6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Mijn ziel kleeft U achteraan.
Psalm 63:9
De Heere gedoogt niet (wij willen met eerbied spreken), de Heere gedoogt niet, dat Hij achterhaald worde. Hoe meer de ziel Hem volgt, des te meer schijnt Hij Zich terug te trekken en spoort haar dus aan tot ernstiger vervolging. Hij wil aan het einde achterhaald worden; het is Zijn eigen gezegend werk in het geweten, om een ernstig begeren en verlangen naar Hem op te wekken, en daartoe geeft Hij kracht aan de ziel en maakt Hij de voeten gelijk die ener hinde, om de jacht met spoed voort te zetten. Maar om het vurig verlangen te meer te prikkelen, om het toenemend vuur nog meer kracht te geven, wil de Heere niet toelaten achterhaald te worden dan na een langdurige en ijverige vervolging.
Dit wordt in het Hooglied van Salomo schoon voorgesteld. Wij vinden daar de Heere komende tot Zijn bruid; maar zij wil niet opendoen tot „Hij Zijn hand door de opening der deur steekt”. Zij wilde niet opstaan bij Zijn eerste geklop, en daarom is Hij verplicht haar hart aan te raken. Maar „toen zij haar Liefste opende, was Hij heengegaan”, en nauwelijks is Hij heengegaan, of zij volgt Hem, maar kan Hem niet vinden; Hij verbergt Zich voor haar oog, laat haar om de wallen der stad gaan, en eindelijk haalt zij Hem in en vindt Hem, Die haar ziel liefheeft. Dit geeft te verstaan, hoe de Heere zachtkens de verlangende ziel achter Zich aantrekt.
Zo wij onmiddellijk het doel van ons streven konden bereiken, zouden wij niet half zoveel genieten. Zo wij met een enkele wens de Heere in onze ziel konden brengen, dan zou het slechts de wens van de luiaard zijn, die begeert en niet heeft. Maar zo de Heere slechts kan verkregen worden door een vurig najagen, dan is elke kracht der ziel bezig om te streven naar Zijn kennelijke tegenwoordigheid; en dit was de ervaring van de Psalmist, toen hij uitriep: „Mijn ziel kleeft U achteraan.”
Keer eind’lijk, Heer, toch weder!
Mijn ziel buigt zich terneder.
Ach, red haar van ’t verderf!
Ps. 6:4
Aan de lezer…
Misschien zoekt u de Heere, lezer, en schijnt Hij Zich steeds verder terug te trekken. U hebt geroepen en Hij kwam niet; u meende Hem te vinden en Hij was heengegaan. Wat is dat moeilijk voor een verlangend hart. Toch is dit geen teken dat Hij u afwijst. Het is juist Zijn eigen werk dat dit verlangen in u opwekt, en Hij trekt u zachtkens achter Zich aan.
De bruid in het Hooglied ging om de wallen der stad en vond Hem eindelijk, Die haar ziel liefheeft. Zo houdt de Heere Zich soms verborgen, niet om u te ontmoedigen, maar om het vuur sterker te doen branden. Wat met één luie wens verkregen werd, zou weinig gewaardeerd worden. Geef het zoeken dan niet op. Kleef Hem achteraan, ook al zijn uw voeten moe; Hij geeft kracht om voort te gaan, en Hij wil aan het einde gevonden worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Mijn ziel kleeft U achteraan.
Psalm 63:9
De Heere laat niet toe (wij willen met eerbied spreken), de Heere laat niet toe dat Hij ingehaald wordt. Hoe meer de ziel Hem volgt, hoe meer Hij Zich lijkt terug te trekken, en zo spoort Hij haar aan Hem nog ernstiger na te jagen. Hij wil aan het einde ingehaald worden. Het is Zijn eigen gezegend werk in het geweten om een ernstig begeren en verlangen naar Hem op te wekken, en daarvoor geeft Hij kracht aan de ziel en maakt Hij haar voeten als die van een hinde, om de jacht met spoed voort te zetten. Maar om het vurig verlangen des te meer te prikkelen en het toenemende vuur nog meer kracht te geven, laat de Heere Zich pas inhalen na een langdurig en ijverig najagen.
Dit wordt in het Hooglied van Salomo prachtig voorgesteld. Daar zien wij de Heere tot Zijn bruid komen, maar zij wil niet opendoen totdat „Hij Zijn hand door de opening der deur steekt”. Zij wilde bij Zijn eerste kloppen niet opstaan, en daarom moet Hij haar hart aanraken. Maar „toen zij haar Liefste opende, was Hij heengegaan”. Nauwelijks is Hij heengegaan, of zij volgt Hem, maar zij kan Hem niet vinden. Hij verbergt Zich voor haar oog en laat haar rondom de wallen van de stad gaan, en eindelijk haalt zij Hem in en vindt zij Hem Die haar ziel liefheeft. Dit laat zien hoe de Heere de verlangende ziel zacht achter Zich aan trekt.
Als wij het doel van ons streven onmiddellijk konden bereiken, zouden wij er niet half zoveel van genieten. Als wij met één enkele wens de Heere in onze ziel konden brengen, dan zou het niet meer zijn dan de wens van de luiaard, die begeert en niet heeft. Maar als de Heere alleen verkregen kan worden door Hem vurig na te jagen, dan is elke kracht van de ziel bezig om te streven naar Zijn merkbare tegenwoordigheid. Dat was de ervaring van de psalmist toen hij uitriep: „Mijn ziel kleeft U achteraan.”
Keer eind’lijk, Heer, toch weder!
Mijn ziel buigt zich terneder.
Ach, red haar van ’t verderf!
Ps. 6:4
Aan de lezer…
Misschien zoekt u de Heere, lezer, en lijkt Hij Zich steeds verder terug te trekken. U hebt geroepen en Hij kwam niet; u meende Hem te vinden en Hij was heengegaan. Wat is dat moeilijk voor een verlangend hart. Toch is dit geen teken dat Hij u afwijst. Het is juist Zijn eigen werk dat dit verlangen in u opwekt, en Hij trekt u zacht achter Zich aan.
De bruid in het Hooglied ging rondom de wallen van de stad en vond eindelijk Hem Die haar ziel liefheeft. Zo houdt de Heere Zich soms verborgen, niet om u te ontmoedigen, maar om het vuur sterker te laten branden. Wat met één luie wens verkregen werd, zou weinig gewaardeerd worden. Geef het zoeken dan niet op. Kleef Hem achteraan, ook al zijn uw voeten moe; Hij geeft kracht om verder te gaan, en Hij wil aan het einde gevonden worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
My soul followeth hard after Thee.
Psalm 63:8
The Lord (we speak with reverence) does not allow Himself at first to be overtaken. The more the soul follows after Him, the more He seems to withdraw Himself, and thus He draws it more earnestly on the pursuit. He means to be overtaken in the end—it is His own blessed work in the conscience to kindle earnest desires and longings after Himself; and therefore He puts strength into the soul, and “makes the feet like hinds’ feet” to run and continue the chase. But in order to whet the ardent desire, to kindle to greater intensity the rising eagerness, the Lord will not allow Himself to be overtaken until after a long and arduous pursuit.
This is sweetly set forth in the Song of Solomon, 5:2-8. We find there the Lord coming to His bride; but she is unwilling to open to Him until “He puts His hand in by the hole of the door.” She would not rise at His first knocking, and therefore He is obliged to touch her heart. But “when she opened to her Beloved, He was gone;” and no sooner does He withdraw Himself, than she pursues after Him; but she cannot find Him; He hides Himself from her view, draws her round and round the walls of the city, until at length she overtakes, and finds Him whom her soul loves. This sweetly sets forth how the Lord draws on the longing soul after Himself.
Could we immediately obtain the object of our pursuit, we would not half so much enjoy it when attained. Could we with ‘a wish’ bring the Lord down into the soul, it would be but the lazy wish of the sluggard, who “desires, and has not.” But when the Lord can only be obtained by an arduous pursuit, every faculty of the soul is engaged in panting after His manifested presence; and this was the experience of the Psalmist, when he cried, “My soul follows hard after you.”
To the reader…
Perhaps you are seeking the Lord, dear reader, and He seems to withdraw Himself further and further. You have called and He did not come; you thought you had found Him and He had gone. How hard that is for a longing heart. Yet this is no sign that He is rejecting you. It is His very own work that awakens this longing in you, and He gently draws you after Himself.
The bride in the Song of Solomon went round the walls of the city and at last found Him Whom her soul loveth. In the same way the Lord sometimes keeps Himself hidden, not to discourage you, but to make the fire burn more strongly. What was gained by one lazy wish would be little valued. So do not give up seeking. Follow hard after Him, even if your feet are weary; He gives strength to go on, and He means to be found in the end.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Está mi alma apegada a Ti.
Salmo 63:8
El Señor (lo decimos con reverencia) no se deja alcanzar al principio. Cuanto más le sigue el alma, más parece Él retirarse, y así la atrae con más fervor a la búsqueda. Él se propone ser alcanzado al final; es Su propia obra bendita en la conciencia encender deseos y anhelos fervientes por Él; y por eso pone fuerza en el alma, y “hace sus pies como de ciervas” para correr y continuar la persecución. Pero a fin de avivar el deseo ardiente, de encender con mayor intensidad el anhelo creciente, el Señor no se deja alcanzar sino después de una búsqueda larga y ardua.
Esto se presenta dulcemente en el Cantar de los Cantares, 5:2-8. Hallamos allí al Señor que viene a Su esposa; pero ella no está dispuesta a abrirle hasta que “Él mete Su mano por el agujero de la puerta”. No quiso levantarse a Su primer llamado, y por eso Él se ve obligado a tocar su corazón. Pero “abrió ella a su Amado; mas su Amado se había ido”; y tan pronto como Él se retira, ella sale en Su busca; pero no puede hallarle; Él se esconde de su vista, la lleva vuelta tras vuelta alrededor de los muros de la ciudad, hasta que por fin ella le alcanza y halla al que ama su alma. Esto muestra dulcemente cómo el Señor atrae tras Sí al alma anhelante.
Si pudiéramos obtener de inmediato el objeto de nuestra búsqueda, no lo gozaríamos ni la mitad una vez alcanzado. Si pudiéramos con ‘un deseo’ hacer descender al Señor al alma, no sería sino el deseo perezoso del perezoso, que “desea, y nada alcanza”. Pero cuando al Señor solo se le puede obtener mediante una búsqueda ardua, toda facultad del alma se ocupa en anhelar Su presencia manifestada; y esta fue la experiencia del salmista cuando clamó: “Está mi alma apegada a Ti”.
Al lector…
Quizá usted busca al Señor, querido lector, y Él parece retirarse cada vez más lejos. Ha llamado y Él no vino; pensó que le había hallado y se había ido. Cuán duro es eso para un corazón anhelante. Sin embargo, no es señal de que Él le rechace. Es Su propia obra la que despierta en usted este anhelo, y Él le atrae suavemente tras Sí.
La esposa del Cantar de los Cantares recorrió los muros de la ciudad y al fin halló al que amaba su alma. Del mismo modo el Señor a veces se mantiene escondido, no para desanimarle, sino para hacer arder el fuego con más fuerza. Lo que se ganara con un perezoso deseo se estimaría poco. No deje, pues, de buscar. Vaya en pos de Él con ahínco, aunque sus pies estén cansados; Él da fuerzas para seguir, y se propone ser hallado al final.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Vervolgen de Heere te kennen
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de HEERE te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
Er wordt nog een beeld toegevoegd, dat de vrucht en de gevolgen van Zijn komst aanwijst. „Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.” Zijn uitgang wordt vergeleken bij de dageraad: heerlijk en zeker. Zijn komst wordt vergeleken bij regen: verzachtend en vruchtbaar makend. Ik denk dat wij in deze vroege en spade regen een liefelijk beeld hebben van de openbaringen van Christus aan de ziel.
De vroege regen, die het eerst komt, is het eerste gezicht van Christus dat de ziel heeft. Het is de tijd van de eerste liefde, de dag van het huwelijk, wanneer wij de Heere achterna wandelen in onbezaaid land (Jer. 2:2), wanneer de Heere ons, zoals Hij in Hosea 2:14 zegt, in de woestijn lokt. Het is de eerste dag van de Zoon des mensen, de tijd waarvan Job zei: „Och, of ik ware gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde! Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde; gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was” (Job 29:2-4).
De dagen mijner jonkheid, dat zijn de dagen van zijn geestelijke jeugd, toen hij voor het eerst in liefde tot Jezus blaakte, en vol was van ijver en warmte voor Zijn eer en heerlijkheid. Toen kwam Christus voor het eerst als de vroege regen, die op het zaad valt dat aan de aarde is toevertrouwd en het geurig en krachtig laat ontkiemen.
Lezen: Job 29
Aan de lezer…
Herinnert u zich nog de dagen van uw eerste liefde? De tijd dat Christus voor het eerst als een vroege regen op uw dorre hart viel, toen u Hem achterna wandeldet en uw ziel vol was van ijver voor Zijn eer? Misschien zucht u nu met Job: „Och, of ik ware gelijk in de vorige maanden.” De lamp schijnt niet meer zo helder over uw hoofd, en u vreest dat alles van toen slechts schijn was.
Waarde lezer, werp die eerste regen niet weg. Wat toen op het zaad viel, liet het ontkiemen, en wat de Heere gezaaid heeft, laat Hij niet verloren gaan. Dat u naar die dagen terugverlangt, bewijst dat u hebt gesmaakt hoe goed Hij is. Dezelfde Die toen als de vroege regen kwam, heeft ook de spade regen beloofd. Hij zal weer tot u komen, verzachtend en vruchtbaar makend, op Zijn tijd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de HEERE te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
Er wordt nog een beeld aan toegevoegd, dat de vrucht en de gevolgen van Zijn komst laat zien: „Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.” Zijn uitgang wordt vergeleken met de dageraad: heerlijk en zeker. Zijn komst wordt vergeleken met regen: verzachtend en vruchtbaar makend. Ik denk dat wij in deze vroege en spade regen een lieflijk beeld hebben van de openbaringen van Christus aan de ziel.
De vroege regen, die het eerst komt, is het eerste gezicht van Christus dat de ziel ontvangt. Het is de tijd van de eerste liefde, de dag van de bruiloft, wanneer wij de Heere achterna wandelen in onbezaaid land (Jer. 2:2), wanneer de Heere ons, zoals Hij in Hosea 2:14 zegt, in de woestijn lokt. Het is de eerste dag van de Zoon des mensen, de tijd waarover Job zei: „Och, of ik ware gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde! Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde; gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was” (Job 29:2-4).
„De dagen mijner jonkheid”: dat zijn de dagen van zijn geestelijke jeugd, toen hij voor het eerst brandde van liefde tot Jezus en vol was van ijver en warmte voor Zijn eer en heerlijkheid. Toen kwam Christus voor het eerst als de vroege regen, die valt op het zaad dat aan de aarde is toevertrouwd, en het geurig en krachtig laat ontkiemen.
Lezen: Job 29
Aan de lezer…
Herinnert u zich nog de dagen van uw eerste liefde? De tijd dat Christus voor het eerst als een vroege regen op uw dorre hart viel, toen u Hem achterna wandelde en uw ziel vol was van ijver voor Zijn eer? Misschien zucht u nu met Job: „Och, of ik ware gelijk in de vorige maanden.” De lamp schijnt niet meer zo helder over uw hoofd, en u vreest dat alles van toen alleen maar schijn was.
Werp die eerste regen niet weg. Wat toen op het zaad viel, liet het ontkiemen, en wat de Heere gezaaid heeft, laat Hij niet verloren gaan. Dat u naar die dagen terugverlangt, bewijst dat u hebt gesmaakt hoe goed Hij is. Dezelfde Die toen als de vroege regen kwam, heeft ook de spade regen beloofd. Hij zal weer tot u komen, verzachtend en vruchtbaar makend, op Zijn tijd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then shall we know, if we follow on to know the LORD: His going forth is prepared as the morning; and He shall come unto us as the rain, as the latter and former rain unto the earth.
Hosea 6:3
Yet another figure is added, which shows the fruit and effects of His coming: “He shall come unto us as the rain, as the latter and former rain unto the earth.” His going forth is compared to the morning: glorious and certain. His coming is compared to rain: softening and fertilising. I think that in this former and latter rain we have a sweet figure of the manifestations of Christ to the soul.
The former rain, which comes first, is the first view of Christ which the soul receives. It is the time of first love, the day of espousals, when we go after the Lord in a land that was not sown (Jeremiah 2:2), when the Lord, as He says in Hosea 2:14, allures us into the wilderness. It is the first of the days of the Son of man, the time of which Job said, “Oh that I were as in months past, as in the days when God preserved me; when His candle shined upon my head, and when by His light I walked through darkness; as I was in the days of my youth, when the secret of God was upon my tabernacle” (Job 29:2-4).
“The days of my youth”: these are the days of his spiritual youth, when he first burned with love to Jesus and was full of zeal and warmth for His honour and glory. Then Christ first came as the former rain, which falls upon the seed committed to the earth and makes it spring up fragrant and vigorous.
Reading: Job 29
To the reader…
Do you still remember the days of your first love? The time when Christ first fell like a former rain upon your dry heart, when you went after Him and your soul was full of zeal for His honour? Perhaps you now sigh with Job, “Oh that I were as in months past.” The candle no longer shines so brightly upon your head, and you fear that all of that time was mere appearance.
Do not cast away that first rain. What fell upon the seed then made it spring up, and what the Lord has sown He does not let perish. That you long for those days proves that you have tasted how good He is. The same One Who came then as the former rain has also promised the latter rain. He will come to you again, softening and making fruitful, in His own time.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y conoceremos, y proseguiremos en conocer a Jehová: como el alba está aparejada Su salida, y vendrá a nosotros como la lluvia, como la lluvia tardía y temprana a la tierra.
Oseas 6:3
Todavía se añade otra figura, que muestra el fruto y los efectos de Su venida: “Vendrá a nosotros como la lluvia, como la lluvia tardía y temprana a la tierra”. Su salida se compara con la mañana: gloriosa y segura. Su venida se compara con la lluvia: que ablanda y fertiliza. Pienso que en esta lluvia temprana y tardía tenemos una dulce figura de las manifestaciones de Cristo al alma.
La lluvia temprana, que viene primero, es la primera visión de Cristo que recibe el alma. Es el tiempo del primer amor, el día de los desposorios, cuando andamos en pos del Señor en tierra no sembrada (Jeremías 2:2), cuando el Señor, como dice en Oseas 2:14, nos induce y nos lleva al desierto. Es el primero de los días del Hijo del hombre, el tiempo del que Job dijo: “¡Quién me tornase como en los meses pasados, como en los días que Dios me guardaba, cuando hacía resplandecer Su candela sobre mi cabeza, a la luz de la cual yo caminaba en la oscuridad; como fue en los días de mi mocedad, cuando el secreto de Dios estaba en mi tienda!” (Job 29:2-4).
“Los días de mi mocedad”: estos son los días de su juventud espiritual, cuando por primera vez ardía de amor a Jesús y estaba lleno de celo y fervor por Su honra y gloria. Entonces Cristo vino por primera vez como la lluvia temprana, que cae sobre la semilla confiada a la tierra y la hace brotar fragante y vigorosa.
Lectura: Job 29
Al lector…
¿Recuerda usted todavía los días de su primer amor? ¿El tiempo en que Cristo cayó por primera vez como una lluvia temprana sobre su corazón seco, cuando andaba en pos de Él y su alma estaba llena de celo por Su honra? Quizá ahora suspire con Job: “¡Quién me tornase como en los meses pasados!” La candela ya no resplandece tan claramente sobre su cabeza, y teme que todo aquel tiempo fuera mera apariencia.
No deseche esa primera lluvia. Lo que cayó entonces sobre la semilla la hizo brotar, y lo que el Señor ha sembrado no lo deja perecer. Que usted anhele aquellos días prueba que ha gustado cuán bueno es Él. El mismo que vino entonces como la lluvia temprana ha prometido también la lluvia tardía. Vendrá de nuevo a usted, ablandando y haciendo fructificar, a Su propio tiempo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is, dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben; wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden.
Hebreeën 6:18
Neen, het is ten enenmale onmogelijk, dat God liege. De aarde zou eerder ontbonden en de gehele schepping tot een chaos kunnen teruggebracht worden eer God zou kunnen liegen. Hij zou ophouden God te zijn, wanneer de minste schaduw van omkering of de minste verandering in Zijn heerlijke Godheid zou kunnen plaats hebben. Maar het is onmogelijk, dat God liege. Dit houdt dan ook de sterke vertroosting in voor degenen, die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden.
En wat is de grond van deze sterke vertroosting? Dit is de grond, dat God van eeuwigheid bepaald en bij Zichzelf gezworen heeft, dat Hij verlossen en zegenen wil degenen, die de toevlucht genomen hebben om de in het Evangelie voorgestelde hoop vast te houden. Dit is de grond van hun vertroosting, dit is de grond hunner hoop, dat God zulke en zulke beloften gegeven, en deze door Zijn dure eed bevestigd heeft, dat zij, die de toevlucht nemen en deze hoop vasthouden, een recht daartoe hebben en daarbij een klare verzekering, dat zij erfgenamen der beloften zijn.
Nu, hebt gij ooit in uw leven geestelijke vertroosting gesmaakt? Zo ja, dan was het doordat gij de hoop, in het Evangelie u voorgesteld, kondt omhelzen. Er was geen vertroosting te verkrijgen door op uw gevallen staat te zien. Zo er ooit enige ware vertroosting was, enige hoop in uw hart oprees, enig waar zielsgemak, het vloeide voort uit de daden van het levend geloof, dat het bloed en de gerechtigheid van Christus omhelsde, door een zekere mate van Zijn dierbaarheid te smaken, door een beschouwen van Zijn heerlijkheid en schoonheid, vergezeld van een smelting des harten in eigen nietigheid en onwaardigheid aan Zijn gezegende voeten.
Niet door op uzelf te zien, maar als ledige zondaren uit Zijn volheid te ontvangen; niet door op uzelf te vertrouwen of op uw eigen talenten, maar door uit te gaan tot Jezus en iets uit Hem in uw hart te ontvangen. Alleen dit kan ons vertroosting geven, en hoe meer wij daarvan hebben, hoe meer dit onze vertroosting zal vermeerderen.
Aan de lezer…
Soms zoeken wij onze vertroosting op de verkeerde plaats; waar hebt u de uwe gezocht? Hebt u gezocht in uw eigen staat, in uw vorderingen of in uw gevoel, en daar niets gevonden dan nieuwe redenen tot zorg? Dat kan ook niet anders, want er is geen vertroosting te verkrijgen door op uw gevallen staat te zien. Maar er is een vaste grond buiten u: het is ten enenmale onmogelijk dat God liege.
Hij heeft beloofd, en Hij heeft het met Zijn dure eed bevestigd, dat Hij wil verlossen en zegenen allen die de toevlucht nemen om de voorgestelde hoop vast te houden. Bent u dan zo’n vluchteling, zonder iets in eigen handen? Komt dan als een ledige zondaar tot Jezus en ontvang uit Zijn volheid. Hoe nietiger en onwaardiger u zich aan Zijn voeten voelt, hoe meer ruimte er is voor Zijn bloed en Zijn gerechtigheid. Daar alleen ligt de sterke vertroosting, en die zal niet wankelen, want Hij verandert niet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is, dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben; wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden.
Hebreeën 6:18
Nee, het is volstrekt onmogelijk dat God liegt. De aarde zou eerder vergaan en de hele schepping zou eerder tot een chaos kunnen terugkeren dan dat God zou kunnen liegen. Hij zou ophouden God te zijn, als er in Zijn heerlijke Godheid ook maar de minste schaduw van omkering of de minste verandering zou kunnen plaatsvinden. Maar het is onmogelijk dat God liegt. Daarin ligt dan ook de sterke vertroosting voor hen die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden.
En wat is de grond van deze sterke vertroosting? Dit is de grond: God heeft van eeuwigheid bepaald en bij Zichzelf gezworen dat Hij hen wil verlossen en zegenen die de toevlucht genomen hebben om de hoop vast te houden die in het Evangelie wordt voorgesteld. Dit is de grond van hun vertroosting, dit is de grond van hun hoop: God heeft die en die beloften gegeven en ze met Zijn dure eed bevestigd, zodat zij die de toevlucht nemen en deze hoop vasthouden, daar recht op hebben, en daarbij een heldere verzekering dat zij erfgenamen van de beloften zijn.
Hebt u ooit in uw leven geestelijke vertroosting gesmaakt? Zo ja, dan was dat doordat u de hoop kon omhelzen die u in het Evangelie werd voorgesteld. Er was geen vertroosting te krijgen door naar uw gevallen staat te kijken. Als er ooit enige ware vertroosting was, als er ooit enige hoop in uw hart opkwam, enige ware rust voor uw ziel, dan kwam dat voort uit de daden van het levende geloof dat het bloed en de gerechtigheid van Christus omhelsde. Het kwam doordat u iets van Zijn dierbaarheid smaakte, doordat u Zijn heerlijkheid en schoonheid aanschouwde, terwijl uw hart aan Zijn gezegende voeten wegsmolt in eigen nietigheid en onwaardigheid.
Niet door naar uzelf te kijken, maar door als lege zondaren uit Zijn volheid te ontvangen; niet door op uzelf of op uw eigen talenten te vertrouwen, maar door naar Jezus uit te gaan en iets van Hem in uw hart te ontvangen. Alleen dit kan ons vertroosting geven, en hoe meer wij daarvan hebben, hoe meer onze vertroosting zal toenemen.
Aan de lezer…
Soms zoeken wij onze vertroosting op de verkeerde plaats; waar hebt u de uwe gezocht? Hebt u gezocht in uw eigen staat, in uw vorderingen of in uw gevoel, en daar niets gevonden dan nieuwe redenen tot zorg? Dat kan ook niet anders, want er is geen vertroosting te krijgen door naar uw gevallen staat te kijken. Maar er is een vaste grond buiten u: het is volstrekt onmogelijk dat God liegt.
Hij heeft beloofd, en Hij heeft het met Zijn dure eed bevestigd, dat Hij allen wil verlossen en zegenen die de toevlucht nemen om de voorgestelde hoop vast te houden. Bent u zo’n vluchteling, zonder iets in eigen handen? Kom dan als een lege zondaar tot Jezus en ontvang uit Zijn volheid. Hoe nietiger en onwaardiger u zich aan Zijn voeten voelt, hoe meer ruimte er is voor Zijn bloed en Zijn gerechtigheid. Daar alleen ligt de sterke vertroosting, en die zal niet wankelen, want Hij verandert niet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“That by two immutable things, in which it was impossible for God to lie, we might have a strong consolation, who have fled for refuge to lay hold upon the hope set before us.”
Hebrews 6:18
It is utterly impossible for God to lie. The earth may be dissolved, and all creation reduced to chaos before God could lie. He would cease to be God if the faintest breath of a change, or the shadow of a turn should pass over the glorious Godhead. But it is impossible for God to lie. Therefore this holds out strong consolation for those that have fled for refuge to lay hold of the hope set before them.
And what is the ground of this strong consolation? This is the ground, that God has eternally determined and sworn by Himself—that He will save and bless those that have “fled for refuge to the hope set before them in the gospel.” This is the foundation of their consolation, this is the ground of their hope, that God has made such and such promises, and confirmed such and such promises by His solemn oath—that those who flee for refuge, and lay hold upon this hope, have a saving interest in and title to them, and have a manifest assurance of being “heirs of promise.”
Now, did you ever in your life feel spiritual consolation? If ever you did, it was by laying hold of the hope set before you in the gospel. There was no consolation ever got by looking at fallen SELF. If ever there was any true consolation, any hope raised up in the heart, any solid comfort, it came out of the actings of living faith, embracing the blood and righteousness of Christ, tasting a measure of His preciousness, seeing His glory and beauty, and feeling the heart in some measure dissolved into nothingness at His footstool.
Not looking at ourselves, but receiving as empty sinners out of His fullness; not trusting to ourselves, or our own attainments, but going to Jesus, and receiving something into our hearts out of Him. Nothing but this can give us consolation; and the more this is felt, the more this will give us “strong consolation.”
To the reader…
Sometimes we look for our comfort in the wrong place; where have you looked for yours? Have you searched in your own state, in your progress or in your feelings, and found nothing there but fresh reasons for anxiety? It cannot be otherwise, for there is no consolation to be had by looking at your fallen self. But there is a firm ground outside of you: it is utterly impossible for God to lie.
He has promised, and He has confirmed it with His solemn oath, that He will save and bless all who flee for refuge to lay hold upon the hope set before them. Are you such a fugitive, with nothing in your own hands? Then come as an empty sinner to Jesus and receive out of His fullness. The more worthless and unworthy you feel at His feet, the more room there is for His blood and His righteousness. There alone lies the strong consolation, and it will not waver, for He does not change.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para que por dos cosas inmutables, en las cuales es imposible que Dios mienta, tengamos un fortísimo consuelo, los que nos acogemos a trabarnos de la esperanza propuesta.
Hebreos 6:18
Es completamente imposible que Dios mienta. La tierra podría ser disuelta, y toda la creación reducida al caos, antes que Dios pudiera mentir. Dejaría de ser Dios si el más leve soplo de un cambio o la sombra de una variación pasara sobre la gloriosa Deidad. Pero es imposible que Dios mienta. Por eso esto ofrece un fortísimo consuelo a los que se han acogido a trabarse de la esperanza propuesta.
¿Y cuál es el fundamento de este fortísimo consuelo? Este es el fundamento: que Dios ha determinado eternamente y ha jurado por Sí mismo que salvará y bendecirá a los que “se han acogido a la esperanza que se les propone en el evangelio”. Este es el fundamento de su consuelo, este es el fundamento de su esperanza: que Dios ha hecho tales y tales promesas, y ha confirmado tales y tales promesas con Su solemne juramento; que los que se acogen y se traban de esta esperanza tienen en ellas parte salvadora y derecho a ellas, y tienen una seguridad manifiesta de ser “herederos de la promesa”.
Ahora bien, ¿ha sentido usted alguna vez en su vida consuelo espiritual? Si alguna vez lo sintió, fue trabándose de la esperanza que se le propone en el evangelio. Jamás se obtuvo consuelo alguno mirando al YO caído. Si alguna vez hubo verdadero consuelo, alguna esperanza levantada en el corazón, algún alivio sólido, provino de las acciones de la fe viva, que abraza la sangre y la justicia de Cristo, gusta una medida de Su preciosidad, ve Su gloria y hermosura, y siente el corazón en alguna medida deshecho en nada a Sus pies.
No mirándonos a nosotros mismos, sino recibiendo como pecadores vacíos de Su plenitud; no confiando en nosotros mismos ni en nuestros propios logros, sino yendo a Jesús y recibiendo en nuestro corazón algo de Él. Nada sino esto puede darnos consuelo; y cuanto más se sienta esto, más nos dará “un fortísimo consuelo”.
Al lector…
A veces buscamos nuestro consuelo en el lugar equivocado; ¿dónde ha buscado usted el suyo? ¿Ha escudriñado su propio estado, su progreso o sus sentimientos, y no ha hallado allí más que nuevos motivos de inquietud? No puede ser de otro modo, porque no hay consuelo que obtener mirando a su yo caído. Pero hay un fundamento firme fuera de usted: es completamente imposible que Dios mienta.
Él ha prometido, y lo ha confirmado con Su solemne juramento, que salvará y bendecirá a todos los que se acogen a trabarse de la esperanza propuesta. ¿Es usted uno de esos fugitivos, sin nada en sus propias manos? Venga entonces como pecador vacío a Jesús y reciba de Su plenitud. Cuanto más indigno y sin valor se sienta a Sus pies, más lugar hay para Su sangre y Su justicia. Solo allí está el fortísimo consuelo, y no vacilará, porque Él no cambia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl