze kaap te ronden en te zien op de verzoening door het bloed van het Lam; wanneer hij merkt dat zijn hart en ziel ernaar uitgaan en erop leunen, en hij een zekere, zoete rust en vrede geniet in het bloed van de offerande die op de top van Golgotha geofferd is, dan heeft hij „Kaap de Goede Hoop” gerond. Dan is hij vanuit de Atlantische Oceaan in de Stille Zuidzee gekomen, en begint hij in zijn geweten de gunst en genade van de Heere, de almachtige God, te smaken.
Aan de lezer…
Misschien bent u nog op zee, door stormen teruggedreven en door winden heen en weer geslingerd, en vreest u vaak dat de golven u zullen verslinden. Ligt de zonde, en de wet die haar veroordeelt, als een slagboom tussen u en de gunst van God? U hoeft dat niet te verbloemen. Geen engel kon een weg vinden, en u kunt die ook niet vinden; maar God heeft hem gevonden in Zijn eniggeboren Zoon, het Lam dat aan het vervloekte hout Zijn bloed vergoot.
Daar ligt de enige weg waardoor de zonde vergeven wordt. Zie dan op dat bloed, ook al is uw geloof zwak, en vraag de Heere of Hij uw hart erop wil laten leunen. Wanneer Hij u dat geeft, zult u de kaap ronden en in stiller water komen, en de zoete rust smaken die in het bloed van de offerande ligt. Hij is een verzoening voor onze zonden; laat die waarheid het anker van uw hoop zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And He is the propitiation for our sins.
1 John 2:2
What is “propitiation?” By propitiation we are to understand, an atoning sacrifice acceptable to Jehovah; by which God, or rather the attributes of God are satisfied; whereby God can be favorable; whereby mercy, grace, and pardon can freely flow forth. Now sin, and the law condemning sin, barred out, barred back, the favor of God. They were the opposing obstacle to the love of God. For God cannot, as God, love sin and sinners; therefore, the sin of man, and the holy law of God, the copy of His infinite and eternal purity barred back, so to speak, the favor of God.
It was needful, then, that this barrier should be removed, that a channel might be provided, through which the grace, favor, and mercy of God might flow—in a word, that sin might be blotted out, and that the law might be accomplished and fulfilled in all its strict requirements, that God “might be just,” retaining every righteous attribute, not sacrificing one of His holy perfections—and yet, though just, perfectly just, “the justifier of him which believes in Jesus.”
But how was this to be effected? No seraph, no bright angel could ever have devised a way. It lay locked up in the bosom of the Three-One God from everlasting; and that was, that the only-begotten Son of God, Who lay in the bosom of the Father from all eternity, “the brightness of His glory, and the express image of His Person,” should become a bleeding Lamb, “the Lamb slain from before the foundation of the world;” that He should take into union with His own divine Person a human nature, “the flesh and blood of the children,” pure, spotless, and holy, and offer up that nature, that body which God prepared for Him, a holy sacrifice.
When He came into the world, the sacrifice began; and every holy thought, every holy word, and every holy action, in suffering and performing, that passed through the heart, dropped from the lips, or was performed by the hands of the only-begotten Son of God, when He was upon earth, was part of that sacrifice. But the grand consummation of it (the offering up of that body especially) was, when it was nailed to the accursed tree, and blood was shed to put away sin. Now, this is the atoning sacrifice, the redemption, the sacrifice, the way, the only way, whereby sin is expiated; the way, the only way, whereby sin is pardoned.
But in order that this blessed and atoning sacrifice may pass over to us; that its value, validity, efficacy, and blessedness may be felt in our consciences, there must be that wrought in our souls whereby it is embraced. The only salvation for our souls is the atoning sacrifice made by Jesus upon Calvary’s tree. There is no other sacrifice for sin but that. But how is that to pass into our hearts? How is the efficacy of this atoning sacrifice to be made personally ours? It is by faith. Does not the Holy Spirit declare this by the mouth of the Apostle? He says, “Whom God has set forth to be a propitiation through faith in His blood.”
Now, this is the turning point in the soul’s salvation. This is the grand point to have decided in a man’s conscience before God. When, by living faith, he is enabled to see the atoning sacrifice through the blood of the Lamb, to feel his very heart and soul going out after, and leaning upon, and feeling a measure of solid rest and peace in the blood of the sacrifice offered upon Calvary—then he begins to receive into his conscience a measure of the favor and grace of the Lord God Almighty.
To the reader…
Perhaps you are still at sea, driven back by storms and tossed to and fro by the winds, and you often fear that the waves will swallow you up. Do sin, and the law that condemns it, lie like a barrier between you and the favour of God? You need not gloss over that. No angel could find a way, and you cannot find one either; but God has found it in His only-begotten Son, the Lamb Who shed His blood on the accursed tree.
There lies the only way by which sin is pardoned. Look, then, to that blood, even if your faith is weak, and ask the Lord to let your heart lean upon it. When He gives you that, you will round the point and come into calmer water, and taste the sweet rest that lies in the blood of the sacrifice. He is the propitiation for our sins; let that truth be the anchor of your hope.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y él es la propiciación por nuestros pecados.
1 Juan 2:2
¿Qué es la “propiciación”? Por propiciación debemos entender un sacrificio expiatorio aceptable a Jehová, por el cual Dios, o más bien los atributos de Dios, quedan satisfechos; por el cual Dios puede ser favorable; por el cual la misericordia, la gracia y el perdón pueden fluir libremente. Ahora bien, el pecado, y la ley que condena el pecado, cerraban el paso, contenían el favor de Dios. Eran el obstáculo que se oponía al amor de Dios. Porque Dios, como Dios, no puede amar el pecado ni a los pecadores; por eso el pecado del hombre y la santa ley de Dios, copia de Su pureza infinita y eterna, contenían, por así decirlo, el favor de Dios.
Era necesario, pues, que esta barrera fuese quitada, que se proveyese un cauce por el cual pudiesen fluir la gracia, el favor y la misericordia de Dios; en una palabra, que el pecado fuese borrado, y que la ley fuese cumplida y satisfecha en todas sus estrictas exigencias, para que Dios “sea el justo”, conservando todo atributo justo, sin sacrificar ninguna de Sus santas perfecciones, y sin embargo, siendo justo, perfectamente justo, “el que justifica al que es de la fe de Jesús”.
Pero ¿cómo había de efectuarse esto? Ningún serafín, ningún ángel resplandeciente podría jamás haber ideado un camino. Estaba encerrado en el seno del Dios Trino desde la eternidad; y era este: que el unigénito Hijo de Dios, que estaba en el seno del Padre desde toda la eternidad, “el resplandor de su gloria, y la misma imagen de su sustancia”, llegara a ser un Cordero sangrante, “el Cordero, el cual fue muerto desde el principio del mundo”; que tomara en unión con Su propia Persona divina una naturaleza humana, la “carne y sangre” de los hijos, pura, sin mancha y santa, y ofreciera esa naturaleza, ese cuerpo que Dios Le preparó, como sacrificio santo.
Cuando vino al mundo, comenzó el sacrificio; y todo pensamiento santo, toda palabra santa y toda acción santa, en el padecer y en el obrar, que pasó por el corazón, salió de los labios o fue realizada por las manos del unigénito Hijo de Dios cuando estuvo en la tierra, fue parte de ese sacrificio. Pero su gran consumación (la ofrenda de aquel cuerpo especialmente) fue cuando fue clavado en el madero maldito y se derramó sangre para quitar el pecado. Ahora bien, este es el sacrificio expiatorio, la redención, el sacrificio, el camino, el único camino, por el cual el pecado es expiado; el camino, el único camino, por el cual el pecado es perdonado.
Pero para que este bendito sacrificio expiatorio pase a nosotros, para que su valor, validez, eficacia y bienaventuranza se sientan en nuestras conciencias, tiene que obrarse en nuestras almas aquello por lo cual es abrazado. La única salvación para nuestras almas es el sacrificio expiatorio hecho por Jesús en el madero del Calvario. No hay otro sacrificio por el pecado sino ese. Pero ¿cómo ha de pasar a nuestros corazones? ¿Cómo ha de hacerse personalmente nuestra la eficacia de este sacrificio expiatorio? Por la fe. ¿No lo declara así el Espíritu Santo por boca del apóstol? Dice: “Al cual Dios ha propuesto en propiciación por la fe en su sangre”.
Ahora bien, este es el punto decisivo en la salvación del alma. Este es el gran punto que ha de quedar decidido en la conciencia de un hombre delante de Dios. Cuando, por una fe viva, es capacitado para ver el sacrificio expiatorio por la sangre del Cordero, para sentir su mismo corazón y su alma salir en pos de ella, apoyarse en ella y sentir una medida de sólido reposo y paz en la sangre del sacrificio ofrecido en el Calvario, entonces comienza a recibir en su conciencia una medida del favor y de la gracia del Señor Dios Todopoderoso.
Al lector…
Quizás usted está todavía en alta mar, rechazado por las tormentas y zarandeado por los vientos, y teme a menudo que las olas le traguen. ¿Están el pecado, y la ley que lo condena, como una barrera entre usted y el favor de Dios? No tiene por qué disimularlo. Ningún ángel pudo hallar un camino, y usted tampoco puede hallarlo; pero Dios lo ha hallado en Su Hijo unigénito, el Cordero que derramó Su sangre en el madero maldito.
Allí está el único camino por el cual el pecado es perdonado. Mire, pues, a esa sangre, aunque su fe sea débil, y pida al Señor que deje que su corazón se apoye en ella. Cuando Él se lo conceda, doblará el cabo y entrará en aguas más tranquilas, y gustará el dulce reposo que hay en la sangre del sacrificio. Él es la propiciación por nuestros pecados; que esa verdad sea el ancla de su esperanza.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl